| |
|
Constantin Abălută werd in 1938 geboren te Boekarest,
waar hij aanvankelijk als architect werkzaam was. Hij debuteerde met
poëzie in 1964. Vijf jaar later vestigde hij zich als fulltime schrijver
en vertaler. Gedichten van hem verschenen in de Poëziekrant van
januari-februari 2005. Hier ontdekken we hem als prozaïst met een verhaal
uit de bundel A sta în picioare (Rechtstaan) uit 1986. In juni
2005 nam hij deel aan het festival Poetry International te Rotterdam.
Simion Deal is een lange, dunne man van ongeveer vijfenveertig, en aangezien
je vanaf die leeftijd niet nog langer kunt worden, neemt hij wraak door
almaar dunner te worden.
Hij is garagemonteur van beroep. Dag in dag
uit ligt hij onder auto’s, dompelt zijn handen in allerlei soorten olie,
baadt in zure gassen en de geur van verbrand rubber, blaast zijn longen
leeg in verstopte ventielen of zuigt door een slang het laatste druppeltje
benzine uit een tank. Wanneer hij net een of andere limousine heeft
gerepareerd, doet hij een paar stappen naar achteren en omvat haar met
een liefdevolle blik, waaronder de hele carrosserie opglimt als onder
de stralen van een evenaarszon, en dan gaat hijzelf met zijn olijfkleurige
tint en uitgemergeld, haveloos figuur lijken op een van die exotische
bomen, waarvan de afschilferende stam dagelijks een paar schubben meer
verliest.
Simion is een vrijgezel die zijn leven niet
wilde compliceren door te trouwen. Hij heeft leren koken, maar gaat
toch liever naar de goedkope gaarkeuken in de buurt. Hij kookt alleen
met het oog op welbepaalde feestdagen, een of twee dagen op voorhand,
ofwel wanneer hij een vriendinnetje te eten vraagt. Hij laat haar niet
graag in de keuken rondrommelen, omdat ze niet weet wat waar hoort en
in een mum van tijd het hele huis ondersteboven gooit.
Maar de kern van zijn leven bestaat uit zijn
verzameling, een verzameling van affiches. Simion Deal volgde in zijn
jeugd een cursus reclametekenen. Aldus heeft hij een opmerkelijke handigheid
verworven in het schrijven van diverse drukletters, en gedurende zowat
drie jaar heeft hij zelfs gewerkt in een bedrijf dat immense filmposters
van vroeger realiseerde. Die etagehoge affiches werden opgehangen boven
de ingang van bioscopen in het centrum. Ze stelden de Lorelei voor,
of Tarzan, Genoveva van Brabant, cowboys, gangsters, vamps, de levende
dood, de duivelse monnik, enzovoort, en links of rechts, boven of onder,
in het midden of in de marge hadden ze allemaal één ding gemeen: de
tekst. Zoals iedereen weet, bestaat een affiche uit twee delen: het
beeld en de tekst. Welnu, het beeld bestond altijd uit de reproductie
(in dit geval de vergroting, en als het om een zwart-witfilm ging, ook
de kleuring) van een scène uit de film – maar de tekst, het moet gezegd,
was telkens het originele werk van Simion Deal.
Alles, van lettertype, korps, kleur en spatiëring
tot de opmaak toe, kwam voort uit de ongebreidelde fantasie van Simion
Deal. Als er al eens een punt of een komma nodig was, trilde de meester
van geluk. In een ommezien dompelde hij zijn borstel in de verf, bracht
ze boven de bewuste plek, liet ze met vaste hand dalen tot ze het papier
raakte en gaf er een draai aan zoals alleen zijn hand vermocht te doen:
een volledige draai van de borstel rond haar as, voor de punt; een halve
draai met de pols, de borstel onwrikbaar tussen zijn vingers, voor de
komma.
Om nog te zwijgen van de grote dagen, waarop
de kopiist van de beelden per ongeluk teveel wit openliet, en Simion
zijn toevlucht moest nemen tot allerlei trucjes om de ruimte op te vullen.
Dan leefde zijn fantasie zich volop uit. Niets kon hem tegenhouden.
Hij maakte asterisken, stervormige veelhoeken in alle mogelijke kleuren,
vierkante en ronde haakjes, schuine strepen, accents aigues en accents
graves. Bovenal hield hij van de puntkomma, het tweelingteken dat aan
het voorafgaande woord zekerheid en ernst verleent en aan het volgende
een eindeloze weemoed.
Niettemin, op regenachtige dagen, wanneer het
koud was in het atelier, hoog en weids als een hangaar, waren Simions
hersenen en hand niet in allerbeste doen. Kreeg hij op een van die dagen
een fout van zijn collega weg te werken, dan moest Simion er iets op
verzinnen. Gewoonlijk nam hij zijn toevlucht tot de oude vertrouwde
methode van de naturalistische schilders: hij begon methodisch over
het hele oppervlak de ene regendruppel naast de andere te tekenen, in
twee tonaliteiten: helderblauw en een ietwat donkerder blauw. Pas daarna
schreef hij er in zwarte letters de tekst over; de namen van de acteurs,
de regisseur, de studio, enzovoort. Zo hoefde hij zich geen zorgen meer
te maken, zelfs wanneer de tekst zeer kort was, want dat werd goedgemaakt
door de regendruppels die overal vrolijk rondhuppelden.
