Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Tolkien en fantasy

Johan Vanhecke

De laatste dertig jaar van de twintigste eeuw heeft fantasy enorm aan populariteit gewonnen en de science fiction, waarvan zij lange tijd als een onderdeel beschouwd werd, overvleugeld. Een reden daarvoor is niet zo snel te vinden, maar misschien evolueert de werkelijkheid tegenwoordig sneller dan de fictie en is science fiction daarom als literair genre minder interessant geworden. Het is in ieder geval opvallend dat de kentering zich voordeed op het moment dat de mens voet op de maan zette.
Als literair genre brak fantasy pas echt door in de jaren zestig, toen The Lord of the Rings waanzinnig populair werd. Tot dan toe beschouwde men fantasy als een zijtak van de science fiction, waarmee sommige schrijvers experimenteerden, of als een onderdeel van de jeugdliteratuur. Maar Lin Carter, zelf een derderangs fantasyschrijver, ging op zoek naar de wortels van The Lord of the Rings en zette bij Ballantine Books, Tolkiens Amerikaanse pocket-uitgever, de adult fantasy-reeks op, met een cirkelvormig logo waarin de kop van een eenhoorn afgebeeld was. Daarin kregen een aantal jongeren een kans, maar Carter haalde vooral een heleboel schrijvers van onder het stof, die meestal slechts in een zeer beperkte kring bekend waren. Hij zorgde met Tolkien: A look behind the Lord of the Rings en Imaginary Worlds ook voor de eerste theoretische werken over fantasy. Hij maakte daarbij ook dankbaar gebruik van Tolkiens essay On Fairy-stories. Het werk van Tolkien bleek niet zomaar uit de lucht gevallen te zijn, maar kon bogen op een oude traditie, terug te voeren tot het begin van de literatuurgeschiedenis, met de Odyssee van Homeros en het Gilgamesj-epos. Hoogtepunten zijn er in elke periode terug te vinden: het Nibelungenlied, Perceval, de Kalevala, The Faery Queen. Of al die oudere werken echt tot de fantasy gerekend mogen worden, daarover zal men het wel nooit eens worden. Tolkien kende de Noorse saga’s en de middeleeuwse epen in ieder geval als zijn broekzak, maar wat verwonderlijker was: hij had ook werk gelezen van de meeste Britse schrijvers die Carter voor het voetlicht bracht. De rol van Lin Carter en van zijn adult fantasy-reeks kan moeilijk overschat worden.

Een exacte omschrijving van het fantasy-genre geven is vrijwel onmogelijk geworden, vanwege de grote omvang van het corpus. Er is al heel wat inkt over gevloeid en de vele connotaties die het woord ‘fantasy’ in het Engels heeft, hebben het er niet eenvoudiger opgemaakt. Heel wat literaire genres gebruiken trouwens fantastische elementen, maar fantasy wordt meestal in verband gebracht met zwaardvechters, tovenaars, elfen, draken en magische voorwerpen. En misschien is dat als vertrekpunt niet slecht.
Het basiselement van de fantasy is de verzonnen wereld. Van zodra minder voor de hand liggende gebeurtenissen zich in onze historisch herkenbare realiteit afspelen, hebben we te maken met fantastische literatuur.
Zo’n verzonnen wereld kan een autonome, op zich zelf staande wereld zijn, zoals de Aardzee van Ursula LeGuin of Majipoor van Robert Silverberg. Het kan ook onze eigen aarde zijn, op een verzonnen moment. Tolkiens Midden-Aarde is onze eigen wereld in een niet-historisch verleden. De woeste held Conan hanteert het zwaard in het tijdperk, ergens tussen de val van Atlantis en de laatste ijstijd. De weg naar Corley van Richard Cowper speelt zich af aan het begin van de 31ste eeuw in Engeland, totaal veranderd na grote overstromingen. Een aantal verhalen van Jack Vance hebben als decor een stervende aarde met een bijna uitgedoofde zon. Een deel van het werk van C.A. Smith is gesitueerd in het imaginaire Averoigne van middeleeuws Frankrijk. Verhalen rond Koning Arthur spelen zich af in een mythisch verleden. Sommige fantasy-romans, zoals The Worm Ouroboros van E.R. Eddison, spelen zich gewoon af op een andere planeet.
