![]()   |
 |
Deedee
Guido Eekhaut
Deedee holde haar adem achterna, haar lange lichaam als dat van een
spitse ree, voeten die het stof opwierpen, terwijl bij elke derde stap
een onderdrukte grom haar ontsnapte. Ze was te jong om gehinderd te
worden door vermoeidheid. Haar vingers spreidden zich bij het nemen
van een bocht rond de hoek van de veranda – kartelig en vermolmd hout
–, geoefend als ze was in het behouden van haar evenwicht, want hollen
kon ze als de beste. Indien er wedstrijden werden georganiseerd, dan
won ze beslist trofeeën en wimpels. Er werden echter geen wedstrijden
meer georganiseerd. Ze rende omdat ze het leuk vond. Of omdat ze gehaast
was.
Ze kwam een ogenblik lang tot stilstand in
een wolkje van bruinig stof, waaronder haar sportschoenen verdwenen.
Het gras aan deze zijde van het huis was weggeschroeid door de zomer.
Teken van de wisselende seizoenen, want met de regens van het najaar
en de herfst kwam het telkens weer terug.
Nu echter zou er geen herfst meer zijn.
Opnieuw kwam ze in beweging. Ze passeerde de
hordeur. Ze passeerde de afgedankte mahonie tuinstoelen die haar hadden
moeten herinneren aan het deel van haar jeugd dat voorbij was en niet
meer zou terugkeren, aan haar eerste zitpogingen en de verjaardagstaart
en de krulspelden en haar hemelsblauwe badpak. Tijd voor herinneringen
had ze echter niet, want achter in haar geest wist ze dat tijd niet
meer in oneindige hoeveelheden was uitgedeeld aan diegenen die jong
en onbekommerd waren.
Terwijl ze de binnendeur passeerde, die zelfs
met dit weer openstond, en de bekende oude geur van pannenkoeken en
koffie en jam opving, minderde ze vaart. Ze kende de gevaren die de
meubels in de keuken inhielden en wist ook dat de stenen tegels van
de vloer wel eens glad waren wanneer haar grootmoeder gekookt had.
Ze kwam tot stilstand bij de deur die naar
het salon leidde.
Zo bleef ze staan. Ze luisterde. Ze luisterde
naar stemmen aan de andere kant van de deur, stemmen die er haar voor
waarschuwden de volwassenen niet te storen terwijl ze in gesprek waren
over dingen die haar – Deedee, veertien zomers oud – niet aanbelangden.
Tenminste, dat was wat de volwassenen hadden besloten. Zelf had ze daar
andere ideeën over.
Ze was op de hoogte van al de geheimen van
volwassenen. De gefluisterde gesprekken ’s avonds bij de krullende vermiljoenen
vlammen van het houtvuur en de onderdrukte woorden van haar moeder en
haar grootmoeder en de korte, soms radeloze gesprekken langs de telefoon.
Ze wist waarover volwassenen praatten.
Ze wist ook waarover volwassenen niet praatten.
Over de mensen die er plots niet meer waren, die vertrokken waren of
gewoon verdwenen, over de mensen die het niet meer aankunnen,
zoals moeder dat met een nauwelijks ingehouden zucht zei. Over de mensen
die kwaad wilden worden, maar niet wisten op wie ze kwaad dienden te
zijn, of waarom. Over de mensen die overal de hand van God in zagen.
Over de vreemde fenomenen en het ongewone weer.
Deedee luisterde, maar aan de andere kant van
de deur klonken er geen stemmen. Misschien zat moeder alleen in het
salon, een boek te lezen. Of gewoon maar naar buiten te kijken.
Ze opende voorzichtig de deur. Het salon was
leeg. De fauteuils en de brede, donkere sofa stonden erbij als afgedankte
huisdieren die lang geleden vuur en passie hadden gekend, maar nu gestold
waren uit afkeer voor de onverschilligheid waarmee mensen hen behandelden.
Ze schoof door de kier en liet de deur weer
dichtvallen. In het salon was het stoffig, maar het was overal stoffig.
Stof is wat in deze wereld het meest voorkomt, zei haar moeder. Soms
wordt het weggespoeld door regen of door tranen, maar meestal is het
er gewoon, en het blijft liggen waar het neervalt. Stof is onvermijdelijk.
Wee diegene die denkt dat stof weggehaald kan worden. Stof laat zich
niet verwijderen of weghalen. Uiteindelijk, zei moeder, zal er alleen
maar stof overblijven.
Of zelfs dat niet, voegde ze eraan toe.
Deedee doorkruiste omzichtig het salon. Ze
wilde de sluimerende huisdieren niet wekken hoewel dat gevaar niet erg
acuut was. Veeleer wilde ze niet méér stof opjagen. Ze
schuifelde de gang in, vanwaar ze uitzicht had op de straat en op de
huizen aan de overkant. Maar veel aandacht had ze daar niet voor. Ze
beklom snel de trap, vermeed de plekken waar het hout het meest kraakte
en kwam op de overloop terecht, waar het verschoten bruine kleedje altijd
al een zorg voor haar was, sinds die ene keer toen het onder haar voeten
was weggegleden en ze haar enkel had gebroken.
Voorzichtig nu. Zoveel haast was er ook weer
niet. De voorbije zes maanden had Deedee zich met het huis verzoend.
