![]()   |
 |
Bronka
Ljoedmila Oelitskaja
(Vertaling: Maarten Bogaert)
Zoals Anna Markovna later vertelde was Simka nog voor de oorlog met
een verhuisgolf aangespoeld op het binnenplein in Moskou. De koetsier
laadde haar uit – dor, langneuzig, opgebonden kousen aan haar magere
benen en grote mannenschoenen aan haar voeten – en reed er luid vloekend
vandoor. Simka diende hem kijvend van repliek, molenwiekte met haar
armen en bleef alleen achter met haar hele hebben en houden. Dit bestond
uit een reusachtig, vlekkerig veren bed, twee kussens en de kleine Bronka,
die het kleinste kussentje tegen haar borst perste, dat er met de roze
sloop uitzag als een dood biggetje.
Ze betrok tot ergernis van de andere huurders het kamertje naast de
keuken zodat deze hun rommel die ze daar bewaarden – vooral schalen
en tobbes vol gaten – elders moesten opbergen, wat haar niet meteen
geliefd maakte bij haar toekomstige buren, de bewoners van één
van de meest ruïneske gebouwen op het wijdvertakte binnenplein.
Maar omdat de operatie werd geleid door huismeester Koezmitsjov, een
eenarmige nietsnut en verklikker, roerde niemand zijn mond. Welk profijt
Koezmitsjov had door Simka die kamer toe te wijzen was niet zo gauw
duidelijk, maar het was zeker niet vanwege haar schoonheid. Ze moet
hem het één of ander op de mouw hebben gespeld, een métier
waarin ze – dat zou nog blijken – onovertroffen was.
Met de gemeenschapsdweil reinigde Simka de vloer in het kamertje – ze
hield de dweil als een echte beroeps stevig en teder in haar pezige
handen – bedekte de opgedroogde vloer met krantenpapier, zette daar
het zware veren bed op en richtte zich vervolgens tot haar buurvrouw
Marija Vasiljevna met de kernvraag:
‘Hoor eens, Marija Vasiljevna, waar wonen hier eigenlijk de intelligente
mensen?’
Marija Vasiljevna doorzag meteen de gelaagde vraag en stuurde haar linea
recta naar Anna Markovna. Een paar minuten later zat Simka voor een
wit tafelkleedje met een blauw, goudgerand kobaltkopje in haar hand.
De arme Anna Markovna knikte begripvol met haar opgeschikte zilverkrullige
hoofd zodat er nu eens in het ene en dan weer in het andere lange oorlelletje
een blauw schijnsel opflakkerde en trachtte in te schatten hoeveel en
wat ze haar verzoekster moest geven en hoe ze zich tegelijk kon beschermen
tegen dagelijkse aanslagen door dit onnozel brutaaltje.
De fijngevoelige verstandhouding was volkomen wederzijds, want Simka
omzeilde bij het beschrijven van haar gedeeltelijk verzonnen ongeluksperikelen
op virtuoze wijze echte gebeurtenissen, liet al eens een witte vlek
achter of plaatste een donker censuurteken. Anna Markovna stelde, kies
als ze was, geen vragen die het vage waarheidsgehalte van haar relaas
hadden kunnen verstoren. Het enige wat klopte was dat Simka, nadat ze
haar man had begraven, was weggelopen uit het zelfgemaakte Sion aan
de oever van de Amoer, ondanks alle verzet van overheid, autoriteiten
en hemelse machten.
Een poosje later verliet Simka Anna Markovna met een kleine uitzet waar
alles in zat – van een petroleumstel tot een petieterig knoopje. Tegelijk
was Simka te kennen gegeven dat ze in geval van nood altijd mocht aankloppen,
maar dat ze niet voor de thee zou worden uitgenodigd. Simka kon daar
perfect mee leven.
Vreemd genoeg paste ze zich heel gauw aan het gemeenschapsleven aan.
Het plein nam haar op en stelde haar scherpe tong op prijs, evenals
haar hoogst merkwaardige manier om bonje te trappen –midden in een fiks
handgemeen onder buren kon ze opeens uitbarsten in een onbedaarlijk
geschater. Dan sloeg ze haar armen om haar borstkast waaruit een forse
benige kam naar voor stak, als bij een oude kip, waarbij de twee hoorntjes
van de geknoopte doek op haar voorhoofd heen en weer wiegelden.