Fantasy kan zich ook afspelen in een parallelle wereld, die via een ‘magische poort’ met de onze verbonden is. Het meest traditionele voorbeeld van zo’n poort is een spiegel, en het bekendste voorbeeld is ondertussen Perron 9 _ in het Londense King’s Cross station, waar de Zweinsteinexpress arriveert die Harry Potter naar Zweinstein moet brengen. Dat perron is bereikbaar door hard door het ijzeren hek tussen de perrons 9 en 10 te lopen, wat elk jaar slechts een korte tijd kan op 1 september. Maar het kan ook een kleerkast zijn (C.S. Lewis) of een orkaan (De tovenaar van Oz). In Lovecrafts The Dream Quest of Unknown Kadath (1943) daalt Randolph Carter eerst zeventig trappen af naar de ‘cavern of flame’ en daarna de volgende zevenhonderd naar de ‘Gate of Deeper Slumber’ om zijn droomwereld te bereiken.
Meestal bestaat er ook een enorm verschil in de tijdstructuren van de beide werelden. Thomas Covenant de ongelovige, de anti-held uit twee trilogieën van Stephen Donaldson, komt telkens door kleine ongelukjes in Het Land terecht. Tussen elk van de delen uit de eerste trilogie keert Covenant voor korte tijd naar zijn eigen wereld terug, terwijl in Het Land eerst veertig en dan zeven jaar verlopen. Wanneer hij tien jaar later terug naar Het Land vertrekt, is men daar 35 eeuwen verder.

Het belangrijkste aspect aan zo’n fantasy-wereld is de innerlijke samenhang, de realiteitswaarde ervan. Hij heeft zijn eigen wetten, culturen en religies, geografie, fauna en flora, sociale en politieke structuren, en soms zelfs eigen talen. Wanneer de imaginaire wereld niet geloofwaardig is, maakt dat het hele verhaal minder overtuigend.
Even belangrijk is het element dat fantasy diametraal tegenover science fiction plaatst: moderne technieken werken niet in een fantasy-wereld. Het peil van wetenschap en techniek ligt ten hoogste op een laat-middeleeuws niveau. Zo wordt in het tweede deel van Amber een soort buskruit uitgevonden, maar verder kan men eigenlijk niet gaan, tenzij men heel bewust anachronismen wil inbouwen. Meer geavanceerde technologie wordt meestal vervangen door magie, een tak van de wetenschap die in de fantasy hoge toppen scheert. Het bovennatuurlijke en het magische zijn een logisch onderdeel van het middeleeuwse decor. Maar het is perfect mogelijk om bv. een Conan-verhaal te maken, waaraan geen magie te pas komt.
Een ander typisch fantasy-element is het gebruik van archetypische figuren of symbolen. Dat uit zich niet alleen in de personages, maar ook in de thema’s van de fantasy-romans: meestal gaat het om een strijd tussen goed en kwaad, of om de initiatie van de hoofdfiguur, meestal in de vorm van een queeste. Heel wat auteurs vinden de inspiratie voor hun thema’s en personages in bestaande mythen en sagen. Ook van sagenonderzoek, sprookjesinterpretaties, mythetheorieën en psychoanalytische modellen wordt graag gebruik gemaakt.

De moderne fantasy ontstaat halfweg de negentiende eeuw, met als belangrijkste exponenten George MacDonald en William Morris. Van beide schrijvers kende Tolkien zowat het volledige werk.
George MacDonald (1824-1905) was een Schotse dominee die goed bevriend was met Lewis Carroll en vooral bekend is om zijn kinderboeken. Hij brak zijn studies in natuur- en scheikunde af, omdat hij meende dat wetenschap geen waardevolle kennis opleverde. Als bron voor de echte waarneming, zag hij in de eerste plaats de verbeelding, als product van de onbewuste kanten van de menselijke geest. In 1858 publiceerde hij Phantastes waarin Anodos op een allegorische reis door Fairyland gaat. Zijn sterkste werk is Lilith, waarin de verteller Vane via een ingewikkeld spiegelmechanisme in een parallelle wereld terechtkomt. Hij komt er in contact met de eerste vrouw van Adam. Tolkien was jarenlang heel enthousiast over het werk van MacDonald, hoewel het naar zijn smaak te allegorisch was. Toen hem gevraagd werd een inleiding te schrijven bij het verhaal De gouden sleutel van MacDonald, ontstond het verhaal De Smid van Groot Wolding. Naarmate Tolkien ouder werd, groeide zijn afkeer voor MacDonald.
William Morris (1834-1896), schrijver, schilder, veelzijdig kunstambachts-man en politicus, maakte herdichtingen van oude saga’s, schreef enkele utopische romans en zorgde aan het eind van zijn leven voor enkele pseudo-middeleeuwse romans in een archaïsche stijl. In zijn meest invloedrijke fantasy-werk The well at the world’s end volgt hij het traditionele queeste-patroon, waarbij Ralph op zoek gaat naar de bron uit de titel. De opeenvolging van avonturen markeert ook zijn groei van jongen tot man. Tolkien had een ontzettende bewondering voor William Morris en de Pre-rafaëlitische beweging, die ook in Exeter College ontstaan was. Toen Tolkien in 1914 de Skeat Prize voor Engels won, besteedde hij die voor een groot deel aan boeken over het Welsh, maar hij kocht ook drie romans van William Morris: The life and death of Jason, The story of Sigurd the Volsung en The House of the Wolfings.