Ze kende het natuurlijk wel van vroeger: grootmoeder woonde er sinds
de dood van haar man, ruim tien jaar geleden. Deedee was er eerder al
op bezoek geweest. Ze had er de konijnen, de kippen en de schapen gevoederd.
Ze had verbaasd naar de velden met wuivende koren gekeken, en naar de
bijna platte streep van de einder. Zes maanden geleden waren zij en
moeder vanuit de stad hier naartoe gekomen. Het leek veiliger op het
platteland dan in de stad, vond moeder.
De deur van haar kamer was de laatste achter
in de gang. Hij kon, net als de andere, een laag verf gebruiken. Niet
dat het haar wat uitmaakte, ze vond de deur wel mooi zoals ze was, verweerd
en oud. Het hele huis was verweerd en oud. Vroeger klaagde moeder daar
vaak over, dat het huis zo slecht onderhouden was. Nu maakte het niets
meer uit.
De kamerdeur achter zich gesloten, in haar
eigen wereldje. Poppen, boeken, stripverhalen, puzzels, posters, kaarsen,
deken op het bed, kussens daar bovenop, het verschoten behang, de tegen
de zon grotendeels dichtgetrokken overgordijnen, de schaaltjes met wierookkegeltjes
op het kleine bureau tegen die ene muur, twee cactussen in gele potjes,
een kadertje met foto’s van moeder en grootmoeder.
Ze wist niet meer waarom ze zich zo gehaast
had.
Er was iets wat haar gedreven had, alsof de
wereld zelf haar had bedreigd, maar ze wist niet meer wat het was. Misschien
gewoon omdat ze ervan hield in beweging te blijven in een wereld die
stil was komen te staan. Ze kon hem misschien weer opnieuw in beweging
krijgen, door hard te lopen.
Ze plofte neer op het bed. De overgordijnen
lieten een smalle balk scherp licht binnenvallen die over de vloer liep
en de kamer in twee ongelijke stukken verdeelde.
Het amuseerde haar dat de natuur geneigd leek
geometrische patronen te scheppen, alsof hij iets wilde beginnen tegen
de chaos van het stof.
Ze herinnerde het zich nu weer: Camille had
haar verteld over haar broer, die de dag ervoor vertrokken was, zomaar,
misschien de woestijn in, ze wisten het niet, maar hij was alleszins
wég. Hij was vertrokken, zonder iets te zeggen of zonder plannen
te maken. Hij had geen kleren meegenomen, of boeken, of geld.
Hij was verdwenen.
Deedee had haar arm om de schouders van haar
vriendin gelegd, maar ze had geen woorden van troost gevonden. Ze kon
dat niet, troosten. Ze wist wel hoe, maar ze kon het gewoon niet. En
het leek ook niet écht nodig. Camille leek niet treurig, veeleer
berustend. Alsof haar broer dat had moeten doen.
Dat had Deedee aan moeder willen vertellen.
Had ze zich daarom zo moeten haasten? Allicht niet. Het nieuws liep
niet weg. Het werd alleen maar onbelangrijk. “Alles is onbelangrijk
geworden,” zei haar moeder.
Zo zat ze op haar bed, dat ze plichtbewust
elke ochtend opmaakte. Enkele momenten kropen voorbij, gingen voorgoed
verloren. Ze dacht daar niet vaak over na, over de tijd die voorbij
ging en niet meer opnieuw kon gebruikt worden. Ze was geneigd te doen
wat moeder haar vroeg of van haar verlangde, en verder haar boeken te
lezen, wierook te branden en haar kamer zoveel mogelijk stofvrij te
houden.
Het is geen stof, dacht ze. Het is zand. Uit
de woestijn. De woestijn is gewoon te dichtbij.
Buiten klonk er een geluid, dat ze vaagweg
herkende. Ze kwam overeind en duwde de overgordijnen wat verder uit
elkaar. Moeder stond vóór het huis. Ze keek naar het ene
eind van de straat, in de richting van het dorp, alsof ze op iemand
wachtte. Misschien had ze gehoord over de broer van Camille en verwachtte
ze hem te zien terugkeren. Maar dan keek ze wel de verkeerde richting
uit.
Er was nog iets wat Deedee zo hollend had doen
teruglopen naar huis. Toen Camille haar vertelde over haar verdwenen
broer, zag Deedee hoe een Bezoeker vanuit een schaduw in de achterkamer
te voorschijn stapte, achteruit week en het huis verliet langs de veranda
aan de achterkant.
Ze dacht er even aan het raam te openen en
moeder te roepen, maar ze deed het niet. Ze wilde nog even alleen zijn.
Alléén. Wat haar nog maar zelden
gegund werd. Moeder en grootmoeder konden het niet hebben dat ze alléén
was. Onder deze omstandigheden – zoals dat discreet heette,
alsof die omstandigheden zich ooit zouden wijzigen – mocht niemand nog
alleen zijn. Eenzaamheid werd … nooit afgekeurd, maar vermeden,
omdat je dan aan dingen dacht die je beter vermeed. “We hebben elkaar
nodig,” zei grootmoeder. “We moeten elkaar steunen.” Deedee beschouwde
haar grootmoeder niet als ouderwets, dat niet, maar ze had weinig op
met dat wanhopige zoeken naar onderlinge steun.
