![]()   |
 |
Winnen zou al mooi zijn
Koenraad Goudeseune
Mijn eerste boek zou verschijnen. Ik was bijna dertig jaar. Schrijven
deed ik al van toen ik nog een kind was. Gedichtjes vooral. Zaken die
ik in een sessie kon klaren en die ik meteen aan mijn publiek kon laten
zien. Mijn publiek? Ik bedoel mijn drie zussen, mijn schoolkameraadje
die een straat verder woonde, mijn oudste broer, de godsdienstleraar
die tijdens de les soms zelf een gedichtje voorlas, de minkukel, of
een gebedje, wat maakt het uit? En als ik echt overtuigd was van mijn
kunnen dan liet ik wat ik had geschreven ook aan Tania lezen. Tania
Verfaille. Een naam als een scheet. Tania Verfaille was de vrouw van
mijn oudste broer. Was, zeg ik. Ze zijn een paar jaar geleden in een
vechtscheiding terechtgekomen en nog altijd aan het rollen. Al veel
gelachen. Daar niet van. Ik heb ook nog een jongere broer, maar die
is niet getrouwd. En daarnaast heb ik ook nog een broer die dood is.
Al heel lang is die broer van me dood, maar daarover later meer, of
helemaal niets meer, wat maakt het uit? Hij is toch naar de vaantjes.
Ik heb ook nog drie zussen. Ook daarover later meer, al kan ik me niet
inbeelden wat er nog meer over die drie zussen van mij te vertellen
valt. God ja, ze hebben een naam. Zoals die Tania dus waaraan ik mijn
jeugdgedichten liet lezen. Tania Verfaille. Ze studeerde Romaanse filologie
aan de universiteit van Gent en tijdens de kerstvakantie studeerde ze
samen met mijn broer aan de keukentafel in mijn ouderlijk huis. Ze waren
erg jong getrouwd. Van moetes. Tania Verfaille werd moeder toen ze amper
negentien jaar was en in de eerste kandidatuur zat. Zo heette dat toen
nog. De kandidaturen. Haar kind kreeg de naam Kimberly. Al veel beter.
Het is bij dat ene kind gebleven. En die Kimberly is onlangs zelf moeder
geworden. Haar kleine heet Zoë. Kaartje in de bus. Dat is alles.
Niet op gereageerd. Als het om te krijgen is, dan weten ze je wel wonen.
Dat geboortekaartje heb ik met een magneet aan de koelkast gehangen.
Zoë. Pastelkleuren. Peter en meter. De hele mikmak. ‘Als je ons
wil bezoeken, graag een seintje.’ Een kwak ketchup kon ze krijgen en
kreeg ze ook. Per ongeluk. Kaartje in de vuilnisbak. Dag Zoë! De
kandidaturen dus. Daarover was ik aan het vertellen. Na de kandidaturen
kwamen de licenties. Ik vertel niets nieuws. Als je slaagde in de eerste
kandidatuur dan was de kans groot dat je die universiteitsstudie met
vrucht zou beëindigen. Meer zelfs, als je zonder kleerscheuren
door de eerste kandidatuur raakte, dan was je broodje eigenlijk al gebakken,
dan moest dat broodje gewoon nog een paar jaar afkoelen. Nu heet het
allemaal anders. Iets Amerikaans. Voor mij niet gelaten. Maar het principe
is hetzelfde gebleven. Ik heb nooit aan de universiteit gezeten. Eén
was genoeg volgens mijn vader. En die ene was mijn broer. De oudste
van zes. Van zeven eigenlijk als je mijn dode broer meetelt. Wat we
voor het gemak niet zullen doen. Dat ging zo in die tijd. Niet allemaal
gelijk voor de wet, kinderen. Hij heeft een naam mijn oudste broer,
maar wat maakt het uit? Zeven kinderen hebben ze op de wereld gezet
mijn ouders. Maar eigenlijk hebben ze er maar een op de wereld gezet.
Zo zie ik dat. En dat was dan mijn oudste broer. De rest kwam er maar
zo’n beetje bijgekukeld uit katholicisme. We mochten al blij zijn dat
we nog een naam kregen. En in mijn geval was dat een naam waarmee je
tegenwoordig op de lijsten van het Vlaams Belang kan gaan staan. Koenraad.
Waarom niet gewoon Koen zoals in die tijd wel meer jongetjes werden
genoemd? Er zaten er drie in mijn klas die gewoon Koen heetten. Eén
is postbode geworden. Koen de facteur. Wat er met de twee andere is
gebeurd, weet ik niet. En of die ene Koen nog altijd facteur is, dat
weet ik ook niet. Het kan best zijn. Het heet een mooi beroep te zijn.
Hij die de goede tijding brengt. Ooit een brief gekregen van iemand
die het in dergelijke bewoording over het beroep van postbode had. De
jannet. Ik heb maar niet geantwoord. Ik geloof niet in goede tijdingen.
Ze moeten met hun poten van mijn brievenbus blijven. Vooral ‘s morgens.
Je hebt nog niet eens een slok koffie binnen en daar zijn ze al met
de post. Rekeningen en zo. Geboortekaartjes. En wat je ‘s morgens wel
zou kunnen gebruiken, de krant bijvoorbeeld, dat is er negen op de tien
keer niet bij. Die krijg je ‘s anderendaags, of helemaal niet. Afschaffen
die handel. Koen de facteur dus. Geen hoogvlieger op school. Jij Koen,
zei de meester soms nadat hij een vraag had gesteld en dan gingen er
twee armen in de lucht. Nooit drie. Koen de facteur wist van toeten
noch blazen. Soms mocht hij stencils uitdelen. Je zou denken: daar heeft
hij z’n latere beroep van. Maar iedereen in de klas mocht al eens stencils
uitdelen. Wat maakt het uit? Niet iedereen is postbode geworden. Alleen
hij dus. Alhoewel, ik zou het niet weten. Misschien zijn er wel meer
uit mijn klas die postbode geworden zijn. Zelfs ik heb het een paar
maanden gedaan. Als vakantiejob. Mijn ronde was zo belachelijk klein
dat ik rond een uur of negen al klaar was met brieven bestellen. Dan
maar op café zitten. Ik was altijd de eerste. De rondes van de
overige postbodes waren niet zo belachelijk klein als die van mij, maar
na een uurtje zaten we daar toch al met z’n drieën te hijsen. Daar
is dat drinken van me begonnen. Ik dronk toen nog mazout. Bier met cola.
Thans zou ik dat goedje niet meer door mijn keel krijgen, maar toen
dronk ik dus mazout. Een melkmuil was ik eigenlijk nog. Rond elf uur
zat het integrale postkantoor op café. En maar rondjes geven.
