Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Winnen zou al mooi zijn

Koenraad Goudeseune

Mijn eerste boek zou verschijnen. Ik was bijna dertig jaar. Schrijven deed ik al van toen ik nog een kind was. Gedichtjes vooral. Zaken die ik in een sessie kon klaren en die ik meteen aan mijn publiek kon laten zien. Mijn publiek? Ik bedoel mijn drie zussen, mijn schoolkameraadje die een straat verder woonde, mijn oudste broer, de godsdienstleraar die tijdens de les soms zelf een gedichtje voorlas, de minkukel, of een gebedje, wat maakt het uit? En als ik echt overtuigd was van mijn kunnen dan liet ik wat ik had geschreven ook aan Tania lezen. Tania Verfaille. Een naam als een scheet. Tania Verfaille was de vrouw van mijn oudste broer. Was, zeg ik. Ze zijn een paar jaar geleden in een vechtscheiding terechtgekomen en nog altijd aan het rollen. Al veel gelachen. Daar niet van. Ik heb ook nog een jongere broer, maar die is niet getrouwd. En daarnaast heb ik ook nog een broer die dood is. Al heel lang is die broer van me dood, maar daarover later meer, of helemaal niets meer, wat maakt het uit? Hij is toch naar de vaantjes. Ik heb ook nog drie zussen. Ook daarover later meer, al kan ik me niet inbeelden wat er nog meer over die drie zussen van mij te vertellen valt. God ja, ze hebben een naam. Zoals die Tania dus waaraan ik mijn jeugdgedichten liet lezen. Tania Verfaille. Ze studeerde Romaanse filologie aan de universiteit van Gent en tijdens de kerstvakantie studeerde ze samen met mijn broer aan de keukentafel in mijn ouderlijk huis. Ze waren erg jong getrouwd. Van moetes. Tania Verfaille werd moeder toen ze amper negentien jaar was en in de eerste kandidatuur zat. Zo heette dat toen nog. De kandidaturen. Haar kind kreeg de naam Kimberly. Al veel beter. Het is bij dat ene kind gebleven. En die Kimberly is onlangs zelf moeder geworden. Haar kleine heet Zoë. Kaartje in de bus. Dat is alles. Niet op gereageerd. Als het om te krijgen is, dan weten ze je wel wonen. Dat geboortekaartje heb ik met een magneet aan de koelkast gehangen. Zoë. Pastelkleuren. Peter en meter. De hele mikmak. ‘Als je ons wil bezoeken, graag een seintje.’ Een kwak ketchup kon ze krijgen en kreeg ze ook. Per ongeluk. Kaartje in de vuilnisbak. Dag Zoë! De kandidaturen dus. Daarover was ik aan het vertellen. Na de kandidaturen kwamen de licenties. Ik vertel niets nieuws. Als je slaagde in de eerste kandidatuur dan was de kans groot dat je die universiteitsstudie met vrucht zou beëindigen. Meer zelfs, als je zonder kleerscheuren door de eerste kandidatuur raakte, dan was je broodje eigenlijk al gebakken, dan moest dat broodje gewoon nog een paar jaar afkoelen. Nu heet het allemaal anders. Iets Amerikaans. Voor mij niet gelaten. Maar het principe is hetzelfde gebleven. Ik heb nooit aan de universiteit gezeten. Eén was genoeg volgens mijn vader. En die ene was mijn broer. De oudste van zes. Van zeven eigenlijk als je mijn dode broer meetelt. Wat we voor het gemak niet zullen doen. Dat ging zo in die tijd. Niet allemaal gelijk voor de wet, kinderen. Hij heeft een naam mijn oudste broer, maar wat maakt het uit? Zeven kinderen hebben ze op de wereld gezet mijn ouders. Maar eigenlijk hebben ze er maar een op de wereld gezet. Zo zie ik dat. En dat was dan mijn oudste broer. De rest kwam er maar zo’n beetje bijgekukeld uit katholicisme. We mochten al blij zijn dat we nog een naam kregen. En in mijn geval was dat een naam waarmee je tegenwoordig op de lijsten van het Vlaams Belang kan gaan staan. Koenraad. Waarom niet gewoon Koen zoals in die tijd wel meer jongetjes werden genoemd? Er zaten er drie in mijn klas die gewoon Koen heetten. Eén is postbode geworden. Koen de facteur. Wat er met de twee andere is gebeurd, weet ik niet. En of die ene Koen nog altijd facteur is, dat weet ik ook niet. Het kan best zijn. Het heet een mooi beroep te zijn. Hij die de goede tijding brengt. Ooit een brief gekregen van iemand die het in dergelijke bewoording over het beroep van postbode had. De jannet. Ik heb maar niet geantwoord. Ik geloof niet in goede tijdingen. Ze moeten met hun poten van mijn brievenbus blijven. Vooral ‘s morgens. Je hebt nog niet eens een slok koffie binnen en daar zijn ze al met de post. Rekeningen en zo. Geboortekaartjes. En wat je ‘s morgens wel zou kunnen gebruiken, de krant bijvoorbeeld, dat is er negen op de tien keer niet bij. Die krijg je ‘s anderendaags, of helemaal niet. Afschaffen die handel. Koen de facteur dus. Geen hoogvlieger op school. Jij Koen, zei de meester soms nadat hij een vraag had gesteld en dan gingen er twee armen in de lucht. Nooit drie. Koen de facteur wist van toeten noch blazen. Soms mocht hij stencils uitdelen. Je zou denken: daar heeft hij z’n latere beroep van. Maar iedereen in de klas mocht al eens stencils uitdelen. Wat maakt het uit? Niet iedereen is postbode geworden. Alleen hij dus. Alhoewel, ik zou het niet weten. Misschien zijn er wel meer uit mijn klas die postbode geworden zijn. Zelfs ik heb het een paar maanden gedaan. Als vakantiejob. Mijn ronde was zo belachelijk klein dat ik rond een uur of negen al klaar was met brieven bestellen. Dan maar op café zitten. Ik was altijd de eerste. De rondes van de overige postbodes waren niet zo belachelijk klein als die van mij, maar na een uurtje zaten we daar toch al met z’n drieën te hijsen. Daar is dat drinken van me begonnen. Ik dronk toen nog mazout. Bier met cola. Thans zou ik dat goedje niet meer door mijn keel krijgen, maar toen dronk ik dus mazout. Een melkmuil was ik eigenlijk nog. Rond elf uur zat het integrale