De eerste die een volledig eigen godenwereld creëerde, was Lord Dunsany (1878-1957) met The Gods of Pegana (1905). Hij schreef daarna, naar het schijnt met een ganzenveer, verscheidene bundels kortverhalen die zich afspelen ‘aan het einde van de wereld’ en ‘voorbij de velden die wij kennen’. De streken en figuren die hij beschrijft, dragen wonderlijke exotische namen. In de jaren twintig publiceerde hij enkele romans, waarvan De koningsdochter van Elfland (1924) de bekendste is. Omdat het volk van Erl door een magische vorst geregeerd wil worden, trekt Alvaric over de grens met Elfland en keert terug met de elfenprinses Lirazel. Kort na de geboorte van hun zoon Orion voert de Elfenkoning zijn dochter terug naar zijn rijk. Alvaric vertrekt opnieuw naar Elfland om zijn vrouw op te eisen, maar de koning laat de grens van zijn land alsmaar verder weg van Erl schuiven, tot hij inziet dat tegen de liefde van zijn schoonzoon geen kruid gewassen is. Hij neemt Erl dan maar op in Elfland. Dunsany is een sterk stylist, die een lyrisch en suggestief proza hanteert, met een ironische ondertoon. Tolkien apprecieerde zijn fantasie, maar had problemen met de namen die hij verzon.

Via C.S. Lewis leerde Tolkien Een reis naar Arcturus (1920) kennen van David Lindsay (1876-1945), een merkwaardige metafysische fantasy die zich afspeelt op Tormance, de enige bewoonde planeet van de dubbele zon Arcturus. Over dit boek schreef Tolkien in 1938 aan Stanley Unwin dat hij het verslonden had en dat het te vergelijken was met Lewis’ sciencefiction-roman Out of the silent planet ‘hoewel het sterker en mythischer is (en minder rationeel en ook minder een verhaal – niemand zou het uitsluitend als een thriller en zonder belangstelling voor filosofie, godsdienst en moraal kunnen lezen.)’ (Tolkien, Brieven nr. 26)
Een ander fantasy-auteur, die weleens bij de Inklings kwam voorlezen, was E.R. Eddison (1882-1945). Hij is vooral bekend van zijn barokke epos The Worm Ouroboros (1922), dat zich afspeelt op de planeet Mercurius, een magische wereld met allerlei mensen die enigszins misleidend Demonen, Kobolden, Kabouters, Monsters en Heksen genoemd worden. De twee grote koninkrijken, Heksenland en Demonenland, liggen met elkaar in oorlog. Het is geen strijd van de goeden tegen de slechten, maar tussen twee groepen heldhaftige vechtersbazen, die door het lot tegen elkaar uitgespeeld worden. Koning Gorice XII van Heksenland tovert de Kampioen van de Demonen, Goldry Blusco, weg naar de top van een berg. Brandoch Daha, koning van de Demonen, en Lord Juss gaan naar hem op zoek en vinden hulp bij de eeuwig jonge Koningin Sophonisba. Onweerstaanbaar is de sympathieke Lord Gro, die door een vloek tot eeuwigdurend verraad gedoemd is en daardoor drie keer van kamp verandert. Ondertussen wordt het Demonenrijk door de Heksen onder de voet gelopen.
The Worm Ouroboros is geschreven in een achttiende-eeuws aandoende stijl met veel aandacht voor de rijke decoraties van zalen en kledingsstukken, en doorspekt met oude Engelse gedichten, die de verschillende helden in de mond gelegd worden. Ouroboros is de worm die in zijn eigen staart bijt. De titel verwijst naar de cirkelstructuur van de roman. De overwinnaars besluiten aan het eind om de verliezers terug tot leven te wekken, omdat het leven zonder hen behoorlijk saai is. ‘Ik heb zijn werken met groot genoegen, louter om hun literaire verdienste gelezen’, schreef Tolkien in juni 1957 aan een lezeres. Hij vond hem ‘een van de grootste en meest overtuigende schrijvers van ‘verzonnen werelden’‘ die hij ooit gelezen had, ‘Maar hij is zeker geen ‘invloed’ geweest’, voegde hij eraan toe.
Een andere Britse schrijver die - zij het enigszins onrechtstreeks - een belangrijke bijdrage zou leveren tot de popularisering van de fantasy was T.H.White (1906-1964). De definitieve versie van zijn tragikomische moderne adaptatie van het leven van koning Arthur, The Once and Future King, verscheen pas in 1958, maar de eerste drie delen kwamen op het eind van de jaren dertig uit. Het oorspronkelijke vierde deel wilde de uitgever tijdens de Tweede Wereldoorlog niet op de markt brengen omdat het te pacifistisch was. Walt Disney verfilmde het eerste deel The sword in the stone en Broadway maakte er onder de titel Camelot een succesvolle musical van.