Op den duur begon dat toch wel erg duur te worden. Vooral als je daar
van ‘s morgens vroeg mee begon. Ontslagen werd ik omdat ik het pensioen
van een legerkolonel opzoop. Hij zat in een rolstoel die kolonel. Nooit
een oorlogje meegemaakt, nooit een kogeltje afgevuurd. Met een parachute
had hij ook al niet gesprongen. Alleen maar op wacht gestaan met een
mitraillette op de luchtmachtbasis van Westende. Ik vond dat die gozer
zijn pensioen niet verdiende. Bovendien was ik toen een pacifist. Erg
tegen het leger was ik en die legerkolonel moest niet van zijn kloten
maken dat hij zijn pensioen niet uitbetaald kreeg. Hij mocht al blij
zijn dat hij al die jaren zijn loon uitbetaald kreeg. Rondjes lopen
op de luchtmachtbasis van Westende. Mooi natuurgebied. Duinen en zo.
Iedere dag in de gezonde lucht. Bruin worden. En er nog voor betaald
worden ook. En als er al eens iets aanspoelde, een kratje whisky, een
doos soepblikken, weet ik veel, dan nam hij dat mee naar huis. Geen
twijfelen aan. Niet dat er aan de Noordzee veel aanspoelt. Als ik zou
moeten aanspoelen dan zou ik niet aan de Belgische kust aanspoelen.
Maar over de jaren heen is dat weinige dat er aanspoelde alles bij elkaar
niet zo weinig meer. Ook een lijk soms. Vol garnalen dat lijk. Goed
voor in de kroketten. Toefje gefrituurd peterselie. Glaasje moezelwijn.
Allemaal achterovergedrukt. Later MS gekregen en uiteindelijk in een
rolstoel beland. Moest hij die rondjes niet eens meer lopen. Iedere
dag op zijn zieke reet zitten tot aan zijn pensioen. Dat was alles wat
hij deed. En nog pensioen uitbetaald krijgen ook. Niet met mij. Een
pacifist was ik. Toen. Ik werd bij de postmeester geroepen. Ik had een
paar duizend frank van die legerkolonel zijn pensioen opgezopen. De
rest zat in mijn zak. Ik werd ei zo na niet gefouilleerd. Hier, zei
ik en ik legde een pakje bankbiljetten op zijn bureau. Stop ze waar
de zon niet schijnt, zei ik. Pardon?, zei de postmeester. Die randdebiel
dacht dat ik het nog eens zou herhalen. Weet je wat?, zei ik, de rest
hou je maar van mijn loon af, ik kap ermee. Die legerkolonel heb ik
nooit meer gezien. Wel de politie. Ik mocht het ook daar gaan uitleggen.
Ik zei dat ik een drankprobleem had. Ook die flik had een drankprobleem,
dus dat zat wel snor. De klacht werd geseponeerd. Hij heette Roger Tange,
die kolonel. Ook al geen naam om over naar huis te schrijven. Maar nog
altijd beter dan Koenraad. Waarom per sé Koenraad? Broer van
Gerolf en Nele. Ik zeg maar iets. Ik heb geen broer die Gerolf heet
en ook geen zus die luistert naar de naam Nele. Maar het had gekund.
Bezat ik wat ambitie om niet alleen schrijver te zijn maar om het ook
als schrijver te maken, ik koos een pseudoniem. Zeker weten. Maar wat
maakt het uit? Met zes dus waren we bij ons thuis en er was er maar
één die telde. Mijn oudste broer. Dat zie ik volgens mijn
broers en zussen volledig verkeerd. Het kan zijn. Het kan zijn dat mijn
ouders eigenlijk geen enkel kind op de wereld hebben gezet. Dat zou
heel goed kunnen zijn. Wat maakt het uit? Niets volgens mij. Volgens
mij maakt het helemaal niets uit. Maar die ene broer mocht dus naar
de universiteit. In Gent. Ondertussen de gezelligste stad van Vlaanderen.
Dat las ik onlangs in de krant. Maar toen mijn broer er aan de universiteit
studeerde was dat wel eventjes anders. De gezelligste stad van Vlaanderen
was toen Gent niet. De gezelligste stad van Vlaanderen bestond toen
nog niet. Of het moest Poperinge zijn. En ook Poperinge is verre van
gezellig. Ik heb ooit een vriendin gehad uit Poperinge. We gingen samen
naar de cinema in Poperinge. Naar rampenfilms en zo. In Poperinge godbetert.
Met de fiets reed ik er naar toe. Zeven kilometer heen en zeven kilometer
terug. De polders. ‘s Zondags. Veel wind. Veel akkers. En in Poperinge
staan er op die akkers scheve staken. Hoppe. Dat verbouwt men daar.
En daar heeft men die staken voor nodig. Duvel. Stella. Jupiler. Orval.
Allemaal Poperinge. Greta, zo heette dat vriendinnetje van mij. Ook
al een naam om je gat mee af te vegen. Trouwens, vriendinnetje? Ze woog
op de kop af tachtig kilo. Voor een meisje van zestien jaar is dat een
heel pak. En op dieet gaan dat was er nog niet bij in de jaren ‘80.
Tenminste niet in Poperinge. Ik had er meer dan mijn handen aan vol,
aan dat meisje. En ook medelijden, dat had ik met haar. Ik heb medelijden
altijd verward met liefde. En ondertussen naar rampenfilms kijken. Zij
en ik. Als ik aan rampen denk, dan is Poperinge nooit ver weg. Nee ook
Poperinge was niet gezellig en is het volgens mij nog altijd niet. Ik
ben ook niet benieuwd wat er van die meid geworden is. Ik zal mij haasten.
Misschien woont ze nog altijd in Poperinge. Misschien heeft ze kinderen
die in Poperinge school lopen en net zo vet zijn als zij toen was en
op school de zaken leren die ook ik leerde. Bijvoorbeeld dat in Tienen
de suikerbiet en in Poperinge hoppe wordt verbouwd. En die kinderen
praten dan met een accent van iemand uit Poperinge. Foute boel. Het
is de laatste keer dat ik in dit boek de stad Poperinge vermeld. Trouwens,
stad? Een groot dorp. Dat trekt er al beter op. En misschien schrap
ik het allemaal. Behalve dat ik ooit een vriendinnetje heb gehad waarmee
ik naar rampenfilms keek. Dat lijkt me de essentie. Het zou een beetje
onnozel zijn om ook de essentie te schrappen. Ik zie je graag, zei ik
tegen dat meisje, tussen twee rampenfilms in. Ik zie jou ook graag,
zei Greta. Als een dik meisje dat tegen je zegt dan klinkt zoiets aandoenlijk.
