![]()   |
 |
Ik weet het niet
Christophe Vekeman
'Mijn naam is Danny Rosenberg,’ zei Sebastiaan Krops.
‘Begrijp je? Zo kan het dus ook. Meteen met de deur in huis vallen,
heel sec en informatief: ik heet zo of zo, daar woon ik, dat is mijn
leeftijd en ik heb iets meegemaakt waarover ik u nu zal vertellen. Duizenden
romans bestaan er die op deze wijze aanvangen, dus echt origineel is
het niet, maar als je verhaal sterk genoeg is, kan zo’n begin toch heel
doeltreffend zijn. De lezer weet onmiddellijk wie hij tegenover zich
heeft, en dit niet enkel dankzij de gegevens die hem in de eerste regels
al worden verstrekt, maar ook – en vooral zelfs – juist door het feit
dát zij op die plaats worden verstrekt: de verteller is kennelijk
niet van plan zijn tijd – en die van de lezer – te verspillen aan bladvullende
beschrijvingen van interieurs of natuurschoon, nee, hij houdt van een
directe aanpak, openhartigheid zonder veel poespas, en hij popelt echt
van ongeduld om wat hem van de lever moet in klare taal uiteen te zetten.
Vandaar ook dat een dergelijk begin heel hoge verwachtingen schept bij
de lezer: een verhaal waarachter blijkbaar zulk een grote noodzaak schuilt,
en dat zo hevig staat te trappelen om onder woorden te worden gebracht,
wel, zo’n verhaal…’
Plots ten prooi aan duizeligheid pauzeerde Krops
hier even en sloot zelfs een moment lang zijn ogen. Toen hij ze weer
opendeed zag hij zijn leerlingen hem vol verwachting aanstaren. Sukkels,
dacht hij. Bende sukkels. Zijn duizeligheid nam nog toe.
‘Wel, zo’n
verhaal,’ dwong hij zichzelf niettemin zijn zin af te maken, ‘zo’n verhaal
kan alsnog geweldig tegenvallen, natuurlijk… Maar goed begonnen is half
gewonnen... En dat is waar ik het vanavond tijdens deze eerste les met
jullie over wilde hebben.’
Hij keek op zijn horloge en zei: ‘Het is
bijna tijd, zie ik. Heeft er iemand nog vragen?’
Misschien moet ik eens
naar de dokter, dacht hij.
Een jongen van een jaar of vijfentwintig
met een enorme bos ros krulhaar op zijn hoofd bracht op halfslachtige
wijze zijn hand omhoog, of eigenlijk eerder zijn elleboog.
‘Hans?’ gokte
Krops, die niet alleen geen best geheugen bezat, maar bovendien twee
uur geleden, toen iedereen zich om de beurt had voorgesteld aan de rest
van de groep, zich in het geheel niet had kunnen concentreren en amper
iets gehoord had zelfs, in de ban als hij geweest was van de volstrekt
stupide uitstraling en de fysieke lelijkheid van het achttal mannen
en vrouwen dat hij in de loop van het komende jaar tweemaal per week
geacht werd de kunst van het romanschrijven te onderwijzen. In de ban
als hij geweest was, kortom, van zijn tomeloze zelfmedelijden.
‘Mijn
naam is Jan,’ corrigeerde de jongen.
Ik zat er niet eens zo ver naast,
dacht Krops haast verbaasd.
‘Goed zo, Jan,’ zei hij. ‘Zie je wat ik
bedoel? Ik brand momenteel van nieuwsgierigheid naar wat er zal volgen
op wat ik zonet heb vernomen. Als ik een lezer was, ik zou op slag nog
een ietsje gemakkelijker gaan zitten.
“Mijn naam is Jan.” Je bent een
uitstekende leerling.’ Niemand lachte, zelfs niet geluidloos, wellicht,
zo meende Krops, omdat niemand zijn grapje begrepen had. Debielen waren
het, jazeker.
‘Vraag maar, Jan,’ zei hij somber.
