![]()   |
 |
Een tweede leven - zoals ik was (8)
Joris Note
Dertig à veertig jaar geleden kon je Peter Weiss gerust een
internationale
beroemdheid noemen, en dat was hoofdzakelijk te danken aan één
toneelstuk uit 1964, Marat/Sade - oftewel, voluit: Die Verfolgung und
Ermordung Jean Paul Marats dargestellt durch die Schauspielgruppe des
Hospizes zu Charenton unter Anleitung des Herrn de Sade. Nog een paar
andere stukken van hem kregen behoorlijk wat weerklank, vooral Die
Ermittlung (Het onderzoek, over Auschwitz); linkse mensen koesterden
ook Vietnam en Gesang vom Lusitanischen Popanz (Gezang van de Lusitaanse
bullebak, over de vrijheidsstrijd in de Portugese kolonies). Dat was
het zo’n
beetje, wat de wereldroem betreft. Als je aan iemand die in de jaren
zestig
en zeventig al bij bewustzijn was de vraag stelt ‘wie was Peter Weiss?’,
krijg je waarschijnlijk als antwoord: ‘een Duitse toneelschrijver’.
Helemaal
verkeerd is dat niet, en toch: Duits? schrijver? toneel?
Duits? Weiss (1916-1982) werd geboren in Nowawes bij Berlijn, maar
zoals zijn vader had hij de Tsjecho-Slowaakse nationaliteit. Die vader
was overigens een joodse zakenman, en dat had zijn gevolgen: het gezin
emigreerde in 1934, en belandde via Londen en Bohemen in Zweden. Na
de oorlog liet Weiss zich tot Zweed naturaliseren. Duitser was hij niet
en
werd hij niet; hij ging in het Duits schrijven, maar wel na aarzelingen;
zijn
eerste boeken verschenen in de jaren veertig in het Zweeds.
Schrijver? Hij wist al vroeg dat hij kunstenaar zou worden, maar jarenlang
wijdde hij zich zowel aan schilderijen als aan schrijfprojecten, en
hij
bezocht een academie voor beeldende kunst. In de jaren vijftig probeerde
hij nog een derde richting uit: hij maakte speelfilms, surrealistische
kort-
films en documentaires.
Toneel? Toen Weiss in 1960 eindelijk - op zijn vierenveertigste - debuteerde
als Duitstalige auteur, gebeurde dat met Der Schatten des Körpers
des Kutschers, een (al jaren voordien geschreven) experimenteel prozawerk,
dat onmiddellijk veel aandacht trok. Bijval verwierven ook de twee autobiografische prozaboeken Abschied von den Eltern (1961) en Fluchtpunkt
(1962). In het volgende decennium stond het toneel op de voorgrond,
maar in de jaren 1975-1981 deed Weiss zich opnieuw als prozaïst
gelden,
met zijn magnum opus Die Ästhetik des Widerstands, een driedelige,
volstrekt
eigensoortige politieke roman, die zowel enthousiasme als afkeer
wekte. (Pas in 2000 verscheen, nauwelijks opgemerkt, een Nederlandse
vertaling, De esthetica van het verzet.) In 1981 en 1982 publiceerde
hij nog
vier dikke delen met notities, Notizbücher 1960-1971 en Notizbücher
1971-
1980, een soort achtergronddocumentatie bij zijn overige werk.
Weiss was een formidabel veelzijdige, moeilijk vast te pinnen
kunstenaar. Op het ogenblik wordt hij schandelijk verwaarloosd - in
de
eerste plaats omdat het politieke engagement uit zijn latere jaren niet
past
in onze Heerlijke Nieuwe Wereld.