Soms kon hij zijn collega, de kopiist, ertoe
overhalen om ook het beeld bij te werken door eveneens, al was het maar
in de delen naast de tekst, een stuk of wat regendruppels toe te voegen.
In zo’n geval was Simion een hele week gelukkig. Het affiche leek hem
reuze geslaagd. Een toonbeeld van eenheid in verscheidenheid. Zodra
de film niet meer werd vertoond, doemde hij op bij de betreffende bioscoop,
besteeg de luifel of het balkon, vanwaar hij bij het affiche kon, en
begon ze uiterst behoedzaam los te peuteren. De directeurs van de bioscopen
hadden na verloop van tijd door wie hij was en lieten hem begaan; tenslotte
ontlastte hij hen daardoor van een ondankbare taak, en bovendien wist
toch niemand wat te doen met de verlopen affiches.
Buiten die lange, dunne maniak is er waarschijnlijk
geen mens die nog om die affiches geeft, zeiden ze, wie weet lijst hij
ze ook nog in.
Op een dag werd Simion vroeger dan gewoonlijk wakker door de schelle
augustuszon die zijn kamer binnenviel. Hij had de luiken niet helemaal
neergelaten uit angst dat hij niet op tijd wakker zou worden. Nou is
het ook weer niet erg om vroeger op te staan. Je kunt te voet naar je
werk, slenterend door de straten, waar je anders gehaast door loopt.
Je ziet de wereld met andere ogen: levendiger, scherper. De mensen,
de bomen, de huizen doen zich aan je voor als afzonderlijke entiteiten,
ze lijken door een aura omringd, voortgedreven door een kracht zonder
weerga.
Aldus overkwam het ook Simion Deal.
Hij ging te voet naar zijn werk.
Aangezien hij desondanks vroeger aankwam dan
de anderen, maakte hij een wandelingetje door de binnenplaats van het
bedrijf. Hij leunde een poosje tegen de stam van de grote notelaar naast
het materialenmagazijn, en staarde door de bladeren naar de glinsterende
scherven van de hemel, die hem stuk voor stuk voorkwamen als de zonderlinge
tekens van een primitief alfabet. Ja, het leven was mooi. De hemel,
de bladeren en de mensen konden elkaar zonder al te grote moeite begrijpen.
Het volstond dat de laatsten het wilden. Dat ze het werkelijk wilden.
Maar wat deed dat stuk papier daar aan de deur
van het magazijn? De graficus Deal kon niet aan de verleiding weerstaan,
want het was zonneklaar dat er iets op het papier geschreven stond.
Hij ging dichterbij en las: Gelieve de deur bovenaf niet aan te raken.
Er zullen maatregelen worden getroffen. Het was met de hand geschreven,
in groene inkt, met een viltstift. Het was niet het handschrift van
een graficus, dat zag je al van ver. Het als drager dienende blad papier
was uit een blocnote groot formaat gescheurd; rechts waren perforatiesporen
zichtbaar. In de greep van een hem tot dan toe onbekende drijfveer,
rukte Simion het papier van de deur; de punaise, waarmee het aan het
hout was bevestigd, viel op de grond. Nadat hij het nog eens had gelezen,
vouwde hij het blad in vieren en stak het in zijn zak. Hij ging opnieuw
onder de notelaar staan en keek voort naar de hemel tussen de lauw door
een ochtendbriesje bewogen bladeren. Maar de staat van euforie van voorheen
was vervlogen.
Hij dacht: hoe kun je de deur bovenaf aanraken?
! En hoe moet je de tweede zin interpreteren? Zullen er maatregelen
worden getroffen opdat niemand de deur bovenaf zou kunnen aanraken,
dat wil zeggen dat de deur zal worden gerepareerd? Of zal diegene die
het verbod overtreedt, wat je je daarbij ook moet voorstellen, worden
gestraft? Talloze mogelijkheden leken open te liggen. Dit bericht was
een ware schat.
Aangezien het onmogelijk geschreven kon zijn
door een graficus – en tot die categorie moest je ook de architecten
rekenen –, en aangezien het geredigeerd was op een blad papier dat afkomstig
was van een blocnote groot formaat zoals Deal die alleen had gezien
op de bureaus van de chefs, was de kans heel groot dat één van hen het
had geschreven. Het handschrift van de magazijnmeester was onleesbaar,
terwijl dit hier allerlei staartjes en krulletjes had. De portier had
het recht niet om dergelijke berichten te schrijven, laat staan de poetsvrouw.
Alle andere mogelijkheden waren uitgesloten.
In dat geval kon Deal dus maar beter niet langer
buiten rondhangen en zo snel mogelijk het gebouw ingaan, want elk moment
konden de werknemers komen opdagen.
En toch had iemand hem gezien.
Uiteraard werd die persoon nooit met name genoemd.
Van zijn kant heeft Deal nooit bekend.
Hij had voldoende kracht om ze de tekst te
laten uitspellen en vervolgens gewoon zijn schouders op te halen. Zij
waren met z’n tweeën, hij stond alleen. De directeur en de onderdirecteur
tegenover de tekenaar Simion Deal.