Wanhopig? Was grootmoeder wanhopig?
Neen, dacht Deedee, grootmoeder zal uiteindelijk
van ons allemaal de meest sterke blijken te zijn. Omdat ze al zoveel
leven heeft gehad. Omdat ze al zoveel verleden heeft.
Buiten bleef moeder in de verkeerde richting
kijken, haar blonde krullende lokken zachtjes wapperend in de hete,
stoffige bries. Deedee wilde op haar moeder lijken. Ze sloot even de
ogen omdat ze, tegen haar zin, wilde huilen.
Ze zou nooit op haar moeder lijken. Ze zou
nooit oud genoeg worden om op haar moeder te lijken.
Ze zou schipbreuk lijden tijdens haar jeugd.
Toen ze haar ogen weer opende merkte ze dat
moeder nu bij de haag stond en haar hoofd traag van de ene naar de andere
kant bewoog, nog steeds alsof ze op iemand wachtte.
Misschien wachtte ze op een Bezoeker.
Moeder droeg een beige pantalon met zakken
op de dijen, en een dik katoenen mannenhemd waarvan ze de mouwen tot
aan de ellebogen had opgerold. Deedee vergeleek haar eigen magere voorarmen
met die van haar moeder die pezig, strak en gebruind waren. Ze hakte
hout voor de kachel en verzorgde de geiten en gaf de kippen en de konijnen
te eten en onderhield de moestuin. Soms hielp Deedee haar daarbij, maar
moeder maakte daar nooit een punt van. Grootmoeder heerste in de keuken,
waar ze soep maakte, brood bakte, stoofpotten bereidde, de geitenmelk
kookte en in flessen goot, pannenkoeken en cake maakte. “Is het niet
ironisch dat we nu de kwaliteiten van zelfbereid voedsel opnieuw hebben
ontdekt?” zei ze.
En eindeloze hoeveelheden thee en hete chocolademelk.
“De voorraad thee en cacaopoeder is ruim voldoende,” zei ze. Het klonk
geruststellend. Een apocalyps, vergezeld van eindeloze hoeveelheden
thee en chocolademelk.
Deedee verbaasde zich niet om de hardnekkigheid
waarmee moeder bij de haag stond, links en rechts kijkend alsof ze haar
eigen territorium overzag. Ze kende die hardnekkigheid, die haar moeder
ertoe aanzette tijdens de winter buiten hout te staan hakken. Dezelfde
hardnekkigheid welke ze zag in de blikken van alle volwassenen.
Maar dit was anders.
Dit was afwachten.
Precies wat ook iedereen deed. Afwachten. Op
wat onvermijdelijk zou komen.
Moeder hief haar linkerarm op en streek haar
haren naar achteren. Het was zo’n banaal gebaar, dat Deedee zich een
ogenblik lang verzoend voelde met haar lot. Een lot dat, in de meest
bijzondere betekenis, niet haar lot was, maar het lot van de hele mensheid.
En meteen gleden haar gedachten af naar de broer van Camille. Het is,
dacht ze, een zegen dat sommigen verdwijnen, zodat we ons nog méér
zorgen kunnen maken om hun lot dan om wat ons te wachten staat. Het
is, dacht ze, een zegen dat er banale gebaren zijn die ons van het normale
alledaagse van de wereld overtuigen, voor zolang die wereld nog bestaat.
Maar zelfs dan, op dat ogenblik, slaagden geen
van beide gedachten erin haar de gemakkelijke energie terug te geven
die ze zonet gevoeld had, toen ze naar het huis toe holde, met twee
of drie dringende gedachten in haar hoofd en niets méér
dan dat, bevrijd – tijdelijk toch – van alle doemdenken over het lot,
het hare en het collectieve.
Het licht dat door de nu grotendeels geopende
overgordijnen viel, werd langzaam grauw en diffuus, aankondiging van
het onoverkomelijke feit dat weerom een dag ten einde was. Welke dag
dat was geweest wist Deedee niet. Zoals zovele mensen hadden moeder
en grootmoeder maanden geleden al besloten alle kalenders en agenda’s
weg te doen, alles waarmee het verloop van de dagen kon worden afgeteld.
Alleen enkele hardnekkigen behielden kalenders en almanakken en agenda’s
en zelfs dagboeken, alsof ze daarmee dat uiteindelijke moment, waarop
het leven voor de hele mensheid en de hele planeet zou ophouden te bestaan,
wilden uitdagen zich te bespoedigen of zich alleszins op tijd te vertonen.
Alsof ze de Laatste Dagen wilden documenteren
voor een toekomst die niet meer zou bestaan.
Dat ontbreken van kalenders etcetera was zo
algemeen verspreid, dat mensen geen afspraken meer maakten vérder
dan twee dagen. Morgen en overmorgen, dat werkte nog wel, maar daarna
werden geen pogingen meer ondernomen. Met een scherp en ongenadig scheermes
was zelfs dat bescheiden deel van de toekomst weggesneden.