Ondertussen bloeide fantasy ook aan de andere kant van de oceaan. Zo schreef James Branch Cabell (1879-1958) er een 21-delige cyclus The biography of Manuel, waarvan een groot gedeelte zich afspeelt in de imaginaire middeleeuwse Franse provincie Poictesme, ergens tussen de Provence en Montpellier. De avonturen van Dom Manuel en zijn vele afstammelingen strekken zich verder uit naar allerlei bekende en onbekende landen en streken, waar zij zowel historische als mythologische figuren ontmoeten. Seksuele elementen spelen in deze boeken een vooraanstaande rol, en dat is de reden waarom Jurgen (1919) op de index terecht kwam, hoewel de manier waarop Cabell met God en het christendom omging, de katholieke Amerikanen waarschijnlijk nog meer tegen de borst stootte. Het gevolg was dat het werk van Cabell eindelijk de belangstelling kreeg die het verdiende.
De meeste Amerikaanse fantasy-schrijvers publiceerden in pulptijdschriften, die voornamelijk aan horror en SF gewijd waren. Het voornaamste van die tijdschriften is Weird Tales, met als bekendste medewerkers H.P. Lovecraft (1890-1937) en Robert E. Howard (1906-1936), de man die Conan de Barbaar creëerde en daarmee de lijnen uitzette voor dat onderdeel van de fantasy, dat men gemeenzaam ‘sword & sorcery’ is gaan noemen: avontuurlijke verhalen waarin gespierde zwaardvechters afschuwelijke monsters verslaan en mooie vrouwen redden uit de handen van sinistere tovenaars. Conan leefde in het Hyperboreaanse tijdperk, voor de val van Atlantis.
Van 1939 tot 1943 kwamen nieuwe namen aan bod in het tijdschrift Unknown. Hierin debuteerden Fritz Leiber en L. Sprague de Camp. Leibers helden Fafhrd en de Grijze Muizer zijn een picaresk duo, dat de ‘sword & sorcery’ op een hoger niveau tilt. Ze zijn veel kwetsbaarder dan Conan, en ook veel menselijker, en ze hebben bovenal veel gevoel voor humor. Sprague de Camp en Fletcher Pratt laten in The Incomplete Enchanter de psychologen Harold Shea en Reed Chalmers een aantal mythische werelden bezoeken. Uitgaande van een theorie over een zes-dimensionale kosmos met ‘een oneindigheid van werelden, die zich parallel bewegen, maar met verschillende tijdruimte-vectoren’ proberen zij via logische formules een brug te slaan tussen onze wereld en enkele elders beschreven werelden. En hoewel ze meestal niet aankomen op de plaats die zij gepland hadden, beleven ze toch bloedstollende avonturen in de werelden van de Edda, de Faery Queene, Orlando Furioso, de Kalevala en de Ierse mythologie. Dat de magische brug tussen de twee werelden een wetenschappelijke onderbouw meekrijgt, is typisch voor deze periode waarin fantasy nog steeds als een zijtak van de science-fiction beschouwd wordt. Maar vanaf het midden van de jaren vijftig zal die toestand grondig veranderen.

Dé mijlpaal in de geschiedenis van de moderne fantasy was uiteraard het verschijnen in 1954-55 van In de ban van de ring. Het boek werd in 1957 bekroond op de World Science Fiction Convention met de World Fantasy Award.

Door het succes van Tolkien en van Lin Carters Adult Fantasy-reeks groeide de populariteit van de fantasy zienderogen. En The Lord of the Rings werd de maatstaf, waaraan alles getoetst werd. Verscheidene uitgeverijen zagen plots een nieuwe commerciële succesformule en zochten naar nieuwe namen om deze in te vullen. Dit leverde in een aantal gevallen sterke romans op, maar helaas ook een hele hoop minder geïnspireerd maakwerk. De commerciële slogan ‘Comparable to Tolkien’ bleek vaak helaas maar al te waar: het Tolkien-epigonisme werd een ware plaag. Terry Brooks’ debuut The Sword van Shannara is er het meest succesvolle voorbeeld van. Niet alleen waren zowat alle figuren daarin terug te voeren op een personage uit The Lord of the Rings, ook de reisweg en de gebeurtenissen volgden The Lord of the Rings op de voet. Nochtans sloeg het werk aan en ondertussen zijn er veertien Shannara-romans verschenen. Ondertussen mocht Brooks ook de romans schrijven van de films Hook en Star Wars Episode I: The Phantom Menace, en publiceerde hij vijf delen van zijn humoristische reeks over het magische koninkrijk Landover, dat door een advocaat gekocht wordt uit een postorderkataloog.