In zowel Abschied von den Eltern als Fluchtpunkt staat de aantekening
Geschrieben 1960/61; de twee werken ontstonden dus ongeveer gelijktijdig,
kort nadat (in 1959) Weiss’ beide ouders gestorven waren. Ook inhoudelijk
sluiten ze bij elkaar aan: dezelfde naamloos blijvende ik-verteller
bericht
over de eerste dertig jaar van zijn leven; Abschied gaat tot 1940, Fluchtpunkt
loopt van 8 november 1940 tot lente 1947. Kortom, een tweeluik, en toch
zijn het ook heel verschillende boeken. In Fluchtpunkt vinden we exact
benoemde tijdstippen, plaatsen en personen, terwijl in Abschied zulke
gegevens maar heel vaag worden aangeduid; Abschied bestaat uit één
tekstgeheel zonder enige uiterlijke onderbreking, een soort stroom van
herinneringen, terwijl Fluchtpunkt is ingedeeld in paragrafen van ongelijke
lengte die door witregels gescheiden worden. Misschien heeft de auteur,
of
de uitgever, het verschil willen beklemtonen met de genre-aanduidingen
‘vertelling’ (Abschied) en ‘roman’ (Fluchtpunkt)? Alleen het eerste
boek
werd destijds in het Nederlands vertaald, en herdrukt: Afscheid van
mijn
ouders - grappig genoeg met de vermelding ‘roman’.
De genre-etiketten wijzen er in elk geval op dat we hier niet te maken
hebben met een ‘echte’ autobiografie maar met literaire constructies.
Weiss
gaat geregeld in op de twijfelachtige kanten van de herinnering, en
in
Fluchtpunkt lezen we: ‘Door te schrijven schep ik mij een tweede, verbeeld
leven, waarin alles wat vaag en onzeker was duidelijkheid voorspiegelt.’
In
een brief meldde hij zelfs dat het materiaal ‘vrij bewerkt’ was, ‘en
ook met
veel “verzonnen” elementen vermengd, of “opgehoogd”’.
Toch kun je moeilijk van fictie spreken: als je deze teksten naast een
levensbeschrijving van Weiss legt, springt ondanks bepaalde afwijkingen
de overeenkomst in het oog. Maar hij heeft een scherpe selectie gemaakt,
heeft een bepaalde thematiek gevolgd waaraan hij bewust vorm geeft en
die hij tweemaal naar een soort afronding toeleidt, of liever: naar
een
nieuwe opening. Het nadenkende zoeken naar een eigen identiteit heeft
meer gewicht dan de feiten.
De oorspronkelijkste ervaring van het ik is, in beide boeken,
dat hij nergens bijhoort of thuishoort, dat hij zich in geen enkele
mensenverzameling kan schikken. De accenten verschillen: in Afscheid,
het boek over de jeugd, gaat het om de onaangepastheid aan het gezin
van herkomst en aan de maatschappelijke disciplinering; in Fluchtpunkt,
het boek over the artist as a young man, zien we vooral het gebrek aan
verbondenheid met land en volk, en de onbekwaamheid om een stabiel
eigen gezin te stichten. Tegenover de bedrukkende, onderdrukkende
groepen staat een ik-persoon die vrij wil zijn en die de vrijheid van
meet af
zoekt in fantasie, excentriciteit, kunst.
Het vertrek uit Duitsland zou je kunnen beschouwen als een inhoudelijke
cesuur in Afscheid van mijn ouders - maar in feite zijn het twee andere
gegevens die, kort daarvoor, de breuk veroorzaken. Ten eerste, de jongen
verneemt van een van zijn halfbroers (zoons uit een eerste huwelijk
van de
moeder) dat zijn vader een jood is, en dat hij daarom niet mag deelnemen
aan de nationaal-socialistische heisa; hij aanvaardt dat als de bevestiging
van iets wat hij allang vermoedde, de bevestiging van een verlorenzijn;
pas
later zal hij beseffen dat die uitsluiting ook zijn redding betekende.
Ten
tweede, zijn door iedereen beminde zusje Margit, met wie hij een erotische
ervaring heeft gehad, wordt overreden en overlijdt; na de begrafenis
zitten
de ouders en alle kinderen samengeperst in een auto: ‘Dit was het begin
van het uiteenvallen van ons gezin. Spoedig was deze rit, tijdens welke
wij
ons voor de laatste keer nog aan elkander vastklemden, ten einde, spoedig
stapten mijn stiefbroers uit en lieten ons alleen, spoedig lag de stad
achter
ons en het land waarin ik was opgegroeid’. De uitstappende stiefbroers
worden nazi’s.