‘Kijk, wat ik mij afvroeg,’
begon de Jan geheten rosse ragebol op de snelle, hoge toon van iemand
die zichzelf erg bij de pinken vindt, ‘is of het voorgaande ook geldt
wanneer je in de derde persoon schrijft. Ik bedoel, kan je het dan eventueel
op dezelfde wijze aanpakken? Wérkt dat, vraag ik mij af, of valt
het niet echt aan te raden? Dat meteen met de deur in huis vallen dus,
wil ik zeggen.’
Jezus Christus, dacht Krops terwijl hij zijn blik op
het plafond vestigde en deed of hij de woorden van de jongen even rustig
liet bezinken. Die gast is nog erger dan hij eruitziet. Je vraagt je
af hoe iemand ooit zo kan worden. Ik zou zijn ouders wel eens willen
zien. Applaudisseerden waarschijnlijk al telkens als hij als kind zijn
glas melk omstootte. Over een glas gesproken, een borrel zou er wel
ingaan.
‘Interessante vraag,’ zuchtte hij tenslotte. ‘Maar het antwoord
erop is niet moeilijk, denk ik. In plaats van “Mijn naam is Danny Rosenberg”
schrijf je dan gewoon “Zíjn naam is Danny Rosenberg”. Of, gebruikelijker,
“Zijn naam wás Danny Rosenberg”. In de verleden tijd dus. Ja?
Oké dan, goed.’ Hij toonde opnieuw zijn horloge en wierp er een
blik op zonder iets te zien. Ik tol als een gek, dacht hij.
‘Goed,’
herhaalde hij. ‘Ik stel voor dat jullie tegen de volgende keer, tegen
donderdagavond dus…’ ‘Het spijt me, sorry,’ zei de rosse plots, Krops
onbeschaamd onderbrekend.
‘Excuseer?’ vroeg deze verbluft.
‘Het spijt
me, maar toch even dit nog. Wat ik eigenlijk wilde weten, is… Akkoord,
je schrijft dus “Zijn naam was Danny Rosenberg”.’ De jongen maakte het
handgebaar van een boer die zaait, nam toen zijn balpen van zijn tafeltje
en begon die tussen zijn twee handen in om haar as te draaien terwijl
hij er ingespannen naar keek.
‘Wat je dan natuurlijk krijgt,’ vervolgde
hij opeens ontstellend langzaam en met onverwacht diepe stem, ‘is dat
hoofdpersoon en verteller niet langer samenvallen. Het hele idee dus als zou de verteller – of
laat ons liever zeggen: de schrijver – bijna niet kunnen wachten om
mede te delen wat hem zo dringend van het hart moet of wat hem is overkomen,
komt mijns inziens hierdoor toch enigszins op de helling te staan… Je
krijgt als lezer immers veel meer een indruk van fictie, door het gebruik
van die derde persoon, - toch? Veel meer een gevoel van afstand, - niet?
De schrijver heeft het immers niet over zichzelf… En is die haast van
de schrijver, of die geduldloosheid, die door zo’n beginzin gesuggereerd
wordt… die achterliggende noodzaak dus, zoals je ’t daarnet formuleerde…
is die in dat geval dan nog geloofwaardig? Bestaat het gevaar zelfs
niet dat een en ander, ja, hoe zal ik het zeggen, overkomt als gemakzuchtig
of zo? Of als een doorzichtige literaire techniek? Begrijp je wat ik
wil zeggen? Of vergis ik me? Zie ik het verkeerd?’
Krops was getuige
van een ongeval. De rosse stak een straat over, enigszins gebogen lopend,
de handen in de jaszakken, het hoofd vol diepe gedachten, en werd voor
hij besefte wat er gebeurde pontificaal geraakt door een hierna pas hevig
remmende wagen. Zo hoog werd de jongen de lucht in geworpen dat hij
een moment lang niet meer dan een stip was, noem het een verdwaalde
bloeddruppel, maar even later lag zijn dode lijk wel degelijk mensgroot
op het plaveisel. De chauffeur, die inmiddels uitgestapt was, keek beurtelings
naar zijn slachtoffer en naar Krops. Zijn blik gloeide van angst. Voorts
was er niemand in de buurt. Krops toonde zijn handpalmen ten teken dat
hij niets gezien had en wandelde rustig weg, waarna hij kort naar de
chauffeur wuifde die hem met een rotvaart voorbijreed.