Zij hadden praats voor tien; haalden wetten
en decreten aan, de moraal en de ethiek, de arbeidsproductiviteit, de
klassenvijand, en uiteraard de veiligheid van het materialenmagazijn.
Hij had maar één ding te zeggen. Te weten,
dat hij niet begreep hoe je de deur bovenaf kon aanraken, waarbij
hij er voorzichtigheidshalve aan toevoegde: als dat, zoals u zegt, de
termen zijn waarin het verdwenen bericht was opgesteld. Hoe dan ook
begreep hij niet waarom ze juist hem verdachten? Hij, een graficus?
Hij, die enkel en alleen in drukletters schreef, van zo’n perfecte uitvoering
dat ze waarlijk gedrukt leken. ‘Is er iemand die in ernst kan denken
dat ik jaloers zou zijn op een ongeletterd vodje papier?’
Meer dan het feit op zich dat hij het bericht
had afgerukt, schijnt de laatste door de graficus uitgesproken zin tot
zijn ontslag te hebben geleid. Zo werd de zaak althans de dag nadien
voorgesteld door de onderdirecteur in het projectenbureau, waar Deal
een architect kende, die hem alles heeft doorverteld. De directeur had
een dergelijke, van gebrek aan discipline getuigende daad zeker door
de vingers kunnen zien, want door de band was kameraad Deal een ervaren
werkkracht zoals we die kunnen gebruiken – zei de onderdirecteur –,
maar diens onbeschaamde weigering om zijn fout te willen erkennen en,
meer nog, iedereen door het slijk te halen – hier hield de onderdirecteur
zich veeleer op de vlakte – was een houding die niet kon worden getolereerd,
vooral wanneer men dacht aan het slechte voorbeeld dat daardoor aan
de andere werkgevers werd gesteld. Simion had met de architect gelachen
bij de uitdrukking door het slijk halen, die in alle vaagheid
de precieze en juiste uitdrukking ongeletterd vodje papier moest
vervangen – maar toch viel het hem niet licht om zijn dienst te moeten
verlaten. Een tijdlang had de architect hem clandestien een paar opdrachten
voor reclametekeningen doorgespeeld, maar later, bij de komst van de
winter, was dat niet meer mogelijk geweest.
En daarmee was ook een eind gekomen aan Simions
Verzameling van Affiches.
Na heel wat vruchteloze pogingen om een baantje
in dezelfde branche te vinden, lukte het Simion uiteindelijk via een
vriend aangenomen te worden als chauffeur in een garage. Hij werkte
op een takelwagen, waarmee hij met een jonge hulpkracht gestrande auto’s
oplaadde en naar de Basis sleepte. Allengs had hij zijn kennis van de
techniek geperfectioneerd en werd hij bevorderd tot automecanicien,
een plaats waar niemand hem ooit van heeft kunnen verdringen.
Simion zit op een wankele stoel van de garage, in de grote hal, waar
het heerlijk koel is. Buiten heerst een verzengende augustushitte, de
daken van de huizen zinderen, het asfalt smelt onder je voeten weg,
de mensen stikken als vissen op het droge. Hij glimlacht bij een heerlijke
herinnering die hem omspoelt als een frisse bries en hem nieuw leven
inblaast. Hij herinnert zich hoe hij de nederlaag in een overwinning
heeft weten om te zetten. Hoe hij het baantje als graficus zonder een
moment van spijt heeft opgegeven, wel integendeel, met plezier.
Enige dagen na zijn ontslag haalde hij alle
papiertjes uit zijn broek-, hemd- en vestzakken om te schiften wat hem
nog van pas kon komen en wat niet, en daarbij stootte hij op het ongeletterde
bericht. Woedend wilde hij het verscheuren, aangezien hij het beschouwde
als de oorzaak van al zijn ongeluk. Maar iets, dat hijzelf niet precies
zou kunnen omschrijven, hield hem opeens tegen. Hij moest er zelfs om
lachen, de pootjes van de d’s en de g’s waren zo komisch
getekend, dat ze tot leven leken te komen. En wanneer je de andere letters
van dichtbij bekeek, waren ook zij een en al vitaliteit, begiftigd door
een geheel eigen, stille kracht.
Hij kwam tot het inzicht dat het bericht in
feite door om het even wie geschreven had kunnen zijn, en hoe ongeletterd
ook, het was een snipper van de werkelijkheid – en die werkelijkheid
was geen nep. Het leefde alleen al doordat iemand het op een gegeven
plaats op een gegeven moment met een gegeven doel had opgehangen, daarom
ook was het inderhaast geschreven, omdat het probleem geen uitstel kon
dulden.
Een bliksemslag, een kortsluiting, een spontane
gulp, zo kwam het bericht nu over op Simion Deal. Hij streek het zorgvuldig
glad en borg het weg in een map. Met dit gebaar zette hij definitief
een kruis over zijn Verzameling van Affiches. Plotseling had hij de
stereotiepe en rigide stijl doorzien, waarin de stukken ervan waren
uitgevoerd: het naar de film gekopieerde beeld, de op stel en sprong
verzonnen tekst, zonder enige binding met de reële wereld.
Nu begon de Verzameling van Berichten, de echte
verzameling.