postkantoor op café. En maar rondjes geven. Op den duur begon dat toch wel erg duur te worden. Vooral als je daar van ‘s morgens vroeg mee begon. Ontslagen werd ik omdat ik het pensioen van een legerkolonel opzoop. Hij zat in een rolstoel die kolonel. Nooit een oorlogje meegemaakt, nooit een kogeltje afgevuurd. Met een parachute had hij ook al niet gesprongen. Alleen maar op wacht gestaan met een mitraillette op de luchtmachtbasis van Westende. Ik vond dat die gozer zijn pensioen niet verdiende. Bovendien was ik toen een pacifist. Erg tegen het leger was ik en die legerkolonel moest niet van zijn kloten maken dat hij zijn pensioen niet uitbetaald kreeg. Hij mocht al blij zijn dat hij al die jaren zijn loon uitbetaald kreeg. Rondjes lopen op de luchtmachtbasis van Westende. Mooi natuurgebied. Duinen en zo. Iedere dag in de gezonde lucht. Bruin worden. En er nog voor betaald worden ook. En als er al eens iets aanspoelde, een kratje whisky, een doos soepblikken, weet ik veel, dan nam hij dat mee naar huis. Geen twijfelen aan. Niet dat er aan de Noordzee veel aanspoelt. Als ik zou moeten aanspoelen dan zou ik niet aan de Belgische kust aanspoelen. Maar over de jaren heen is dat weinige dat er aanspoelde alles bij elkaar niet zo weinig meer. Ook een lijk soms. Vol garnalen dat lijk. Goed voor in de kroketten. Toefje gefrituurd peterselie. Glaasje moezelwijn. Allemaal achterovergedrukt. Later MS gekregen en uiteindelijk in een rolstoel beland. Moest hij die rondjes niet eens meer lopen. Iedere dag op zijn zieke reet zitten tot aan zijn pensioen. Dat was alles wat hij deed. En nog pensioen uitbetaald krijgen ook. Niet met mij. Een pacifist was ik. Toen. Ik werd bij de postmeester geroepen. Ik had een paar duizend frank van die legerkolonel zijn pensioen opgezopen. De rest zat in mijn zak. Ik werd ei zo na niet gefouilleerd. Hier, zei ik en ik legde een pakje bankbiljetten op zijn bureau. Stop ze waar de zon niet schijnt, zei ik. Pardon?, zei de postmeester. Die randdebiel dacht dat ik het nog eens zou herhalen. Weet je wat?, zei ik, de rest hou je maar van mijn loon af, ik kap ermee. Die legerkolonel heb ik nooit meer gezien. Wel de politie. Ik mocht het ook daar gaan uitleggen. Ik zei dat ik een drankprobleem had. Ook die flik had een drankprobleem, dus dat zat wel snor. De klacht werd geseponeerd. Hij heette Roger Tange, die kolonel. Ook al geen naam om over naar huis te schrijven. Maar nog altijd beter dan Koenraad. Waarom per sé Koenraad? Broer van Gerolf en Nele. Ik zeg maar iets. Ik heb geen broer die Gerolf heet en ook geen zus die luistert naar de naam Nele. Maar het had gekund. Bezat ik wat ambitie om niet alleen schrijver te zijn maar om het ook als schrijver te maken, ik koos een pseudoniem. Zeker weten. Maar wat maakt het uit? Met zes dus waren we bij ons thuis en er was er maar één die telde. Mijn oudste broer. Dat zie ik volgens mijn broers en zussen volledig verkeerd. Het kan zijn. Het kan zijn dat mijn ouders eigenlijk geen enkel kind op de wereld hebben gezet. Dat zou heel goed kunnen zijn. Wat maakt het uit? Niets volgens mij. Volgens mij maakt het helemaal niets uit. Maar die ene broer mocht dus naar de universiteit. In Gent. Ondertussen de gezelligste stad van Vlaanderen. Dat las ik onlangs in de krant. Maar toen mijn broer er aan de universiteit studeerde was dat wel eventjes anders. De gezelligste stad van Vlaanderen was toen Gent niet. De gezelligste stad van Vlaanderen bestond toen nog niet. Of het moest Poperinge zijn. En ook Poperinge is verre van gezellig. Ik heb ooit een vriendin gehad uit Poperinge. We gingen samen naar de cinema in Poperinge. Naar rampenfilms en zo. In Poperinge godbetert. Met de fiets reed ik er naar toe. Zeven kilometer heen en zeven kilometer terug. De polders. ‘s Zondags. Veel wind. Veel akkers. En in Poperinge staan er op die akkers scheve staken. Hoppe. Dat verbouwt men daar. En daar heeft men die staken voor nodig. Duvel. Stella. Jupiler. Orval. Allemaal Poperinge. Greta, zo heette dat vriendinnetje van mij. Ook al een naam om je gat mee af te vegen. Trouwens, vriendinnetje? Ze woog op de kop af tachtig kilo. Voor een meisje van zestien jaar is dat een heel pak. En op dieet gaan dat was er nog niet bij in de jaren ‘80. Tenminste niet in Poperinge. Ik had er meer dan mijn handen aan vol, aan dat meisje. En ook medelijden, dat had ik met haar. Ik heb medelijden altijd verward met liefde. En ondertussen naar rampenfilms kijken. Zij en ik. Als ik aan rampen denk, dan is Poperinge nooit ver weg. Nee ook Poperinge was niet gezellig en is het volgens mij nog altijd niet. Ik ben ook niet benieuwd wat er van die meid geworden is. Ik zal mij haasten. Misschien woont ze nog altijd in Poperinge. Misschien heeft ze kinderen die in Poperinge school lopen en net zo vet zijn als zij toen was en op school de zaken leren die ook ik leerde. Bijvoorbeeld dat in Tienen de suikerbiet en in Poperinge hoppe wordt verbouwd. En die kinderen praten dan met een accent van iemand uit Poperinge. Foute boel. Het is de laatste keer dat ik in dit boek de stad Poperinge vermeld. Trouwens, stad? Een groot dorp. Dat trekt er al beter op. En misschien schrap ik het allemaal. Behalve dat ik ooit een vriendinnetje heb gehad waarmee ik naar rampenfilms keek. Dat lijkt me de essentie. Het zou een beetje onnozel zijn om ook de essentie te schrappen. Ik zie je graag, zei ik tegen dat meisje, tussen twee rampenfilms in. Ik zie jou ook graag, zei Greta. Als een dik meisje dat tegen je zegt dan klinkt zoiets aandoenlijk. Maar ooit heb ik een meisje gehad dat zo dik was dat we niet met elkaar konden vrijen. Ze lag op haar rug. Het was in mijn appartement in Koksijde. Haar naam weet ik niet meer. Kom, zei ze, ik wil je voelen. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik kwam klem te zitten tussen haar benen. Koeien van billen had dat meisje. Steek hem er maar in, zei ze. Dat probeerde ik dus. Ik was er aan toe. Ik kende haar al een paar weken vooraleer ik haar in mijn appartement op haar rug kreeg. Het was een klein appartement. In de keukenkast een zak rotte aardappelen. Dat weet ik nog goed. Ik kwam er niet toe die rotte aardappelen in de vuilnisbak te gooien. In het begin viel de stank mee. Rotte aardappelen. Nooit geweten dat rotte aardappelen zo hard kunnen stinken. Het waren al geen aardappelen meer, maar pap, rotte, smerige pap. Ik had dat meisje een flesje parfum gegeven. Chanel 5. Tussen haar benen rook het naar Chanel 5 en naar kut. Ze had haar kut tot een streepje gecoiffeerd. Niet dat je er veel van kon zien, met die billen van haar. Kom, zei ze, maar het wou maar niet lukken. Misschien moet je je eens omdraaien, zei ik. Ze ging op haar handen en knieën zitten. Haar kont leek wel die van een buffel. Ik vond het een vreemde combinatie. Chanel 5 en de kont van een rund. Maar ik kreeg er hem wel in. Niet in haar kut. Daar kon ik nog altijd niet bij. Ik mocht hem in haar gat steken. Daar kwam veel duwwerk bij kijken en mijn lul zat er amper in of ik kwam al klaar. Ik schaamde me dood. Dat kwam ook door die aardappelen. Rot vlees, dat stinkt, dat is gekend, maar rotte aardappelen, dat stinkt potverdorie ook, daar helpt geen Chanel 5 aan. Ook al was ik mijn kwakje kwijt, ik deed alsof mijn neus bloedde en bleef maar pompen. Maar mijn lul werd toch te slap. Ik floepte er uit. Lukt het niet, vroeg ze. Ze had tranen in haar ogen. Ik weet het, zei ze, ik ben te dik. Maar ik zie je graag, zei ze. Ik zie jou ook graag, zei ik. Ze ging weer op haar rug liggen. Dat was als een manoeuvre van het leger. We lagen daar nog een tijdje. Het was alsof ik naast een berg lag. Ik rook die rotte aardappelen. Zij allicht ook. Maar ze zei er niets van. Ik geloof dat ze me echt wel graag zag. Ik ben blij dat ik je ken Koenraad, zei ze. Ik zei niets. Zo blij dat ik haar kende, was ik nu ook weer niet. Gent dus. Daar was ik gebleven. Gent in de jaren tachtig. De jaren van premier Wilfried Martens met z’n dwaze bril. Gent was toen nog een vuile, ruige, platte stad. Dat is het volgens mij nog altijd. Die dingen veranderen niet zo gauw. In ieder geval niet door te beweren -god mag weten waarom- dat Gent plots de gezelligste stad van Vlaanderen is. Laat ons wel wezen. Het is ook niet zo moeilijk om de gezelligste stad van Vlaanderen te zijn. Vlaanderen is an sich al verre van gezellig. En Gent is dat al helemaal niet. Gent, dat is de Dampoort. Gent dat is de Muide. Gent dat is het Rabot. Gent dat is de V-tax met zijn protskarren van Duitse makelij. Alleen al bij het horen van die namen is alle gezelligheid zoek. Goed, laat ons ook zwijgen over Gent. Wat ik wilde zeggen? Omdat ik later schrijver zou worden, is het misschien een zegen dat ik nooit aan de universiteit heb gezeten? Je hebt natuurlijk wel goeie schrijvers die een universitaire studie achter de rug hebben, maar het merendeel is van de hond z’n kloten. En die zogezegd goeie schrijvers die naast schrijver ook een universiteitsdiploma op zak hebben, die moet ik toch maar eens herlezen. Zien wat er van die zogezegd goeie schrijvers aan goeds overblijft. Als ik nog zou lezen, zou ik dat vast wel eens doen. Maar ik lees niet meer. ‘t Is te zeggen. Ik lees alleen nog wat ik zelf schrijf. Dat moet maar goed genoeg zijn. Het is bovendien ook goedkoper om alleen maar te lezen wat je zelf schrijft en met een beetje geluk verdien ik er ook nog iets aan. Eén of ander tijdschrift. Of een krant. Je hebt er zoveel. Ze zijn toch allemaal om te schreeuwen zo saai. Het betaalt redelijk goed. Dat wel. In ‘t fabriek werk ik harder dan achter mijn computer. Dat mag je gerust weten en dat mag je gerust ook weer vergeten. Het maakt niet uit. Achter mijn computer is het kraantje open en schrijven maar. Klinkt het niet dan botst het. Waar het om gaat is niet de eeuwigheid, maar de eeuwige beweeglijkheid. Dat schreef Nietzsche. Friedrich. Of iets in die trant. Ik weet niet of ik zijn naam correct spel. Maar je weet vast wie ik bedoel. Nietzsche dus. Waar het om gaat is niet het eeuwige leven, maar de eeuwige beweeglijkheid. Dat trekt er al beter op. Je zou denken, hij heeft het over jazz, die Nietzsche. Maar jazz bestond nog niet toen hij dat schreef. Hij schreef dat niet in 1940 of zo. De Friedrich. Ik weet niet precies wanneer hij dat schreef. Hij schreef het ook niet in 1689. Zoveel weet ik er wel van. Hij schreef het ergens in de tweede helft van de negentiende eeuw. Moeilijke jaren waren dat. Niet alleen voor filosofen. Ook mandenmakers hadden het in die jaren niet gemakkelijk, ook al was er toen nog behoorlijk veel vraag naar manden. Je had manden nodig om vis in te stockeren. Linnen. Noem maar raak. Om nog maar te zwijgen over de prostituees. Die hadden het in die jaren ook al niet gemakkelijk. Zo zonder rubbertjes en neonverlichting en pornofilms om de stiel iets of wat te leren. En ook aan hun moeders moesten die prostituees niet vragen hoe dat nu precies moest: hoer zijn. Daar staat tegenover dat de klanten van prostituees het in die jaren gemakkelijker hadden dan de gemiddelde hoerenloper thans. Dat moet gezegd. Vooreerst moesten ze geen rubbertje aan. Dat scheelt. Met zo’n