‘Je vergist je
niet,’ zei hij, weer de realiteit onder ogen ziend, hoe verschrikkelijk
die dan ook was. ‘Je hebt volkomen gelijk. Goed opgemerkt, hoor. Heb
je misschien,’ vroeg hij vermoeid, ‘al eerder eens een schrijfcursus
gevolgd?’
‘Nee,’ glunderde de jongen. ‘Nee, helemaal niet.’ Hij keek
om zich heen naar zijn medeleerlingen, die afgunstig terugkeken. Hoe
is het mogelijk, dacht Krops. Hoe kan het in godsnaam bestaan?
Het was
kwart voor elf ’s avonds en Krops schonk zich de eerste borrel in van
wat hij zich voornam dat een lange reeks zou worden. Hij had de fles
mee naar de zolder genomen, waar zijn vrouw op de bank televisie zat
te kijken, meer bepaald, zoals Krops vaststelde nadat hij naast haar
had plaatsgenomen, naar een documentaire over Elisabeth Taylor.
‘Aan
de whisky?’ vroeg zijn vrouw, die officieel Magdalena heette, maar al
sinds lang voordat Krops haar had leren kennen, op de trein van Antwerpen
naar Gent, inmiddels ruim tien jaar geleden, door het leven ging
als Martha, de naam die ze zichzelf cadeau had gedaan voor haar achttiende
verjaardag. Van die dag af had zij zich koppig doof gehouden voor iedereen
die haar met haar doopnaam aansprak, en algauw was zij er tot haar niet
geringe vreugde achter gekomen dat mensen haar ook in haar afwezigheid
‘Martha’ waren begonnen te noemen. Nog altijd beschouwde zij dit als
één van de grote prestaties die zij in haar leven totnogtoe
geleverd had, en nog altijd gebeurde het af en toe dat gewoon het horen
van haar naam uit de mond van een kennis of pakweg de bakker haar vervulde
met een gevoel van trots en triomf.
Zij keek nogmaals opzij naar haar
man en naar het halfvolle glas in zijn hand.
‘Aan de whisky, Seb?’ herhaalde
zij.
‘Ik ben er even aan toe, ja,’ zei Krops.
Hij staarde naar het scherm,
waarop een fragment getoond werd uit de film The Taming of the Shrew,
niet ontoepasselijk, als je het hem had gevraagd: zijn vrouw was blijkbaar
in een rotstemming. Nog altijd dus, dacht Krops terwijl hij een klein
slokje nam. Dat maakt kortom een onafgebroken periode van een jaartje
of negen. Bel het Guinness Book of Records.
‘O, ben je er aan toe? Wel,
doe wat je wil, maar probeer de badkamer proper te houden, oké?’
Krops klemde zijn kaken opeen. Eén enkele keer, ooit, zo lang
geleden inmiddels dat hij bij benadering niet meer had kunnen zeggen
hoeveel tijd er sindsdien was verstreken, was hij op een avond zo lazarus
geweest dat hij na zich te hebben ontkleed in een leeg, kurkdroog bad
was gaan zitten en over de rand ervan op de vloer had gebraakt. Een
volstrekt eenmalige gebeurtenis was dat geweest, maar dan wel één
van een voor Martha verduiveld traumatisch karakter, afgaand tenminste
op het niet bij te houden aantal keren dat zij er maar op terugkomen
bleef.
‘Ik zal mijn best doen,’ antwoordde hij, waarop hij onder het
afkeurend oog van zijn vrouw opnieuw even van zijn glas nipte. ‘Dat
zie ik, dat je je best doet,’ zei zij. ‘Als je maar niet denkt dat ik
nóg eens in het midden van de nacht ga staan dweilen. Daarvoor
ben ik niet met je getrouwd. Eigenlijk zouden we die rommel eenvoudig
niet in huis moeten hebben. Nog gezwegen over het geld dat het kost.
Weet je wat je voor zo’n ?es betáált?’
Dat wist Krops
toevallig precies. Sterker nog, van weinig dingen was hij zo goed op
de hoogte als van de prijs van een ?es J&B.