Om elke onaangename consequentie te vermijden,
ging Simion als volgt te werk:
Lopend door de straten van de stad liet hij
zijn ogen dwalen over huismuren, deuren, ramen, telefoon- en elektriciteitspalen,
kortom over alles waar een snipper papier op gekleefd zou kunnen zijn.
Bevond hij zich op een openbare plaats, en betrof het een anoniem bericht,
bijvoorbeeld Privé-lessen wiskunde 13.13.13, slordig met de hand
geschreven, in Oost-Indische inkt, op een schriftetiket, schuin gekleefd
op de betonnen zuil van een bushalte, dan fixeerde Simion nadrukkelijk
de tekst in kwestie en prentte het zich in zijn geheugen in. Dan ging
hij naar huis en knipte nauwgezet een rechthoek uit een rol kunstdrukpapier
die hij bij het verlaten van het reclamebedrijf niet had nagelaten mee
te nemen. Wanneer het originele bericht aan de kleine kant was, zoals
in zo-even genoemd voorbeeld, dan betoonde Simion zich guller, en de
verhoudingen respecterend knipte hij een vlak uit, dat groot genoeg
was om er de van buiten geleerde tekst op te schrijven in letters van
15 millimeter, wat in onderhavig geval het meest aangewezen was. De
volgende dag ging hij naar de betreffende bushalte, trok het originele
papier eraf en kleefde het nieuwe daarvoor in de plaats, mooi horizontaal,
op een hoogte die lekker moest lezen voor een mens van gemiddelde gestalte.
Nu kon iedereen van een paar meter afstand het bericht op de betonnen
zuil lezen:
PRIVÉLESSEN WISKUNDE 13.13.13
Dat was heel wat anders.
Ingeval het bericht op een deur was gekleefd,
of op enige andere private plaats, dan ging Simion op dezelfde manier
te werk, met dit verschil dat hij met het nieuwe bericht onder de arm
naar de huurder of de conciërge van het gebouw ging en hen achteloos
de zo gunstige ruil voorstelde. Bij de minste aarzeling deed hij zich
snel voor als vertegenwoordiger van de Dienst voor Stedelijk Schoon.
U begrijpt, een oneindige variatie aan handschriften kunnen we niet
toelaten, zei hij, dat brengt de burger in verwarring en werkt op zijn
zenuwen. Terwijl een eenvormig schrift, uitgevoerd in diverse drukletters,
naargelang de aard van het bericht, passender is. Het brengt eenheid
in verscheidenheid aan.
Daarna durfde niemand nog te weigeren, zodat
zijn verzameling al gauw serieuze afmetingen begon aan te nemen.
Hier volgen een paar voorbeelden uit zijn verzameling,
helaas getranscribeerd in al te starre typografische lettertekens.
Een bericht aangetroffen in een lift:
OPGELET
1. NIET OP DE KNOPPEN DRUKKEN
VOOR DE DEUR GESLOTEN
IS
2. DE DEUR NIET OPENEN
VOOR DE LIFT HELEMAAL
STILSTAAT
3. OM EEN DRAMA TE VERMIJDEN
GEEN KINDEREN ALLEEN
LATEN IN DE LIFT
INGEVAL U DIT NIET
RESPECTEERT
ZULLEN WE ZITTEN ZONDER
LIFT
Voorzitter
Mecanicien
(ss) onleesbaar
(ss) onleesbaar
Een bericht aangetroffen op de deur van een
vereniging van duivenliefhebbers:
GEÏNTERESSEERDEN OM HUN JONGEN ZONDAG IN ADJUD
TE
LATEN VLIEGEN
ZICH AANMELDEN MET DE DUIVEN ZATERDAG OP DE
ZETEL
VAN DE VERENIGING
Door de snelheid waarmee ze werden uitgevoerd
– ik heb het over de originelen –, gaat er een vanzelfsprekende, onnavolgbare
bekoring uit van die berichten: de uitvoerder had niet veel tijd om
na te denken, was gehaast, had allerlei potjes op het vuur, maar op
een gegeven moment was het meest dringende nu juist het schrijven van
dit bericht, anders zou alles uit de hand lopen.
Om die reden waren ze niet goed opgesteld,
en hoe kort ook, je vond er altijd een tegenstrijdigheid, een uitglijder
of een fout in. Des te beter, leek Simion Deal te denken, aldus weerspiegelen
ze het diepste leven. Ze zijn niet bijgewerkt of mooier gemaakt; het
zijn geen filmsequenties die hele dagen op een set werden overgedaan.
Er steeg een vleugje melancholie uit op. Simion leefde intens mee met
het drama van de kinderen die in de lift alleen waren gelaten, blootgesteld
aan wie weet wat voor sluipende gevaren. Hij moest toegeeflijk glimlachen
bij de vaststelling dat de voorzitter en de mecanicien enkel bezorgd
waren om zonder lift te zitten. Misschien hadden ze geen kinderen?
Wie weet. Misschien was het helemaal niet hun gangbare manier van denken,
maar domweg een vergissing bij het opstellen, of een plotse vlaag van
misantropie. Wat er ook van zij, die flinter menselijkheid verrijkte
alleen maar de verzameling van Simion Deal, de enige verzamelaar die
zich bewust was van de intrinsieke waarde van dergelijke vluchtige stukken
die normaliter in de vuilnisbakken van de reinigingsdienst belandden.