De cesuur heeft ook een positief aspect, want op dit punt beginnen de
eigenlijke pogingen van de verteller om zich uit het verleden te bevrijden.
Maar dan blijkt juist dat het voornaamste conflict zich afspeelt binnen
in hem, tussen zijn verlangen naar bevrijding en zijn onmacht om dat
verlangen te volgen. Hij heeft de onderdrukking geïnterioriseerd,
hij moet
vechten tegen het dwangbuis van het verleden in hem; hij blijft, ook
in
Fluchtpunkt, emotioneel onzelfstandig en vindt voorlopig geen zelfstandige
weg voor zijn kunst.
Heel illustratief voor de innerlijke dubbelheid is een passage waarin
hij de bron van zijn beeldenwereld terugzoekt in twee films die hij in
zijn
jeugd gezien heeft: ‘Zoals de dief van Bagdad [in de gelijknamige film
met
Douglas Fairbanks] had ik ooit willen leven, zo wild en avontuurlijk
wilde ik
alle moeilijkheden overwinnen, in alle doodsgevaren lachen, alle vijanden
verslaan, en de schatkist vinden en de prinses uit haar gevangenschap
bevrijden en haar voor mij winnen. Later [...] zag ik Murnaus film Taboe.
Daarin was in de plaats van de vrolijke vermetelheid van de dief van
Bagdad
het onbereikbare gekomen, en altijd opnieuw hield de slotscène
me bezig,
waarin de held zijn ontvoerde geliefde achterna zwemt in de open zee
en
altijd verder bij de boot achteropraakt, tot zijn krachten het begeven
en hij
verdrinkt, ten slotte steekt alleen nog zijn hand boven het water uit.’
Het is
niet oninteressant dat F.W. Murnau ooit geprobeerd had de moeder van
de
verteller (en van Peter Weiss) te versieren.
In Afscheid herinnert het ik zich hoe hij als klein kind in het tuinhuisje
(een ‘vrijwillig ballingsoord’) ging zitten fantaseren, en hij ziet
daarin een
voorafbeelding van zijn werk als kunstenaar. Maar hoe breekbaar was
en
is die situatie! ‘Ik was mijn eigen baas, ik schiep mijn eigen wereld.
Maar
ergens was er het voorgevoel van het roepen, het roepen dat elk moment
kon klinken en dat door de tuin heen naar mij toe zou komen. Altijd
was er ergens de verwachting van dit roepen, nog tot op heden dringt
de
verwachting van het roepen door, nog tot op heden dringt de vrees door
dat alles zo dadelijk voorbij kan zijn. Toen dit roepen mij de eerste
keer
bereikte, hield ik mij doof, ik weerde dit roepen van mij af, ik had
in mijn
alleenzijn mijn naam vergeten en ik deed alsof het roepen mij niet gold.
[...] Ik probeerde dikwijls mij anders te noemen, maar wanneer het roepen
van mijn enige naam op mij toevloog, kromp ik ineen van schrik, als
een
harpoen sloeg hij in mij neer en ik kon hem niet ontgaan.’ De stem die
roept is de stem van de moeder, zij roept hem tot de orde. Later zal
zij
ook het gedagdroom van de schooljongen onderbreken: heb je je huiswerk
gemaakt? ‘Zij kwam vlak bij mij staan en haar woorden vielen als stenen
op
mij neer, jij moet blokken en nog eens blokken, je hebt nog een paar
jaren,
dan zul je het leven ingaan en dan moet je iets kunnen, anders ga je
te
gronde.’ En de vader: jij hebt geen volharding genoeg om te studeren,
kom
maar bij mij in het bedrijf. ‘Zijn gezicht stond grauw en boos. Wanneer
men over het leven sprak, moest men grauw en boos kijken.’