Veel humor is in The Lord of the Rings niet terug te vinden, maar wel in Tolkiens korte verhaal Farmer Giles of Ham. Nochtans zijn een aantal fantasy-romans tegenwoordig uitsluitend humoristisch bedoeld. Zo schreef de bekende filmscenarist William Goldman The Princess Bride, een schitterende satire, niet alleen op het fantasy-genre, maar ook op de uitgevers en de critici. Tom Holt en Robert Asprin doen hun best om burleske verhalen te schrijven, maar niemand slaagt erin het niveau te bereiken van de Discworld-novels van Terry Pratchett.
Pratchett schrijft kolderieke, hilarische fantasy vol dubbele bodems. Hij parodieert een aantal figuren, situaties en gemeenplaatsen uit het genre, maar bekritiseert in eerste instantie allerlei aspecten van onze eigen maatschappij. Ondertussen heeft hij een aantal personages gecreëerd die een vaste plaats in het fantasy-universum verworven hebben: de bibliothecaris van de Gesloten Universiteit, per ongeluk in een orang-oetan veranderd; de gebuisde tovenaar Rincewind; de Dood, die steeds in kleinkapitalen spreekt; de ongekroonde leidster van de heksen, Granny Weatherwax (Opoe Wedersmeer - de Nederlandse vertaler probeert steeds aanvaardbare equivalenten voor de Engelse namen te zoeken), die op de haar zeer eigen doortastende wijze haar huishouden en de wereld bestiert; en haar collega’s Nanny Ogg (Ootje Nack) en de jonge modieuze Magrat Garlick (Magraat Knophlox)... In Pratchetts boeken zitten geregeld verwijzingen naar Tolkien. Hij las The Lord of the Rings op oudejaarsavond 1961 in één ruk uit – een nachtje slaap niet te na gesproken.

Wat fantasy in het algemeen en Tolkien in het bijzonder wel eens verweten werd, was de beperkte rol die de vrouwen toegemeten kregen en het totaal ontbreken van seks. Erotiek is tegenwoordig in veel fantasy-romans prominent aanwezig. Terry Goodkind heeft in zijn debuut Wizard’s First Rule zelfs (functioneel) gebruik gemaakt van sado-masochistische elementen. Maar ook dat was niet nieuw, want in John Normans Gor-romans, worden vrouwen voortdurend vernederd, mishandeld en verkracht; de suprematie van de mannelijke macho-helden en de slaafse onderdanigheid van de vrouwen wordt er aan het eind van elk boek benadrukt. De serie werd daarom herhaaldelijk bekritiseerd.
Vrouwelijke helden en hoofdfiguren zijn er in de fantasy ondertussen in overvloed. Jessica Amanda Salmonson publiceerde in 1979 Amazons!, een anthologie van verhalen waarin de vrouwen de plak en het zwaard zwaaien. In de jaren dertig dook in Weird Tales af en toe Jirel of Joiry op, een vrouwelijke Conan, gecreëerd door Catherine L. Moore, maar zij was een uitzondering. In de jaren zestig begon André Norton aan haar Witchworld-romans, met een matriarchale gemeenschap, bestuurd door magisch begaafde vrouwen. Maar ook mannen maken soms gebruik van vrouwelijke helden. Stephen Donaldson voegde in zijn tweede Covenant-trilogie een vrouwelijke arts, Lindon Avery, toe aan zijn hoofdfiguur, en in Mordants Nood is het verlegen meisje, de New-Yorkse Terisa, een typische anti-heldin die zich in de loop van het verhaal bewust wordt van de unieke capaciteiten waarover ze in het land Mordant beschikt. Het is opvallend hoeveel vrouwelijke fantasy-schrijfsters er trouwens zijn. Momenteel kan hun aandeel op zeker veertig procent geschat worden en hun werk is in veel gevallen origineler en beter van kwaliteit dan dat van hun mannelijke collega’s.
Bij ons erg bekend is Tanith Lee. Hoewel ze minstens twee romans per jaar schrijft (maar wat is veel? - Mercedes Lackey produceerde op acht jaar tijd meer dan dertig titels) lijkt haar rijke fantasie onuitputtelijk. De laatste jaren is haar werk doordrenkt van de sfeer van de decadenten en bespeelt ze nogal veel het vampirisme. De nacht en de dood zijn altijd al haar favoriete thema’s geweest, getuige daarvan haar Flat Earth-reeks (in het Nederlands De boeken van de Heersers der Duisternis), een episodisch gestructureerde reeks mythologische verhalen over de vele heroïsche en erotische spelletjes die de Demonen uit het onderaardse spelen met de mensen om elkaar te kunnen overtroeven. Haar inspiratie haalt ze zowel uit klassieke mythologieën als uit de oude oosterse beschavingen, uit de duistere middeleeuwen als uit de Italiaanse renaissance.