Neem nu het monster van de duivenbond. Een
nogal droge tekst met de onvermijdelijke uitglijders. Zeker, maar wat
een onvermoede implicaties, hoeveel leven ging er niet in schuil! Het
volstond om, zoals Simion, bijna dagelijks te passeren voor de twee
vuile etalages met daarin sinds jaar en dag dezelfde opgezette vogels,
zo stoffig en zwart dat je niet meer kon uitmaken tot welke soort ze
behoorden, al was één ding wel zeker: het waren geen duiven. Om vervolgens
binnen te gaan in het hok met de afgesleten en vochtige parketvloer,
vol van naast en op elkaar gestapelde kooien met duiven die druk heen
en weer trippelden, hun veren streken en de blik zochten die niemand
hen waardig keurde. Achterin het hok was er een houten toonbank (misschien
was het lokaal vroeger een kroeg geweest), waarachter, op een stoel,
een gedrongen mannetje met een sikje en een kale kop vol sproeten zat,
kameraad voorzitter, en rechts achter hem, waar het donker dichter werd,
kon je een bejaarde vrouw waarnemen, met haarknoet, lange kromneus en
een bril, waarvan de vergulde kettinkjes aan beide zijden van haar gezicht
afhingen als een papegaaienschommel. De vrouw zat aan een tafeltje op
een schrijfmachine te tikken, waarbij ze naar elke letter pikte als
naar een graantje. Ik vermoed dat ze de zoveelduizendste keer de formulieren
tikte, verzendberichten of wat dan ook, die ze van buiten kende, want
in dat hoekje had geen menselijke blik wat voor tekst ook kunnen ontcijferen.
Bovendien had ze waarschijnlijk leren tikken naar de blindmethode.
Pas nadat je in contact bent gekomen met het
gore en het duffe van de zetel – die tevens de belichaming was van het
nobele streven om te vliegen en van de vrije competitie – ja, pas daarna
ben je in staat het bericht correct te interpreteren, en kun je begrijpen
dat de verglijding van jongen naar duiven niet zomaar
een taalkundig slippertje was, maar dat ze een diepere lading dekt.
Aandacht s.v.p. Laten we vooreerst opmerken
dat de tekst uit twee regels bestaat, wat, zoals we nog zullen zien,
overeenstemt met twee verschillende niveaus. Laten we beginnen met het
tweede niveau, het laagste, dat de aardse, alledaagse, bureaucratische
toestand representeert. Wat wordt hier gezegd? Dat men zich met de duiven
bij de zetel van de vereniging moet aanmelden, juist, dat is precies
wat er wordt gezegd. De mensen komen en deponeren de kooien met de duiven
in een daartoe voorziene hoek van het hok, ze krijgen een deelnemingsformulier
van de wedstrijd en een reçuutje waarvan de helft wordt afgescheurd
als bewijs van ontvangst. Daarna gaan ze gerust naar huis. De volgende
dag, vanaf het moment dat de duiven worden losgelaten, laten ze hun
ogen niet meer los van hun uurwerk (horloge, wekker, hangklok of staande
klok, elk naar zijn middelen) wachtend tot de teerbeminde jongen zegevierend
naar hen terugkeren uit de verre contreien van Adjud.
Hun jongen, hun kinderen, de vertegenwoordigers
van hun ideaal: vliegen. Dat wil zeggen: afgezanten, waarbij het niet
uitmaakt of het momenteel duiven zijn. Laten we nu kijken naar het eerste
niveau, het azuur, het hemelruim, de vrijheid – wat stellen we vast?
(1) Dat het enkel kan worden bereikt via tussenpersonen, en wel door
uw jongen. (2) Dat het enkel kan worden verkregen na de afdaling in
het gore hok van de aardse vereniging, alwaar op het formulier uw jongen,
overeenkomstig hun soort, als duiven staan ingeschreven.
Aldus had Simion Deal voor elk bericht een
interpretatie, soms meerdere. Op vrije dagen, want hij werkte ook ’s
nachts, hing hij in zijn huis een aantal staaltjes van zijn verzameling
op, en gaande van het ene naar het andere bracht hij heerlijke uurtjes
door. Hij bewonderde ze, probeerde ze te ontcijferen en te begrijpen,
vergeleek ze met elkaar, en testte de tekst hardop uit middels diverse
stemmen en ritmes, nu eens nasaal en uit de hoogte, dan weer gefluisterd
of gezongen, reutelend als een stervende of schril als een verwend schooljoch.
Na een paar weken, zoniet maanden, had hij
zich zo aan die berichten gewend, ja lagen ze hem zo na aan het hart,
dat hij ze tegemoet trad als waren het levende wezens, zeg maar vrienden.
Wanneer hij opstond, zei hij goedendag tegen de berichten die hij op
weg naar de badkamer tegenkwam. Naar de keuken lopend om er thee te
zetten, vroeg hij de berichten op die route hoe het met ze ging en of
ze goed geslapen hadden. Natuurlijk had hij ze ook zoiets als namen
of aanspreektitels gegeven, die niet vastgelegd waren en veranderden
naargelang zijn humeur. Zo begroette hij het bericht uit de lift op
een zonnige lentemorgen met een goedgeluimd en laconiek, Goeiemorgen,
kinderen! , maar op een andere dag, als Simion problemen had op
zijn werk, verwenste hij het bericht op een ruziënde toon: Blijf
maar staan tussen twee verdiepingen, klerelift, voor iets anders deug
je toch niet.