Een eind verderop, waar het dorp lag, ontstaken
zich minuscule glitters licht. Deedee hoorde iemand beneden in de keuken
met gerei rammelen. Grootmoeder. Het huis, dat tot dan toe stil was
geweest, kwam tot leven. Het rook er plots naar soep. Buiten gleed het
licht steeds verder weg, tot achter de horizon. Of tot achter een fictieve
plek waar de horizon hoorde te zijn.
Er was geen hard zonlicht meer dat de vloer
van haar kamer in twee stukken verdeelde.
Ze kwam overeind. Haar blik viel op haar bestofte
sportschoenen die ooit wit waren geweest, maar nu een bruin en beige
camouflagepatroon vertoonden. Als het uniform van de soldaten die waren
uitgestuurd om de openbare orde te bewaren maar die allang hun uniform
en wapens hadden achtergelaten en naar huis waren gegaan. Zelfs hun
officieren hadden niets ondernomen om hen tegen te houden.
De openbare orde werd zelfs zonder hen door
niets verstoord.
Zou ze de moeite doen die sportschoenen weer
wit te krijgen?
Het zou een nutteloze bezigheid zijn, maar
niet méér nutteloos dan al het andere. Het zou niet méér
nutteloos zijn dan de soep die grootmoeder twee keer per week maakte.
Het zou niet méér nutteloos zijn dan het hout dat moeder
voor de kachel hakte. Het zou niet méér nutteloos zijn
dan alle kunstwerken en boeken en gebouwen die de mensheid ooit had
bedacht.
Zo dadelijk, binnen een uurtje of zo, zouden
de sterren zichtbaar worden. Dat was het voordeel van ver van steden
verwijderd en in de nabijheid van een woestijn te leven: dat de dag
snel in de nacht overging, en dat je zoveel sterren kon zien.
Maar ze had horen vertellen dat de steden na
zonsondergang nu ook heel donker waren, omdat er bijna nergens nog elektriciteit
was.
Ze gooide de overgordijnen helemaal open en
verliet haar kamer.
2.
Beneden begroette grootmoeder haar met het neutrale hallo dat ze tijdens
de voorbije weken en maanden had geboetseerd tot een boodschap die troost
en steun inhield. Die boodschap hield in dat het leven op een zo normaal
mogelijke manier diende geleefd te worden. Alleen zó kon de demonische
wanhoop buiten hun wereld gehouden worden. Alles moest normaal zijn,
er was geen alternatief. Vandaar ook het verdwijnen van kalenders: de
dag van het Einde zou zich op die manier niet aangekondigd weten. Er
zou niet naar uitgekeken kunnen worden. Grootmoeder – en met haar zoveel
andere mensen – wilde erdoor verrast worden, zoals ze tijdens haar leven
vaker was verrast geweest door willekeurige, onverwachte gebeurtenissen.
Dus kookte ze twee keer per week soep, maakte stoofschotels en pizza,
pannenkoeken en cake, en plande slechts twee dagen vooruit. De Dag des
Oordeels zou ook haar overvallen.
Of liever plande ze helemaal niet vooruit, meende Deedee. Liever dreef
grootmoeder, die bijna helemaal uit verleden bestond, niet mee richting
toekomst. “Ik maak me geen zorgen om de voorraden,” zei ze op een dag
gedempt tot moeder. Alsof de voorraden ruim de houdbaarheid van de mensheid
overschreden. Wat waarschijnlijk het geval was.
Deedee ging meteen aan de tafel in de keuken zitten. Sinds enige maanden
werd er niet meer in de eetkamer gegeten – tenzij er iemand op bezoek
kwam, wat zelden gebeurde.
“Ben je allang terug?” vroeg grootmoeder, met haar rug naar Deedee en
naar de tafel. Ze zei het op een toon die klonk alsof ze al haar aandacht
nodig had voor de stoofpot. De soep stond al in een kom op tafel te
dampen.
Moeder kwam naar binnen, blond haar stoffig en verwaaid. Ze wierp een
korte blik op Deedee en op haar moeder, en trok een keukenstoel achteruit.
“Hulp nodig?” vroeg ze.
“Lukt wel,” zei grootmoeder. Het klonk neutraal zoals steeds, maar de
twee woorden waren méér met bijbetekenis geladen dan twee
volzinnen.
Moeder ging zitten. “Jij was weer onvindbaar,” zei ze tot Deedee.
“Ik was bij Camille.”
De volwassenen, wist Deedee, vermeden te praten over alles wat naar
enige vorm van evolutie verwees. Ze wilden niet weten hoe het met iemands
gezondheid gesteld was, en kinderen werden ook helemaal niet meer aan
de school herinnerd.
“Haar broer is verdwenen,” zei Deedee.
Moeder wierp opnieuw een korte blik op haar, en dan voelde Deedee zich
een beetje schuldig, alsof ze had moeten weten dat elke nieuwe verdwijning
de volwassenen een schuldgevoel gaf. Dat behoorde ze te weten. Ze begreep
het echter niet. Telkens er iemand verdween, leken de volwassenen de
lippen en kaken stijf opeen te zetten. Alsof er een samenzwering was.
“Hij is gewoon weggegaan,” vervolgde ze. “Zomaar.”
Ze had ondertussen geleerd niet te vragen naar het waarom.
Waarom was een vraag die iedereen in alle opzichten vermeed. Niet alleen
in verband met de verdwijningen.