rubbertje aan doet de gemiddelde hoerenloper er langer over om verlost te worden van zijn geil. Je moet al hard je best doen om binnen de tijd klaar te komen. Je voelt immers niets met zo’n rubbertje. En voor de hoer in kwestie voel je al helemaal niets en als je wel iets voelt voor zo’n prostituee dan moet je ook nog eens naar een psychiater, weer zoveel euro neertellen, het houdt niet op. Nee, naar de hoeren lopen was in die jaren ook stukken goedkoper. Je moest nog geen vijftig euro neertellen om eens een nummertje te maken. Dat is tegenwoordig de prijs in Gent. Gezellig is anders. Maar ik had het over Nietzsche. Waar het om gaat is niet het eeuwige leven, maar de eeuwige beweeglijkheid. Visionair noem ik dat. Want het zou nog tientallen jaren duren vooraleer er zoiets ontstond als jazz. Zeker, er waren al negerslaven en de zon scheen genadeloos in Amerika. Er werd hard aan gewerkt. Geen universiteit ik. Maar goed ook. Gospel komt van go en speel en is van jazz de vrome suikeroom. Er zijn mensen die geloven dat je dat ook van liturgische muziek kan zeggen. Gregoriaans en zo. Is dat niet mooi? En geen universiteit achter mijn kiezen. Ik zie me al! God je hebt zoveel. Ze doen maar. Geen intellectuele polonaise aan mijn lijf. Waarvoor is dat nodig? Tenzij je natuurlijk een beroerd schrijver wil worden. Tenzij je natuurlijk mee wil lullen en opiniestukken wil schrijven die ook door de provinciegouverneur gelezen worden, tenzij je natuurlijk in adviescommissies wil zetelen en wil meebeslissen wie wel en wie niet een schrijfbeurs krijgt. Ik ken er zo een paar. Stuk voor stuk minkukels. Dat ik het heb gezegd. Het is moeilijk om er geen te kennen. Ik koop iedere dag braafjes mijn krant, maar meer dan bladeren in die krant doe ik niet. Ik zeg het nogmaals, ik lees alleen nog wat ik zelf schrijf. Ik ben tot dat besluit gekomen, ik zal je zeggen waarom. Ik vond dat ik te weinig schreef. Ik zat de hele dag op mijn reet te wachten tot er een of andere aardbeving Gent zou verwoesten. Gezelligste stad of niet, ik zat gewoon te wachten tot het hier eindelijk in elkaar zou donderen. Daar kan je in Gent lang op zitten wachten. De Vlasmarkt. De St.Baafskathedraal. Het blijft er allemaal maar staan. En Helmut Lotti, die is ook van Gent en die blijft ook maar zingen. Thans in het Russisch. Soldatenliederen en zo. Alsof ze in Rusland geen soldaten genoeg hebben en geen Russisch genoeg. Moet hij daar met z’n Oost-Vlaams accent waaraan je iemand kan opknopen in het Russisch staan brullen over de Wolga. En de kleine Nete dan? De Boezingevaart? Kraantje open als ik schrijf, ik zeg het nogmaals, niet te lang blijven stilstaan, anders haal je het einde van mijn boek niet. Niet dat het iets uitmaakt. Het einde van mijn boek kan ook mij gestolen worden. En iedere dag diezelfde krant. Van linkse signatuur. Ik ben het er nooit mee eens. De melkmuilen. Ze deden het in hun broek voor hun professoren. Ik niet. De vader van mijn huidige vriendin is een professor. Was een professor. Hoe heet het? Met emeritaat? Ik zoek het niet op. Wat maakt het uit? Maar ik doe het niet in mijn broek voor hem. Professor of niet. Iets met plantenziekten. Zijn specialiteit? Paddestoelen. Daar weet ik niets van. Nul de botten. Jezus, paddestoelen. En dat een ganse carrière. Ook in Thailand kent men hem. Thaise professoren. Van die magere spleetogen in witte doktersjassen. Een hele autoriteit op gebied van champignons is de vader van mijn vriendin. Voor bij de spaghetti, meer weet ik niet over champignons. En dat ze naar ondergelopen kelders ruiken en een heel klein beetje naar rotte aardappelen. Ook Shakespeare wist niet veel af van champignons. Hij at ze alleen maar op. En hallucineren maar, en schrijven maar. Ook geen universiteit, de William. Goed, je leert daar een en ander over Michel Foucault. Ik weet niet eens of ik zijn naam correct spel. Ik zoek het niet op. Wat maakt het godverdomme uit? Je leert iets over Derrida. Jacques geloof ik. Jacques Derrida. Zo heet die gozer geloof ik. Niet dat het iets uitmaakt. En dan kan je die artikels lezen die over Derrida en over Foucault geschreven worden door lui die een universitair diploma op zak hebben en die in dure tijdschriften worden gepubliceerd. In van die themanummers. Themanummers godbetert. Als je niets te vertellen hebt dan maak je een themanummer. Makkelijk zat. En als je helemaal niets te vertellen hebt dan maak je een themanummer over het fenomeen themanummers. Metadenken. Je kent dat wel. De vraag is wat is de vraag. Dat soort vragen. Daar doe ik niet aan mee. Ik heb het ook allemaal gelezen. Derrida en Foucault en Levi. Niet dat ik er veel van opgestoken heb. Dat het homo’s waren. In ieder geval die Foucault. Van Jacques Derrida weet ik het niet zo zeker. Al heeft die laatste wel zijn naam mee natuurlijk. Jacques. Chocolade Jacques. Dat is thans een wielrennersploeg. Kan het eigenlijk nog belachelijker? Chocolade Jacques. Een Belgische ploeg. Allemaal van die epogasten natuurlijk. Ik hou niet van wielrennen. Ik hou ook niet van soaps op de televisie. En veel meer dan een soap is de koers eigenlijk niet. Ik had het over de universiteit. Je begint met pakweg zevenhonderd medestudenten en na het eerste jaar blijven er nog dertig over. Niet dat die zeshonderdzeventig gezakte medestudenten allemaal te dom zijn om te helpen donderen. Verre van. Sommigen vatten na dat eerste mislukte jaar een nieuwe studie aan. Keuze zat. Zijn ze bijvoorbeeld begonnen met Germaanse filologie en blijkt dat niet echt hun ding, dan is het best mogelijk dat ze een uitstekende