Maar ooit heb ik een meisje gehad dat zo dik was dat we niet met elkaar
konden vrijen. Ze lag op haar rug. Het was in mijn appartement in Koksijde.
Haar naam weet ik niet meer. Kom, zei ze, ik wil je voelen. Dat was
gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik kwam klem te zitten tussen haar
benen. Koeien van billen had dat meisje. Steek hem er maar in, zei ze.
Dat probeerde ik dus. Ik was er aan toe. Ik kende haar al een paar weken
vooraleer ik haar in mijn appartement op haar rug kreeg. Het was een
klein appartement. In de keukenkast een zak rotte aardappelen. Dat weet
ik nog goed. Ik kwam er niet toe die rotte aardappelen in de vuilnisbak
te gooien. In het begin viel de stank mee. Rotte aardappelen. Nooit
geweten dat rotte aardappelen zo hard kunnen stinken. Het waren al geen
aardappelen meer, maar pap, rotte, smerige pap. Ik had dat meisje een
flesje parfum gegeven. Chanel 5. Tussen haar benen rook het naar Chanel
5 en naar kut. Ze had haar kut tot een streepje gecoiffeerd. Niet dat
je er veel van kon zien, met die billen van haar. Kom, zei ze, maar
het wou maar niet lukken. Misschien moet je je eens omdraaien, zei ik.
Ze ging op haar handen en knieën zitten. Haar kont leek wel die
van een buffel. Ik vond het een vreemde combinatie. Chanel 5 en de kont
van een rund. Maar ik kreeg er hem wel in. Niet in haar kut. Daar kon
ik nog altijd niet bij. Ik mocht hem in haar gat steken. Daar kwam veel
duwwerk bij kijken en mijn lul zat er amper in of ik kwam al klaar.
Ik schaamde me dood. Dat kwam ook door die aardappelen. Rot vlees, dat
stinkt, dat is gekend, maar rotte aardappelen, dat stinkt potverdorie
ook, daar helpt geen Chanel 5 aan. Ook al was ik mijn kwakje kwijt,
ik deed alsof mijn neus bloedde en bleef maar pompen. Maar mijn lul
werd toch te slap. Ik floepte er uit. Lukt het niet, vroeg ze. Ze had
tranen in haar ogen. Ik weet het, zei ze, ik ben te dik. Maar ik zie
je graag, zei ze. Ik zie jou ook graag, zei ik. Ze ging weer op haar
rug liggen. Dat was als een manoeuvre van het leger. We lagen daar nog
een tijdje. Het was alsof ik naast een berg lag. Ik rook die rotte aardappelen.
Zij allicht ook. Maar ze zei er niets van. Ik geloof dat ze me echt
wel graag zag. Ik ben blij dat ik je ken Koenraad, zei ze. Ik zei niets.
Zo blij dat ik haar kende, was ik nu ook weer niet. Gent dus. Daar was
ik gebleven. Gent in de jaren tachtig. De jaren van premier Wilfried
Martens met z’n dwaze bril. Gent was toen nog een vuile, ruige, platte
stad. Dat is het volgens mij nog altijd. Die dingen veranderen niet
zo gauw. In ieder geval niet door te beweren -god mag weten waarom-
dat Gent plots de gezelligste stad van Vlaanderen is. Laat ons wel wezen.
Het is ook niet zo moeilijk om de gezelligste stad van Vlaanderen te
zijn. Vlaanderen is an sich al verre van gezellig. En Gent is dat al
helemaal niet. Gent, dat is de Dampoort. Gent dat is de Muide. Gent
dat is het Rabot. Gent dat is de V-tax met zijn protskarren van Duitse
makelij. Alleen al bij het horen van die namen is alle gezelligheid
zoek. Goed, laat ons ook zwijgen over Gent. Wat ik wilde zeggen? Omdat
ik later schrijver zou worden, is het misschien een zegen dat ik nooit
aan de universiteit heb gezeten? Je hebt natuurlijk wel goeie schrijvers
die een universitaire studie achter de rug hebben, maar het merendeel
is van de hond z’n kloten. En die zogezegd goeie schrijvers die naast
schrijver ook een universiteitsdiploma op zak hebben, die moet ik toch
maar eens herlezen. Zien wat er van die zogezegd goeie schrijvers aan
goeds overblijft. Als ik nog zou lezen, zou ik dat vast wel eens doen.
Maar ik lees niet meer. ‘t Is te zeggen. Ik lees alleen nog wat ik zelf
schrijf. Dat moet maar goed genoeg zijn. Het is bovendien ook goedkoper
om alleen maar te lezen wat je zelf schrijft en met een beetje geluk
verdien ik er ook nog iets aan. Eén of ander tijdschrift. Of
een krant. Je hebt er zoveel. Ze zijn toch allemaal om te schreeuwen
zo saai. Het betaalt redelijk goed. Dat wel. In ‘t fabriek werk ik harder
dan achter mijn computer. Dat mag je gerust weten en dat mag je gerust
ook weer vergeten. Het maakt niet uit. Achter mijn computer is het kraantje
open en schrijven maar. Klinkt het niet dan botst het. Waar het om gaat
is niet de eeuwigheid, maar de eeuwige beweeglijkheid. Dat schreef Nietzsche.
Friedrich. Of iets in die trant. Ik weet niet of ik zijn naam correct
spel. Maar je weet vast wie ik bedoel. Nietzsche dus. Waar het om gaat
is niet het eeuwige leven, maar de eeuwige beweeglijkheid. Dat trekt
er al beter op. Je zou denken, hij heeft het over jazz, die Nietzsche.
Maar jazz bestond nog niet toen hij dat schreef. Hij schreef dat niet
in 1940 of zo. De Friedrich. Ik weet niet precies wanneer hij dat schreef.
Hij schreef het ook niet in 1689. Zoveel weet ik er wel van. Hij schreef
het ergens in de tweede helft van de negentiende eeuw. Moeilijke jaren
waren dat. Niet alleen voor filosofen. Ook mandenmakers hadden het in
die jaren niet gemakkelijk, ook al was er toen nog behoorlijk veel vraag
naar manden. Je had manden nodig om vis in te stockeren. Linnen. Noem
maar raak. Om nog maar te zwijgen over de prostituees. Die hadden het
in die jaren ook al niet gemakkelijk. Zo zonder rubbertjes en neonverlichting
en pornofilms om de stiel iets of wat te leren. En ook aan hun moeders
moesten die prostituees niet vragen hoe dat nu precies moest: hoer zijn.