Verschrikkelijke ouders? Welnee. De moeder is een voormalige
toneelactrice, afgesneden van wat ze graag deed en van haar uitdrukkingsmogelijkheden;
de vader heeft als soldaat in de grote oorlog en als
geassimileerde jood de ruwheid van de wereld leren kennen, en weldra
komt daar de emigratie bovenop. Het zijn ongelukkige brave mensen die
oprecht hun best doen om een gezin overeind te houden, ongerust dat
hun
kinderen niet op eigen benen zullen kunnen staan. ‘Zij hadden ons alles
gegeven wat zij geven konden, [...] en ze begrepen niet dat wij hen
daarvoor
niet dankbaar waren.’ Het grote probleem, blijkt steeds weer, zit in
de
onmogelijkheid om met elkaar te spreken en elkaar te verstaan. Moeder
zet vader aan om zoonlief voor het een of ander te straffen, vader legt
hem
zonder overtuiging over zijn knie, ze liggen ‘in een afgrijselijke omarming
over elkaar heen’, en daarna moet de verzoening komen, ‘de ziekelijke
gezinsvrede, ook moeder rende naderbij en als één enkel
wezen lagen wij
ineengestrengeld en schreiden tranen van opluchting’: eigenlijk lijkt
zo’n
scène een methode om toch eindelijk eens met elkaar te communiceren,
om gevoelens te uiten.
De verteller beseft al vroeg dat zijn ouders geen schuld treft, dat
ze zelf
slachtoffers zijn van de disciplinerende omgeving; hij kan dus vaak
naar
hen kijken ‘vol sympathie en medelijden’. Dat maakt het des te lastiger
om zich te emanciperen, hij wil hen immers niet kwetsen. En hij wil
ook
echt door hen erkend worden; wanneer hij in Londen op zijn kamer een
werk voltooid heeft roept hij zijn moeder: ‘Ik wist hoe onbegrijpelijk
mijn
schilderijen voor haar waren, en toch kon ik het niet nalaten haar steeds
opnieuw mijn schilderijen te tonen’. Diezelfde moeder zal bij de laatste
verhuizing (van Bohemen naar Zweden) uit schrik voor de douane al
zijn doeken verbranden en zich zo bevrijden van ‘de bedreiging die deze
voorstellingen voor de geordendheid en veiligheid van haar woning hadden
gevormd’. De verhouding tot de moeder draagt samen met de treurnis over
het gestorven zusje bij tot een verwrongen seksualiteit.
In 1940 begint de jongeman de.nitief aan een eigen leven in Stockholm,
maar uit geldnood keert hij nog een poosje terug in het ouderhuis; uit
die
periode stammen twee hartverscheurende details: de vader die ervoor
zorgt
dat de zoon in de badkamer zijn geslacht niet ziet, omdat hij besneden
is;
de vader die een andere zoon uitscheldt voor verfluchter Judenlümmel.
Na de
oorlog gaat de verteller, die inmiddels een mislukt huwelijk achter
de rug
heeft, met zijn dochtertje op bezoek bij de ouders, en weer verloopt
alles
in wederzijdse prikkelbaarheid en ongemakkelijkheid. ‘s Nachts hoort
hij
zijn ouders ‘in hun slaap kreunen als gewonden op een slagveld’.
Aan het einde van Afscheid, net vóór zijn vertrek naar
Stockholm op
zijn vierentwintigste verjaardag, situeert de verteller zich tegenover
de
tijdsgebeurtenissen: ‘De oorlog opende mij de ogen niet. [...] De emigratie
had mij niets geleerd. [...] Dat de strijd die daarbuiten gevoerd werd
ook mijn eigen bestaan betrof, raakte me niet. [...] De moeite om mijn
leven tot uitdrukking te brengen had geen andere aandacht overgelaten.’
Het persoonlijke en het politieke worden dus ontkoppeld; daarom zou,
merkwaardig genoeg, veel van wat in Afscheid verteld wordt zich evengoed
in een andere tijd en op een andere plaats kunnen afspelen.