arts worden, of nog iets anders, advocaat of zo. Ook zijn er studenten natuurlijk die dat eerste jaar gewoon overdoen, desnoods een tweede keer, in het belachelijkste geval een derde keer. Een vierde keer is bij wet verboden. Althans in België. Dan moet je uitwijken naar de Sorbonne, of naar Harvard. Dat soort van universiteiten. Makkelijk zat dus om, ik zeg maar wat, dierenarts te worden, of apotheker. Die bissers en trissers hoeven dan niet meer naar de les te gaan, dat spreekt voor zich, of maar heel af en toe, voor de schijn. En naar het examen kunnen ze met hun ogen dicht. Ik vertel nog altijd niets nieuws. Als het ze dan nog niet lukt, tja dan moeten ze naar ‘t fabriek, of een frietkot openhouden, of regent lichamelijke opvoeding worden, nachtwaker, of ze gaan in het theater, de journalistiek, wat maakt het uit... Ook zijn er mensen die zonder dat ze eerst aan de universiteit iets hebben aangevat naar ‘t fabriek moeten of een frietkot runnen. Naar die mensen zou mijn sympathie uitgaan als ik niet heel veel van hen persoonlijk kende. Lomperiken zijn het. Werkelijk domme mensen voor wie zelfs ‘t fabriek nog te hoog gegrepen is. Zelfs een fabriek als de Volvo in Gent. Aan de Kennedybaan. Het enige dat die mensen goed kunnen is om vier uur opstaan ‘s morgens en om halfacht boterhammen met geperste kop eten en op de muren van het toilet schunnige taal schrijven. Dat hun collega’s een bende homo’s zijn. Dat soort zaken. Ik heb veel gescheten in de Volvofabriek te Gent en omdat ik een koeriersdienst verzorgde scheet ik zo’n beetje overal in ‘t fabriek. Niet alleen in de GC-zuid waar de wielen worden gemonteerd, niet alleen in de verffabriek waar iedereen er bijloopt als een chirurg, niet alleen in de garage waar zelfs de zeepbakjes naar diesel ruiken. Niet één toilet zonder bedenkelijke graffiti betreffende de andersgeaarde medemens. Daar zat ik dan al schijtend naar te kijken. Vaak vechtend tegen de slaap want ook ik moest om vier uur ‘s morgens uit mijn bed. Ik sliep toen in de logeerkamer. Het ging toen niet zo goed met ons, met onze relatie. Ik had het geld niet om een appartement te huren. Geen nagel om aan mijn gat te krabben. Nu nog altijd niet. Maar we slapen opnieuw in hetzelfde bed. Noem het een begin. De Volvofabriek dus. Om de zoveel maanden werden die toiletten in krak dezelfde kleur gesausd. Donkergroen. Zweden bepaalt zoiets. Veel meer dan dennenbomen kennen ze daar niet. Van die saaie bossen die gebruikt worden om er boeken van te maken. Dat zei mijn uitgever me ooit eens. Dat het geen ramp is dat die bossen er moeten aan geloven omdat er nu eenmaal boeken moeten worden geschreven. Ik geloofde hem. Maar van het paar duizend exemplaren die hij van mijn boekje heeft laten drukken, daar heeft hij er misschien, misschien zeg ik, hoop en al dertig van verkocht, en van die dertig heb ik er zelf tien gekocht. Zweden dus. Zwoost zwest zweeds best. Nooit geweest. Waarom zou ik? Om die saaie bossen te zien waarvan een deel voor mijn volgende boek wordt opgeofferd. Ik zal mij haasten. Om drie uur in de namiddag is het daar al donker. En al die Zweden gaan tijdens de winter naar Thailand. Daar hebben ze dan seks met Thaise meisjes van misschien veertien jaar. En Volvo’s maken, daar zijn ze ook goed in. Geen lompere auto dan een Volvo. Dat wc-kleurtje dus. Dat donkergroen bleef dan ongeveer een uur onbezoedeld in de vele toiletten van de Volvofabriek te Gent. Maar een week later stonden de muren alweer vol geklad. Je kent die grapjes: Blufvanminol, het medicijn voor bruinwerkers. Twee homo’s op een terras, zegt de ene... Wat maakt het uit. Tania dus. Tania Verfaille. Een naam om er een incassobureau mee te runnen. Mijn schoonzus. Wat zeg ik? Mijn ex-schoonzus. Ook geen genie. Ze heeft haar studie aan de universiteit nooit afgemaakt. Is ook niet gaan bissen laat staan trissen, maar is later wel een belangrijke tante geworden bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de ambtenarij zeg maar. Werklozen hun uitkering afpakken, dat soort zaken. Daar was ze erg goed in. Ze was van een betere komaf dan mijn broer. Van een mindere komaf zou moeilijk geweest zijn, tenzij je natuurlijk in Sri Lanka aan de voet van een vuilnisbelt geboren wordt. Ze was erg mooi toen, vond ik, maar ik heb onlangs een foto uit die tijd onder ogen gekregen. Jakkes. Ik was toen nog een kind natuurlijk. Ze draagt een trui met een rolkraag op die foto. Ze lacht. Je vraagt je af waarom. Naar de omvang van haar borsten heb je het raden als je niet weet -zoals ik- dat het met haar tieten maar povertjes gesteld is. Pas op, je hebt mensen die daarop vallen, maar of mijn oudste broer tot dat slag mensen behoort, daar heb ik dan weer het raden naar. Ik heb het daar met hem -toen we nog on speaking terms waren- nooit over gehad, over die schrale tieten van zijn vrouw. Heel erg broederlijk zijn we nooit geweest met elkaar, mijn broer en ik. Dat zit in de familie. Mijn vader en zijn broers, dat is ook geen vriendenclubje. Hij, mijn vader, is zelfs niet naar de begrafenis van zijn broers geweest. Hij had er drie en ze hadden het alle drie aan hun hart. Maurice reed na een beroerte in de gracht en werd pas enkele dagen later door een boer gevonden. Het gebeurde in Bikschote. Nog zo’n dood gat in West-Vlaanderen. George werd op een morgen niet wakker en mijn peetvader Kamiel stierf op het toilet. Mijn vader heeft het niet aan zijn hart. Mijn vader heeft het aan zijn gewrichten. Zakt de temperatuur onder de twintig graden dan zie je mijn vader al met een extra trui en onder zijn broek een lange