![]()   |
 |
De afspraak
Gaston De Rede
Ik kwak het koffertje dat ik bij mij draag met een klap op de grond,
ga op één van de banken van het perron zitten en wacht.
Het is nog vrij vroeg in de ochtend. De eerste treinreizigers zullen
spoedig opdagen. Ik neem het busje spray uit mijn vestzak, doe een hemdsknop
open en spuit krachtig onder mijn oksels.
De luidspreker doet me opschrikken. Een trein rijdt het station binnen
en stopt. De deuren van een wagon klappen open, voeten zoeken een trede,
een vrouw staat op het perron. We staren elkaar aan. Ze wikt mijn gezicht
en sabbelt aan mijn nieuwsgierigheid. Ik glimlach naar haar.
‘Bent u mijnheer De Hertogh?’
Ik knik van ja, al ben ik niet mijnheer De Hertogh.
‘Gelukkig, ik vreesde dat ik u nooit zou vinden met al dat volk in de
buurt.’
Ik kijk verbaasd rond en zie enkel een man een brede trap afgaan. De
vrouw komt voorzichtig naast me zitten. Ze kruist haar benen. Haar gespannen
rok kruipt in één ruk van haar knieën. Ik ruik verrukkelijke
verse zeep.
‘U lijkt niet op de persoon die u mij beschreef,’ zegt ze.
‘Ik ben niet zo goed met de pen,’ antwoord ik zelfverzekerd. ‘Zelfs
mijn moeder zou me uit de beschrijving niet herkennen.’
Ik voel een aanzet tot wantrouwen tussen ons sluipen. Ze besnuffelt
mijn gezicht op sporen van tegenstrijdigheden.
‘U schreef dat u een baard hebt.’
‘Dat was ook zo. Die heb ik gisteren afgeschoren. Het mooie weer ziet
u.’
‘U lijkt me zo glad als een aal.’
Het dametje is alert. Ik besef dat ik haar subtiel moet aanpakken.
‘Ik heb wat voor u meegebracht,’ zeg ik plots.
Ik leg zonder aarzelen mijn koffer op mijn knieën. Ze volgt nieuwsgierig
de bewegingen van mijn vingers tot de twee sloten openspringen. Ik gun
haar ruim de tijd om de inhoud te bekijken.
‘Hoe schattig, een koffer vol pluchen diertjes,’ giechelt ze.
‘Kies er maar ééntje uit.’
Ze tilt meteen een wit konijn op en begint glunderend de vlossige pels
te aaien.
‘Zo zacht, net fluweel,’ lacht ze en knijpt stevig in het mollige weefsel.
Haar metamorfose is opvallend. Van wantrouwige vrouw naar uitbundige
meid.
‘Wat raar, loop jij altijd met speelgoed rond te sjouwen?’
Jij? Hoera, het water is minder diep, de cirkel van argwaan is verkleind.
‘Het is mijn job. Ik ben vertegenwoordiger in speelgoed.’
Ze zet haar benen naast elkaar en legt het pluchen beest op haar schoot.
Haar gladde knieën lonken naar mij. Ik ruik opnieuw verse zeep.
Heerlijk.
‘Kun je daar van leven?, vraagt ze ongegeneerd.
‘Uiteraard. Ik heb een koopgericht publiek en een vast cliënteel.’
‘Is dat zo? Ik zie de kinderen al rammelen met hun spaarvarken. Je zult
al veel nikkel in je hoed verzameld hebben.’
Hoor ik ironie? Ik overweeg om haar spottend toontje met een gemene
grap genadeloos te verbrijzelen. Ik kan mij beheersen.
‘Zeker, ik vergaar nikkel, maar niet in mijn hoed. Ik gebruik elke dag
een kruiwagen,’ glunder ik.
Deze vrouw houdt van scharrelen met woorden. Prachtig, ze behoort tot
het soort van vrouwen waar ik naar opkijk, het type dat bij uitstek
geschapen is om een man met hun verfijning te behagen, het kransje van
echte dames, zo bekoorlijk in de omgang, en, zeer belangrijk, ze geuren
heerlijk. Hoor je dat Minouche, jij derderangshoer! Ik betaal je
om te neuken, niet om de lucht te verpesten.