Ook haar carrière vertoonde een opwaartse beweging: ze was nog
altijd poetsvrouw, maar van het huisbeheer verhuisde ze eerst naar een
bedrijfskantoor en daarna, vlak voor de oorlog, naar het Volkscommissariaat
voor het Gezondheidswezen.
Ze deed haar werk vol overgave en was onvermoeibaar. Ze begon haar werkdag
om zes uur ’s ochtends in overheidsdienst, vervolgens liep ze naar huis
om haar dochtertje eten te geven en daarna liep ze naar het belendend
huis, een solide gebouw van rond de eeuwwisseling, bewoond door ingenieurs
en technici, waar ze de gemeenschapsruimten schoonmaakte in bijna de
helft van de woningen. Zo wervelde ze rond van vijf uur ’s ochtends
tot laat op de avond en ze leefde niet slechter dan anderen.
Simka’s meest verbazende karaktertrek was haar mateloze ijdelheid. Ze
gaf hoog op over haar dweil, gemaakt uit het beste zaklinnen; als ze
in het voorjaar haar immense veren bed liet luchten, stak ze haar neus
zo in de wind alsof ze een mantel uit sabelbont aan de draad hing, ze
prees haar overleden echtgenoot de hemel in als de beste van alle overledenen,
zelfs de volslagen ontstentenis van enige tand in haar mond vond ze
een hoogst interessant gegeven dat zo niet bewondering dan toch wel
verwondering verdiende.
Het allerbelangrijkste, wat haar boven de hele overige mensheid verhief,
was haar dochter Bronka die onopvallend groeide – liggend op haar buik
op de vensterbank van haar kelderraam keek ze jaar in jaar uit naar
de veranderende seringen en de onveranderlijk uitgerafelde broeken van
de voorbijlopende jongens die op zoek waren naar een God weet waarheen
weggevlogen pinkelhoutje.
Bronka was inderdaad een eigenaardig wezen, niet van deze wereld. Ze
had een vederlichte balletpas, een strak gespannen wervelkolom en hield
haar hoofd in de nek. Van de onbeschaamdheid van haar moeder was bij
haar geen spoor. Haar blik was steevast naar boven of in de verte gericht.
Het eerste wat aan haar opviel waren haar rossige weelderige haren en
haar lage gewelfde nobele voorhoofd, en pas dan, als je goed keek, kwam
de rest van haar schoonheid te voorschijn die louter uit kleine onregelmatigheden
bestond: een tikkeltje scheve, doorschijnend witte voortanden, een licht
opgetrokken bovenlip en zulke grote felgele ogen dat ze de neuswortel
wel leken samen te drukken en tot aan de slapen kwamen. Daarbij kwam
nog een bekorende versufte gelaatsuitdrukking, alsof ze net wakker was
geworden en zich haar ontglipte droom trachtte te herinneren.
Op een schoolfoto van 1947 keek de twaalfjarige Bronka niet in de lens.
Ze had zich afgewend – alleen een deel van haar wang was zichtbaar en
de dikke worstvlecht die boven haar oor was samengeknoopt. Het onderwijs
was niet meer gemengd, maar van schooluniformen was toen nog geen sprake.
Hoewel iedereen iets anders droeg, zag de geoefende blik een gemeenschappelijk
kenmerk – alles was versteld, uit lappen aan elkaar gezet en gekeerd.
Twee meisjes droegen zelfs schorten naar prerevolutionaire snit: Bronka
en de kleindochter van Anna Markovna. Deze laatste was tot het einde
van haar levensdagen trouw aan het wereldbeeld dat haar was ingeprent
op het gymnasium en het volste respect verdiende, al kwam dat respect
wat laat. Irotsjka droeg naar de idealen van haar grootmoeder een donker
kleed met witte kraag, een imitatie van het latere schooluniform. Bronka
had een wollen blouse aan met satijnen mouwovertrekjes. Alle kinderen
waren klein en ondervoed, dikkerds zaten er niet bij. Problemen met
de stofwisseling, zo bleek nadien tijdens de vettere jaren zonder voedselbonnen.
Bronka stond een beetje en profil en onder haar schort kon je duidelijk
een ronding zien.
Twee jaar later, in de zevende klas, werd Bronka, bijna in de laatste
maand van haar zwangerschap, met schande overladen en de school uitgejaagd.
Vreemd genoeg had Bronka’s lerares, Klavdija Dmitrijevna, een oude vrijster
met een rond zwart haarkammetje, haar zwangerschap eerder opgemerkt
dan de uitgekookte Simka.
Simka werd op school ontboden en op de hoogte gebracht.
Simka onderzocht de zaak en overtuigde zich.
Haar gejank en gekrijs schelde oorverdovend door het hele wriemeldorpje
– dit was de poëtische naam van het plein. De vocale partituur
die zich in Simka’s kamertje ontvouwde, bevatte behalve verwensingen
in algemeen verstaanbaar Russisch en minder begrijpelijk Jiddisj alle
mogelijke vocalisaties op ‘a-a’, ‘o-o’ en ‘oe-oe’, glasgerinkel, gerammel
van bestek, gekraak van meubels en knallende oorvijgen.
Eerlijkheidshalve moet worden gezegd dat Bronka geen kik gaf. Dit verontrustte
de buren zodanig dat ze massaal naar binnen stormden, Simka met water
begoten, de levenloze krijtwitte Bronka naar buiten brachten en Simka
– afzonderlijk en in koor - te verstaan gaven dat dit een doodgewone
zaak was die iedereen kon overkomen en dat ze daar niet zo’n drama van
moest maken.
Anna Markovna was zo grootmoedig om haar dochter, een vrouw die met
haar gezondheid sukkelde en alleen al van de nabijheid van de school
misselijk werd, te vervangen op de gereputeerde oudervereniging waar
een stormachtige discussie plaatsvond. Op de vraag van haar kleindochter
Irotsjka hoe het nu zat met Bronka, antwoordde ze droogjes dat Bronka
in verwachting was en niet meer naar school zou komen. Daarbij perste
ze haar lippen zo stijf op elkaar dat duidelijk werd dat ze geen pittige
details over Bronka’s levensloop zou prijsgeven.
Bronka droeg haar zwangerschap uit zonder het kamertje te verlaten,
maar zodra het kind was geboren, ging ze ermee wandelen alsof er niets
was gebeurd. Ze stond in de voortuin, links van het bordes, met de baby
in haar armen. Haar wandeling duurde steeds precies anderhalf uur.
In het begin gaven de bengels op het plein haar hun mening over het
gebeurde, en ze deden haar allerlei voorstellen omtrent een bezoekje
aan de zolder of het schuurtje, maar Bronka sloeg enkel haar heldere
ogen op, glimlachte schaamteloos en minachtend en verwaardigde zich
nooit tot een antwoord. Ze was altijd spaarzaam met woorden geweest,
niet erg sociaal en op haar manier onafhankelijk, maar nu wisselde ze
zelfs met haar moeder nauwelijks nog een woord.
Voor Simka betekende dit een extra kwelling. Een hele tijd zeurde ze
aan haar dochters hoofd om te achterhalen wie haar met die nalatenschap
verblijd had. Diep in haar hart koesterde ze de verzachtende hypothese
van een verkrachting. Maar Bronka zweeg als het graf en toonde niet
de minste verlegenheid. Simka ontstak hierover in woede, maar niets
kon Bronka’s bijna zwakzinnige zielenrust verstoren. Ze zag er zelfs
gelukkig uit.
De geboorte van het kind en het onopgehelderde raadsel van het vaderschap
deden niets af aan Simka’s ijdelheid. De jongen, die de naam Joera meekreeg,
was zichtbaar van een ander ras – donkerder van huid en grijze ogen.
Simka, verrukt over zijn gelijkmatige schoonheid, keurde hem steeds
opnieuw van top tot teen in de hoop een gelijkenis te ontdekken. Met
wie? Geen idee…
Na de geboorte gedroeg Bronka zich even onberispelijk als vroeger. Toen
had ze ook nooit rondgehangen in portieken of op zolderkamertjes of
was ze niet achter vlotte jongens met achterstevoren opgezette kleppetten
in duiventillen gekropen. Nu, met de baby, wervelde ze met haar balletpas
alleen nog naar de winkel als haar moeder haar daarom vroeg, en ze rende
in zeven haasten terug om het kind geen minuut te lang zonder haar persoonlijk
toezicht alleen te laten. `s Avonds zat ze in haar kamertje op bed en
als ze haar zoon niet te eten gaf, dan bewonderde ze hem in zijn slaap.
Soms werd Simka bekropen door een gevoel van medelijden voor haar eenzame
dochter en dan probeerde ze op haar in te praten: ‘Trek er toch eens
op uit, ga je vriendinnen eens opzoeken!’ Maar Bronka haalde halsstarrig
haar schouders op. De meisjes die vroeger bij haar in de zevende klas
zaten staarden haar aan met van angst wijdopengesperde ogen en voelden
niet de minste aandrang om contact met haar te zoeken. Alleen de kranige
Ira is eens naar Bronka toegekomen, toen deze met haar kind aan het
wandelen was, en vroeg toen of ze het mocht zien. Bronka verwijderde
de doek van het gezichtje van haar zoontje, waarop haar vroegere klasgenote
verrukt uitriep:
‘Kijk eens aan! Wat een prachtig kereltje!’
En vertrok weer met de vage gedachte in haar achterhoofd dat ondanks
alle afschuwelijke schande die haar te beurt was gevallen het een heel
doddig kind was en dat Bronka vanaf nu tot een serieuzere wereld behoorde,
waarin geen plaats meer was voor stellingen over gelijkvormige driehoeken,
verkiezingen voor de leerlingenraad of turnoefeningen aan de bok. Met
haar veertien en gezien de algemene bandeloosheid in die tijd was Ira
niet dom, maar in een vriendschap met Bronka zag ze geen graat.
Toen Joera leerde lopen en ‘oma en ‘mama’ begon te zeggen, kwam aan
de oppervlakte dat Bronka opnieuw hoogzwanger was. Deze keer schopte
Simka geen keet, maar stelde een grondig onderzoek in. Ze vernederde
zichzelf in die mate dat ze bij Marja Vasiljevna aanklopte en vroeg
of er bij Bronka volk over de vloer kwam, als zijzelf gaan werken was.
De buurvrouwen die Bronka’s doen en laten tijdens een keukenbijeenkomst
hadden beoordeeld en veroordeeld, verklaarden unaniem dat Bronka geen
mannelijk bezoek had. In ieder geval had men haar daar nooit op kunnen
betrappen. Omdat ze altijd zo stil en bescheiden was, alles even deemoedig
en onverschillig aanhoorde, was een conversatie met haar een doodsaaie
bedoening. De buurvrouwen voelden zelfs een zeker medelijden met haar.
Hoe dan ook, de tweede jongen kwam ter wereld en zag er net zo uit als
de eerste – donker haar, getaande huid en grijze ronde ogen. In plaats
van haar haren uit te trekken was Bronka volmaakt gelukkig. Ze speelde
met haar kinderen als een kat met haar jongen, gaf de kleine de borst
en vergat daarbij de oudste ook niet. Het was een pienter ventje en
als hij na zijn jongere broertje de resterende melk had opgezogen, zei
hij ‘dank je wel’.
Van bij de geboorte koesterde Joera een diepe genegenheid voor zijn
kleine broertje die in de loop der jaren nog toenam. De kinderen waren
goedlachs en lief, de buren hielden van hen en verwenden hen zoveel
ze maar konden en hadden medelijden met Simka en de dwaze Bronka. Nu
eens staken ze de kinderen een koekje toe, dan weer een stuk cake.
Viktor Petrovitsj Popov, een oude gepensioneerde fotograaf, die de grootste
kamer betrok, bijna achttien vierkante meter, liet hen soms bij hem
spelen. Dan gingen ze zitten op het rode tapijt met de fijne patronen,
terwijl hij voor hen dieren en fietsen uit zwart papier uitknipte…
Maar Bronka werd opnieuw zwanger. Simka’s joodse ziel, gehard in het
duizendjarige vuur en water van de diaspora plus haar eigen tweevoudige
verhuiservaring, kon deze beproeving niet verdragen: haar dochter baarde
jaar in jaar uit een kind, maar er was in de verste verte geen man te
bespeuren. Het werd Simka allemaal te veel. Ze begon te drinken.
