Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Avond op een hoek van enkele straten

Yorgos Dalman

Ik leende een gsm van een dwerg die stond te darten met een Aziaat en probeerde je te bellen, voor de zoveelste keer. De barman, Louie, met zijn theedoek, zijn drie-dagen-baardje, en zijn druipende glazen verklapte zijn dromen aan een verwelkt bloempje aan de bar. Het meisje leek nog wat jong, en toch zo onbereikbaar, ze was zomaar ontstaan, hier, onder de hypochondrische penseelstreken van Balthus. Ze keek ongedurig om zich heen. Maar niemand die die avond voor haar zou komen. Op haar linker- pols: enkele vijandige littekens. Op haar rechter: een kleine tatoeage van een bloedende roos. En verder: natte kringen op de bar voor haar. Regen sloeg tegen de ruit, als een monologue-interieur van de regengoden. Louie liet een glas uit zijn handen vallen. Het geluid van brekend glas sneed door mijn hoofd. Even wisselden we blikken, maar het waren blikken van twijfel en haat. Ik hoor hier niet, dacht ik. Ik stond op en liep naar buiten. De Aziaat haalde een zakdoek tevoorschijn. En de dwerg gooide zomaar shanghai.
     Weer belde ik je, dit keer vanuit een telefooncel op de hoek van twee winkelstraten. Een enkeling liep nog voorbij, afwezig en anoniem, de handen bij de kraag, ogen fijngeknepen. Het waaide hard. Ginds reed een fietser, ver over het stuur gebogen, uitgeput. Dood. De sirene van een ambulance loeide ergens achter de daken.
     De zwervers na zonsondergang hadden een miljoen namen. Maar niemand sprak ze aan. Zij waren nog kinderen, verdwaald in de portieken en achterafwegen van deze wereld, net als ik eigenlijk, verlorenen en verdoemden, gevallen uit de Eeuwige Baarmoeder die nacht heette.
     Ik liep wat verloren door een rozige gloed die uit een paar hoge ramen op mij neer viel en bedacht me onderwijl dat ik niet meer wist of ik nou de ingesprektoon had gehoord of helemaal niets. Misschien was het nummer afgesloten, was je weg, naar elders, naar ooit.
     Zou dezelfde miezer op dit moment ook op jouw gezicht dralen? Zou je op dit moment in een kroeg zitten, kijkend naar een armworstelpartijtje van twee ontheemden? Zou je één ogenblik lang je blik laten rusten op de telefoon aan de muur en je afvragen of alles misschien nog goed kon komen?
     In een steegje ontwaarde ik een figuur, hij lag met zijn armen gespreid op de koude stenen, zijn hoofd heen en weer wentelend in een regenplas. Ik deed een stap dichterbij maar kreeg ‘de vinger’ als antwoord. Ik deed een stap terug, verdwaasd, niet in de laatste plaats door zijn bloedende ogen.
     Waarom bloedde iedereen vannacht toch?, vroeg ik mezelf af terwijl ik nogal gedesoriënteerd verder liep. Waren wij de Ruiters van de Apocalyps geworden? Zijn we onze eigen doemprofeten? We waren carnivoor, dat was zeker, en we waren alleen. Heel alleen. Dit soort horror kon niet worden bewerkt voor het grote doek. Het was te persoonlijk, en trouwens, het was te verschrikkelijk om waar te zijn.
     De vrouwen achter de ramen trokken hun rokjes nog verder omhoog. Eén had een gebarsten fles vol regenwater in haar handen, een andere had een huidskleur als een klassieke doodkist. Bordeel of mortuarium, was er wel een wezenlijk verschil? Ik bedoel, als je eenmaal binnen was, was je voor het leven genaaid. En om het allemaal nog gênanter te maken: je moest er nog voor betalen ook, om voor het leven genaaid te worden. Life’s a bitch_ wie wilde dat nu nog ontkennen? Hier? Op dit uur?
Ik probeerde de half ontblote vrouwen met het rode aura te negeren, tegen beter weten in. Mijn hart deed pijn toen ik de straat overstak. Het was alsof de dames met hun marsepeinen borsten en stilettohakken in een lange polonaise over mijn graf liepen.
     In de verte jankte een hond. De maan zweeg. De regengoden lachten zich kriek.
     Op de zijmuur van een Hunkemöller stond jouw naam in verlopen graffiti. Je was dus kunst geworden, kunst van de onderklasse. Hier voor me, op deze muur, vervalst, versleten, je naam was hier niet meer dan alles verslindende, postmoderne bullshit.
     Minzaam schuurde ik met de toppen van mijn vingers over de verf, niet wetend wat te denken. Maar het cement liet los, de stenen verpulverden. Ik deed een stap achteruit en zag hoe het gebouw voor me ineenstortte. Stof sloeg hoog op. Als ik je al aan de lijn had zou je me waarschijnlijk niet eens kunnen horen.
     Wind, regen, gehuil vanuit de dakgoten – surrogaat voor de tweedehands hemel die hier lusteloos boven de stad dreef. Niemand die iets zei. Niemand die er was. Niemand die hier even jou wilde zijn.
     Ik spartelde wat rond in de goot als een kind, keek links en rechts, in portieken, achter vuilnisbakken, onder verrotte houten kisten, ik keek achter me, ja, ik keek zelfs een beetje in mezelf. Maar ik zag niets dan een verraderlijke leegte, een Niets, een dyslectisch vacuüm.
     Ik zocht en zocht. Geen hoek, geen dwarsstraat, geen steegje was veilig. Maar was ik zelf wel veilig? De wereld aan mijn voeten was verlaten.
     Ik passeerde een stelletje dat elkaar in de arm gesloten had, midden op straat. Ze zagen me niet staan. Natuurlijk, dacht ik. Dat is nu immers echte liefde. Niemand anders zien dan jezelf en de persoon die je uitgekozen hebt om voor de rest van je leven als je spiegel te dienen.
     In mijn geval was de spiegel al flink gebarsten, en omgeven door een lijst van de zuiverste kitsch.
     Uit een open raam klonk muziek. Er klonk gelach. Stemmen van mensen en bourbon, straight up. Elektrisch gebral. Marimba tonen die vielen als druppels water. Just a blues, baby, dacht ik. Just the Death Blues.
     De mensen die ik hoorde zingen en joelen, dat waren degenen waarvoor je uit moest kijken. Zij waren tegelijkertijd rechters en beulen. En soms, soms lieten zij zichzelf helemaal gaan, waren ze regerende en uitvoerende macht, en volledig ontoerekeningsvatbaar. Dan renden ze de straat op, grepen hoop en misère bij hun nekvel en lynchten zij hen. Ja, lynchten hen. Lynchten hoop en misère. Twee vliegen in één klap.
     Het is allemaal meer dan een spel. Het is een manier van leven. Het is een manier van overleven.
     Midden op een kruispunt bleef ik staan. Alles was stil en verlaten. Alles was Dood. Waar je ook was, bij wie je ook was, één herinnering aan jou in dit weer was toch beter dan de rest van een heel leven zonder.
     Een vlucht glazen flamingo’s vloog over, crashte in een laag hangende wolk, spatte uiteen en liet het roze, rode en doorzichtige scherven regenen. Het klonk als het kletteren van kleingeld op een bar, nat van wasem, zweet en bier. Nat van smachten naar jouw warme omhelzing.
     Ik kwam de dwerg weer tegen. Hij had het dartsspel gewonnen van de Aziaat. Het had hem nog wat geld opgeleverd al wist hij niet meer precies hoeveel of wat. Een vilten hoedje pronkte op zijn achterhoofd. De dwerg loenste een beetje, zag ik nu. Hij knikte me toe. Ooit zou het goed komen met deze wereld, verzekerde hij me. En daarna zei hij nog: ‘Weet je.’ Waardoor ik een ogenblik lang uit het lood geslagen was.
     Opnieuw vroeg ik hem zijn gsm te leen. Hij bood me een rondje aan, ergens vlakbij. Ik zei maar ja, wat kon ik anders op dit uur?
     Voorbij het ochtendgloren. Nog steeds geen gehoor.