Daar staat tegenover dat de klanten van prostituees het in die jaren
gemakkelijker hadden dan de gemiddelde hoerenloper thans. Dat moet gezegd.
Vooreerst moesten ze geen rubbertje aan. Dat scheelt. Met zo’n rubbertje
aan doet de gemiddelde hoerenloper er langer over om verlost te worden
van zijn geil. Je moet al hard je best doen om binnen de tijd klaar
te komen. Je voelt immers niets met zo’n rubbertje. En voor de hoer
in kwestie voel je al helemaal niets en als je wel iets voelt voor zo’n
prostituee dan moet je ook nog eens naar een psychiater, weer zoveel
euro neertellen, het houdt niet op. Nee, naar de hoeren lopen was in
die jaren ook stukken goedkoper. Je moest nog geen vijftig euro neertellen
om eens een nummertje te maken. Dat is tegenwoordig de prijs in Gent.
Gezellig is anders. Maar ik had het over Nietzsche. Waar het om gaat
is niet het eeuwige leven, maar de eeuwige beweeglijkheid. Visionair
noem ik dat. Want het zou nog tientallen jaren duren vooraleer er zoiets
ontstond als jazz. Zeker, er waren al negerslaven en de zon scheen genadeloos
in Amerika. Er werd hard aan gewerkt. Geen universiteit ik. Maar goed
ook. Gospel komt van go en speel en is van jazz de vrome suikeroom.
Er zijn mensen die geloven dat je dat ook van liturgische muziek kan
zeggen. Gregoriaans en zo. Is dat niet mooi? En geen universiteit achter
mijn kiezen. Ik zie me al! God je hebt zoveel. Ze doen maar. Geen intellectuele
polonaise aan mijn lijf. Waarvoor is dat nodig? Tenzij je natuurlijk
een beroerd schrijver wil worden. Tenzij je natuurlijk mee wil lullen
en opiniestukken wil schrijven die ook door de provinciegouverneur gelezen
worden, tenzij je natuurlijk in adviescommissies wil zetelen en wil
meebeslissen wie wel en wie niet een schrijfbeurs krijgt. Ik ken er
zo een paar. Stuk voor stuk minkukels. Dat ik het heb gezegd. Het is
moeilijk om er geen te kennen. Ik koop iedere dag braafjes mijn krant,
maar meer dan bladeren in die krant doe ik niet. Ik zeg het nogmaals,
ik lees alleen nog wat ik zelf schrijf. Ik ben tot dat besluit gekomen,
ik zal je zeggen waarom. Ik vond dat ik te weinig schreef. Ik zat de
hele dag op mijn reet te wachten tot er een of andere aardbeving Gent
zou verwoesten. Gezelligste stad of niet, ik zat gewoon te wachten tot
het hier eindelijk in elkaar zou donderen. Daar kan je in Gent lang
op zitten wachten. De Vlasmarkt. De St.Baafskathedraal. Het blijft er
allemaal maar staan. En Helmut Lotti, die is ook van Gent en die blijft
ook maar zingen. Thans in het Russisch. Soldatenliederen en zo. Alsof
ze in Rusland geen soldaten genoeg hebben en geen Russisch genoeg. Moet
hij daar met z’n Oost-Vlaams accent waaraan je iemand kan opknopen in
het Russisch staan brullen over de Wolga. En de kleine Nete dan? De
Boezingevaart? Kraantje open als ik schrijf, ik zeg het nogmaals, niet
te lang blijven stilstaan, anders haal je het einde van mijn boek niet.
Niet dat het iets uitmaakt. Het einde van mijn boek kan ook mij gestolen
worden. En iedere dag diezelfde krant. Van linkse signatuur. Ik ben
het er nooit mee eens. De melkmuilen. Ze deden het in hun broek voor
hun professoren. Ik niet. De vader van mijn huidige vriendin is een
professor. Was een professor. Hoe heet het? Met emeritaat? Ik zoek het
niet op. Wat maakt het uit? Maar ik doe het niet in mijn broek voor
hem. Professor of niet. Iets met plantenziekten. Zijn specialiteit?
Paddestoelen. Daar weet ik niets van. Nul de botten. Jezus, paddestoelen.
En dat een ganse carrière. Ook in Thailand kent men hem. Thaise
professoren. Van die magere spleetogen in witte doktersjassen. Een hele
autoriteit op gebied van champignons is de vader van mijn vriendin.
Voor bij de spaghetti, meer weet ik niet over champignons. En dat ze
naar ondergelopen kelders ruiken en een heel klein beetje naar rotte
aardappelen. Ook Shakespeare wist niet veel af van champignons. Hij
at ze alleen maar op. En hallucineren maar, en schrijven maar. Ook geen
universiteit, de William. Goed, je leert daar een en ander over Michel
Foucault. Ik weet niet eens of ik zijn naam correct spel. Ik zoek het
niet op. Wat maakt het godverdomme uit? Je leert iets over Derrida.
Jacques geloof ik. Jacques Derrida. Zo heet die gozer geloof ik. Niet
dat het iets uitmaakt. En dan kan je die artikels lezen die over Derrida
en over Foucault geschreven worden door lui die een universitair diploma
op zak hebben en die in dure tijdschriften worden gepubliceerd. In van
die themanummers. Themanummers godbetert. Als je niets te vertellen
hebt dan maak je een themanummer. Makkelijk zat. En als je helemaal
niets te vertellen hebt dan maak je een themanummer over het fenomeen
themanummers. Metadenken. Je kent dat wel. De vraag is wat is de vraag.
Dat soort vragen. Daar doe ik niet aan mee. Ik heb het ook allemaal
gelezen. Derrida en Foucault en Levi. Niet dat ik er veel van opgestoken
heb. Dat het homo’s waren. In ieder geval die Foucault. Van Jacques
Derrida weet ik het niet zo zeker. Al heeft die laatste wel zijn naam
mee natuurlijk. Jacques. Chocolade Jacques. Dat is thans een wielrennersploeg.
Kan het eigenlijk nog belachelijker? Chocolade Jacques. Een Belgische
ploeg. Allemaal van die epogasten natuurlijk. Ik hou niet van wielrennen.