Het begin van Fluchtpunkt neemt dezelfde draad meteen weer op: ‘Ik
kwam niet als vluchteling en asielzoeker. Ik kwam naar Stockholm om
hier als schilder te leven’. De verteller voelt zich niet verbonden
met een
klasse of een land, en voelt zich geen jood. Hij was niet alleen vreemdeling
in Duitsland, maar ook in bijvoorbeeld Engeland. Dat hij als jongen
werd
gepest, beleefde hij als een gevolg van zijn anders-geaard zijn, niet
van zijn
behoren tot een ‘ras’. Als zijn vader niet tot emigratie beslist had,
zou hij in
Duitsland gebleven zijn; als het mogelijk was geweest zou hij in de
oorlog
gevochten hebben, want daartoe werd zijn generatie opgevoed. En zijn
jongensjaren hebben hem ook geleerd dat hij aan de verkeerde kant had
kunnen staan, hij heeft keurig meegedaan aan het kwellen van anderen.
Hij weigert dus alle opgelegde groepsidentiteiten. En hij weigert
partij te kiezen, weigert solidariteit - wat twee oudere linkse vrienden
hem in lange gesprekken verwijten: ‘Maar ik wantrouwde [...] elk opgaan
in gemeenschappelijke ideeën, ik kon nog niet zoeken naar ruime
perspectieven en naar een politieke verbondenheid’. Hij beperkt zich
ertoe duidelijkheid te zoeken over eigen pijnlijke herinneringen, kleine
ervaringen, in de hoop ze naderhand te kunnen ‘plaatsen’ binnen het
grotere geheel. Intussen is hij wel degelijk getroffen door het lot
van
Peter Kien en Lucie Weisberger, twee achtergebleven joodse vrienden
uit
Praag, en vanuit de verte probeert hij zelfs hen vrij te krijgen, vruchteloos
natuurlijk; wat hun lot precies inhoudt weet hij nog niet.
Hij experimenteert, als beeldend kunstenaar en als schrijver. Hij begint
een psychoanalyse, die mislukt. In die analyse, en in zijn schrijfwerk,
tracht
hij in het reine te komen met zijn taalsituatie - welke taal moet of
kan hij
gebruiken, de oude misbruikte of de nieuwe die hij nog zo slecht beheerst?
Hij gaat werken als boerenknecht en als houthakker. Hij trouwt en krijgt
een kind, maar het huisvaderschap is hem niet meer dan een rol, die
hij
slecht speelt. Hij wordt bijna letterlijk neergeslagen door een niersteen,
probeert dan ‘die kristallisatie van onopgeloste stoffen te onderzoeken’,
en
komt opnieuw terecht bij de demonen uit zijn vroegste jaren.
Hij leest, en niet ter ontspanning: de literatuur helpt hem te zien
wie
hij is en te worden wie hij is. Zijn eerste grote ontdekking, Hermann
Hesse
(Der Steppenwolf) wordt afgelost door de zoveel hardere Kafka - wiens
boeken hij van de achtergebleven Peter Kien cadeau gekregen heeft.
In het voorjaar van 1945 ziet hij eindelijk ‘het eindpunt van de
ontwikkeling waarin ik opgegroeid was. Op het verblindend lichte beeldvlak
zag ik de plaatsen waarvoor ik bestemd geweest was, de gestalten waartoe
ik had moeten behoren.’ Auschwitz blijkt zijn ware thuisplaats te zijn,
de
plaats waar mensen definitief van hun plaats verdreven werden. Hij ziet
de
bergen met lijken, de skeletachtige bevrijden. ‘Waar was de Styx, waar
was
het Inferno, waar was Orfeus in zijn onderwereld, omgeven door .uittrillers,
waar waren de grote visioenen van de kunst [...]. Het was allemaal verstoven,
en nooit meer kon eraan gedacht worden, tegenover deze de.nitieve
beelden, om naar nieuwe gelijkenissen en richtpunten te zoeken. Dit
was
geen dodenrijk. [...] Dit was een wereld die door mensen was gesticht.’