Moeder had de soep uitgeschept, ze sneed stukken brood af, grootmoeder
kwam bij hen aan tafel zitten.
“Vroeger werd er aan tafel gebeden,” zei grootmoeder.
Maar ze deden het niet.
“Camille denkt dat haar broer de woestijn is ingetrokken,” zei Deedee.
“Toen ik bij haar thuis was, zag ik een Bezoeker weggaan. Misschien
zijn er altijd Bezoekers in de buurt wanneer mensen verdwijnen.”
“Mensen verdwijnen omdat ze dat zelf zo verkiezen,” zei grootmoeder,
met een blik op moeder. Een blik die leek uit te dagen het tegendeel
te beweren. “Zo is het met de wereld gesteld. Het heeft niets met de
Bezoekers te maken.”
Deedee hield haar lepel in haar soep stil. “Waar komen de Bezoekers
vandaan?” Grootmoeder bleef soep eten, moeder sneed nog een stuk brood
af. Deedee had tijdens de voorbije maanden de vraag al twee keer gesteld,
doch telkens stilte geoogst. Het was een samenzwering. De volwassenen
wisten het antwoord op deze vraag maar wilden het de kinderen besparen,
vermoedde ze. Of ze wisten het antwoord niet.
Wat was het ergste? Dat ze deze wetenschap opzettelijk onthouden werd,
of dat niemand in staat was haar de waarheid te vertellen?
Nadien werd er afgeruimd, met enkele korte instructies en plichtplegingen,
en tijdens de afwas – waarbij Deedee zoals steeds het vaatwerk en de
glazen in de kasten wegborg – spraken moeder en grootmoeder slechts
over onbenulligheden. Praatjes over mensen in het dorp. Praatjes over
het weer, over de klussen in en rond het huis.
Ze dacht – maar durfde het niet luidop te denken – ik loop weg.
Maar ze deed dat niet – weglopen.
Daarom dook ze ‘s avonds met de neus in haar boeken en stripverhalen,
om bevrijd te zijn van die wereld waarin mensen en ideeën spoken
waren geworden en waarin alles wat zin en betekenis had als gespreksonderwerp
vermeden werd. De mensen leefden voor het moment zelf, vermeden de toekomst
maar vermeden ook zoveel mogelijk het verleden, dat slechts kan bestaan
wanneer er een toekomst is.
Ze opende het raam van haar kamer en liet de koele nachtlucht binnen.
Eén van de weinige aangename aspecten van de woestijn was de
starre, droge maar koele nachtlucht. Er gingen verhalen over hoe dode
mensen op natuurlijke wijze gemummificeerd werden in de woestijn.
Ze keek naar buiten. Aan de horizon bewoog een lichtstip in de lucht.
Een traag maar zelfzeker object volgde een traject langs de einder.
Een vliegtuig, dacht ze. Behalve dat er geen vliegtuigen meer vlogen.
Mensen reisden niet meer. Ze hoefden nergens meer naartoe.
De situatie tussen moeder en grootmoeder benauwde haar. Moeder en grootmoeder
– die een verleden deelden dat Deedee onthouden werd – spraken niet
meer over de problemen die er ooit geweest waren. Elke keer ze met elkaar
spraken, leek hun leven vals te zijn, of beter: vervalst. Ze leken een
ongemakkelijk bestand in ere te houden.
3.
Ze dacht aan die hemelse lichtstip toen ze, enkele uren later, nog
steeds niet kon slapen. Ze had een boek zitten lezen in het salon, daarna
op haar kamer. Een avonturenverhaal, iets uit een andere wereld. Een
wereld die zo bizar was als de woestijn, met een lichtstip erboven.
Een vliegtuig?
Ze had geen geluid gehoord. Het lichtje was te veraf geweest.
Omdat ze niet kon slapen kwam ze overeind en stapte uit het bed. Ze
zette zich neer op de vensterbank. Hard maanlicht had het landschap
opnieuw getekend en ingekleurd, maar alleen in zwart, grijs en wit.
Het leek iets uit een surrealistische tekenfilm, ooit op televisie gezien.
De wereld naderde zijn einde als een karikatuur van zichzelf.
Waarom had ze zich eerder op de dag zo gehaast? Wat was er zo dringend
geweest? Wat kon er ooit nog dringend zijn? Een verdwijnen, waar uiteindelijk
niemand zich nog om bekommerde. En de Bezoeker, in het huis van Camille.
Een Bezoeker. Niets was minder ongewoon dan de Bezoekers die in het
dorp rondliepen. De voorbije zes maanden had iedereen tijd genoeg gehad
om zich aan hen te wennen.
Was het al zes maanden?
Het was inderdaad al zes maanden.
Toen ze voor het eerst opdoken had Deedee meteen willen weten wie ze
waren, waar ze vandaan kwamen. Ze vroeg het aan moeder en aan grootmoeder
maar kreeg geen antwoord. Er bleken geen antwoorden te zijn. Zelfs de
vragen klonken vreemd en ontoepasselijk. Ze sprak er Camille op aan.
“Niemand weet waar ze vandaan komen,” zei Camille. “Er wordt gepraat,
dat het Engelen of buitenaardsen zijn …” Ze giechelde erom. Camille
bezat niet veel verbeelding. Ze kon niet begrijpen dat er véél
kon bestaan tussen Engelen en buitenaardsen in. Camille had zelfs te
weinig verbeelding om bang te zijn voor de eeuwige nacht. Ze was pienter
genoeg, Camille, maar het ontbrak haar aan verbeelding.