Ik heb even het gevoel dat de vrouw naast mij iets gaat zeggen, maar
ze blaast enkel wat gespaarde adem uit. Ik geef toe dat de vrouw door
haar verschijning indruk op mij maakt.
Mijn vriend Sven De Hertogh heeft ditmaal een goede vondst gedaan. Sven
schuimt al jaren het internet af op zoek naar contactadressen van relatieminnende
vrouwen. Zijn voorkeur gaat uit naar hoogopgeleide gehuwde vrouwen met
een goede job. Sven beweert dat dit type vrouw het meest zin heeft in
vluchtige slippertjes. Ze zijn bovendien gul als de clandestiene partner
wat nodig heeft. Mij best, zolang ze klasse hebben, proper zijn en goed
ruiken. Als Sven met één van hen afspreekt en hij daarna
de vrouw om welke reden dan ook niet wenst te ontmoeten, speelt hij
zijn rendez-vous naar mij door. Op die manier heb ik al met een aantal
afgewezen vrouwen van Sven kunnen kennismaken.
Zelf hou ik niet van avontuurtjes. Ik wil de zeldzame bloem plukken
en met haar tot aan het uiteinde van de wereld gaan, nu en altijd. Heb
je dat begrepen, Minouche, jij dom gleufdier! Je spreidt je benen op
het ritme van mijn poen. Hou dus in het vervolg je bek dicht. Voortaan
leg ik een handdoek op je muil, zodat ik je zwavel niet langer hoef
op te snuiven.
Ik ben de voornaam van de vrouw waar ik naastzit vergeten. Dat is vervelend
en jammer. Bovendien heb ik geen geld bij me. Toch wil ik haar verrassen.
‘Zal ik je verbazen?,’ zeg ik.
Ze draait speels met haar ogen en buigt wat voorover. Haar korte mantel
glijdt open en ik zie een boogje in haar bloes, een tunneltje dat net
het wit van haar beha laat zien.
‘Je maakt me nieuwsgierig,’ grijnst ze.
‘Het is een spel. Ik zal je vier briefjes geven. Je schrijft op elk
papiertje een voornaam waaronder je eigen roepnaam. Als het spel begint
bekijk je discreet elk velletje. Je zegt bij ieder papiertje enkel dat
dit je echte voornaam is. Geef me ongeveer tien seconden per voornaam.
Als je de waarheid vertelt zeg ik ja. Ik krijg slechts één
kans om het goede antwoord te geven.’
Ze glimlacht.
‘Statistisch bekeken heb je weinig kans op slagen. Wat als je verliest?’
‘Dan betaal ik een dineetje. Als ik win betaal jij.’
‘Dat lijkt me fair.’
Ik haal vier vliesdunne papiertjes uit mijn vestzak en geef ze aan de
vrouw. Ze begint meteen luid te lachen.
‘Je denkt toch niet dat ik daar intuimel? Je kunt gewoon doorheen het
papier kijken,’ giert ze.
‘Hou dan je hand achter het papier.’
Ze onderdrukt niet zonder moeite een lachstuip.
‘Ik ben benieuwd hoe je dat voor elkaar gaat brengen,’ zegt ze proestend.
Ze speelt met enkele haarlokken en bekijkt me geamuseerd. Het bruggetje
in haar bloes staat extra breed en biedt me een mooie inkijk. Het begint
in mijn gulp te knellen.
De vrouw schommelt sierlijk met haar pen over de papiertjes en bekijkt
me tussendoor guitig.
‘Ben je klaar?,’ vraag ik.
Ze knikt. Haar pretoogjes laten me niet los.
Ik had heus niet verwacht dat de eenvoudige list met het doorkijkpapier
zou lukken. Om haar ware voornaam te achterhalen en een gratis dineetje
in de wacht te slepen ben ik nu enkel op mijn mensenkennis aangewezen.
Ik heb ooit ergens gelezen dat een liegende vrouw aan haar lichaamstaal
te herkennen is. Een jokkende vrouw maakt minder handgebaren, haar oogpupillen
verwijden en vernauwen en vooral, ze krabt aan haar neus.