wollen onderbroek en ook een extra paar kousen. Naar de begrafenis van zijn broers ging hij niet. Hij had zijn voet verzwikt. Of zijn duiven moesten vallen. Weet ik veel. Of hij zei dat zij (zijn broers) ook niet naar zijn begrafenis zouden komen, dus waarom zou hij de moeite nemen? Onlangs kocht ik een nieuw jasje. In dat jasje begraaf ik mijn vader, dat was mijn gedachte. Zeventig euro heeft dat jasje me gekost. Het is de bedoeling dat het een paar jaar meegaat, dat jasje. En tegen die tijd, wie weet? Alhoewel, gewrichtspijn is niet meteen levensbedreigend. Daar kan je gerust een eind in de negentig mee worden. Ik zal zuinig moeten zijn op dat jasje. Ik heb al eens geschreven dat ik niet naar zijn begrafenis zou gaan. Dat was maar voor te lachen. We moeten al eens kunnen lachen. Overigens maakt het niet uit. Wel heeft hij -ik heb het nu niet over mijn vader maar over mijn broer- eens de tieten van mijn vriendin... hoe zal ik het zeggen... hij heeft het nooit toegegeven... hij had teveel gedronken. Daar kan ik inkomen. Het was in de Balzaal van de Vooruit. Ik werkte daar toen en dat boekje van mij was pas verschenen. Ik stond al eens met mijn kop in de krant. Niet vaak. Een paar keer maar. Maar als je in een dood gat in West-Vlaanderen bent geboren waar sinds de Eerste Wereldoorlog niks noemenswaardigs is voorgevallen, tenzij de tornado uit 1967 die de daken van twee boerenschuren lichtte, en je slaagt er in met je kop in de krant te komen, en niet in de rubriek ongevallen of in één of andere assisenzaak, maar in de cultuurbladzijden dan nog wel, dan mag je zelfs een familie hebben als de mijne, als strontvliegen komen ze op je af. Mijn broer ook dus. Nooit leest hij een boek, maar mijn boek had hij dus gelezen. Hij had teveel gedronken. Daar kan ik, ik zeg het nogmaals, volledig inkomen. Ik drink ook al eens te veel. Ik zou zelfs meer durven zeggen. Als ik drink, drink ik per definitie teveel. Ik zou niet weten waarom ik anders zou drinken. Toch niet voor de unieke smaak van een Orval of zo? Ga weg. Als ik voor de smaak iets drink dan drink ik chocomelk. Bon, hij had dus teveel gedronken mijn broer en hij zat dus met zijn poten aan de tieten van mijn vriendin. Dat zei ze me een paar dagen later. Dat hij bij het kennismaken haar borsten had bepoteld. Mijn vriendin droeg graag wijde truien. En daaronder had ze twee bollen die er mochten wezen. Mijn vriendin was niet te beroerd om hem meteen een por tussen zijn ribben te verkopen. Ik kom daar nog op terug. Of niet. Wat maakt het uit? Af en toe kreeg ik ook wel een por van mijn vriendin. Ook daar kom ik nog op terug, of niet, het maakt niet uit. Ze is al lang mijn vriendin niet meer en langer dan anderhalf jaar is ze mijn vriendin niet geweest. Ik had het over mijn schoonzus. Tania dus. Tania Verfaille. Een naam om door te spoelen. Ik was nogal onder de indruk van de vuistdikke cursussen die ze te verstouwen kreeg. Op een dag in de kerstperiode was ze bezig met Ronsard. Aan de keukentafel. Mijn moeder rookte haar zevenhonderdste Sprintsigaret en had net een uur of drie onder de zonnebank gelegen en was daar erg moe van. Ik had een gedicht geschreven. Nog geen vijf minuten daarvoor had ik de laatste regel van dat gedicht geschreven. Daarna was ik naar de badkamer gegaan en had ik zeker vijf minuten in de spiegel staan kijken. Nu en dan had ik ‘ja’ gezegd. Ook had ik een paar keer gevloekt. Niet omdat ik kwaad was of zo, verre van zelfs. Vloeken deed ik omdat ik het zo goed vond wat ik had geschreven. Gewoon steengoed was dat gedicht. Dat wist ik bij een gedicht meteen. Toen al. Wanneer het erg goed was, begon ik spontaan te vloeken. Uit ongeloof dat het zo goed was. In die dagen was goed nog niet zo goed als dat het thans is. Laat ons wel wezen. In die dagen was dat hele schrijverschap van me nog spannend en iets om te koesteren en zou het met ouder worden alleen nog spannender worden. Begrijp me niet verkeerd. Ik was een kind nog. Ik vloekte en ik zei ja in de spiegel en toen ging ik naar beneden, naar de keukentafel waaraan Tania Ronsard zat te studeren. Wist ik veel. Ik toonde mijn gedicht. Dat was wel eventjes iets anders dan Ronsard. Tania stak een sigaret op. Ze rookte Bastos filter. Mijn moeder rookte Sprint, wel twee pakjes op een dag. Later is ze aan kanker gestorven, mijn moeder. Niet aan longkanker, wat logischer zou zijn geweest. Sprintsigaretten vallen wel mee wat betreft de schade die ze aan de gezondheid toebrengen. Thans bestaat dat merk niet meer, net zoals er geen kandidaturen meer bestaan aan de Belgische universiteiten. Het was de zon die het bij mijn moeder deed. Teveel onder de zonnebank tijdens de winter en tijdens de zomer te lang op de cementen koer in haar bikini. Ik zie haar daar nog liggen tussen die cementen platen waartegen de buurman altijd plaste. Dat kon ik vanuit mijn kamer zien. Die kamer deelde ik met mijn jongste broer die aan astma leed en nooit is getrouwd. Het was meer mijn kamer dan dat het de kamer van mijn broer was. Mijn broer kwam er eigenlijk alleen maar om te slapen. Om te piepen eigenlijk. Zijn longen deden het maar amper. Of zijn luchtpijp. Daar wil ik vanaf zijn. Ik heb de buurman maar een paar keer daadwerkelijk zien plassen tegen de cementen platen die zijn koer van onze koer scheidde. Ik kon zijn fluit nooit zien. Niet dat ik er op belust was zijn fluit te zien. De buurman was een kleine en dikke man. Ik stelde me voor dat hij een korte en dikke fluit had. Met een hand in zijn zijde en met de andere hand aan zijn korte en dikke fluit, zo stond hij daar tegen de cementen platen te zeiken. Goed, het waren zijn cementen platen, dus hij mocht ermee doen wat hij wilde. Maar van de andere kant waren het ook de cementen platen van mijn ouders. Van ons. En daar stond die buurman tegen te zeiken dat het een aard had. Terwijl mijn moeder amper een meter verder lag te zonnen alsof ze op het strand van Malibu lag. In haar bikini. Met een Sprintsigaret. Terwijl er duiven af en aan vlogen. Vervelende dieren zijn dat, duiven. Mijn vader was een duivenmelker, zoals pakweg de helft van de mannen in het gat waar ik geboren ben en waar nooit iets gebeurde. Nooit iets gewonnen, mijn vader, wat dacht je. Geen talent. Het maakt niets uit. Terwijl het godbetert 1976 was of zo en de duiven nog niet zo hard konden vliegen als ze thans doen. Of dat wel konden, maar nog niet deden. Weet ik veel. Maar het duurde altijd wel een paar uur vooraleer de pisvlek van de buurman was opgedroogd. Ook als de zon knoethard scheen en mijn pa geen extra trui en extra sokken nodig had voor zijn gewrichten. En nog vooraleer die pisvlek helemaal was opgedroogd was hij er opnieuw tegen gaan pissen, de vetzak. Op min of meer dezelfde plaats. Iets aan zijn blaas waaraan hij later is geopereerd en waarover mijn vader van die besmuikte grapjes maakte waarmee alleen hij moest lachen. De fluit van mijn vader heb ik één keer gezien. Nooit vergeten. Ook zo’n korte en dikke fluit. Een bullebak van een fluit. Zo zou je het wel kunnen noemen. Ik vond het geen zicht en het was helemaal mijn bedoeling niet mijn vaders fluit te zien. Ik had wel wat beters te doen. We hadden toen al een badkamer, maar omdat mijn vader de oorlog had meegemaakt en het al die jaren zonder badkamer had moeten stellen, waste hij zich in het hok waar ook de wasmachine en de ladder stond. Ook potten verf en zo en aan een kapstok een heleboel kleren die we niet meer droegen en die daar hingen tot ze met de zakken van Oostpriesterhulp zouden worden meegegeven voor de arme zigeuners in Oost-Duitsland die ‘s zondags geen duif met kroketten en appelmoes aten. En storm ik op een ochtend dat hok binnen op zoek naar ik weet niet meer wat en staat mijn vader zich daar blauw van de koude te wassen met een washandje waarmee hij eerst zijn gezicht en zijn pijnlijke nek en daarna zijn gat schrobde. Hij probeerde zich nog te bukken zodat ik zijn korte en dikke fluit niet zou zien, maar met dat bukken was hij hopeloos te laat. Het enige wat hij met dat overhaaste bukken bereikte was een lumbago. Dat was maar goed ook. Hij kon vanwege de pijn niet uithalen naar mijn kop. Hij trok alleen maar wat aan mijn haar, niet eens zo hard. Me afrossen, dat kon hij een paar weken niet. Heerlijke tijd. En na die veertien dagen woog het delict niet zwaar genoeg, of het was te gênant om me er alsnog voor te straffen. Ik was nog een kind, maar ik wist al wel dat een deeltje van mij, pakweg de helft, uit die stompe fluit tevoorschijn was gedrupt, een kwak dikke pis die hij tussen de benen van mijn moeder had gespoten. Eerlijk gezegd, ik vond er niks aan, aan die fluit van mijn vader. Die fluit was niet groter dat zijn duim. Misschien iets dikker. En die fluit hing er zomaar wat bij, als een versleten handdoek. En hij was ook al grijs daar. Of misschien heb ik dat er later bij gefantaseerd? Weet ik veel. En wat maakt het overigens uit? Mijn vader had al vroeg een grijze kop, dus ging ik er van uit dat hij tussen zijn benen ook wel grijs moest wezen. Wel herinner ik me dat ik aan mijn schoolkameraadje die een straat verder woonde vroeg of hij ooit de fluit van zijn pa had gezien en dat ik mijn oren niet geloofde toen hij zei dat hij de fluit van zijn pa iedere week zag als ze samen een bad namen de zaterdagvoormiddag. Om kosten te sparen. Dat kende ik. In het badsop van je broers en zussen kruipen om je te wassen, dat was ook bij ons zo. Mijn moeder gooide er gewoon wat badschuim bij, spatelde wat met haar handen in het water zodat je niet meer zag in wat voor riool je je eigenlijk wassen moest. Ik was de laatste in het rijtje. Mijn jongste broer mocht vanwege zijn astma geen bad nemen. Ik maakte er geen probleem van. Mijn vriendin later wel. Niet mijn huidige vriendin, maar mijn eerste vriendin waarmee ik een huis deelde. Dat ik me nooit fatsoenlijk had leren wassen en zo. Wat wil je met zo’n bende broers en zussen en een beperkt budget en een moeder die aan kanker lijdt en twee pakjes Sprintsigaretten rookt en iedereen die scheten had laten vliegen in dat bad. Zo’n scheet stijgt in een luchtbel tot aan het wateroppervlak en blijft daar in een zeepbel hangen. Elke zeepbel kon het darmgas bevatten van mijn broers en zussen. En ook ik liet scheten in dat bad. Laat ons wel wezen. Bloep. Bloep. Bloep. Het had wel iets vond ik om een scheet te laten en die niet te hoeven ruiken. Ik probeerde dan altijd uit te vissen welke zeepbellen mijn scheten bevatten en welke ik eerder moest toeschrijven aan de scheten van mijn broers en zussen. Zonder er ooit achter te komen welke zeepbel bij welk familielid precies hoorde natuurlijk, maar omdat we allemaal hetzelfde aten, was er qua geur eigenlijk geen verschil, daar ging ik tenminste van uit. Ik wou nog iets over de buren kwijt. Het was tijdens de winter en de waterleiding was gesprongen. Niet bij ons. Mijn pa met zijn extra truien en zijn wollen onderbroeken en zijn extra paar kousen zorgde er altijd voor dat ook de waterleiding, als betrof het zijn gewrichten, niet kon kapotvriezen. Dus kwamen die buren bij ons een bad nemen. Ze hadden een ongelukkige jongen, de buren. Ludo heette die jongen. Zijn