‘Wéét
je dat eigenlijk wel?’ drong zijn vrouw aan.
‘Geen idee, Martha,’ zei
Krops.
Op televisie was nu behalve Liz Taylor ook Richard Burton te
zien. Hij hield een gigantisch glas whisky vast, dat hij ledigde in
één snelle teug.
‘Kijk, Richard Burton,’ zei Martha plots geestdriftig. Ze wees met
gestrekte arm naar het toestel. ‘Het blijft toch wel een knappe man,
hè.’ Haar toon was dromerig nu.
‘Ontzettend,’ zuchtte Krops.
Met een ruk draaide Martha haar hoofd naar hem toe, schijnbaar geschrokken
van iets.
‘Wat is er?’ vroeg Krops. Ook zíjn glas was leeg ondertussen,
en hij zette het op de vloer naast de fles. Naar niets ter wereld verlangde
hij meer dan naar een nieuwe borrel, maar hij zag er tegenop om nog
eens in te schenken in het bijzijn van zijn vrouw. Hij hoopte maar dat
zij snel zou gaan slapen.
‘Het lijkt verdomme wel of je jaloers bent,’
hoorde hij haar luid zeggen, op een toon waar zowel ongeloof als vrolijke
spot in doorklonken. ‘Seb, ben je jaloers?’
‘Wat?’ vroeg Krops. ‘Waar
heb je het over?’
‘Hij is jaloers!’ besloot Martha. ‘God, wie had dát
nog ooit durven denken!’
‘Op wie zou ik jaloers zijn?’ vroeg Krops.
Hij was werkelijk enigszins in de war. Ze wordt gekker met de dag, dacht
hij.
‘Gewoon omdat ik zeg dat ik Richard Burton aantrekkelijk vind,
is mijn mannetje al nijdig! Het is echt bijna ontroerend.’
Als zij nu
nog aan de drank zou zijn, of aan de pillen, dacht Krops, dan zou je
kunnen denken: jammer, maar goed, het is nu eenmaal niet anders. Ze
zou tenminste een excuus hebben, je zou haar gedrag nog kunnen verklaren
of het althans aan iets kunnen wijten. Maar nu?
‘Ik ben niet nijdig,
hoor,’ verzekerde hij kalm, ‘en ook niet jaloers. En zeker niet op Richard
Burton. Ik denk dat je interpre…’
‘Je had jezelf moeten horen, Seb,
toen je “ontzettend” zei,’ sprak Martha opeens haast afwezig. Zonder
hem aan te kijken gebaarde zij kort met haar hoofd in zijn richting,
zodoende duidelijk makend dat wat haar betrof elke poging zijnerzijds
om zichzelf goed te praten tevergeefs zou zijn. ‘Ik vind het trouwens
niet erg, zeg ik toch. Integendeel, ik…’
‘Luister, lieverd,’ onderbrak
Krops haar op zijn beurt. ‘Niet dat ik vind dat het een halsmisdaad
zou zijn, inderdaad, of dat ik er mij voor zou moeten schamen: als ik
daarnet jaloers zou geweest zijn, geloof mij, ik gaf het onmiddellijk
toe. Zonder enig probleem. Maar ik was dus niet jaloers. Niet op Richard
Burton, en niet op iemand anders. Waarom zou ik jaloers zijn op Richard
Burton? Hij is al ik-weet-niet-hoeveel jaren dood!’