Misschien niet zo erg, dat gebrek. De meeste mensen die probeerden een
normaal leven te leiden, leken weinig verbeelding te hebben. Gebrek
aan verbeelding leek, in deze oude wereld, de beste verdediging tegen
wanhoop.
4.
Ze schopte bedachtzaam naar het spichtige, schriele en vooral halfdode
gras. Gras dat geen dieren meer kon voederen, ook al omdat het verraderlijk
scherp was. Haar gedachten bleven hangen bij de geiten. Kleurloze dieren
die te mager waren, ook al zorgde moeder goed voor hen. Amechtige beesten
die zonder spijt hun lot aanvaardden. Amechtige beesten, die niet hoefden
getroost te worden, die evenmin een verleden hadden dat op het spel
stond. Al las je in hun diepe, onbegrijpende ogen een melancholie die
ze aan de mens leken ontstolen te hebben. Ze had geen gevoelens voor
de geiten. Maar ze was bang. Ze was bang dat ze binnenkort ook geen
gevoelens meer zou hebben voor mensen.
“Je weet zijn naam niet?” vroeg Tim.
Deedee schudde het hoofd. “Vergeten.”
“De broer van je vriendin!”
“Hij was ouder dan wij. We praatten niet veel over hem. Hij was niet
vaak in de buurt. En ik ken haar nog maar kort.”
Ze bleef moedwillig tegen het weerloze gras trappen.
“Weet jij het?” vroeg ze.
“Wat?”
“Waarom mensen verdwijnen.”
Hij haalde de schouders op. “We zouden het er niet over hebben.”
“Oh,” zei ze.
“Kom,” zei hij, en ze wandelden door het veld tot voorbij de verlaten
graansilo’s en de diepe sporen die de tractoren in de bodem hadden gemaakt,
en ook voorbij de gedeukte pantserwagen die de militairen hadden achtergelaten.
Tim was zestien. Hij had ogen en verbeelding vol met ideeën over
de wereld en over de rest van de schepping. Hij was het soort van jongen
die ’s nachts met het hoofd in de nek naar sterren staat te kijken.
En die zich afvraagt hoe die sterren daar komen.
“Wanneer wij er niet meer zijn, zullen de sterren er dan nog wel zijn?”
had hij Deedee enkele maanden eerder gevraagd.
Een domme vraag, wat haar betrof. Sterren waren oneindig, dat wist iedereen.
Alleen mensen waren niet oneindig. Maar hun gedachten, en hun ideeën,
waren die oneindig? Konden die overleven – ook wanneer er geen mensen
meer waren? Was het de taak van de Bezoekers om alles wat mensen ooit
gedacht hadden te redden?
Hoewel Tim ouder was dan zij, was zij diegene die leidde, langs de lege
en dorre weiden, twee vervallen schuren aan hun linkerkant.
Ze geloofde dat Tim verliefd op haar was, maar dat hij met dit gevoel
nog in het reine moest komen, alsof het een ervaring vereiste die hij
in de gegeven omstandigheden niet meer zou kunnen opbrengen.
Ze bereikten een lage heuvel, die bekroond werd door een verzameling
droge struiken. Deedee wuifde met de linkerhand naar Tim en ging gebukt
verder lopen. Ze bereikten de struiken en verscholen zich daarachter.
Het leek een spelletje. Misschien was het dat ook. Deedee had zich wel
vaker achter deze struiken verscholen toen ze nog een kind was – zoektochten,
fantasieën over weggelopen prinsessen, verzonnen verhalen over
monsters, verstoppertje. Een tijd waarin alles mogelijk was, de magische
jaren van verbazing en halfgeloofde verzinsels.
Nu met Tim. Tim, die ook onderdeel was geweest van het gezelschap dat
wonderen had gezocht. Maar hij, ouder, altijd met véél
meer verbeelding en tegelijk méér zin voor de realiteit.
Verscholen achter de struiken keken Deedee en Tim uit over een langgerekt
dal waarin zich een half dozijn huizen bevond. Ruïnes, eigenlijk,
jaren geleden in de steek gelaten door hun bewoners.
“Niets te zien,” fluisterde Tim. “De moeite
niet waard.” Hij durfde niet te zeggen: allemaal verloren tijd,
want dat was één van die uitdrukkingen die iedereen probeerde
te vermijden. “Laten we teruggaan.”
“Nog even wachten,” zei Deedee.
Tim draaide zich om en ging op zijn rug liggen. De zon was maar pas
op maar het werd al gauw warm. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en
probeerde naar de lucht te kijken. Die lucht zag er eigenaardig uit,
vond hij: wolkenloos maar toch niet blauw. Veeleer een verdacht soort
van groen. “De lucht is groen,” zei hij. “Is dat toeval? Moeten we daar
bang voor zijn?”
“We hoeven nergens bang voor te zijn,” zei Deedee.
“Oh,” zei hij. “Absoluut nergens?”
“Neen, dacht ik.”
“Ik ben wél bang,” zei hij.