Ik hou ook niet van soaps op de televisie. En veel meer dan een soap
is de koers eigenlijk niet. Ik had het over de universiteit. Je begint
met pakweg zevenhonderd medestudenten en na het eerste jaar blijven
er nog dertig over. Niet dat die zeshonderdzeventig gezakte medestudenten
allemaal te dom zijn om te helpen donderen. Verre van. Sommigen vatten
na dat eerste mislukte jaar een nieuwe studie aan. Keuze zat. Zijn ze
bijvoorbeeld begonnen met Germaanse filologie en blijkt dat niet echt
hun ding, dan is het best mogelijk dat ze een uitstekende arts worden,
of nog iets anders, advocaat of zo. Ook zijn er studenten natuurlijk
die dat eerste jaar gewoon overdoen, desnoods een tweede keer, in het
belachelijkste geval een derde keer. Een vierde keer is bij wet verboden.
Althans in België. Dan moet je uitwijken naar de Sorbonne, of naar
Harvard. Dat soort van universiteiten. Makkelijk zat dus om, ik zeg
maar wat, dierenarts te worden, of apotheker. Die bissers en trissers
hoeven dan niet meer naar de les te gaan, dat spreekt voor zich, of
maar heel af en toe, voor de schijn. En naar het examen kunnen ze met
hun ogen dicht. Ik vertel nog altijd niets nieuws. Als het ze dan nog
niet lukt, tja dan moeten ze naar ‘t fabriek, of een frietkot openhouden,
of regent lichamelijke opvoeding worden, nachtwaker, of ze gaan in het
theater, de journalistiek, wat maakt het uit... Ook zijn er mensen die
zonder dat ze eerst aan de universiteit iets hebben aangevat naar ‘t
fabriek moeten of een frietkot runnen. Naar die mensen zou mijn sympathie
uitgaan als ik niet heel veel van hen persoonlijk kende. Lomperiken
zijn het. Werkelijk domme mensen voor wie zelfs ‘t fabriek nog te hoog
gegrepen is. Zelfs een fabriek als de Volvo in Gent. Aan de Kennedybaan.
Het enige dat die mensen goed kunnen is om vier uur opstaan ‘s morgens
en om halfacht boterhammen met geperste kop eten en op de muren van
het toilet schunnige taal schrijven. Dat hun collega’s een bende homo’s
zijn. Dat soort zaken. Ik heb veel gescheten in de Volvofabriek te Gent
en omdat ik een koeriersdienst verzorgde scheet ik zo’n beetje overal
in ‘t fabriek. Niet alleen in de GC-zuid waar de wielen worden gemonteerd,
niet alleen in de verffabriek waar iedereen er bijloopt als een chirurg,
niet alleen in de garage waar zelfs de zeepbakjes naar diesel ruiken.
Niet één toilet zonder bedenkelijke graffiti betreffende
de andersgeaarde medemens. Daar zat ik dan al schijtend naar te kijken.
Vaak vechtend tegen de slaap want ook ik moest om vier uur ‘s morgens
uit mijn bed. Ik sliep toen in de logeerkamer. Het ging toen niet zo
goed met ons, met onze relatie. Ik had het geld niet om een appartement
te huren. Geen nagel om aan mijn gat te krabben. Nu nog altijd niet.
Maar we slapen opnieuw in hetzelfde bed. Noem het een begin. De Volvofabriek
dus. Om de zoveel maanden werden die toiletten in krak dezelfde kleur
gesausd. Donkergroen. Zweden bepaalt zoiets. Veel meer dan dennenbomen
kennen ze daar niet. Van die saaie bossen die gebruikt worden om er
boeken van te maken. Dat zei mijn uitgever me ooit eens. Dat het geen
ramp is dat die bossen er moeten aan geloven omdat er nu eenmaal boeken
moeten worden geschreven. Ik geloofde hem. Maar van het paar duizend
exemplaren die hij van mijn boekje heeft laten drukken, daar heeft hij
er misschien, misschien zeg ik, hoop en al dertig van verkocht, en van
die dertig heb ik er zelf tien gekocht. Zweden dus. Zwoost zwest zweeds
best. Nooit geweest. Waarom zou ik? Om die saaie bossen te zien waarvan
een deel voor mijn volgende boek wordt opgeofferd. Ik zal mij haasten.
Om drie uur in de namiddag is het daar al donker. En al die Zweden gaan
tijdens de winter naar Thailand. Daar hebben ze dan seks met Thaise
meisjes van misschien veertien jaar. En Volvo’s maken, daar zijn ze
ook goed in. Geen lompere auto dan een Volvo. Dat wc-kleurtje dus. Dat
donkergroen bleef dan ongeveer een uur onbezoedeld in de vele toiletten
van de Volvofabriek te Gent. Maar een week later stonden de muren alweer
vol geklad. Je kent die grapjes: Blufvanminol, het medicijn voor bruinwerkers.
Twee homo’s op een terras, zegt de ene... Wat maakt het uit. Tania dus.
Tania Verfaille. Een naam om er een incassobureau mee te runnen. Mijn
schoonzus. Wat zeg ik? Mijn ex-schoonzus. Ook geen genie. Ze heeft haar
studie aan de universiteit nooit afgemaakt. Is ook niet gaan bissen
laat staan trissen, maar is later wel een belangrijke tante geworden
bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de ambtenarij zeg maar.
Werklozen hun uitkering afpakken, dat soort zaken. Daar was ze erg goed
in. Ze was van een betere komaf dan mijn broer. Van een mindere komaf
zou moeilijk geweest zijn, tenzij je natuurlijk in Sri Lanka aan de
voet van een vuilnisbelt geboren wordt. Ze was erg mooi toen, vond ik,
maar ik heb onlangs een foto uit die tijd onder ogen gekregen. Jakkes.
Ik was toen nog een kind natuurlijk. Ze draagt een trui met een rolkraag
op die foto. Ze lacht. Je vraagt je af waarom. Naar de omvang van haar
borsten heb je het raden als je niet weet -zoals ik- dat het met haar
tieten maar povertjes gesteld is. Pas op, je hebt mensen die daarop
vallen, maar of mijn oudste broer tot dat slag mensen behoort, daar
heb ik dan weer het raden naar. Ik heb het daar met hem -toen we nog
on speaking terms waren- nooit over gehad, over die schrale tieten van
zijn vrouw. Heel erg broederlijk zijn we nooit geweest met elkaar, mijn
broer en ik. Dat zit in de familie. Mijn vader en zijn broers, dat is
ook geen vriendenclubje. Hij, mijn vader, is zelfs niet naar de begrafenis
van zijn broers geweest. Hij had er drie en ze hadden het alle drie
aan hun hart. Maurice reed na een beroerte in de gracht en werd pas
enkele dagen later door een boer gevonden. Het gebeurde in Bikschote.