Het bericht van de duivenbond kreeg gewoonlijk
Simions dankbaarheid betuigd met juichende formules van het slag: Leve
Adjud, hoofdstad van het wedvliegen! , of 50 punten voor onze
jongen! , of ook meer gecompliceerde aansporingen zoals: Op met
de vleugeltjes, Duifie, of je eindigt in de pan!
Amper enkele maanden na het begin van zijn
verzameling kon Simion al merken hoe de wijk waar hij door liep langzamerhand
veranderde. De nieuwe berichten, allemaal geschreven op hetzelfde soort
papier, door dezelfde hand, zíjn hand, in drukletters met minieme variaties,
verleenden een indruk van eenheid en zekerheid aan de huizen van verscheidene
stijl, omvang en afwerking. Simion wandelde met plezier door de straten
waar hij zijn berichten had gesprokkeld, het kwam hem voor dat die zijn
handtekening droegen. Maar hij ergerde zich, wanneer hij door straten
liep waar hij geen enkel bericht had aangetroffen, zich bewust van het
verlies dat dit voor zijn patrimonium betekende, zodat hij wel eens
door de lust werd bevangen om zelf uit de losse pols een bericht neer
te krabbelen. Vanzelfsprekend was dat niet meer dan een grapje dat hij
enkel in gedachten uithaalde, want het betreffende verzamelobject zou
niets anders dan een grove vervalsing zijn geweest, die in geen geval
een plaats kon krijgen in een serieuze verzameling als de zijne.
De jaren gingen voorbij en Simions Verzameling
van Berichten besloeg nu drie boekenplanken. Het waren gelukkige jaren,
waarin de tentoonstellingen die de verzamelaar organiseerde in de zes
plaatsen van zijn appartement (te weten: vestibule, badkamer, woonkamer,
slaapkamer, berghok en keuken) almaar frequenter voorkwamen, gezien
de noodzaak om de hele verzameling aan bod te laten komen. Bij de vernissages
nodigde hij gewoonlijk een paar collega’s van zijn werk uit, die aten
en dronken tot ze niet meer konden, en hoewel ze niet in extase geraakten
voor het geëxposeerde materiaal, kon niet worden ontkend dat ze er enige
aandacht aan schonken. Er waren altijd wel een paar stukken waar ze
hartelijk om moesten lachen, tot groot plezier van de gastheer. Een
spontane reactie gaat het begrip vooraf, was zijn devies.
Maar op een dag nam een en ander een kwaaie
wending. Hoe kunnen mensen zo slecht zijn?
Hij had een postkaart ontvangen waarin hem
dringend werd verzocht zich te melden bij het StaatsHuisvestingsBedrijf.
Hij dacht dat ze inlichtingen wilden inwinnen over de zigeuners op de
tweede verdieping, alle stadsdiensten waren in die lui geïnteresseerd.
Maar nee, dat was het niet.
Hij overhandigde de postkaart aan de portier
en moest wachten tot die een telefoontje had gepleegd. Terwijl hij ophing,
zei de portier:
‘U moet naar het bureau van kameraad Directeur,
eerste verdieping, eerste gang rechts.’
De directeur was een man van plusminus vijfendertig,
met blauwe ogen, blond haar met een scheiding, en een bizarre tic in
zijn rechterschouder die schokte telkens wanneer hij een nieuw oordeel
of een nieuwe gedachte te berde bracht. Als hij zweeg, bleef ook zijn
schouder stil. Het amuseerde Simion wel, die met moeite zijn lach kon
inhouden.
Kort samengevat had de Directeur kameraad huurder
Simion Deal het volgende te melden :
Men had een klacht ontvangen, die men zorgvuldig
op het terrein had nagetrokken. Over de hele stad waren ongeletterde
berichten opgehangen, geschreven op hetzelfde soort papier, in identieke
drukletters. Iemand matigde zich het recht aan de stedelijke overheid
concurrentie aan te doen.
De abrupte overgang van het feitenrelaas naar
het veronderstelde opzet, en wat voor opzet, de stedelijke overheid
concurrentie aan te doen, meer nog, concurrentie aan te doen op het
vlak van... ongeletterde berichten, deed bruusk de schouder van de directeur
opwippen.
Simion wist zijn eerste aanvechting om in lachen
uit te barsten te onderdrukken, maar misschien niet helemaal.
De directeur ging voort.
Het individu dat voor die feiten verantwoordelijk
werd gesteld zat daar, voor hem. Bovendien bezat bedoeld individu thuis
een handgeschreven verzameling die door fraude, chantage en bedrog werd
verworven. Het heeft zich onrechtmatig titels en bevoegdheden van hooggeplaatste
functionarissen binnen het stadsbestuur toegeëigend. Wat we moeilijk
als iets anders kunnen beschouwen dan als ophitsing. We kunnen de stad
niet ten prooi laten aan dergelijke lichtzinnige daden. We moeten de
vreedzame bevolking vrijwaren tegen zulk primair agressief gedrag. Enzoverder.