In de kamer werd het zo benauwd dat Simka met de twee kinderen op het
befaamde veren bed sliep en Bronka een plooibed bij de deur in de keuken
plaatste. Daar sliep ze met een lus om haar been. Simka, die nooit Boccaccio
had gelezen, hield het uiteinde in haar stevige knuist. Bronka’s derde
zwangerschap, die ondertussen voor iedereen zichtbaar was, deed niets
af aan haar vergeefse moederlijke waakzaamheid.
Bronka’s nieuwe zoon Grisja werd geboren op de dag dat zij zeventien
werd. Anders dan zijn oudere broertjes was hij ziekelijk en huilerig.
Tot hij één jaar was, droeg Bronka hem onafgebroken in
haar armen. Hij zwaaide als een dolle met zijn armpjes, trok gepikeerd
zijn mondje scheef en won Simka’s hart volkomen.
De oudste twee, Joerka en Misjka, stoeiden in de keuken rond, tot de
oude Krotova een pot hete soep over Misja uitstortte. Vanaf dat moment
liet Bronka hen niet meer in de keuken en bij slecht weer zaten ze in
de kamer van de oude Popov, die voor hen uit zwart papier een hele wereld
vol vreemde, naamloze dieren uitknipte. Hij las hen sprookjes voor van
Andersen in slechte vertaling zonder enig spoor van vermoeidheid of
ergernis te vertonen.
De jongste kwam er stukje bij beetje bovenop, hoewel hij pas laat leerde
lopen, op anderhalf jaar, en een beetje achterophinkte in zijn ontwikkeling.
Bronka was meer met hem bezig dan met de oudste twee, maar die toegenomen
zorg om haar kinderen verhinderde niet dat ze op een gegeven ogenblik
weer rondliep met een bolle buik. De buren verbaasden zich allang niet
meer over een dergelijke vruchtbaarheid. Simka aanvaardde de geboorte
van haar volgende kleinzoon als een onvermijdelijk natuurfenomeen, zoals
het wisselen van de seizoenen.
Bronka’s laatste zoon Sasja, ook met donker haar en grijze ogen, werd
vlak voor de dood van de oude fotograaf geboren. Op de dag van de begrafenis,
na een klein lijkmaal en een groot keukenschandaal vanwege Simka’s eigenmachtige
beslissing om de kamer van Popov te betrekken, verhuisden Simka en haar
nalatenschap naar zijn kamer en leefden er als God in Frankrijk.
De eerste avond al schreeuwde de aangeschoten Simka in de keuken tegen
Bronka, die de babyflesjes onder de kraan aan het afwassen was – voor
haar vierde kind had ze geen melk meer:
‘Een hoer ben je, Bronka, een hoer! Al van in mijn jeugd ben ik alleen
gebleven, omwille van jou. Denk je dat ik niet kon trouwen? Baar maar
kinderen, ga je gang en schaam je vooral niet! Op deze achttien vierkante
meter kan je beslist zooo-veel hummels kwijt!’ Ze huilde en schudde
de tranen van haar wangen af.
Bronka kromp ineen, de flesjes kletterden tegen de metalen wasbak. Haar
armen gingen omhoog, ze wankelde naar achter en viel op de cementvloer.
Daarna kalmeerde Bronka. De jongste werd één jaar, drie
jaar, Joera ging al naar school – naar dezelfde school waaruit hij met
zijn moeder ooit was weggejaagd. Het onderwijs was intussen gemengd.
De meisjes droegen een schooluniform, de jongens waren kaalgeschoren,
alleen een paar enkelingen, bohémiens en vrijdenkers die zichzelf
van kinds af tot verzet tegen de maatschappij hadden veroordeeld, droegen
een doorzichtige visstaartachtige pony. Joera kreeg les van dezelfde
leraars, waarbij toentertijd zijn losbandige moeder niets fatsoenlijks
had geleerd.
Bronka ging als poetsvrouw in een bakkerij werken. Omdat het brood ter
plaatse werd gebakken, kreeg Bronka naast haar loon zoveel brood als
ze maar wilde. Van deze schnabbel werden haar kinderen de één
na de ander groot en sterk. Zelfs de ziekelijke Grisja kwam er bovenop
en ze leken op elkaar als de kinderen van één vader.
|
 |
 | |
|