Nog zo’n dood gat in West-Vlaanderen. George werd op een morgen niet
wakker en mijn peetvader Kamiel stierf op het toilet. Mijn vader heeft
het niet aan zijn hart. Mijn vader heeft het aan zijn gewrichten. Zakt
de temperatuur onder de twintig graden dan zie je mijn vader al met
een extra trui en onder zijn broek een lange wollen onderbroek en ook
een extra paar kousen. Naar de begrafenis van zijn broers ging hij niet.
Hij had zijn voet verzwikt. Of zijn duiven moesten vallen. Weet ik veel.
Of hij zei dat zij (zijn broers) ook niet naar zijn begrafenis zouden
komen, dus waarom zou hij de moeite nemen? Onlangs kocht ik een nieuw
jasje. In dat jasje begraaf ik mijn vader, dat was mijn gedachte. Zeventig
euro heeft dat jasje me gekost. Het is de bedoeling dat het een paar
jaar meegaat, dat jasje. En tegen die tijd, wie weet? Alhoewel, gewrichtspijn
is niet meteen levensbedreigend. Daar kan je gerust een eind in de negentig
mee worden. Ik zal zuinig moeten zijn op dat jasje. Ik heb al eens geschreven
dat ik niet naar zijn begrafenis zou gaan. Dat was maar voor te lachen.
We moeten al eens kunnen lachen. Overigens maakt het niet uit. Wel heeft
hij -ik heb het nu niet over mijn vader maar over mijn broer- eens de
tieten van mijn vriendin... hoe zal ik het zeggen... hij heeft het nooit
toegegeven... hij had teveel gedronken. Daar kan ik inkomen. Het was
in de Balzaal van de Vooruit. Ik werkte daar toen en dat boekje van
mij was pas verschenen. Ik stond al eens met mijn kop in de krant. Niet
vaak. Een paar keer maar. Maar als je in een dood gat in West-Vlaanderen
bent geboren waar sinds de Eerste Wereldoorlog niks noemenswaardigs
is voorgevallen, tenzij de tornado uit 1967 die de daken van twee boerenschuren
lichtte, en je slaagt er in met je kop in de krant te komen, en niet
in de rubriek ongevallen of in één of andere assisenzaak,
maar in de cultuurbladzijden dan nog wel, dan mag je zelfs een familie
hebben als de mijne, als strontvliegen komen ze op je af. Mijn broer
ook dus. Nooit leest hij een boek, maar mijn boek had hij dus gelezen.
Hij had teveel gedronken. Daar kan ik, ik zeg het nogmaals, volledig
inkomen. Ik drink ook al eens te veel. Ik zou zelfs meer durven zeggen.
Als ik drink, drink ik per definitie teveel. Ik zou niet weten waarom
ik anders zou drinken. Toch niet voor de unieke smaak van een Orval
of zo? Ga weg. Als ik voor de smaak iets drink dan drink ik chocomelk.
Bon, hij had dus teveel gedronken mijn broer en hij zat dus met zijn
poten aan de tieten van mijn vriendin. Dat zei ze me een paar dagen
later. Dat hij bij het kennismaken haar borsten had bepoteld. Mijn vriendin
droeg graag wijde truien. En daaronder had ze twee bollen die er mochten
wezen. Mijn vriendin was niet te beroerd om hem meteen een por tussen
zijn ribben te verkopen. Ik kom daar nog op terug. Of niet. Wat maakt
het uit? Af en toe kreeg ik ook wel een por van mijn vriendin. Ook daar
kom ik nog op terug, of niet, het maakt niet uit. Ze is al lang mijn
vriendin niet meer en langer dan anderhalf jaar is ze mijn vriendin
niet geweest. Ik had het over mijn schoonzus. Tania dus. Tania Verfaille.
Een naam om door te spoelen. Ik was nogal onder de indruk van de vuistdikke
cursussen die ze te verstouwen kreeg. Op een dag in de kerstperiode
was ze bezig met Ronsard. Aan de keukentafel. Mijn moeder rookte haar
zevenhonderdste Sprintsigaret en had net een uur of drie onder de zonnebank
gelegen en was daar erg moe van. Ik had een gedicht geschreven. Nog
geen vijf minuten daarvoor had ik de laatste regel van dat gedicht geschreven.
Daarna was ik naar de badkamer gegaan en had ik zeker vijf minuten in
de spiegel staan kijken. Nu en dan had ik ‘ja’ gezegd. Ook had ik een
paar keer gevloekt. Niet omdat ik kwaad was of zo, verre van zelfs.
Vloeken deed ik omdat ik het zo goed vond wat ik had geschreven. Gewoon
steengoed was dat gedicht. Dat wist ik bij een gedicht meteen. Toen
al. Wanneer het erg goed was, begon ik spontaan te vloeken. Uit ongeloof
dat het zo goed was. In die dagen was goed nog niet zo goed als dat
het thans is. Laat ons wel wezen. In die dagen was dat hele schrijverschap
van me nog spannend en iets om te koesteren en zou het met ouder worden
alleen nog spannender worden. Begrijp me niet verkeerd. Ik was een kind
nog. Ik vloekte en ik zei ja in de spiegel en toen ging ik naar beneden,
naar de keukentafel waaraan Tania Ronsard zat te studeren. Wist ik veel.
Ik toonde mijn gedicht. Dat was wel eventjes iets anders dan Ronsard.
Tania stak een sigaret op. Ze rookte Bastos filter. Mijn moeder rookte
Sprint, wel twee pakjes op een dag. Later is ze aan kanker gestorven,
mijn moeder. Niet aan longkanker, wat logischer zou zijn geweest. Sprintsigaretten
vallen wel mee wat betreft de schade die ze aan de gezondheid toebrengen.
Thans bestaat dat merk niet meer, net zoals er geen kandidaturen meer
bestaan aan de Belgische universiteiten. Het was de zon die het bij
mijn moeder deed. Teveel onder de zonnebank tijdens de winter en tijdens
de zomer te lang op de cementen koer in haar bikini. Ik zie haar daar
nog liggen tussen die cementen platen waartegen de buurman altijd plaste.