armen waren veel te lang en er liep altijd snot uit zijn mond. En hij balkte. In plaats van te praten balkte Ludo. In plaats van te lachen balkte Ludo. Balken was het enige dat hij een beetje kon. Nee, balken kon hij eigenlijk als de besten. Geen ezel deed het hem na. Ik schreef nog geen gedichten toen die ongelukkige jongen bij ons in het bad zat en vast ook scheten liet die in de vorm van een zeepbel op het wateroppervlak bleven drijven. Van die ongelukkige scheten. Maar toen was het blijkbaar geen probleem om dat bad, nadat die ongelukkige buurjongen zich had gewassen, te laten leeglopen en het daarna opnieuw te vullen zodat ook de buurman met zijn dikke korte fluit zich in ons bad kon wassen en vast ook scheten liet en daarna zijn vrouw. Viviane heette zijn vrouw. Naar aanleiding van mijn boekje heeft ze me eens de huid vol gescholden. Viviane, zei ik, maak u niet druk, het is maar een boekje, ik heb toch niet gevraagd dat je het zou lezen. Maar er was geen gesprek mee te voeren, met die Viviane. Ik bedoel, ik was dan nog heel erg braaf geweest. Zo bijvoorbeeld had ik geen letter geschreven over hun ongelukkig kind, of over die cementen platen waar haar vent altijd tegen piste terwijl mijn moeder op de koer lag te zonnen. Geen woord. En mij maar uitschelden voor rotte vis. Toen is het idee bij mij ontstaan om dat toch allemaal maar eens op te schrijven. Over haar zenuwinzinking en zo. Maar dat is voor later. Eerst nog dit over haar ongelukkig kind. Hij, Ludo, was niet ouder dan zestien jaar toen hij overleed. Dat balken had hij tot het einde volgehouden. Het was met de jaren intenser geworden. Ook met de deuren en de ramen dicht hoorde je die ongelukkige buurjongen balken. God mag weten waarom hij plots aan het balken sloeg. En plots was hij dood. Nu ja, zo plots gebeurde dat ook niet. Hij was een maand ziek. Het was zomer. Het was vakantie. Het was heet en die ongelukkige jongen kwam zijn bed niet meer uit. Ook niet toen het werkelijk zo heet was dat we met het hele gezin naar de kust vluchtten. Ik herinner mij nog dat ik toen erg veel medelijden met die ongelukkige jongen had en dat ik me schuldig voelde als ik me met heel mijn jonge lijf in de golven van Oostduinkerke wierp. Lag Ludo daar in zijn bed te balken en te zweten en dood te gaan en mocht ik in de zee zwemmen. Dat was geloof ik de eerste keer dat ik het leven in al zijn krankzinnigheid aanvoelde en dat ik triestig was om iets waaraan ik niets kon doen. Ik mocht gedurende een week niet voetballen op de koer. Vanwege het lawaai en zo. Ik sjotte urenlang tegen de garagepoort. Bang. Bang. Bang. Dat mocht niet meer. Ik was misschien 8 of 9 jaar. Mijn moeder rookte nog haar twee pakjes Sprint per dag en lag op het strand van Oostduinkerke te zonnebaden, ver weg van de buren en hun ongelukkige jongen die op sterven lag. Lag mijn moeder daar egoïstisch te genieten van de zon alsof de zon alleen voor haar scheen. Ik vond het ongelooflijk en ik had geen zin om met mijn broer mee te rijden in een gocart op de dijk van Oostduinkerke. Ik mocht sowieso nooit sturen. Alleen maar trappen. Dat was lang voordat mijn broer in Gent studeerde en trouwde en aan de keukentafel economie studeerde, samen met zijn vrouw die mijn gedichten aandachtig las, maar niet zo aandachtig als dat ze de gedichten van Ronsard las. Ik herinner mij niet meer wat Tania van dat gedicht vond. Ik herinner mij, behalve de eerste regel, niets meer van dat gedicht. En die eerste regel hou ik liever voor mezelf. Zo gaan die zaken. Ondertussen heb ik al heel wat meer gedichten geschreven en naast gedichten ook autobiografisch proza of wat daar moet voor doorgaan, want ik lieg er gemakkelijk op los eenmaal ik aan het schrijven ben. Nogmaals, kraantje open als ik schrijf en we zien wel wat er van terechtkomt. Ondertussen is die Tania niet langer de vrouw van mijn broer. Ik geloof dat ze nog altijd bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werkt. Ze moet al meer dan vijftig zijn. De oude tang. Ik ga dit hier niet liggen uitrekenen, maar het is best mogelijk dat ze over enkele jaren met brugpensioen gaat en dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het binnen afzienbare tijd zonder haar diensten zal moeten stellen. Dan zal ze weer tijd hebben om Ronsard te lezen. Enkele werkelozen zullen hun uitkering kunnen behouden. Maar waarom zou ze opnieuw Ronsard lezen? Ze was toen ze nog jong en al lelijk was al geen fan van Ronsard. Hij mocht dan wel veel betere gedichten hebben geschreven dan ik ooit zou schrijven, ze slaagde niet voor dat vak en huilde daar bittere tranen over. Nee, gedichten dat was haar ding niet. Wist ik veel dat er mensen zijn die gedichten lezen waaraan ze geen zak vinden? Wist ik veel dat er mensen zijn die alleen maar gedichten lezen om er een diploma mee te behalen. Die toenmalige schoonzus van me hield helemaal niet van Ronsard. Die Ronsard mocht eigenlijk verrekken in zijn graf. Dat ze moest weten waar die gozer in Frankrijk begraven lag, dat herinner ik mij wel nog. Als hij al in Frankrijk begraven werd. Frankrijk is een groot land en met dichters weet je nooit natuurlijk, kijk maar naar Rimbaud en Verlaine. Een potje SM op de markt van Brussel, zoals onlangs door een Nederlander is ontdekt. Zelf weet ik ook bitter weinig van die hele Ronsard af. Alleen eigenlijk dat er een pak gedichten van zijn hand op de keukentafel lagen en dat Tania Bastos filter rookte en iets zei over Ronsard, over de manier waarop die gozer gedichten schreef en hoe dat niet strookte met de manier waarop ik gedichten schreef.