Het verbaasde haar niet dat hij dit toegaf. Hij was niet zoals de andere
jongens. Die zich flink hielden. “Je bent bang,” constateerde ze.
“Jij niet?”
“Waarvoor?”
Hij keek haar aan, een beetje verbaasd en een
beetje kwaad. Dan maakte hij een breed gebaar met de linkerarm dat alles
omhelsde, de hele wereld en het hele universum.
“Oh,” zei ze.
“Ja,” zei hij, “oh. Ik wil er wel
over praten, indien het je niet stoort. Ik heb meer en meer een hekel
aan de volwassenen, die het hele grote onderwerp vermijden als de pest.
Erger dan de pest, want iedereen gaat dood. De komende wereldramp,
het finale gebeuren. Ik wil er wel over praten.”
“Het haalt niets uit.”
“Ik weet het. We sterven allemaal.
De hele wereld gaat ten onder. Alles verdwijnt. Maar laten we er vooral
niet over praten, want dan raken de mensen van streek.”
“Je bent bang,” zei ze.
“Natuurlijk. Ik had gehoopt eeuwig te leven.”
“Eeuwig bestaat niet.”
Hij ging een beetje overeind zitten, steunend op één elleboog.
“Toch wel.”
“Ja?”
“Natuurlijk bestaat eeuwig. Of bijna toch.”
“Zoals?” vroeg ze.
“Zoals Michelangelo, de Egyptische piramiden, de Chinese muur.”
“Dat is niet hetzelfde.”
“Hetzelfde als wat?”
“Als eeuwig,” zei Deedee.
“Nou, bijna toch. Dingen die honderden jaren bestaan hebben, duizenden
zelfs. Maar nu is dat allemaal afgelopen. Gedaan met de eeuwigheid.
Wanneer er geen mens meer overleeft, is alles nutteloos geworden.”
Deedee haalde de schouders op, terwijl ze naar
de gebouwen bleef kijken. “Eeuwig is echt heel lang. Mensen
kunnen niet begrijpen wat eeuwig betekent. Het duurt langer dan het
hele universum heeft bestaan.”
“Zie je al iets?” vroeg Tim.
“Neen. Dertien miljard jaar?”
“Wat?”
“De leeftijd van ons universum? Zoiets? Dertien miljard jaar?”
Hij herinnerde zich het exacte getal niet. “Iets dergelijks. Wat is
je punt?”
“Dat zelfs zo’n lange periode, die wij ons niet kunnen voorstellen,
nog altijd niet in de buurt komt van de eeuwigheid. Terwijl het hele
universum beslist nog wel eens een extra dertien miljard jaar kan meegaan.”
“Heel lang dus.” Tim was loom. Het leek hem teveel moeite om over tijdspannen
van miljarden jaren na te denken. Zinnig leek het hem alleszins niet.
Een mens leeft vijftig of honderd jaar, wat maakten dan de rest van
de dertien miljard jaren uit? Hij probeerde zich voor te stellen wie
hij zou zijn en wat hij zou doen op vijftig, of honderd, maar dat was
zinloos dagdromen want die leeftijd zou hij niet bereiken.
Een diepe, pijnlijke angst beukte tegen zijn middenrif. Niet het sterven,
wat onvermijdelijk was, maar het idee dat er geen herinnering en geen
verleden meer zouden zijn. Niet de diepte in ruimte en tijd van de kosmos
greep hem aan, wel de absolute eindigheid van zijn eigen leven. De angst
was zo intens dat hij er fysiek misselijk van werd. Maar heel snel ook
weer verdwenen, want nutteloos. En ook omdat Deedee vlak achter hem
gehurkt zat, ze mocht er niets van merken.
“Hoelang blijven we hier?” vroeg hij.
Toen ze niet antwoordde ging hij rechtop zitten en keek naar de huizen.
Er was niets te zien.
“Spoken,” zei hij.
“Ze zijn écht,” zei Deedee.
“Jawel. De Bezoekers zijn écht. Maar jij ziet spoken. Waarom
zouden de Bezoekers zich hier verschuilen? Waarom zouden ze zich érgens
verschuilen? Niemand doet hen wat.”
“Dat is niet helemaal waar,” zei Deedee. In het begin, toen de Bezoekers
er pas waren, vlak nadat alles bekend was geworden over de komende wereldramp,
hadden ze te maken gehad met vijandige meutes, aanslagen zelfs, veel
negatieve emotie. De mensen waren toen radeloos geweest. Maar het was
allemaal voorbij gegaan.
“Je hebt nog niets gezien?” vroeg hij.
“Neen. De plek lijkt verlaten.”
“Of hoop je de broer van Camille te vinden?”
“Misschien. Niets is onmogelijk.”
“Hij is weggelopen, Deedee. Niemand die wegloopt komt nog terug.”
“Verdwenen,” zei ze, pinnig.
“Verdwenen? Nou, en? Wat is het verschil?”
“Dat hij niet uit eigen beweging wegging. Dat is het verschil.”
“Dat wéten we niet.”
“Natuurlijk ging hij niet uit eigen beweging weg. Waarom zou hij?”
“Er zijn mensen die hun eigen einde uitkiezen, veeleer dan te blijven
wachten …”
Deedee keek Tim kwaad aan. “Zoiets moet je zéker niet tegen Camille
zeggen.”