Eén van de debutanten in de anthologie Amazons! was Megan Lindholm, een Amerikaanse schrijfster, die bij ons doorbrak met haar trilogieën De boeken van de zieners en De boeken van de levende schepen. Zij gebruikte daarvoor een nieuw pseudoniem, Robin Hobb, waarmee ze refereert aan Tolkien, de auteur waarmee het ook voor haar allemaal begonnen is. Ze las zijn boeken toen ze dertien was, in de blokhut waarin ze met haar ouders woonde in Alaska, en ze vindt niet dat ze zelf zijn niveau al bereikt heeft. Bescheidenheid siert de mens, maar Robin Hobb, die met De boeken van de Nar, haar eigen fantasywereld verder verkend heeft, behoort tot de topauteurs in het genre.
In haar fantasy-bestseller uit de jaren tachtig, The mists of Avalon, liet Marion Zimmer Bradley het verhaal van koning Arthur vertellen door vier vrouwen: Igraine, Viviane, Guinevere en Morgan Le Fay. Echt origineel was ze daarin niet, want enkele jaren eerder had Vera Chapman haar dat al voorgedaan met haar trilogie The three damosels. Beide vrouwen hebben ook een zeer sterke band met Tolkien. Marion Bradley was al heel vroeg betrokken bij het Amerikaanse Tolkien fandom en was de eerste die eigen verhalen in Midden-Aarde situeerde, en Vera Chapman richtte de Engelse Tolkien Society op. Nog andere vrouwen zorgden voor uitstekende Arthur-bewerkingen: Gillian Bradshaw stelt in haar trilogie Gwalchmai (Gawain of Walewein) centraal, en Mary Stewart vertelt het hele verhaal vanuit het standpunt van Merlijn. Vele hedendaagse Arthur-interpretaties proberen overigens zoveel mogelijk historische elementen in de verhalen in te lassen. Een goed voorbeeld daarvan is Arthur van Avalon van de Vlaming Luc Huybrechts.

Arthur en Merlijn spelen ook een belangrijke rol in Susan Coopers fantasyreeks voor jongeren The Dark is rising. Net als Alan Garner en Diane Wynne Jones gebruikt zij een systeem van parallelle werelden, waarbij kinderen verwikkeld raken in gebeurtenissen uit het mythische verleden van hun streek.
Heel wat fantasy-auteurs zorgen er inderdaad voor dat hun boeken zowel door volwassenen als door jongere lezers gesmaakt kunnen worden en heel wat van de klassiekers in het genre worden als hoogtepunten uit de jeugdliteratuur beschouwd. De Prydain-kronieken van Lloyd Alexander spelen zich af in de wereld van het Welshe Mabinogion, en mochten zich verheugen in een fraaie Walt Disney-verfilming: Taran en de Toverketel. De centrale figuur Taran evolueert van helper-varkenshoeder tot hoge koning van Prydain en moet o.a. ‘ketel-boorlingen’ verslaan, dode soldaten die in de Zwarte Ketel tot een vorm van leven zijn gekookt. Het mooiste voorbeeld is de Earthsea-trilogie van Ursula LeGuin (waar 18 jaar later een vierde deel aan toe werd gevoegd). Hierin wordt verteld hoe de jonge magisch begaafde Sperwer een opleiding krijgt aan de School der Magiërs. In een moment van overmoed roept hij een wezen op uit het rijk der schaduwen, en er zit niets anders op dan dit onheil te herstellen. Later wordt hij hoofdmagiër en drakenbedwinger Ged en gaat met Prins Arren op zoek gaat naar de bron van het kwaad dat toverkrachten verlamt en planten en dieren aantast. Ursula LeGuin heeft zelf drie kinderen en heeft The Lord of the Rings dan ook drie keer luidop voorgelezen.
Met de jeugd verbonden, maar blijkbaar ook door heel wat volwassenen hogelijk gewaardeerd zijn de fantasy-spelen, Met grote speelborden, allerlei figuren en teerlingen met vreemde vormen, algemeen bekend als Dungeons & Dragons (D&D) of rollenspelen (RPG). Sinds enige jaren zijn er - naast de onvermijdelijke computergames - varianten met kaartjes die men kan verzamelen (CCG) . Aanvankelijk waren zij geïnspireerd op bestaande romans, maar later werd het principe omgekeerd: men creëerde spelen en baseerde er vervolgens boeken op, die de wetmatigheden van die spelen volgden. Zo schrijft R.A.Salvatore voor de reeks Forgotten Realms en Weiss en Hickman voor de Dragonlance Chronicles. Ook het werk van een hogelijk gewaardeerd fantasyschrijver als Raymond Feist (Magician) vindt zijn oorsprong in een soort Dungeons & Dragons. Feist ontdekte het werk van Tolkien in de Ace-editie, halfweg de jaren zestig en werd gek op fantasy. Met vrienden aan de universiteit ontwikkelde hij het land Midkemia, waarin ze hun eigen variant van Dungeons & Dragons speelden, en er zaten heel wat Midden-Aarde elementen in. Toen hij zelf Midkemia gebruikte als decor voor zijn romans, liet hij de duidelijkste Tolkienrelicten achterwege, maar hij liet zich voor de naamgeving van zijn figuren wel leiden door de Elfentalen van de meester.
En dan is het er het ‘shared-world’ verschijnsel, gelanceerd door het Ameri-kaanse echtpaar Robert Asprin en Lynn Abbey. Zij legden in een handboek de grenzen en de wetten van Thieves’ World vast en beschreven een aantal personages. Auteurs met uiteenlopende stijlen schreven verhalen binnen die structuur. Men kon zo ook een vervolg schrijven op een verhaal van iemand anders. Janet Morris schreef verscheidene verhalen in deze reeks, rond haar eigen held Tempus. Zij ontwierp ook een eigen shared world: Hell, waarvoor zij o.m. met Catherine J. Cherryh samenwerkte.

Binnen de fantasy ontwikkelden zich een aantal subgenres. Een ervan is al erg oud, de dierenfantasy, en kende na het konijnenepos Watership Down een serieuze herleving. William Horwood is momenteel de beste in het genre. Hij is het bekendst van zijn boeken met mollen (Duncton Wood), maar heeft ook enkele vervolgen geschreven op The wind in the willows.
Daarnaast ontstond de prehistorische fantasy met auteurs als Jean M. Auel (met haar reeks Earthchildren), Björn Kurten en William Sarabande. Dat dit genre bij de fantasy geklasseerd wordt, is vooral op rekening van de uitgevers te schrijven, want de meeste van die werken hebben (op The woman who loved Reindeer van Meredith Ann Pierce na) weinig met fantasy te maken. Het zijn eerder historische romans, waarvan men ons graag laat geloven dat ze een sterke wetenschappelijke onderbouw hebben meegekregen. Het echtpaar W. Michael Gear en Kathleen O’Neil probeerde met hun cyclus De prehistorie van de Nieuwe Tijd aanvankelijk trouwens respect en enthousiasme voor archeologie en paleontologie op te wekken. Maar het prehistorische vervalt al snel tot puur decor, want de reeksen deinen eindeloos uit.
Dat is meteen de grote kwaal van de hedendaagse fantasy. Vele auteurs menen dat hun boeken niet dik genoeg kunnen zijn, en hun reeksen niet lang genoeg. Robert Jordan, begonnen als schrijver van Conan-verhalen, startte in 1990 zijn epische en schijnbaar eindeloze sage Wheel of Time, waarvan ondertussen al negen delen verschenen zijn, van telkens minstens zeshonderd bladzijden. Tad Williams moest het derde deel van zijn trilogie zelfs opsplitsen in twee delen om z’n verhaal af te krijgen. David Eddings werkte zijn Belgariad af in vijf delen en liet daarna alle figuren opnieuw opdraven voor vijf delen Malloreon. Alsof dat niet genoeg was schreef hij twee ‘prequels’, zo dik dat ze in het Nederlands over vier delen gespreid zijn, en nog een codex met oude teksten uit hetzelfde land Riva. Zijn boeken zijn vrij traditioneel en nogal voorspelbaar en zijn personages dialogeren voortdurend. De gesprekken zijn gelukkig meestal grappig en af en toe scherp, maar het gaat op de lange duur op de zenuwen werken.

Gelukkig worden we in het Nederlands taalgebied niet met het ergste geconfronteerd. Er zijn slechts twee uitgeverijen die bij ons een uitgebreid aanbod fantasy op de markt brengen: Luitingh-Sijthoff en Uitgeverij M. Die laatste is ontstaan uit een fusie van de fantasyreeksen van Het Spectrum en Meulenhoff Science Fiction en Fantasy. In de jaren tachtig was er ook nog Sirius en Siderius, maar die heeft haar nochtans uitmuntend fantasy-fonds inmiddels afgebouwd. Wat ik hier vreemd genoeg nog niet gezien heb, zijn de fantasy-detectives. Phyllis Ann Karr onderzoekt een moord tijdens een banket aan het hof van koning Arthur en één At Amberleaf Fair. Barry Hughart situeert zijn detectiveverhalen in een romantisch China. Randall Garrett creëerde Lord Darcy, hoofdinspecteur aan het hof van King John, in een Engeland waar Richard Leeuwenhart niet jong stierf maar het Angevin Empire uitbouwde. Veel van zijn verhalen zijn parodieën op bekende detectives. De figuur van Lord Darcy werd later overgenomen door Michael Kurland.