Hij zweeg en staarde
peinzend voor zich uit. ‘En?n,’ mompelde hij toen, ‘bij nader inzien
misschien toch een heel klein beetje dan…’
Martha, opnieuw geheel in
de ban der beelden van Richard en Liz, reageerde niet, en Krops
dacht onwillekeurig: er is een tijd geweest, lang geleden, toen wij
niet eens getrouwd waren of nét, dat dit het begin zou hebben
gevormd van een de hele nacht durende ruzie. De tijd dat wij elke gelegenheid
te baat namen om een huiselijk drama op poten te zetten, een drama van
de ergste soort, compleet met op de muren bonzende buren. De tijd dat
wij de minste onenigheid, het minuscuulste misverstand beschouwden als
een smet op onze liefde, als een aantasting van ons geluk, als iets
dat niet bestaan mocht, iets waarbij wij ons niet wilden neerleggen,
- met alle gevolgen van dien. Zo hoog waren de eisen die wij aan elkaar
en onze liefde stelden dat er algauw niets anders overbleef dan teleurstellingen,
frustraties en woede, noem het razernij. Maar met die teleurstellingen
hebben we leren leven, en de razernij is weggeëbd, samen met onze
liefde. Wat was onze liefde in oorsprong? Een prachtig marmeren beeld
dat wij voortdurend, met alsmaar wanhopiger houwen nog verder trachtten
te perfectioneren, tot we tenslotte moesten vrede nemen met een kiezelsteen.
Een enorme klomp boter, waarin af en toe onvermijdelijk een haar verzeild
geraakte, het kleinste haartje, een babywimper, maar we steigerden als
mensen die groot onrecht aangedaan wordt, en we verwijderden het pluisje
telkens weer met zoveel misbaar dat ook alle boter in een mum van tijd
verdwenen was. En zie ons hier nu zitten, gevangen in een huwelijk,
zo spannend als een snede droog brood. Ik neem nog een borrel, het kan
me niet schelen. Hij boog voorover naar de fles en draaide de dop ervan.
Als zij opnieuw over de badkamer meent te moeten beginnen, dan zal zij
eens wat meemaken, dacht hij opeens. Net als in de goede oude tijd.
En waarom niet, eigenlijk? Misschien is het echt het proberen wel waard.
Want wat hebben we nog te verliezen, nu alles allang verloren is, nu
ik alles allang kapot heb gemaakt?
Hij schonk meteen maar genoeg in.
Hoe viel het eigenlijk te verklaren dat hij, nu er dus allang niets
meer te verliezen was, toch nog steeds banger en voorzichtiger werd?
Dat klopte toch niet, alles welbeschouwd? Er moet hoe dan ook iets veranderen,
dacht hij met bolle wangen en zijn tong overvloedig badend in whisky.
Zo kan het toch niet langer?
Ja, dat het zo niet langer kon, daarover
was hij het wel al zowat een eeuwigheid met zichzelf eens…
Het programma
over Elisabeth Taylor had zijn einde bereikt en Martha zette de televisie
uit met een druk op de afstandsbediening.
‘Ik ga slapen,’ kondigde zij
aan. Zij stond op en keek dof naar het glas in zijn hand. ‘Zal ik nog
snel een emmer klaarzetten?’
Krops slikte haastig door, wat desondanks
enige tijd in beslag nam.
‘Ik kom meteen,’ antwoordde hij toen. ‘Dit
is heus waar m’n laatste.’
Met zijn ogen gesloten, als genoot hij van klassieke muziek, stond Krops
aan het gasfornuis te luisteren naar het geluid van de afzuigkap boven
zijn hoofd. Martha had te kennen gegeven dat ze zin had in eieren, en
hij had het op zich genomen er een paar te bakken. De geur die uit de
pan omhoogsloeg maakte dat hij zich nog misselijker voelde dan hij al
geweest was, en door onbeweeglijk te staan en zich te concentreren op
het eentonige, grijze geruis hoopte hij de grillige stormwind die huishield
in zijn hele lichaam, maar vooral toch onder zijn schedel, enigermate
tot bedaren te brengen. Hij hoopte het tegen beter weten in, en inderdaad
lukte het niet in het minst.
Eens te meer diende Krops vast te stellen
dat de katers waarmee hij te kampen kreeg, de laatste tijd steeds maar
in hevigheid toenamen. Eerst had hij dit nog aan zijn leeftijd geweten,
hij werd een dagje ouder en kon er niet te best meer tegen, maar de
waarheid, wist hij inmiddels, was natuurlijk dat hij per dag veel grotere
hoeveelheden alcohol innam dan pak-hem-beet een jaar, of twee jaar,
geleden. Het feit dat hij dit moeiteloos kon erkennen, dat hij in dezen
eerlijk was tegenover zichzelf, ervoer hij in zekere zin als geruststellend,
als het bewijs dat hij niet bezig was een alcoholicus te worden of er
in elk geval toch nog geen bleek te zijn, - maar het probleem was dat
zijn schuldgevoel over zijn drinkgedrag doorgaans hand in hand met zijn
kater verdween, en hij er na een half glas bier reeds geen enkele hinder
meer van ondervond.
Nu echter was zijn schuldgevoel nog in al zijn glorie
aanwezig en hij stelde zich, steeds nog de ogen gesloten, vol zelfhaat
de vraag waarvoor het in hemelsnaam goed was geweest dat hij de hele
godvergeten fles J&B vannacht soldaat had gemaakt. Dat hij blijkbaar
de fles soldaat had gemaakt, om het beter uit te drukken, want dat hij
haar geledigd had, daaraan viel helaas niet te tornen, maar van zijn
laatste glazen kon hij zich niettemin geen druppel meer herinneren.
Voor hetzelfde geld, dacht hij, heb ik de helft ervan weggegoten, uit
het raam of zo. ‘Ja, dat zal wel,’ mompelde hij grimmig.
‘Wat sta jij
hier tegen jezelf te praten?’ vroeg Martha.
Hij deed snel zijn ogen
open en zag dat zij vlak naast hem stond. Hij had haar de keuken niet
horen binnenkomen.
‘Ben je nog dronken misschien? Je stinkt in elk geval
nog naar drank, bah!’
Ze draaide zich om en deed de koelkast open, waarin
Krops de gewoonte had zijn whisky te bewaren, nam de fles eruit en hield
haar op armlengte van haar traag openvallende mond. Ze staarde ernaar
als naar een oude jeugdvriendin van wie zij niet gedacht had dat zij
haar ooit nog eens tegen het lijf zou lopen, maar die nu opeens zomaar
voor haar bleek te staan (‘Magdalena? Ben jíj het?’).
‘Hoe is
het mogelijk!’ riep zij uit. ‘Hij heeft een hele halve fles opgezopen!
Seb, die fles was toch nog vol, gisteren? Dat heb ik toch goed gezien?
Deze fles is halfleeg! Heb jij vannacht helemaal in je eentje een… een
hele halve…’ Zij zweeg, van verbijstering hijgend.
Eén van de
redenen, om niet te zeggen de voornaamste, waarom Krops J&B verkoos
boven bijvoorbeeld Johnny Walker, was de groene kleur van de ?es, die
bijgevolg desgewenst met leidingwater kon worden gevuld zonder dat iemand
vervolgens op zicht zeggen kon waar de inhoud ervan nu juist uit bestond.
‘Ik moet eerlijk toegeven,’ zei hij, ‘dat ik mezelf wat laten gaan heb
vannacht. Ik schrok daarnet zelf toen ik het zag. Enfin, je eieren zijn
klaar.’ Hij draaide de gasvlam uit en liep met de pan in de hand naar
de eetkamer, waar Martha gedekt had voor twee. Hij legde de eieren op
het bord dat aan haar kant van de tafel stond en keerde toen terug naar
de keuken.
Martha, die de J&B-fles juist weggezet had en de deur
van de koelkast weer dichtdeed, bleek het nog altijd allemaal maar amper
te kunnen geloven en terwijl Krops de hete lege pan onder een koudwaterstraal
uit de kraan hield, stamelde zij zacht: ‘Waarom drink je toch zoveel,
Seb?’
Krops, gehuld in dampwolken, dacht: omdat ik zo gelukkig ben,
liefje, kan je dat begrijpen? Wat had je dan gedacht, misschien? Gewoon,
omdat ik mijn geluk niet op kan, natuurlijk.
‘Wat?’ vroeg hij.
‘Ja,
wat!’
‘Omdat het zo lekker is,’ zei hij.
‘Lekker? Het is helemaal niet
lekker,’ wist Martha zo te horen heel zeker.
‘Kom, je eieren zullen
koud worden,’ zei hij.
‘Ik heb al geen honger meer nu.’
Toch zaten zij
even later tegenover elkaar.
‘Vroeger dronk je wel eens iets,’ vertelde
Martha met malende kaken, ‘maar de laatste tijd loopt het echt de spuigaten
uit, vind ik. Vind je dat zelf niet? Ik dacht, toen die keer in de badkamer,
- herinner je je nog?’
‘Hoe zou ik het kunnen vergeten.’
‘Ik had gedacht
dat je toen je les wel zou leren. Nu trekt hij zijn conclusies wel,
dacht ik. Maar het is alleen maar erger geworden. Wat is er toch aan
de hand met je, Seb?’
Met overweldigende tegenzin nam Krops een eerste
hap van de boterham die hij zo-even langdurig met smeerkaas had bestreken.
Hij steunde met zijn ellebogen op tafel en hield de boterham tussen
zijn tien vingers vast en verschool er zijn mond vol lange tanden achter
voor Martha’s onderzoekende
blik. Stel, dacht hij opeens, dat zij in het geheel geen hekel zou hebben
aan drank en er van nu af aan niet meer over zou zeuren, wie weet raakte
ik nooit nog een glas aan.
Een erg vreemde gedachte was dat, vond hij
zelf. Hij was toch geen weerspannig kind of zo, en zij was zijn moeder
toch niet? Hij moest inderdaad nog dronken zijn, ja, zij had gelijk
gehad… Duizelig als de hel nam hij een tweede hap, een erg grote bovendien,
ofschoon zijn mond nog niet leeg was geweest.
‘Jezus, je ziet er niet
uit, Seb,’ zei Martha. ‘Jezus, hij lijkt wel veertig,’ voegde zij er
vervolgens aan toe.
Krops grinnikte maar wat. Doe er nog honderd jaar
bij, dacht hij, en je weet hoe ik me voel.
‘Een oude, wijze man,’ zei
hij kauwend.
Hij legde zijn boterham neer op zijn bord, dat hij hierna
met zijn onderarm opzijschoof, zo ver als mogelijk van zich vandaan.
Niet met de beste wil van de wereld, dacht hij, en vroeg zich af hoe
hij de dag zou moeten doorkomen. Hij moest zich plots werkelijk moeite
getroosten om niet plat voorover met zijn gezicht tegen de tafel te
smakken. Wat zou Martha dáárvan zeggen? Heer, sta me bij,
dacht hij. Laat me desnoods spoorloos verdwijnen.
Zoals veel mensen
altijd wel een boek aan het lezen zijn, maar het lang niet dagelijks
aanraken, zo schreef Krops aan zijn roman: als hij er zin in had, als
hij de tijd vond. Als zijn kater het hem toestond. Als hij niet te dronken
was.
Soms schreef hij ook – en zelfs met meer geestdrift dan anders
– wanneer hij wel degelijk te dronken was, maar waarlijk indrukwekkend
proza had dat tot nader order nog maar zelden opgeleverd. Nee, dan was
het nog beter te proberen zijn kater middels bruistabletten te verdrijven
en gewoon aan het werk te gaan, belaagd door hoofdpijn en misselijkheid,
maar in elk geval min of meer nuchter.
Ik maak het niet, dacht hij nu
echter. Het heeft zelfs geen zin om een poging te doen.
Hij zat ineengedoken
aan zijn schrijftafel en knipperde met zijn ogen en slikte. Hij slikte
omdat slikken hem moeite kostte en hij zichzelf wou bewijzen dat het
hem hoe dan ook nog altijd lukte. Schrijven dus hoegenaamd niet, dacht
hij, maar slikken gaat nog net. Geen paniek, hoor, Krops. Als je nu
ook nog iets te drinken had…
Hij bladerde mismoedig door zijn schrift,
ternauwernood in staat de zinnen die niet – dikwijls dubbel of driedubbel
– doorgehaald waren te lezen en de betekenis en samenhang ervan tot
zich te laten doordringen.
Ik heb er geen kijk meer op, dacht hij na
een poosje. Misschien moet ik opnieuw beginnen, helemaal opnieuw. Nog
maar eens. Nog maar eens, maar goed, misschien heb ik geen andere keus.
Wat schiet ik er tenslotte mee op te blijven verder werken aan een boek
waarvan de eerste bladzijden al niet deugen, waarvan zelfs de allereerste
zin al suckt dat het een aard heeft?