Ik voel me zegezeker. Ik nodig haar uit om het eerste papiertje bedekt
voor zich te houden.
Ze verbergt het briefje achter haar handtas en bekijkt me jolig.
‘Dit is mijn echte voornaam,’ zegt ze.
Ik dring meteen in haar pupillen. Er gebeurt eerst niets. De pupillen
blijven even groot, zwart en verankerd in het blauw van haar iris. Ik
klamp me aan haar pupillen vast en zie, verwijden ze niet? Haar rechterhand
wijkt plots uit en jawel, ze krabt duchtig aan de top van haar neus.
‘Het is niet je voornaam,’ zeg ik vastberaden.
Ze klapt in haar handen.
‘Klopt,’ grinnikt ze uitbundig en neemt meteen het tweede krabbeltje.
‘Dit is mijn echte voornaam,’ gnuift ze. Het lijkt wel alsof ze meespeelt
in een slapstick.
Ik verdiep me opnieuw in haar pupillen. Het scenario herhaalt zich.
De pupillen vergroten, de handen blijven over het algemeen rustig, behalve
bij het schoffelen van de neus.
‘Het is niet je voornaam,’ poneer ik rustig.
Ze applaudisseert ongeremd.
‘Je bent me er toch eentje,’ ginnegapt ze. Ze toont me het papiertje
met Laura.
Ik ben even sprakeloos. Ze lost mijn dilemma op door het briefje te
verfrommelen en naar het volgende papiertje te grijpen.
‘Dit is mijn echte voornaam,’ kirt ze.
Hoe strak ik ook kijk, ditmaal groeien de pupillen niet. Ze maakt niet
meer of minder handgebaren en laat haar neus met rust. De feiten zijn
duidelijk.
‘Het is je echte voornaam,’ meesmuil ik zelfverzekerd.
‘Klopt,’ juicht ze en werpt het kattebelletje op mijn schoot. Mieke
lees ik.
Ik bloei op een schavotje van zelfvoldaanheid. Minouche noemde me gisteren
een sukkel. Ze weet niet beter. Hoeren hebben nu eenmaal kleinere hersenen.
De pret van Mieke kan niet op.
‘Hoe heb je dit toch voor elkaar gekregen?,’ krijst ze en geeft enthousiast
een klap op mijn knie.
Ik schuif spontaan mijn benen weg. De spanning in mijn gulp neemt af.
Ik hoop voor haar dat ze de por niet met bijbedoelingen gaf. Ik kan
opdringerige vrouwen niet uitstaan. Een man hoort op een vrouw te jagen
en niet omgekeerd. De natuur zit nu eenmaal zo in elkaar. Ooit een merrie
met opgetilde staart achter een hengst zien draven?
Mieke kijkt me beduusd aan. Mijn reactie heeft haar ongetwijfeld verbaasd
en in verwarring gebracht. Ik moet het weer bijleggen. Ik doe alsof
er niets is gebeurd.
‘Je hebt het me tijdens het spel niet gemakkelijk gemaakt,’ fleem ik.
Mieke friemelt aan haar hoofdhaar. Ze legt met enkele vingers een krachtige
haarlus over haar rechteroor.
‘Ik heb me laten gaan,’ zegt ze.
Aan haar woorden hangt een luchtje van penitentie. Ze wil ongetwijfeld
met slijm aan mijn geweten lurken. Er klopt iets niet. Ik gooi mijn
verlangen naar romance watertandend voor haar voeten en Mieke probeert
mij meteen in te pakken. Ik moet op mijn hoede zijn. Een jager mag zich
niet tot prooi verlagen.
‘Ik denk dat ik maar beter ga,’ zegt Mieke plots.
Ik ben perplex. Ze wil weglopen, me dumpen. Ik heb me vergist, Mieke
is nog niet veroverd. Ik voel opnieuw opwinding. Mijn gulp knelt weer.
‘Asjeblieft Mieke, blijf nog, we zouden toch samen gaan eten,’ smeek
ik minzaam.
Gelukkig, ze blijft zitten. Ze legt de ene knie boven de andere en toont
me haar dikke dijen. Ik snuif andermaal de geur van zeep. Lekker.
‘Mag ik je Sven noemen?,’ vraagt ze.