Enzovoort.
De schouder van de directeur schokte bij elke
nieuwe zin en Simion was gegrepen tussen een in de kiem gesmoorde lachkramp
en de schrik die hoe langer hoe steviger om de keel greep, naarmate
het tot hem doordrong dat de anonieme klacht die hem in diskrediet had
gebracht hem ook fataal kon worden.
Naar het eind toe ging de directeur over op
een ander onderwerp.
Hij, de klager, had niet geweten tot wie hij
zich moest richten. Je hebt geluk dat hij bij mij terecht is gekomen.
In feite hebben we er ook mee te maken, want het merendeel van de gebouwen
is eigendom van het SHB. Het moet een argeloos iemand zijn, dacht ik
bij mezelf. Ik zal hem ontbieden en hem aan het verstand brengen dat
het vijf voor twaalf is. Als je me niet morgen de hele verzameling brengt
en als je je er niet schriftelijk toe verplicht... Je begrijpt dat ik
anders de klacht moet doorsturen naar... Goed zo, dat zie ik liever.
Nu ik die verklaring heb, ga je doen wat ik zeg. Je gaat die hele santenkraam
uit de stad weghalen. Geef me het adres van je garage, zodat ik weet
waar ik met mijn auto terechtkan. Wat zijn je werkuren ook weer?
Op die manier kwam er een eind aan Simions Verzameling van Berichten.
Je kunt je wel voorstellen wat er in zijn hart omging. Maar het was
niet het moment om tegen te stribbelen. Zeker, de directeur van het
SHB was geen bidprentje, toch is het niet minder waar dat zonder hem...
De anonieme klacht ergens anders zou belanden...
Gelukkig had hij een goed geheugen, zodat talrijke
stukken voortleefden in zijn herinnering nadat hij de verzameling had
overhandigd. Dagelijks, op zijn vrije momenten, projecteerde hij ze
in zijn hoofd, waar niemand ze hem zou kunnen afpakken. Toch had hij
de moed gehad om één enkel stuk te behouden, die van de deur niet
bovenaf aan te raken. In wezen was er nergens een duplicaat van
opgehangen, en bovendien had hij van meet af aan de kracht gehad om
niet te bekennen, om te zeggen dat hij het niet had afgetrokken.
Wat de duplicaten betrof, dat was weer een
ander verhaal! Ze weghalen, terwijl ze er niet meer waren! Ze waren
allemaal als bij toverslag verdwenen... Toen hij een conciërge tegenkwam
met wie hij vaak geruild had, deed de laatste alsof hij hem niet kende
en liep hem straal voorbij. Ze hadden er dus lucht van gekregen. Verbazend
was dat eigenlijk niet, het liep vol van afzetters op het SHB die even
erg waren als hun directeur, en er waarschijnlijk op hun beurt van geprofiteerd
hadden om de burgers de duvel op het lijf te jagen. Ongetwijfeld werd
hen precies het omgekeerde voorgeworpen: dat ze zich hadden laten ophitsen,
dat ze hadden gecollaboreerd met een schadelijk element, en de rest
navenant.
De directeur kwam verschillende keren per maand
aanzetten bij de garage. De gewezen verzamelaar controleerde zijn limousine,
waarna de directeur vertrok zonder te betalen. Die relatie tussen beiden
had zich van meet af aan ingesteld, en Simion had ze zonder morren aanvaard.
Op een keer zat de directeur knusjes op de achterbank van zijn limousine,
haalde een Chinees nagelschaartje uit zijn vestzak, en begon zijn nagels
te knippen. Elk nagelspaantje wierp hij door het openstaande portier
naar buiten. Onder de motorkap was Simion druk in de weer, over zijn
hele lengte gekromd als een boom die doorboog onder de storm. Hoe dan
ook had hij door die baan voortijdig een kromme rug gekregen, wat vooral
duidelijk werd wanneer hij de lift inging: hij moest zijn bovenlichaam
niet meer plooien, zoals voorheen, het volstond dat hij zijn hoofd scheef
hield.
De limousine was gerepareerd, maar de directeur
was lang nog niet klaar met zijn nagels, zodat Simion als welopgevoed
man deed alsof hij nog wat te regelen had aan de achterlichten tot de
Chef, zoals hij hem gewoonlijk noemde, zijn laatste nagelspaantje had
weggeworpen, een harde, door tabak vergeelde splinter die op het cement
van de hal ketste als een pompoenpitje op een hete plaat.
Nooit heeft hij kunnen uitleggen wat hem ertoe
heeft gedreven om na het vertrek van de Chef dat nagelspaantje op te
rapen, in een stuk krantenpapier te wikkelen en in zijn broekzak te
stoppen.
Eens te meer had de Verzamelaar de nederlaag
in een overwinning weten om te zetten.
Vingerspaantjes, halvemaantjes, splinters van
de menselijke vitaliteit. Niet geproduceerd door de mens, maar de mens
zelve, in homeopathische doses. Men kan zich geen mensenvingers voorstellen
zonder die delicate hoornachtige materie, roze of geel, met witte vlekjes,
nagelbloesem, gebrek aan calcium.