Hij deed het schrift dicht en sloeg
het toen meteen weer open op de eerste pagina. ‘Maandenlang,’ las hij
voor de naar schatting honderdste keer in zijn leven, ‘bleef hij erover
tobben of hij zijn verhaal diende te vertellen in de eerste of in de
derde persoon, maar nu had hij de knoop toch doorgehakt.’
Hij wist het
niet. Misschien was hij te streng voor zichzelf, maar misschien ook
getuigde het feit dat hij de zin in kwestie ooit laten staan had en
er doodgemoedereerd een tweede op had laten volgen van niets meer of
minder dan van zijn zeg maar overmoedige laksheid…
Hij wierp een blik
uit het raam van zijn schrijfkamertje, dat niet veel groter was dan
een doorsnee toilet, en zag een ongeveer zestienjarig meisje aan de
overkant van de straat. Zij was lang en slank en liep opvallend recht
en de haren op haar hoofd stonden omhoog en eindigden in een spitse
punt, zodat zij Krops aan een penseel denken deed. Wat zou zij zeggen,
vroeg hij zich af, als ik haar de zin ter beoordeling voorlegde? Zou
ze glimlachen en bemoedigend knikken? Zou ze zich benieuwd tonen naar
wat erna komt? Of zou ze mij nietszeggend aanstaren en er wijselijk
het zwijgen toe doen, het analfabete kutwijf? Shit, Krops, wat kan het
jou in godsnaam schelen wat zo’n anorectisch tienertrutje van je zin
zou vinden? Wat zullen we nu krijgen? Als zij mijn dochter was, ik zou
zeggen: ‘Hier, een boterham met spek. Opvreten die handel, en als je
klaar bent, daar woont de kapper!’ Opeens moest hij aan de rosse denken.
‘Ook dat nog,’ prevelde hij, en keek met gebogen hoofd weer voor zich,
het penseel aan haar lot overlatend.
‘Hans. Dag Hans,’ zei hij stil.
‘Dag, mijn naam is Hans.’ Waarom sloten ze zo’n jongen niet op? Waarom
doen ze dat eigenlijk niet, dacht hij. Gewoon achter slot en grendel,
kous af. En dan na een jaar of twee of drie eens kijken of hij nog altijd
zoveel praat heeft. Ik ben benieuwd, hoor, ik brand.
Maar bovenal duizelde
Krops, en op de koop toe alsmaar meer ook. Laat ons rustig blijven,
dacht hij. Misschien moet ik nog eens proberen of ik iets naar binnen
kan krijgen. Hij slikte een paar keer. Nee, veel zin in vast voedsel
had hij bij nader inzien toch niet, en bovendien was het een heel eind
naar beneden, waar zijn vrouw zich bevond. Beter dus nog even blijven
zitten. Wie wist wat er ondanks alles nog uit de bus kwam op literair
vlak?
Trachtend zich de blik
aan te meten van een weliswaar geïnteresseerd, maar voorts volstrekt
onbevangen jongmens – want hoe groot zijn afschuw zijn mocht van jongeren
en hun zogenaamde cultuur, toch schreef hij doorgaans met een publiek
voor ogen dat lang zo oud niet was als hijzelf – herlas hij voor de
naar schatting honderd-en-eerste keer de openingszin van zijn boek in
wording. Daarna, plots, greep hij naar zijn pen en schrapte de betreffende
regel met een kordaatheid die hij op het moment zelf al gemakkelijk
als pure bluf ontmaskeren kon, en schreef er snel, met lange halen boven:
‘Maandenlang bleef ik erover piekeren of ik mijn verhaal moest vertellen
in de eerste dan wel de derde persoon, maar zonet heb ik de knoop doorgehakt.’
Hij zuchtte en herlas de zin, maar nu dus voor de eerste maal. Toen
herlas hij hem nog eens. Veel sterker toch, besloot hij. Veel… directer,
zeg maar. Geloofwaardiger, als het ware. Veel… Nu ja, veel sterker dus. Toch?
Hij wist het niet, hij wist het niet.
|
 |
 | |
|