‘Natuurlijk. Wanneer wil je eten?’
‘Het is nog vroeg. Om twaalf uur lijkt me goed.’
Prachtig. De trein zit weer op het goede spoor. Ik mag opnieuw toehappen.
Ik volg opgetogen het traject van verleiding dat ik heb uitgestippeld.
Zo heb ik het graag. Een man charmeert een vrouw. Zij laat zich hoffelijk
verleiden. Zij hapt niet meteen toe, dat zou te goedkoop zijn, neen,
zij hult zich in een onschuldige maar toch speelse charme, moedigt discreet
de attenties van een man aan en koestert met de glimlach zijn aandacht.
Ze wacht minzaam tot de man de eerste stap zet. Dringt het al tot
je door, Minouche, jij sloerie, je noemt me geflipt en zegt dat geen
andere hoer me wil. Ziehier het bewijs hoe een echte vrouw naar me opkijkt.
De punt van Miekes schoen wijst in mijn richting. Ook haar schouders
draaien volledig mijn kant uit. Ik weet het zeker, het zijn hoopvolle
signalen. Psychologen hebben het toenaderingsgedrag tussen man en vrouw
minutieus bestudeerd en ik twijfel niet aan hun wijsheid.
Mieke speelt met haar pluchen konijn. Ze loert tussendoor naar mij,
buigt het hoofd en kijkt dan weer. Ik probeer oogcontact te krijgen.
Ik slaag erin haar blik langer vast te houden. Mijn pupillen gaan snel
heen en weer van haar ene oog naar haar andere. Ze kijkt naar beneden,
trekt haar kleren wat recht en draait een bosje haren rond een vinger.
Ik spreek haar aan met een rustige stem en mijn zachtste glimlach. Ik
ben een rattenvanger in zulke dingen. Ik voel dat ze kraakt. Ze strijkt
met een vinger over haar wang en beweegt voortdurend haar lippen. Ik
ga winnen. Minouche, jij ordinaire slet, je rijk is uit. Ik stuur
je naar de hellepoort, daar kun je met mijn moeder een rondje dansen.
Mijn moeder, hoer aller hoeren.
Mieke laat haar konijn los en plaatst haar handen in haar heupen. Volgens
psychologen dé aanduiding dat een vrouw wenst te worden aangeraakt.
Eureka, de buit is binnen handbereik.
We blijven gezellig praten. Ik gebruik een air van bezorgdheid: een
mengeling van zelfverzekerdheid en mannelijke kwetsbaarheid. Daar houden
vrouwen van. Dan begint ze aan de onderste knoop van haar bloes te frutselen.
Ze wil op die manier de aandacht vestigen op een verleidelijk deel van
haar lichaam. Mieke is bezweken.
Ik ben verlost van de kak van Minouche en de drek van mijn moeder. Moeder
ontving haar klanten in de woonkamer. Ik verborg me dan als kind altijd
onder de keldertrap, want ik was bang van de vieze mannen die mijn moeder
met hun kwijl besmeurden. Daarna gaf ze me snoep en drukte mij tegen
zich aan. Haar mond spuit kots, haar adem ruikt naar rottende kaas.
Ik draai mijn hoofd weg, verweer me, duw en trap. Ik wil wegrennen.
Moeder houdt me stevig vast. Haar lippen raken mijn wang aan. Ik riek
bedorven lucht. Ik huil. Moeder liet me altijd los als ik kotste.
Terwijl ik charmant naar Mieke lach, leg ik mijn arm op de rugleuning
van de bank, tot op een twintig centimeter van haar schouder. Ze kijkt
tevreden naar mijn arm.
‘Je weet van aanpakken,’ glimlacht ze.
Mijn hand glijdt als een slang verder over de rugleuning van de bank
tot mijn vingertoppen haar bloes raken. Mieke beweegt niet, ze laat
het gebeuren. Ze blijft naar mij glimlachen. Ik voer de pressie op.
Ik aai aangenaam haar schouder. Ze verzet zich niet.
Ik ben gelukkig. Mieke is veroverd. Ze ligt aan mijn voeten. Een vrouw
van vlees en bloed, met stijl en verrukkelijke geuren. Minouche is weggeblazen,
het misbaksel met de gorillahersenen.
Ik kruis verrukt mijn armen, tot Mieke me plots een vluchtige kus op
de mond geeft.
Een klap dreunt hard tegen mijn gezicht, een ijzeren bout boort door
mijn hoofd, ik ben versteend. Verschrikkelijk, ik baal van haar gezicht,
haar tanden kraken, haar mond braakt modder. Ja, dat is het. Haar adem
ruikt naar modder. De geur van een stinkende alles bedwelmende brij
waar restanten van krengen liggen in te gisten. Afschuwelijk, ik kots
mijn maag leeg. Het braaksel pletst op het perron.
Mieke staat verschrikt op. Ze wil me ondersteunen. Ik duw haar weg.
Wat is er toch aan de hand met de vrouwen die ik ontmoet? Op een ogenblik
dat de dingen vlot beginnen te gaan, valt hun masker onherroepelijk
af. Leen had pas haar hand op mijn arm gelegd of ik rook een indringende
geur van urine. Ann wilde een kus op mijn wang geven en daar steeg een
stank van gebruikte tampons op. Loes wilde iets in mijn oor fluisteren
en ik ademde haar zure oksellucht in. Hoe is het mogelijk? Ik heb de
ongelooflijke pech iedere keer op vrouwen te vallen met twee gezichten.
Ze maskeren zich met parfum, maar kunnen finaal hun stinkende lijfgeur
niet verbergen.
Ik wil meteen weg. Ik grabbel naar mijn koffertje en ren zo hard als
ik kan naar de uitgang van het station. Ik hoor Mieke verschrikt roepen.
Ik struikel en val met mijn gezicht op het harde perron. Mijn lippen
en neus lijken verdoofd. De koffer is opengevallen, de fluwelen diertjes
liggen verspreid. Ik zie Mieke mijn richting uitlopen. Ze zwaait met
haar armen. Ik strompel recht en loop met gebogen rug weg. Ik heb overal
pijn. Ik schuifel een trap af, mijn adem jaagt, mijn benen kruipen.
Ze haalt me in en gaat voor mij staan.
‘Wat is er met je?,’ gilt ze.
Met wat mij aan veerkracht overblijft loop ik langs haar heen en ren
de trap naar de uitgang af. Ik hoor haar voetstappen achter me. Ze hijgt.
‘Zeg me toch iets,’ schreeuwt ze snikkend.
Haar gehuil verzwakt. Ze verliest terrein. Ik voer het tempo op en bereik
de uitgang.
De volgende morgen sta ik weer in het station. Ik wil mijn koffer met
mijn diertjes recupereren. Ik zie net op tijd Mieke op het perron staan.
Ze heeft mijn koffer in haar armen geklemd en kijkt zenuwachtig rond.
Ik verstop me achter een zuil. Ik bespied haar. Ze loopt traag het perron
af en aan, blijft staan en kijkt naar haar polshorloge.
Ik ben mij ervan bewust dat ik een valkuil heb vermeden. Mieke behoort
tot het type vrouw die als lijm aan een man kleeft en hem genadeloos
gijzelt. Ze zou desnoods op mijn rug klauteren en daar blijven zitten.
Het is niet te geloven.
De dag daarna loopt Mieke andermaal met mijn koffer op het perron te
paraderen. Ik begin de toestand geestig te vinden. Ik begluur haar grinnikend.
Ik observeer met stijgende pret hoe ze mijn koffer als een icoon koestert
en de pluchen diertjes vertroetelt. Na een uur ben ik op haar uitgekeken.
Het is genoeg geweest. Mieke is verleden tijd. Ik trek altijd kordaat
een streep onder mijn misstappen. Ik besluit een tijdje van het station
weg te blijven.
Een maand later geeft Sven me een nieuwe afspraak door die hij met één
van zijn internetvriendinnen heeft gemaakt.
Op een ochtend sta ik opnieuw op het perron. Mieke is gelukkig niet
te zien. Ik ben definitief uit haar klauwen ontsnapt. Ik heb me zelden
zo goed gevoeld.
Een trein stopt, een vrouw stapt uit en kijkt rond. Ik glimlach naar
haar.
|
 |
 | |
|