“Neen,” gaf hij toe. “Dat doe ik uiteraard niet.”
“Want dan maak je het helemaal moeilijk voor haar.”
“Oké,” zei hij.
“Ze gelooft dat hij werd ontvoerd. Door de Bezoekers misschien. Of dat
hij de woestijn introk om er alleen te zijn.”
Ook nu wilde hij een uitdrukking gebruiken
die al een tijdje taboe was – of dan wel niet taboe, maar die alleszins
getuigde van slechte smaak. We verliezen hier onze tijd had
hij willen zeggen.
Hij kwam helemaal overeind. “We gaan gewoon even kijken,” stelde hij
voor.
Deedee schudde het hoofd. “Dat lijkt me niet verstandig.”
“Wat maakt het uit? Wat kunnen ze ons doen?”
“Het lijkt me niet verstandig. Gewoon maar.” Ook zij kwam overeind.
“Ga maar, indien je zin hebt. Voor mij hoeft het niet.” En zonder op
zijn reactie te wachten liep ze weer de heuvel af, richting dorp.
5.
Een kwartiertje later stond ze met Tim tegen een wrakke schutting geleund,
die een zandweg scheidde van een erf dat op enkele schrale kippen na
verlaten leek. Deedee herinnerde zich hoe ze als kind tegen diezelfde
schutting leunde, en tussen de spleten de schapen aan de andere kan
kon zien. Wereldvreemde dieren die sterk roken en achterlijke geluiden
maakten. Domme dieren die met niets te verleiden waren.
Als kind had ze het sterke vermoeden gehad
dat schapen elders vandaan kwamen, van een andere wereld, omdat ze niet
naar mensen wilden luisteren, niet wilden gehoorzamen zoals de meeste
andere getemde dieren wél deden. Van een andere wereld waar schaap-zijn
heel gewoon was, en schapigheid een alom gekende en gewaardeerde
eigenschap. Een wereld die zij zich niet kon voorstellen, in de eerste
plaats omdat ze zelf geen schaap was, en waaruit schapen ruw waren weggerukt
om vervolgens de mens te moeten dienen, met hun vacht en met hun vlees,
en ook zó dat de mens zich superieur kon voelen.
Dat vreemde idee was haar een hele zomer bijgebleven, toen ze zeven
of acht was geweest.
Nadien waren de Bezoekers gekomen, en dat herinnerde Deedee aan haar
fantasietje over schapen.
Nu voelde ze het hete, rauwe hout van de schutting tegen haar rug. De
kippen aan de andere kant waren allicht wild en half verhongerd. De
schapen waren lang verdwenen. Net als haar kindertijd.
Alleen de heel jonge kinderen hadden nog een kindertijd. De andere waren
tijdens het voorbije jaar heel snel volwassen geworden. Samen met de
volwassenen hadden ze geleerd af te wachten.
Tim keek de hele tijd al opzettelijk niet haar richting uit. Boos, veronderstelde
ze. Niet dat hij daar reden toe had, vond ze. Kon zij het verhelpen
dat hij niet écht dapper was? Of de leeftijd van het heelal niet
kende?
“Tim,” zei ze.
“Mmm …”
“Het spijt me.”
Hij keek haar aan. Zich verontschuldigen kostte haar niet écht
moeite ook al was het niet helemaal gemeend. Maar door haar ongelijk
toe te geven, hoe impliciet ook, hield ze de bovenhand. En zelfs dat
was, nu nog steeds, belangrijk.
Tim leek niet in staat zich te kunnen vervelen.
Hij kon een uur lang tegen een schutting geleund staan en helemaal niets
doen. Hij leek in staat gewoon aan niets te denken. Misschien,
dacht Deedee, heeft hij kwaliteiten gemeen met schapen, die net zo onverstoorbaar
kunnen blijven. Zij kon het niet. Niets doen was voor haar een kwelling.
Zij moest gewoon iets doen, zoals nadenken over de oorsprong van de
Bezoekers, of over de essentie van het schaap-zijn.
Het werkelijk belangrijke onderwerp echter vermeed ze zorgvuldig.
Schapen, dacht ze, hebben het makkelijk. Ze
leven in een continu heden, waarin geen vragen bestaan.
“Heb je nog werk vandaag?” vroeg Tim plots.
Werk, dacht ze. En ze dacht aan haar moeder. “Neen,” zei ze.
“Laten we dan naar het dorp gaan,” stelde hij voor.
“En rondhangen in de buurt van de kroeg?” Het vooruitzicht trok haar
maar weinig aan. Niet dat het daar druk zou zijn. De kroeg trok nog
maar weinig volk. Diegenen die troost zochten in alcohol deden dat meestal
thuis, alsof dronkenschap uiteindelijk toch een sociaal taboe was geworden.
“Er zal wel iemand zijn die muziek meebrengt,” zei Tim. Waarmee hij
de gelukkige bezitters van een cassetterecorder of een draagbare Cd-speler
mét werkende batterijen bedoelde. Veelal de enige reden waarom
jongelui nog samen kwamen, was om naar muziek te luisteren.
Deedee duwde zich af van de schutting, die terugveerde en kraakte, waardoor
de kippen opschrokken. “Vooruit dan maar.”
|
 |
 | |
|