Zou men het leven van een mens in al zijn rijkdom
kunnen aflezen aan een enkel nagelspaantje? De verzameling van Simion
Deal zou bewijzen van ja. Maar hij moest zeer voorzichtig te werk gaan,
veel voorzichtiger dan voordien. Hij had er alle belang bij om zijn
verzameling in het grootste geheim op te bouwen, al kon hij niet geloven
dat een nagelspaantje wie dan ook zou kunnen deren.
Juist toen leerde Simion een manicure kennen,
met wie hij korte tijd later in het huwelijk trad. Tussen echtgenoten
moeten geen geheimen bestaan, zo sprak de ambtenaar van de burgerlijke
stand. Hij had een braaf meisje getroffen, dat hem begreep en alle nagelspaantjes
van haar werk meebracht. Conform zijn aanwijzingen deed ze de nagelspaantjes
van een klant in een leeg luciferdoosje, die van de volgende in een
ander, enzovoort. Ze gaf hem ook details over haar klanten. Wanneer
die niet volstonden, ging Simion vaak zelf naar de kapsalon waar Oana,
zijn vrouw, werkte, om zich persoonlijk te documenteren. Uiteindelijk
werd hij een vertrouwde figuur voor de klanten, met wie hij vriendschap
aanknoopte. Op die manier kon hij met kennis van zaken een keuze maken
van één, twee, hoogstens drie stalen uit de hoop die hij dagelijks te
verwerken kreeg. Als je de mens kent, kun je met meer precisie beslissen
door welke nagel hij het best wordt vertegenwoordigd. En dan hebben
we het nog niet over het feit dat de mens voortdurend verandert, wat
in zijn nagels wordt weerspiegeld.
De nieuwe verzameling van Simion, de derde
in zijn leven, bleek hem ook het meest na aan het hart te liggen. Maar
hij ging gebukt onder de hoeveelheid werk die ze meebracht. Hij was
de jongste niet meer, en nadat hij de hele dag onder auto’s had liggen
wroeten, moest hij alle reserves aanspreken om zich thuis niet gelijk
op bed neer te werpen. Hij had er het recht niet toe, hij was verzamelaar,
hij moest zijn roeping tot het einde toe volvoeren.
De luciferdoosjes vermenigvuldigden zich op
de boekenplanken. In de definitieve doosjes behield hij maar één tot
drie nagels van de personen in kwestie. De niet-definitieve waren door
een latje in tweeën gedeeld. Aan de ene kant lagen de nagels die Oana
meebracht van elke sessie met de betrokken klant; aan de andere kant
lag een voorlopige keus van tien tot twaalf stuks.
Oana merkte dat de lastigste en meest eisende
taak bestond uit het sorteren. Het leek alsof Simion zich na elk definitief
doosje nog meer kromde. Zijn tint kreeg een nog diepere olijfkleur.
Oana begreep zijn passie en ging er met plezier mee in op, maar waar
verduiveld haalde ze het vandaan dat die nagels de levensdagen van haar
man bekortten – ongetwijfeld kwam dit fantasme voort uit de fantastische
verhalen die ze las. Ze meende dat de nagels hoe langer hoe dieper in
zijn huid en zijn vlees drongen. Of anders was het een beroepsobsessie,
heel wat manicuren klagen over dromen van dien aard. Over nagels die
ze overdag hebben afgeknipt en die zich ’s nachts komen wreken.
Nog geen drie jaar na zijn huwelijk overleed
Simion schielijk in zijn slaap. Het hart, zei de dokter. Het bleek dat
wijlen de verzamelaar zo vooruitziend was geweest om een testament na
te laten. Zijn voornaamste wil was dat men hem zou balsemen en zo lang
zou bewaren als nodig om zijn nagels te laten groeien. Vervolgens zou
men drie staaltjes kiezen, die men aan zijn verzameling zou toevoegen.
Hij gaf minutieus aan hoe en hoeveel. Hij verzocht ook
om zorg te dragen voor zijn verzameling en ze aan een museum te schenken,
wanneer de tijden het zouden toelaten.
Het strekt zijn vrouw tot eer dat ze die beschikkingen
tot in de puntjes heeft uitgevoerd. Ze hield hem twee weken in het appartement,
ondanks het protest van de buren. Vervolgens deed ze een laatste keer
de nagels van haar teerbeminde echtgenoot, en onder de tien spaantjes
koos Oana er drie, waarvan ze zeker was dat ook hij die aardig zou hebben
gevonden. Ze gaf die een ereplaats binnen de verzameling, in een Engels
luciferdoosje dat ze had gekregen van een klant die de hele wereld afreisde.
Ze deed al het mogelijke om ook zijn laatste wil uit te voeren. In de
kelder richtte ze met een paar ongeschaafde houten planken een speciaal
hoekje in, waar ze aan een balk een op bestelling gemaakte metalen plaat
bevestigde, waarop tegen een witte fond in blauwe, met bloempjes versierde
letters te lezen stond: STEDELIJK MUSEUM. Daaronder, op de hoogste plank,
op een kleinere plaat: ‘Verzameling nagels uit het stalinistische tijdperk’.
| ©
Constantin
Abălută; © vert. Jan
H. Mysjkin |
|
| |
|
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: