![]()   |
 |
Hoe ik mijn horloge stuksloeg
Joris Note
Er was eens een jongen, we zullen hem Boris Bibber noemen. Hij ging
naar school en hij leerde goed en hij leerde door, een fluitje van een
cent.
Bij een zij-ingang van het universiteitssecretariaat kon je op de eerste
dag van het academiejaar een boek met collegeroosters afhalen. Het was
niet verplicht, er werd maar een klein aantal exemplaren uitgedeeld
en de volgende dagen had je nog kans genoeg om er een te krijgen, maar
niettemin wurmde een grote schare studenten, veelal eerstejaars, zich
op het vastgestelde uur in het nauwe straatje, ze wilden hun onzekerheid
kwijt en het was een begin van ontgroening. Ik onderwierp me aan het
zotte ritueel, duwend met schouders en ellebogen, zelf geduwd en bijna
omvallende en grond onder de voeten verliezende, een nutteloos kermisgevecht
tussen geraas en gebral. Het deurtje ging dicht, ik had geen boek, en
terwijl de meute zich verspreidde zag ik dat mijn polshorloge weg was,
mijn eerste polshorloge, ik bezat het nog geen jaar. In het nu lege
straatje speurde ik de kasseien af naar resten, het was gestolen of
tot gruis vermalen. De hand gods had me geslagen, en toen ik aan het
eind van de week naar huis ging zei ik al aan de deur tegen moeder dat
er een echte ramp gebeurd was. Nochtans ben ik nooit te laat gekomen
in de colleges, ‘s ochtends werd ik opgeroepen door mijn wekkertje en
daarna liep ik vertrouwend mee met mijn gezellen; maar bij de nadering
van de eerste tentamens kocht vader een nieuw horloge voor zijn dwaze
zoon die het best missen kon, misschien was de vader een dwaze vader,
even. De tijd had zijn nest in mij gebouwd, en lustig met hem samen
de angst, ze paarden en kweekten als geile konijnen, en toen ze talrijk
en krachtig genoeg waren geworden vestigden ze daarbinnen hun onverlichte
despotische bewind.
Boris dacht: ik leer zo goed, waarom zou ik geen leraar worden, en
hij werd leraar, en omdat hij zo erg goed geleerd had werd hij leraar
in een lerarenopleiding. Toen gebeurde er iets met hem, niets in zijn
voorbije leven had dit laten voorzien, helemaal niets, hoe is het mogelijk.
Boris stond voor de klas en werd beoordeeld door zijn studenten, ze
betwijfelden zijn bekwaamheid en rechtschapenheid, hij behaagde hun
niet. Hij zei veel dat hij zelf niet geloofde en over wat hij wel geloofde
sprak hij zonder geloof, en zonder hoop of liefde, want wat zou er hem
niet kunnen ontsnappen in een geestdriftig moment, ze zouden zijn schunnigheid
doorzien, ze zouden hem niet vergeven wie hij was, hij had het recht
niet voor de klas te staan, het was onverantwoord, hij was onverantwoord.
Boris corrigeerde opstellen die volgens de
moderne pedagogen schrijfopdrachten moesten heten, hij begon
met noeste moed en een groene balpen, want groen leek hem minder schel
en arrogant dan rood. Potlood zou nog zachtmoediger geweest zijn, maar
als ze hem wilden pesten door zijn annotaties uit te gommen! Hij omgaf
zich met Van Dale en Verschueren en Het juiste woord van pater
Brouwers en de reinigende geschriften van P.C. Paardekooper en H. Heidbuchel,
en met drie stapels andere taalboeken en grammatica’s. Hij onderzocht
van elk opstel de algemene compositie en de compositie van elke alinea,
hij onderzocht elke zin en elk woord. Hij plaatste zijn opmerkingen.
Zeg dit helderder, kernachtiger. Te vaag, te stroef. Gallicisme, dialect.
Maak hier twee zinnen van, maak hier één zin van. ‘Doorheen’
is geen voorzetsel. Moeizame formulering. Kreupele zin. Geef een voorbeeld
bij deze stelling. Waar is het aangekondigde punt twee gebleven? Stadhuistaal.
Wat bedoel je, concreet? Onderwerp en gezegde stemmen niet overeen.
Onduidelijk waar ‘dat’ en ‘hun’ naar verwijzen. ‘Billen’ zijn geen ‘dijen’!
Op lakse momenten bleef het daartoe beperkt, maar vaak voerde hij zelf
meteen zijn raadgevingen uit, hij verving alle verkeerde of niet ideale
woorden, herschreef alle zuchtende zinnen, en als dat achter de rug
was, en als hij bepaalde onvoldoende doordachte correcties op hun beurt
gecorrigeerd had, moest hij nog een algemene beoordeling verzinnen.
Zo gebeurde het dat hij onderaan en naast en tussen de regels bijna
evenveel tekst schreef als er oorspronkelijk stond, o wonderzoete tale,
ze dachten dat er hem iets mankeerde. Weet u alles beter, meneer, vroegen
ze, doen wij dan nooit iets goed? Maar de cijfers die hij gaf spraken
dat tegen. Hij ontwierp gecompliceerde stelsels met verschillende soorten
fouten in verschillende kolommen, met hele en halve punten en kwartjes,
hij telde en vermenigvuldigde en misrekende zich en griezelde, en het
eindresultaat viel altijd ongelooflijk royaal uit, want eigenlijk, dacht
hij, eigenlijk doen die fouten er niet toe, ik geloof er niets van,
niemendal, geen kloten. Ze kregen 14,75 of 15,25 of 17,5 op 20. En nooit
liet hij zich uit over de gezapige of stuitende overtuigingen die ze
opschreven, dat was zijn werk niet, dat ging hem niet aan, dat raakte
alleen zijn ziel. Al jeukte het wel wanneer de blonde borstenloze kolonelsdochter
hem andermaal voorhield dat de Apartheid een zegen voor de mensheid
was, of dat mannen die de vaat deden flikkers waren, dat flikkers misdadigers
waren en gecastreerd moesten worden, dat het hoog tijd werd om de doodstraf
weer in te stellen en haar, bij voorkeur middels ophanging, ook uit
te voeren.
Als hij mondelinge examens moest afnemen blokte hij eerst urenlang zijn
eigen leerstof.
Hij ging ‘s avonds aan de vensters vragen of hij de deuren wel had toegesloten.
Als in het zachtere seizoen de zon ‘s morgens op zijn slaapkamer begon
te schijnen, brachten de opwarmende aluminiumramen een geleidelijk aanzwellend
en later weer verzwakkend gekraak voort, korte knallen die hem wekten,
mitrailleurkogels. Hoewel hij wist dat het door de zon kwam klonk het
vervaarlijk, iets baande zich een weg. En boven het plafond, wat hokte
daar, vaak werd er sinister gerommel en gestommel hoorbaar, spelende
geesten of tamboerende ratten? Hij keek of er geen gaten waren waardoor
ze in de kamer konden dringen, liet tijdens zijn afwezigheid als test
een stukje kaas op de grond liggen, maar als hij terugkwam lag het er
nog, onaangeroerd en zwetend. Een spin deed hem springen, hij stopte
de geringste kiertjes vol papiertjes, en voor hij ging slapen maakte
hij weer dicht wat al dicht was, sloot opnieuw de deuren en ramen en
rukte hevig aan de klinken om zeker te zijn dat ze echt gesloten waren,
tikte op de ruiten om te weten of ze er nog in stonden, deed ook de
tussendeuren op slot, en als hij dan in bed lag kon hij zich niet meer
herinneren of hij het gene en het gindse wel had geverifieerd, wat had
hij verzuimd, hij moest terug voor een nieuwe ronde, zwoegde zich weer
door de woning, in hoeken loerend naar wie of wat zich daar verborg,
er kon iemand achter de deur staan die hij opende en weer sloot, wat
gebeurde er achter zijn rug. Nadat hij ook onder het bed geen mens of
dier had aangetroffen begroef hij zich onder de deken, poedelnaakt lag
hij op het deksel van zijn kokende ketel, van zijn doofpot. Er mocht
niets ontsnappen, boven zijn hoofd hielden de ratten atletiekwedstrijden.
Je weet het nooit zeker, met een deur, je doet hem op slot maar daarna
ziet hij er net zo uit als wanneer hij niet op slot is, je kijkt en
je weet het niet, je moet het weer controleren en zo voort, alleen je
geheugen kan je vertellen dat je hem op slot gedaan hebt, je zou op
je geheugen moeten vertrouwen, je zou op jezelf moeten vertrouwen, stel
je voor.
En van sluiten gesproken, in de keuken had hij per ongeluk vier monsterlijke
honden gevangengezet, ze huilden als duivels en beklommen de muren,
vernielden en bescheten zijn glazen en borden. Toen dompelde de woning
zich in leegte, hier woonde niemand meer of iemand woonde hier zonder
meubels, op de grond zaten een bedroefde vader en moeder koffie te drinken
maar overal slopen en snelden kakkerlakken, met weidse zaaigebaren strooide
hij DDT door de kamer, de kevers sprongen in de kopjes, je zou eens
moeten opruimen zei moeder, de koffie mocht wel wat sterker zei vader,
en er zit een slordig smaakje aan. Maar hij moest naar de wc en ging
naar buiten, een lange rij stond aan te schuiven, hij ging elders op
het kampterrein zoeken tussen smeulende kinderen en vervloekte vijgenbomen,
vond niet wat hij zocht en kroop op handen en knieën terug, geen
file meer, maar de wc was verstopt en besmeurd en hij zat benard in
het hokje. Hij werd wakker en ging plassen, meerdere keren per nacht,
en iedere keer die dromen van vuile wc’s.
Boris beet een kies kapot en ging naar de tandarts, de tandarts lachte:
U bent zeker iemand die op zijn tanden moet bijten, jaja, u bijt te
hard, meneer Bibber, we zullen dat varkentje eens wassen. Maar lievegod,
dat nachtelijke plassen was toch niet normaal, de huisarts toucheerde,
de uroloog grijnsde: dat zijn maar gewoonten. Hij had pijn aan zijn
hiel en zijn lever, hij kweekte een zweertje en een schimmeltje en een
ditje en een datje, hij zat in wachtkamers en wist dat ze zouden uitroepen:
En daar komt u nu pas mee! Maar ze vonden hem tijdverlies. Weer buiten
meende hij zijn kwalen niet exact genoeg uiteengezet te hebben, ze konden
niet beseffen hoe erg hij eraan toe was, hij belde nog eens op of ging
terug, maar meneer Bibber toch, wat moet ik met u aanvangen.
Al zijn omhulsels waren bedreigd.
Heeft men Boris nog zien lezen, in die tijd? Zelden. Als hij het toch
deed, in aanwezigheid van anderen, zorgde hij steeds dat zijn boek gekaft
zat in bruin pakpapier, want op de trein had hij eens een degelijk werk
zitten lezen dat helaas met halfontklede vrouwen was bekleed, en zoals
studenten tegenover hem toen hun iconografische analyse bedreven hadden,
nee, één keer was genoeg. Toegegeven, voor sommigen zou
het anonieme omhulsel juist weer prikkelend werken, en in elk geval
kon hij niet verhinderen dat ze merkten hoe traag hij de bladzijden
omsloeg en hoe vaak hij terugbladerde, ze dachten allicht dat hij verstrooid
of dromerig was, ze kenden zijn zwarte arbeid niet. Op den duur verzaakte
hij geheel aan lezen in het publiek. En ik zal u zeggen wie gij zijt?
Dat nooit.
Er stond bijvoorbeeld ‘maar’ en hij zag de
tegenstelling niet, de schrijver had nochtans een tegenstelling aangeduid
en ze zou er dus wel zijn, hij herlas de zin en dacht erover na en trachtte
de bedoeling te vatten, maar moest onverrichter zake verder. Was de
reden wel een reden, de toegeving een toegeving, de gevolgtrekking een
gevolgtrekking? Deze ‘hem’ hier kon zowel op de doodskist slaan als
op de man die erin lag, of zag hij dat verkeerd, het kwam op hetzelfde
neer, maar toch. De vrouw des huizes had ontdekt, dat haar man een
verhouding had met de Franse gouvernante, die bij hen in betrekking
was geweest, en... Die eerste komma was beslist overbodig en de
tweede moest beslist weg, want het ging niet om de enig bestaande Franse
gouvernante, dit was een beperkende en geen uitbreidende bijvoeglijke
bijzin! Hij ontleedde uitdrukkingen in hun onderdelen, zodat ze onbegrijpelijk
werden. De meeste zinnen bepotelde hij ettelijke keren, en naargelang
het boek vorderde, herhaalde en tobde en strompelde hij onbedaarlijker,
ontwaarde en ontwarde hij steeds ingewikkelder knopen, hij sputterde
en kwam tot stilstand, haalde het slot niet. Toch bleef hij zich verplichten
alle boeken uit te lezen en hij noteerde de gelezen boeken in een schrift
met het aantal pagina’s erbij, aan het eind van de maand bekeek hij
het lijstje en berispte zich als het niet genoeg boeken en pagina’s
bevatte, de lijstjes krompen voortdurend.
Elk woord moest rekenschap afleggen, waarom staat er wat er staat, elk
woord dwong tot interpretatie, tot beslissingen, en met zijn beslissingen
kon hij zich niet verzoenen. Beschrijvingen wilde hij nauwkeurig visualiseren,
en altijd vielen het timmerwerk en de kleren schots en scheef uit, o
vader en moeder. Hij wantrouwde zowel de teksten als zijn eigen benul,
op geen van beide viel te bouwen, ondoorgrondelijke moerassige grond.
Misschien werd er hier aan dit of dat gedacht, en dan zou deze foute
logica toch wel kunnen kloppen, ik zal het nog eens herlezen. Hij verstrikte
zich in nieuw opgebouwde redeneringen, hield zich dan plotseling voor
dat het allemaal geen belang had - maar het had wél belang, want
als iemand me nu vroeg wat deze passage juist betekent dan zou ik tegen
de lamp lopen, natuurlijk vraagt niemand het, maar daarom mag ik er
nog niet overheen stappen, zo oppervlakkig en lichtzinnig als de rest,
als de eerste de beste. Of moet ik op mijn gevoel afgaan? En dan spande
hij zich krampachtig in om aanvoelend en invoelend te lezen. Kwelling
van allusie en ellips en sous-entendu, maar zijn moeilijkheden bloeiden
zonder acht te slaan op de moeilijkheid der teksten, Elsschot kostte
hem zoveel hoofdbrekens als Joyce, overal scholen hachelijke pointes,
het fijne snapte hij nergens van en zelfs het onnozelste krantenstuk
werd een pijnbank, hij bestudeerde de koppen als duistere gongorismen
en concetti. Maar geen enkele liggende persoon die nog een keer ging
liggen ontging hem, geen enkele oom die een neef werd, geen enkele naakte
die uitgekleed werd, hoe slordig kunnen schrijvers en vertalers en reporters
zijn, er ontsnapte hem niets en dat vond hij knap van zichzelf, hoe
hij van de nood een deugd maakte, dit was de zin des levens: dat er
hem niets zou ontsnappen, vierklauwens lag hij op zijn deksel.
Al het geschrevene verpuinde en verkruimelde onder zijn ogen, hij staarde
zich suf op het simpelste en twijfelde aan het futielste. Net zoals
hij ‘s ochtends voor de kast stond te twijfelen welke van zijn muisgrijze
kledingstukken hij zou aantrekken. Zoals hij twijfelde of hij deze trein
dan wel de volgende zou nemen, jonge dan wel licht-belegen of pittig-belegen
kaas zou kopen. Of het wenselijk was dat hij nog een boterham at, trek
hebbende maar wetende dat hij te vet werd, en zo ja, wat hij erop zou
smeren. Zou hij voor dt-fouten één of een half punt aftrekken?
Wat te doen en te laten - gezondheidshalve, soberheidshalve, zuinigheidshalve,
verstandigheidshalve, rechtvaardigheidshalve, naarstigheidshalve?
Hij kwam tot stilstand, haalde het slot niet. Bij dit alles keek niemand
meer toe, hij kon voor zichzelf zorgen. Ze zaten in hem, ze zogen de
inheemse bevolking uit.
Maar je kunt toch niet alles herhalen, niet in de hele werkelijkheid
terugbladeren? Of? Boris ging naar de bioscoop, het vloog en raasde
aan hem voorbij, hij begreep een scène niet en terwijl de film
onverpoosd doorging peinsde hij erover en miste weer wat anders. Achteraf
was hij urenlang bezig met reconstructie en recapitulatie, hij ging
niet meer naar de bioscoop. Hij diende dringend te weten wat hij gisteren
gegeten had, maar hij had tijdens de maaltijden op andere problemen
zitten pezen en dus wist hij het niet, maar met harde hand kon hij toch
wat te voorschijn pulken; als hij er een paar uur later opnieuw aan
dacht was hij het weer kwijt en moest herbeginnen. En wat had hij eergisteren
gegeten, en vorige zondag, op bezoek bij zijn vader? En nu we toch bezig
zijn, wat was er daarstraks allemaal op het tv-journaal, het werd in
zijn hoofd gezocht en ten dele gevonden, bij de tweede reprise maakte
zijn hoofd een apart lijstje van wat hij de eerste keer vergeten was,
het ratelde en woekerde, zijn hoofd. En ratelen deed het gepraat. Een
collega overstelpte hem met banaliteiten, de bakker ventileerde bakkersleed,
hij had een audiëntie bij de directeur, in de leraarskamer werden
moppen verteld en doopcelen van studenten gelicht - en al die gesprekken
nam hij achteraf weer door, ze moesten ter beschikking blijven en zich
op afroep melden. Hij schrok als iemand hem onverhoeds herinnerde aan
iets dat ooit ergens gezegd geworden was, hij zocht en zocht, nam er
een papiertje bij, dus eerst zei hij en toen zei ik waarop hij. Hij
legde de grondslagen voor een Studiecentrum ter Bevordering van het
Allesonthouden, gedelegeerd bestuurder Boris el memorioso, maar van
genot onthield hij zich. Niets mocht verdwijnen, hij mocht in niets
en niemand verdwijnen.
De verpulvering nabij. Hij trachtte zich te overreden dat het toegestaan
was te stoppen met piekeren, maar dat leidde tot nieuwe argumentaties,
die elkaar doorkruisten: ik mag ophouden want ik heb deze informatie
niet nodig, maar hoe kan ik weten wat ik ooit nodig zal hebben, en wat
betekent nodig, kom, nog één keer, en dan schoot er hem
weer iets te binnen, wat aanleiding was om, kom, nog één
keer. Foert nu, laat ik dan maar doodvallen, stikken, ontploffen. Maar
hij viel niet dood en stikte noch ontplofte, zodat hij even later weer
fris een nieuw vraagstuk moest aanvatten.
Hij kocht een boekje over zelfdoding en euthanasie,
de flap verzekerde hem dat de auteur, een ingewijde in het mysterie
der chemicaliën, zijn gedachten over ‘de laatste deur’ zou verhelderen,
maar je weet het nooit, met een deur. Hij bestelde een handleiding voor
vrijwillige milde dood (VMD), met een hoofdstuk over ‘voorbereiding
tot de daad’ en een ‘modelschema’ voor de daad. De daad, grinnikte hij,
en die andere daad, Dat zijn de zweeters en de zwoegers, Adama
van Scheltema, Dat is de zwarte kameraad - Dat is de daad!
Zocht hij niet juist aan daden en gedachten te ontsnappen? Zelfs het
lezen van deze teksten was hem te veel. Hij bladerde ontgoocheld door
lijsten met lethale middelen, om eraan te raken zou hij stoutmoedig
zware kwalen moeten simuleren bij een brave dokter, of een beroep doen
op een min of meer corrupte min of meer bevriende dokter, hij kende
zo niemand en wilde niet zoeken, uitstappen mocht geen moeite kosten.
Wanneer gezondheidsfeilen grondiger onderzoek vereisten werd hij subiet
bevangen door angst voor een fatale afloop, bevend wachtte hij op de
uitslag - was dat een bewijs dat hij niet echt dood wilde, of toonde
het op een verdraaide manier juist aan dat...? Zijn verbeelding sprong
over de ziekte heen: de dood was zowel ontglipping aan de pijn als aan
de troebelen van verzorging. Hij wilde niet dood, wilde alleen het leven
overslaan, een binnenweg. Dezelfde dubieuze angst overviel hem bij de
ziektes van familie en geliefden - hij hoefde niets meer te doen, het
was afgelopen, hij stelde zich meteen de rouw voor, misschien niet zonder
genoegen.
In een droom probeerde hij hardnekkig zelfmoord te plegen, hij slikte
pillen maar bleef fit, en nam er nog een paar en werd nerveus en toch
wat bang ook en zweette en liep rond. Onbekende vrienden omgaven hem
met goede raad, dat hij er meer moest nemen, dat hij er ook van die
andere moest nemen, dat hij ze moest doorspoelen met alcohol, dat hij
alvast moest gaan liggen. Maar er gebeurde niets en ze werden kribbig,
echt weer iets voor hem, wat was hij toch een kluns! Hij deed zijn best
en slikte en slikte, maar de zwakte kwam niet, het ging niet. Toen werd
hij wakker en hij was er nog altijd, wat nu?
Als hij terugkwam van een mensenverzameling waarin hij weer had gestunteld,
of moeite had gedaan om niet te stuntelen en om normaal of boeiend te
lijken, dan dacht hij het soms hardop: Ik zou dood willen zijn. Dood
willen zijn zonder te sterven, zoals hij wel eens wenste dat je een
interessante plek kon bezoeken zonder erheen te hoeven reizen, je werd
opgetild en ergens in de vreemde verte weer neergezet? Het klopt niet,
je gaat niet dood zonder te sterven, verdwijnen wil ik, ik heb zo’n
hekel aan de schijn en het getater, aan al die opbollende ego’s, ik
ben daar te goed voor. Hoe hypocriet, want stel dat hij een goed lopend
onderdeel van de sociale machine was, dat zou hij toch wel willen: de
juiste lachjes en gebaartjes en woordjes, mooie vrouwen kwamen met hem
flirten, geleerden vroegen zijn mening, als hij binnentrad richtten
de blikken zich belangstellend en onkritisch op hem, een soepele glibberige
vis in het water! Stel dat het zo was, maar zo was het niet, aanwezigheid
betekende moeite, en alleen daarom was hij liever afwezig, de totale
eclips als surrogaat voor de totale glans, het niets vervangt het alles.
Zijn verbeelde verdwijning was vermijding, een van zijn vele vermijdingen,
hij vermeed om zich als zelfstandig individu een weg te zoeken tussen
andere gelijkwaardige individuen die hun weg zochten, allen met onvolmaakt
resultaat want allen mensen, zoiets ongeveer - en terwijl hij die woorden
dacht grinnikte hij misprijzend, welzijnsjargon, dat kon hij niet ernstig
nemen! De grote ruil: als hij een doel niet volledig kon bereiken met
de tik van een toverstokje dan koos hij liever voor het niets, maar
hoe grootsprakig klinkt hier het woord kiezen, het niets komt vanzelf,
het niets wél, en alleen het niets dat vanzelf komt is welkom,
andere nietsen gelieven zich te onthouden.
En als hij het wel eens betreurde dat zijn handen zo verkeerd stonden
maar het toch ook onvermijdelijk vond en voor het minste klusje iemand
betaalde, en als hij al te goedschiks berustte in de onbegrijpelijke
eisen van sociale zekerheid en belastingen zodat hij geld misliep waar
hij recht op had, als hij er dus altijd weer van afzag om iets te leren,
iets en niet alles... Het kostte al moeite genoeg om in leven te blijven!
Hoe hij wegliep. Het werkje dat niet vlotte, de laattijdige ontdekking
van een foute zin, hij scheurde alles in snippers kapot in plaats van
die zin opnieuw te schrijven en moest dan alles opnieuw schrijven. Hoe
hij wegliep, uit een irriterend gesprek, uit een baan, van een baas.
Hoe hij vriendschappen opblies. Hoe hem dat troostte: dat hij altijd
weg kon. Kom, vriendelijk niets.
Maar niets wordt gemakkelijk. Omdat luiheid de kern van zijn wezen is
levert hij onmenselijke inspanningen.
- Weer over hem?
- Over hem. Vertel ons over zijn beroepsleven.
- Hij heeft gewerkt aan een universiteit, een klein beetje toch, en
in het onderwijs, in een vormingsorganisatie. Hij kon met sommige mensen
overweg en met andere niet. Maar zowel het werk zelf als de aanwezigheid
van de velen putte hem uit. Hij hoopte dat het zou verbeteren, dat hij
routine zou verwerven, handeling zou krijgen met mensen en
dingen, maar nee. Hij wilde alles goed doen, kon niets meer doen, voldeed
niet, ging weg.
- Voldeed niet? Werd hij weggestuurd, ontslagen?
- Hij werd niet weggestuurd.
- Hoe gedraagt hij zich in gezelschap?
- Dat verschilt. Verschilt dat niet bij de meesten?
- Antwoord, alstublieft.
- Misschien denkt hij in zijn hoogmoed dat iedereen naar hem kijkt.
- Geen algemene beschouwingen, antwoord op de vraag, geef ons feiten,
wij zullen de conclusies trekken. Vertel ons over feesten, bijvoorbeeld.
- Er moet onderscheid gemaakt worden: vroeger en nu, familiefeesten
en andere... Het is ingewikkeld.
- Maak de distincties die u nodig acht, maar gebruik ze niet als uitvlucht.
U stelt ons geduld op de proef.
- Dat hij als kind op winterse familiefeesten, die vonden altijd ‘s
winters plaats, zelfs als ze in de lente plaatsvonden, dat hij als kind
de wijk nam, nee hij ging niet naar buiten, hij ging op het toilet zitten,
hij ging veel vaker naar het toilet dan hij moest en zat daar, niet
geheel gerust want elk moment kon iemand anders het toilet nodig hebben.
Of hij ging, als het zich thuis afspeelde, naar boven, naar een van
de onverwarmde slaapkamers, zat of lag op een bed en rilde van de kou
en van zijn gedachten, en als hij koud genoeg geworden was kon hij weer
naar de broeierige huiskamer, waar ze zaten, waar ze zaten! De verveling
van een hele dag erbij zitten en woorden horen zonder een woord dat
hem betrof of trof. Maar naar buiten ging hij niet, hij wilde geen opschudding
verwekken, blijkbaar dacht hij dat het opschudding zou verwekken, of
de mogelijkheid van uitbreken kwam niet eens bij hem op. En nu nog maakt
hij zulke reünies van verveling mee, ze zijn erger nu omdat hij
zelf als volwassene geacht wordt een bijdrage te leveren, en hij vindt
geen woorden, met mij gaat alles goed, zegt hij, gewoon, niks speciaals,
ik maak niks mee. En nog altijd loopt hij niet naar buiten. Hij zit
erbij als een die niet van hier is, een die niet volgen kan, een anderstalige,
een die niet zeggen kan. Ze spreken over buren of verre nichten die
hij niet kent, in dialecten die hij niet kent, in gebroken talen
niet thuis te brengen, maar ik schreeuw tegen ze...
- Alstublieft!
- Vindt u het goed als ik rook?
- Nee.
- Hij telt de uren, de kwartieren, de minuten. Hij telt de bibelots
en de bloemen en de hoeken in de kamer. Soms tracht hij deel te nemen
door een geïnteresseerde vraag te stellen over iemands werk of
iemands denken, en ze antwoorden met een enkel woord of begrijpen de
vraag niet, te verfomfaaid geformuleerd, en ze vervallen zelf in nare
stiltes, hij besmet hen. Hij is er niet graag maar ook voor hen ware
het beter als hij er niet was. Doe ik het goed zo, is dit wat u verwacht?
- Gaat hij naar recepties?
- Zelden. En ook dan zijn er verschillende mogelijkheden, je...
- Alstublieft!
- Als hij in het gezelschap van drie of vier vertrouwden kan blijven,
dan gaat het soms. Maar vaker staat hij te staren naar vreemde gezichten,
die lonken en aanpappen en bewegen en zich amuseren en zich verheugen
in hun gezamenlijkheid. Hij ziet enkele vage bekenden tegen wie hij
zou willen zeggen waarom ze hem niet bevallen, hij zou ruziënd
door hun rangen willen gaan. Sommigen voegen hem in twee-minuten-gesprekken
beledigingen toe, plaagstootjes die hij bedeesd incasseert, duwtjes
van niks die zijn vel deuken en scheuren: je bent te dik, te vuil, te
kuis, je bent een onbenul, een dorpeling, dat hoort hij gedurig. Hij
gaat weg en denkt: nooit meer.
- Wij nemen aan dat zulke moeilijkheden zich alleen in grotere gezel-schappen
voordoen?
- U vergist zich. Een etentje met vrienden of kennissen is natuurlijk
anders, het kan wel eens aangenaam uitvallen. Maar - je zit aan tafel,
iedereen is welgezind en de soep wordt opgediend, je brengt een lepel
naar je mond maar je hand beeft en je raakt slechts morsend tot boven,
je blijft beven want je wordt op de vingers gekeken en straks denken
ze nog, je beeft erger, en nu word je werkelijk opgemerkt, alleen door
minuscule druppeltjes in de lepel te nemen kun je traag verder, en dan
pak je nog een stukje brood extra, om links de lepel te ondersteunen,
de anderen zijn klaar en praten en doen alsof ze je niet in de gaten
hebben, ze zijn zo hoffelijk en je sukkelt door tot er nog een bodempje
in je bord zit, en dan kijk je wijs en gebaart van krommenaas. Een volgende
keer vraag je om maar een halve pollepel soep, je houdt namelijk niet
zo vreselijk van soep, en de keer daarna neem je geen soep, je maag
is niet in orde, maar je neemt schrokkend een groot stuk vlees en twee
porties dessert, iemand fronst zijn wenkbrauwen, je zult een beter excuus
moeten verzinnen, maar welke reden kun je verdomme aanvoeren om geen
soep te eten? Van soep krijg ik de zenuwen, lach daar niet om, let niet
op mij! En bovendien, nog wat, het zijn keurige mensen, die kennissen
van hem, ze kennen de wereld, het is de hunne. Ze roken niet of roken
onbeschaamd en ze kijken naar culturele programma’s en bezoeken theaters
en kunstenfestivals, ze maken verre reizen, hun ironie is geen kattenpis,
hun opinies staan dagelijks in de krant, ze wonen in het centrum. En
dan drinkt hij te veel, provinciaals, om niet eeuwig verstijfd te hoeven
blijven, om wat nodeloze brutaliteiten te kunnen uitbraken, onwelvoeglijkheden
die minstens van hem zijn en die hem verweren tegen wat rond hem gezegd
wordt en zo zelden van de zeggers is.
- U verdedigt hem?
- Later komt de schaamte, altijd, hij weet zich onverdedigbaar. Trouwens,
die uitbraaksels: het is mogelijk dat de aanwezigen slechts een paar
minuscule spuugbelletjes zien, dat de uitspatting amper verder spat
dan zijn gealcoholiseerde hersens, dat het om een verzinsel gaat, iets
dat hij had wíllen doen en dat zijn schaamte zou hebben gerechtvaardigd.
Want de schaamte achteraf verzint hij niet, die is waar en werkelijk
en wordt hierbij deugdelijk en onvergolden verklaard.
- Hoe verlopen de gesprekken met onbekenden, de gesprekken bij de kapper
of bij de bushalte?
- Die gesprekken bestaan niet. Hij antwoordt ja of nee. Hij bootst slaperigheid
na, doet zijn ogen dichtvallen. Of hij luistert, begripvol en sympathiek,
want hij wil niet dat ze hem bot vinden. Dat de kapper spotte met mensen
die hun haar thuis wasten voor ze naar hem toe kwamen, voor die paar
centen goedkoper, en dan missen ze het beste, wassen is het voorspel,
daar zorgen de zachte handjes van ons Annemarieke voor, nietwaar Annemarieke.
En de mop over de man die in Sevilla op restaurant ging om stierenballen
te eten, want bij een vorig bezoek had hij dat zo lekker gevonden, maar
nu dienden ze hem twee petieterige balletjes op terwijl hij zich iets
enorms herinnerde, en hij vroeg de kelner om uitleg, tja, meneer, we
krijgen die ballen altijd na het gevecht, en gisteren, meneer... Dat
hoorde hij bij de kapper.
- Kunt u samenvatten waar het om gaat, bij dit alles?
- De eerste functie van taalgebruik die door kinderen wordt verworven
schijnt de fatische of contactleggende functie te zijn - de pure communicatie,
voorafgaand aan informatie en expressie. Wel, er mag gezegd worden dat
hij die oude verworvenheid niet goed heeft bewaard, ze doet dikwijls
pijn, zijn fatische functie, ze steekt of knaagt, ze vervalt. En verder,
daaronder - niemand mag te weten komen wie hij is.
- U zei daarnet iets over reizen. Reist hij niet?
- Zelden, kort, dichtbij. Maar ook als hij op reis geweest is heeft
hij niets mee te delen, het interesseert hem niet, nadien. Ze vragen:
Hoe was het in Barcelona, en hij antwoordt: Goed. Hij kan van reizen
geen thema maken, en waarvan wel. Misschien is hij alleen op zijn plaats
en op zijn gemak waar geen thema’s en geen contactlegging vandoen zijn,
met zijn naaste familieleden of zo, niet omdat men elkaar zoveel geweldigs
te vertellen heeft of elkaar nooit verveelt, maar zij verwachten niets
en hij verwacht niets, men kent elkaars overgeërfde poverheden,
men weet dat er niets aan te doen valt en dat men alleen moet volhouden
en uithouden tot het over is. Hij veronderstelt dat toch, dat ze zijn
zoals hij. En dan nog: we zijn maar op ons gemak door omzeiling, door
niets belangrijks uit te spreken.
- We, ons? Maar goed. Met zijn naaste familie is hij dus zichzelf, mogen
we stellen?
- Laat me niet lachen, laat hem niet lachen, hij kent geen ander zelf
dan iets wits en leegs, over zijn zelf kan ik niet spreken. Iedereen
weet dat de menselijke omgang een rollenspel is in spraak en gebaar,
maar de anderen wekken de indruk dat ze de rollen volautomatisch vertolken,
terwijl het voor hem haast letterlijk toneelrollen zijn, teksten en
bewegingen die hij moet instuderen en waarbij vakkennis en inzet komen
kijken, en terwijl zij allen in hun personage opgaan staat hij verblind
en sidderend voor het voetlicht en doet zijn best. Nooit met blijvend
succes, langer dan twee uur aan een stuk moet je een acteur niet doen
spelen. Dyslectische kinderen, las ik eens, zijn vaak intelligent en
ijverig en kunnen dan hun handicap lange tijd verbergen en onderdrukken:
wat anderen als vanzelf bereiken, verwerven zij lastig langs een lastige
weg, en soms raken ze op die manier door de lagere school en nog verder,
maar vroeg of laat komt er een dag dat de leerstof te uitgebreid wordt,
de last onredelijk, en dan vallen ze door de mand, vroeg of laat. Zoiets
is het bij hem. Maar ik word moe, mag het ophouden? U kent de inspanningen
die men soms in dromen levert en die niets opleveren...
- Kennen wij niet, nee.
- Men werkt voor een examen, men spreidt zijn papieren om zich heen,
men schrijft, men schiet niet op. Of dromen waarin men moet plassen
en dat ook doet, maar de aandrang houdt niet op, tot men eindelijk wakker
wordt.
- U kunt nu gaan rusten, dank u.
- Wacht, alstublieft, nog even over de inspanning, dit is het ergste.
Als er dan toch theater moet worden gespeeld, denkt hij, laat het dan
theater van hoffelijkheid en vriendelijkheid zijn. Dus laat hij bejaarden
voorgaan bij deuren en loketten, dus lacht hij breed tegen kassajuffrouwen
en apothekeressen, en in winkels waar hij geregeld komt moeten ze een
minzaam beeld van hem koesteren, hij is de man die altijd met een gul
ja antwoordt op de vraag of het ietsje meer mag zijn. Maar op een dag,
er komt vroeg of laat zo’n dag, is hij neerslachtig of verstrooid en
vergeet heel even zijn glimlach of zijn warme stem, hij viert een ogenblik
de teugels, laat zich betrappen op een flits van onverschilligheid,
een flits van koude hel, een schokkende vervorming, een uitzicht op
zijn gezicht, en ze zijn onthutst zijn beledigd hebben het gezien. Voortaan
zullen de winkelierster en de bibliothecaresse hem zuur en vijandig
bejegenen, ze groeten hem niet meer op straat en vertellen kwaad over
hem, hij zou het willen herstellen maar kan niet, ze hebben hem gezien.
Dat is het ergste. En met hogergeplaatsten... Ik ben moe. U luistert
niet meer!
- Natuurlijk luisteren we, we horen alles, we horen bijvoorbeeld dat
u vrouwelijke beroepsnamen gebruikt. Zijn het vooral vrouwen die hem
bekijken en doorzien? Maar genoeg voor nu, we moeten ons strikt aan
de tijd houden.
Alleen muziek liet hem vrij, alleen muziek, alleen het lied, er klonken
toen zelden liederen. En eveneens te zelden, maar toch, soms, zong hij
zelf, binnen zijn vier muren, zong hij, vals als de beesten en vrij.
De rilling die door je heen vaart als je onverwachts beseft dat je
niet weet waaraan je moeder precies gestorven is, een knoop in de darmen
zeiden ze maar dat is geen medische diagnose, heb je het ooit geweten
heb je het ooit gevraagd. De huiver als je niet meer terugvindt welke
stompzinnige film je zat te bekijken toen de telefoon brulde dat je
broer op sterven lag, maar het was geen stompzinnige film, je wil alleen
niet weten dat je stompzinnig voor de televisie zat. De koorts als je
zoekt waarom je vader die keer in het ziekenhuis lag, en hoe hij zijn
vingers afsneed, en wanneer hij voor het laatst viel.
De razernij waarmee al het wezenlijke zich uit de voeten maakt.
Ik herinner me dat we in de tweede klas van de middelbare school oefeningen
in hoofdrekenen kregen. De leraar las een opgave voor en we mochten
alleen de uitkomst noteren, het ene juiste getal, en onmiddellijk werd
ik door nevel omgeven, want de leraar keek dreigend naar mijn hersens,
en de anderen, na zonder dralen iets neergeschreven te hebben, keken
opgewekt naar mijn handen, en daar kwam de tweede opgave en dan de derde,
de enige cijfers op mijn blad waren nummers, van 1 tot 10. Let niet
op mij.
Mijn fietsbanden stonden plat. Op een dag, vroeg of laat, zette ik
mijn fiets tegen de muur, schroefde de dop van het ventiel en draaide
het ventiel open, het siste venijnig, ik schroefde het slangetje van
de pomp erop en pompte. Pompte en hoorde de lucht, maar ging die lucht
erin of ernaast, ik hield op en drukte mijn duim op de band, hij was
nog even leeg, misschien had ik het ventiel niet ver genoeg opengedraaid.
Er passeerde een man die zijn hond uitliet. Ik haalde de pomp er weer
af en draaide aan het ventiel en pompte weer maar er veranderde niets,
misschien had ik het ventiel te ver opengedraaid. En weer gedraaid en
gepompt zonder vrucht, mijn handen begonnen pijn te doen en ik zweette,
hoewel het niet warm was en ik het niet warm had. Ik draaide het ventiel
weer helemaal dicht en zette zelfs de dop er weer op, en begon van voren
af aan maar het lukte niet. Misschien schroefde ik het slangetje verkeerd
op het ventiel zodat ik het ventiel ongewild dichtdraaide. Misschien
hield ik de pomp en het slangetje te scheef zodat de lucht niet in de
band kon. Mijn rug begon pijn te doen, de man met de hond passeerde
opnieuw, in de andere richting, de hond hapte naar mijn been. Ik zette
de fiets op de houder en nam het voorwiel tussen mijn benen en hield
de pomp en het slangetje dicht langs de spaken, mijn broek werd smerig,
de pomp schoot los van het slangetje, de overbuurman kwam thuis en groette
beleefd en loerde nieuwsgierig. Ik nam het achterwiel tussen mijn benen,
mijn armen deden pijn. Ik zwaaide mijn been over het frame, met de stang
tussen mijn benen zocht ik macht over de pomp en het slangetje en het
ventiel en de wielen en de banden en de lucht, steeds weer ontsnapte
er lucht, ik hapte naar de lucht. De postbode kwam voorbij en vroeg
of het niet ging, ik mompelde, hij had geen brief voor mij, hij bleef
tersluiks blikkend staan praten bij de rechtse buurvrouw. Met het frame
tussen mijn benen verloor ik mijn evenwicht en viel met fiets en pomp
en al op de grond, mijn hemd was gescheurd mijn hand geschramd mijn
enkel geschaafd, de ketting lag eraf. Met mijn fiets aan de hand liep
ik naar de fietsenmaker en zei dat de ketting eraf lag. Hij legde de
ketting erop en zei dat de banden plat waren, ik pomp ze gauw op, hij
nam zijn pomp en pompte zonder verpinken de banden op. O zo, mijn pomp
was kapot, dat ik daar niet eerder aan gedacht had, ik reed fluitend
naar huis. ‘s Middags wilde de linkse buurjongen mijn fietspomp lenen,
ik zei dat ik dacht dat hij kapot was, maar hij nam de pomp toch mee
en bracht hem terug en zei dat de pomp helemaal in orde was, prima pompje,
en dankuwel meneer nog een prettige dag, ik duizelde. Ik liet mijn banden
leeglopen om het opnieuw te proberen.
|
 |
 | |
|