Fantasy is hoofdzakelijk een Angelsaksische aangelegenheid. Behalve Britten en Amerikanen zijn er ook enkele zeer goede Canadezen, zoals Charles de Lint en Guy Gavriel Kay. In Tigana laat Kay zich inspireren door de Italiaanse renaissance en in A song for Arbonne creëert hij een wereld die zeer nauw verwant is aan de Provence van de troubadours en de joglars. De door de dichters bezongen hoofse liefde wordt er tot het uiterste gerealiseerd. In het verhaal worden uiteenlopende thema’s als politieke intrige, religieuze strijd, echtelijke ontrouw, midzomernachtgebruiken, diepe vriendschap en vaderhaat op een spannende wijze met elkaar verweven. Kay heeft voor hij fantasy begon te schrijven ook nog meegewerkt met Christopher Tolkien aan het editeren van The Silmarillion.
Maar ook andere talen laten zich niet onbetuigd. In Zuid-Amerika, waar magisch-realisme bijna mainstream-literatuur is, schreef Manuel Mujica Lainez El unicornio, een verhaal gebaseerd op de middeleeuwse legende van Mélusine. In Duitsland is er Michael Ende van Die Unendliche Geschichte en Hans Bemman met Der stein und die flöte. De nieuwe hype heet er Walters Moers, die het land Zamonië gecreëerd heeft, met een zeer bijzondere bevolking: bosspinheksen, roddelgolven, bergschrompels, riooldraken. In Die Stadt der Träumenden Bücher komt de jonge dichter Hildegunst von Mythenmetz, tijdens zijn speurtocht naar de auteur van wat het volmaakte manuscript lijkt te zijn, terecht in Buchheim, een stad die een gigantische boekhandel lijkt en waar lezen het allerhoogste goed is. Ondergronds bevindt zich een labyrint van antiquariaatjes en boekhandels. Hoe dieper men zoekt, hoe dichter men in de buurt komt van de Schaduwkoning.
Ook in het Nederlands taalgebied werd er degelijk werk afgeleverd. In 1979 verscheen De weg naar Middelsing van Vincent van der Linden, een uitstekende roman die nauwelijks opgemerkt werd omdat de uitgever kort daarop stopte. In het begin van de jaren tachtig begon de dichter Wim Gijsen aan een sublieme fantasy-carrière, die een hoogtepunt kende met de Deirdre-trilogie, maar helaas door zijn plotse dood in 1991 afgebroken werd. Zijn laatste werk werd afgerond door zijn collega Peter Schaap, die zelf een behoorlijk fantasy-oeuvre opgebouwd heeft met trilogieën rond de Schaduwmeesters en de Wolver. Zijn eerste twee romans De schrijvenaar van Thyll en Ondeeds de Loutere zijn pareltjes in het genre. Ook W.J. Maryson (pseudoniem van Wim Stolk) heeft van zich doen spreken met zijn zesdelige cyclus over de meestermagiër Jyll, en een trilogie over de onmagiër Lethe, een tovenaar zonder talent voor magie (maar met gelukkig heel wat andere kwaliteiten). Zijn werk is erg sfeervol, maar soms nogal zweverig en met een magere plot. En een (relatief) nieuwe naam in Nederland is Jaap Boekestein, die al heel wat verhalen op zijn actief heeft, maar ook twee romans in de reeks De kronieken van de magiër. Maar de eenzame hoogte van Wim Gijsen zal geen van drieën ooit bereiken.
In 1992 verscheen een bundel met fantasyverhalen ter ere van Tolkien onder de titel After the king. De Nederlandse vertaling heet tegenwoordig De erfgenamen van Tolkien, maar de eerste uitgave had als titel In de schaduw van de meester, en dat is meteen ook de negatieve kant van de impact van Tolkien. Het grote gevaar bestaat dat Tolkien te veel norm en voorbeeld blijft, te zeer zijn stempel op het genre blijft drukken. Toen Tonke Dragt in het begin van de jaren zestig haar bekroonde jeugdboek De brief voor de koning schreef, las ze tegelijkertijd In de ban de ring, ze heeft haar eigen manuscript een tijdje moeten opzij leggen omdat Tolkien haar creatief proces te fel beïnvloedde. Het is te hopen dat er voldoende nieuwe en verfrissende ideeën in de fantasy blijven opduiken om het genre levendig te houden.