Dat kon ik vanuit mijn kamer zien. Die kamer deelde ik met mijn jongste
broer die aan astma leed en nooit is getrouwd. Het was meer mijn kamer
dan dat het de kamer van mijn broer was. Mijn broer kwam er eigenlijk
alleen maar om te slapen. Om te piepen eigenlijk. Zijn longen deden
het maar amper. Of zijn luchtpijp. Daar wil ik vanaf zijn. Ik heb de
buurman maar een paar keer daadwerkelijk zien plassen tegen de cementen
platen die zijn koer van onze koer scheidde. Ik kon zijn fluit nooit
zien. Niet dat ik er op belust was zijn fluit te zien. De buurman was
een kleine en dikke man. Ik stelde me voor dat hij een korte en dikke
fluit had. Met een hand in zijn zijde en met de andere hand aan zijn
korte en dikke fluit, zo stond hij daar tegen de cementen platen te
zeiken. Goed, het waren zijn cementen platen, dus hij mocht ermee doen
wat hij wilde. Maar van de andere kant waren het ook de cementen platen
van mijn ouders. Van ons. En daar stond die buurman tegen te zeiken
dat het een aard had. Terwijl mijn moeder amper een meter verder lag
te zonnen alsof ze op het strand van Malibu lag. In haar bikini. Met
een Sprintsigaret. Terwijl er duiven af en aan vlogen. Vervelende dieren
zijn dat, duiven. Mijn vader was een duivenmelker, zoals pakweg de helft
van de mannen in het gat waar ik geboren ben en waar nooit iets gebeurde.
Nooit iets gewonnen, mijn vader, wat dacht je. Geen talent. Het maakt
niets uit. Terwijl het godbetert 1976 was of zo en de duiven nog niet
zo hard konden vliegen als ze thans doen. Of dat wel konden, maar nog
niet deden. Weet ik veel. Maar het duurde altijd wel een paar uur vooraleer
de pisvlek van de buurman was opgedroogd. Ook als de zon knoethard scheen
en mijn pa geen extra trui en extra sokken nodig had voor zijn gewrichten.
En nog vooraleer die pisvlek helemaal was opgedroogd was hij er opnieuw
tegen gaan pissen, de vetzak. Op min of meer dezelfde plaats. Iets aan
zijn blaas waaraan hij later is geopereerd en waarover mijn vader van
die besmuikte grapjes maakte waarmee alleen hij moest lachen. De fluit
van mijn vader heb ik één keer gezien. Nooit vergeten.
Ook zo’n korte en dikke fluit. Een bullebak van een fluit. Zo zou je
het wel kunnen noemen. Ik vond het geen zicht en het was helemaal mijn
bedoeling niet mijn vaders fluit te zien. Ik had wel wat beters te doen.
We hadden toen al een badkamer, maar omdat mijn vader de oorlog had
meegemaakt en het al die jaren zonder badkamer had moeten stellen, waste
hij zich in het hok waar ook de wasmachine en de ladder stond. Ook potten
verf en zo en aan een kapstok een heleboel kleren die we niet meer droegen
en die daar hingen tot ze met de zakken van Oostpriesterhulp zouden
worden meegegeven voor de arme zigeuners in Oost-Duitsland die ‘s zondags
geen duif met kroketten en appelmoes aten. En storm ik op een ochtend
dat hok binnen op zoek naar ik weet niet meer wat en staat mijn vader
zich daar blauw van de koude te wassen met een washandje waarmee hij
eerst zijn gezicht en zijn pijnlijke nek en daarna zijn gat schrobde.
Hij probeerde zich nog te bukken zodat ik zijn korte en dikke fluit
niet zou zien, maar met dat bukken was hij hopeloos te laat. Het enige
wat hij met dat overhaaste bukken bereikte was een lumbago. Dat was
maar goed ook. Hij kon vanwege de pijn niet uithalen naar mijn kop.
Hij trok alleen maar wat aan mijn haar, niet eens zo hard. Me afrossen,
dat kon hij een paar weken niet. Heerlijke tijd. En na die veertien
dagen woog het delict niet zwaar genoeg, of het was te gênant
om me er alsnog voor te straffen. Ik was nog een kind, maar ik wist
al wel dat een deeltje van mij, pakweg de helft, uit die stompe fluit
tevoorschijn was gedrupt, een kwak dikke pis die hij tussen de benen
van mijn moeder had gespoten. Eerlijk gezegd, ik vond er niks aan, aan
die fluit van mijn vader. Die fluit was niet groter dat zijn duim. Misschien
iets dikker. En die fluit hing er zomaar wat bij, als een versleten
handdoek. En hij was ook al grijs daar. Of misschien heb ik dat er later
bij gefantaseerd? Weet ik veel. En wat maakt het overigens uit? Mijn
vader had al vroeg een grijze kop, dus ging ik er van uit dat hij tussen
zijn benen ook wel grijs moest wezen. Wel herinner ik me dat ik aan
mijn schoolkameraadje die een straat verder woonde vroeg of hij ooit
de fluit van zijn pa had gezien en dat ik mijn oren niet geloofde toen
hij zei dat hij de fluit van zijn pa iedere week zag als ze samen een
bad namen de zaterdagvoormiddag. Om kosten te sparen. Dat kende ik.
In het badsop van je broers en zussen kruipen om je te wassen, dat was
ook bij ons zo. Mijn moeder gooide er gewoon wat badschuim bij, spatelde
wat met haar handen in het water zodat je niet meer zag in wat voor
riool je je eigenlijk wassen moest. Ik was de laatste in het rijtje.
Mijn jongste broer mocht vanwege zijn astma geen bad nemen. Ik maakte
er geen probleem van. Mijn vriendin later wel. Niet mijn huidige vriendin,
maar mijn eerste vriendin waarmee ik een huis deelde. Dat ik me nooit
fatsoenlijk had leren wassen en zo. Wat wil je met zo’n bende broers
en zussen en een beperkt budget en een moeder die aan kanker lijdt en
twee pakjes Sprintsigaretten rookt en iedereen die scheten had laten
vliegen in dat bad. Zo’n scheet stijgt in een luchtbel tot aan het wateroppervlak
en blijft daar in een zeepbel hangen. Elke zeepbel kon het darmgas bevatten
van mijn broers en zussen. En ook ik liet scheten in dat bad. Laat ons
wel wezen. Bloep. Bloep. Bloep. Het had wel iets vond ik om een scheet
te laten en die niet te hoeven ruiken. Ik probeerde dan altijd uit te
vissen welke zeepbellen mijn scheten bevatten en welke ik eerder moest
toeschrijven aan de scheten van mijn broers en zussen. Zonder er ooit
achter te komen welke zeepbel bij welk familielid precies hoorde natuurlijk,
maar omdat we allemaal hetzelfde aten, was er qua geur eigenlijk geen
verschil, daar ging ik tenminste van uit. Ik wou nog iets over de buren
kwijt. Het was tijdens de winter en de waterleiding was gesprongen.
Niet bij ons. Mijn pa met zijn extra truien en zijn wollen onderbroeken
en zijn extra paar kousen zorgde er altijd voor dat ook de waterleiding,
als betrof het zijn gewrichten, niet kon kapotvriezen. Dus kwamen die
buren bij ons een bad nemen. Ze hadden een ongelukkige jongen, de buren.
Ludo heette die jongen. Zijn armen waren veel te lang en er liep altijd
snot uit zijn mond. En hij balkte. In plaats van te praten balkte Ludo.
In plaats van te lachen balkte Ludo. Balken was het enige dat hij een
beetje kon. Nee, balken kon hij eigenlijk als de besten. Geen ezel deed
het hem na. Ik schreef nog geen gedichten toen die ongelukkige jongen
bij ons in het bad zat en vast ook scheten liet die in de vorm van een
zeepbel op het wateroppervlak bleven drijven. Van die ongelukkige scheten.
Maar toen was het blijkbaar geen probleem om dat bad, nadat die ongelukkige
buurjongen zich had gewassen, te laten leeglopen en het daarna opnieuw
te vullen zodat ook de buurman met zijn dikke korte fluit zich in ons
bad kon wassen en vast ook scheten liet en daarna zijn vrouw. Viviane
heette zijn vrouw. Naar aanleiding van mijn boekje heeft ze me eens
de huid vol gescholden. Viviane, zei ik, maak u niet druk, het is maar
een boekje, ik heb toch niet gevraagd dat je het zou lezen. Maar er
was geen gesprek mee te voeren, met die Viviane. Ik bedoel, ik was dan
nog heel erg braaf geweest. Zo bijvoorbeeld had ik geen letter geschreven
over hun ongelukkig kind, of over die cementen platen waar haar vent
altijd tegen piste terwijl mijn moeder op de koer lag te zonnen. Geen
woord. En mij maar uitschelden voor rotte vis. Toen is het idee bij
mij ontstaan om dat toch allemaal maar eens op te schrijven. Over haar
zenuwinzinking en zo. Maar dat is voor later. Eerst nog dit over haar
ongelukkig kind. Hij, Ludo, was niet ouder dan zestien jaar toen hij
overleed. Dat balken had hij tot het einde volgehouden. Het was met
de jaren intenser geworden. Ook met de deuren en de ramen dicht hoorde
je die ongelukkige buurjongen balken. God mag weten waarom hij plots
aan het balken sloeg. En plots was hij dood. Nu ja, zo plots gebeurde
dat ook niet. Hij was een maand ziek. Het was zomer. Het was vakantie.
Het was heet en die ongelukkige jongen kwam zijn bed niet meer uit.
Ook niet toen het werkelijk zo heet was dat we met het hele gezin naar
de kust vluchtten. Ik herinner mij nog dat ik toen erg veel medelijden
met die ongelukkige jongen had en dat ik me schuldig voelde als ik me
met heel mijn jonge lijf in de golven van Oostduinkerke wierp. Lag Ludo
daar in zijn bed te balken en te zweten en dood te gaan en mocht ik
in de zee zwemmen. Dat was geloof ik de eerste keer dat ik het leven
in al zijn krankzinnigheid aanvoelde en dat ik triestig was om iets
waaraan ik niets kon doen. Ik mocht gedurende een week niet voetballen
op de koer. Vanwege het lawaai en zo. Ik sjotte urenlang tegen de garagepoort.
Bang. Bang. Bang. Dat mocht niet meer. Ik was misschien 8 of 9 jaar.
Mijn moeder rookte nog haar twee pakjes Sprint per dag en lag op het
strand van Oostduinkerke te zonnebaden, ver weg van de buren en hun
ongelukkige jongen die op sterven lag. Lag mijn moeder daar egoïstisch
te genieten van de zon alsof de zon alleen voor haar scheen. Ik vond
het ongelooflijk en ik had geen zin om met mijn broer mee te rijden
in een gocart op de dijk van Oostduinkerke. Ik mocht sowieso nooit sturen.
Alleen maar trappen. Dat was lang voordat mijn broer in Gent studeerde
en trouwde en aan de keukentafel economie studeerde, samen met zijn
vrouw die mijn gedichten aandachtig las, maar niet zo aandachtig als
dat ze de gedichten van Ronsard las. Ik herinner mij niet meer wat Tania
van dat gedicht vond. Ik herinner mij, behalve de eerste regel, niets
meer van dat gedicht. En die eerste regel hou ik liever voor mezelf.
Zo gaan die zaken. Ondertussen heb ik al heel wat meer gedichten geschreven
en naast gedichten ook autobiografisch proza of wat daar moet voor doorgaan,
want ik lieg er gemakkelijk op los eenmaal ik aan het schrijven ben.
Nogmaals, kraantje open als ik schrijf en we zien wel wat er van terechtkomt.
Ondertussen is die Tania niet langer de vrouw van mijn broer. Ik geloof
dat ze nog altijd bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werkt.
Ze moet al meer dan vijftig zijn. De oude tang. Ik ga dit hier niet
liggen uitrekenen, maar het is best mogelijk dat ze over enkele jaren
met brugpensioen gaat en dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening
het binnen afzienbare tijd zonder haar diensten zal moeten stellen.
Dan zal ze weer tijd hebben om Ronsard te lezen. Enkele werkelozen zullen
hun uitkering kunnen behouden. Maar waarom zou ze opnieuw Ronsard lezen?
Ze was toen ze nog jong en al lelijk was al geen fan van Ronsard. Hij
mocht dan wel veel betere gedichten hebben geschreven dan ik ooit zou
schrijven, ze slaagde niet voor dat vak en huilde daar bittere tranen
over. Nee, gedichten dat was haar ding niet. Wist ik veel dat er mensen
zijn die gedichten lezen waaraan ze geen zak vinden? Wist ik veel dat
er mensen zijn die alleen maar gedichten lezen om er een diploma mee
te behalen. Die toenmalige schoonzus van me hield helemaal niet van
Ronsard. Die Ronsard mocht eigenlijk verrekken in zijn graf. Dat ze
moest weten waar die gozer in Frankrijk begraven lag, dat herinner ik
mij wel nog. Als hij al in Frankrijk begraven werd. Frankrijk is een
groot land en met dichters weet je nooit natuurlijk, kijk maar naar
Rimbaud en Verlaine. Een potje SM op de markt van Brussel, zoals onlangs
door een Nederlander is ontdekt. Zelf weet ik ook bitter weinig van
die hele Ronsard af. Alleen eigenlijk dat er een pak gedichten van zijn
hand op de keukentafel lagen en dat Tania Bastos filter rookte en iets
zei over Ronsard, over de manier waarop die gozer gedichten schreef
en hoe dat niet strookte met de manier waarop ik gedichten schreef.
|
 |
 | |
|