Hij
ziet ook de wachters van die wereld, ze dragen geen duivelshoorns maar
uniformen. ‘Bij wie hoorde ik nu, als levende, als overlevende, hoorde
ik
werkelijk bij hen die mij aanstaarden met hun overgrote ogen en die
ik
allang verraden had, hoorde ik niet eerder bij de moordenaars en beulen.
Had ik deze wereld niet geduld, had ik me niet afgewend van Peter Kien
en
Lucie Weisberger, en hen opgegeven en vergeten.’
Hoe valt daarmee te leven? Hij had moeten omkomen, hij heeft zich
onttrokken aan de vernietiging waarvoor hij bestemd was, en nu moet
hij
zijn schuld dragen. Maar is dat niet te gemakkelijk? Hij hoort de stem
van
Hoderer, de vriend die hem zijn afzijdigheid verweet en die zelfmoord
gepleegd heeft: ‘Nu, nu je niets meer gebeuren kan, durf je je ogen
te
openen.’ En hij hoort die stem opnieuw wanneer bevrijding en overwinning
gevierd worden: ‘met deze overwinning heb jij niets te maken. Alles
vloeit
van je af, je bent een parasiet, een meeloper, anderen hebben voor jou
gevochten en zullen verder voor je vechten, terwijl jij comfortabel
aan
je schrijftafel blijft zitten nadenken over het ongeluk van de wereld.
[...]
Wat wil je dan, riep ik. Moet ik vertwijfelen omdat ik niet vermoord
ben.
Moet ik me doden, zoals jij. Ook dat kon hem niet van zijn stuk brengen.
Jij hoeft je niet te doden, zei hij, want je behoort tot hen die uitsterven
en vergaan in hun niet-betrokkenheid. Wat moet ik dan doen, vroeg ik.
Maar hij antwoordde niet meer. Voor wie moet ik dan partij kiezen. Geen
antwoord.’
Dat is niet het einde van Fluchtpunkt. De overlevende leeft voort, hij
ontwikkelt zich, nog niet naar politiek denken, wel naar zelfaanvaarding
en
naar verlies van krampachtigheid. Daarbij helpt weer een andere schrijver
mee, Kafka wordt op zijn beurt afgelost: door Henry Millers Tropic of
Cancer, een boek dat begint waar alle overmacht al onder de voet gelopen
is: ‘De hiërarchieën van de kanselarijen, de alles omvattende
wetten lagen
aan diggelen, en in een vruchtbare chaos begon het vrije leven. Alles
werd grijpbaar en mogelijk, en het seksuele, dat bij Kafka in een doffe
achtergrond lag, verkreeg tropische weelderigheid.’
In een ‘plotselinge overweldigende wens tot verandering’ vertrekt hij
naar Parijs, de stad van Miller, waar hij zich schoongewassen voelt
worden
in de maalstroom, schoongewassen ook van de taal en de richtingloze
probeersels waarmee hij geleefd heeft - ‘ik moest weer van vooraf aan
beginnen, radbrakend, stamelend’. Hij vindt een nieuwe mogelijkheid
om
zich in zelfvertrouwen te uiten, en daarmee - dan toch - een identiteit
en
een gemeenschap. Als hij in de oorlog Duits schreef had hij het gevoel
te moeten verhinderen dat iemand het las - hoe anders wordt het nu:
‘Ik
stond in het midden tussen de polen die er vanaf het begin geweest waren,
de pool van de dief van Bagdad en de pool van Taboe, de pool van het
tomeloze leven en de pool van het vergaan. De vrijheid was absoluut,
ik
kon me erin verliezen en ik kon me erin terugvinden, ik kon alles opgeven,
alle strevingen en alle saamhorigheid, en ik kon weer beginnen te spreken.
En de taal die zich nu aandiende was de taal die ik aan het begin van
mijn leven geleerd had, de natuurlijke taal, die mijn werktuig was,
die nog
alleen mij toebehoorde en die met het land waarin ik opgegroeid was
niets
meer te maken had. Deze taal was aanwezig wanneer ik maar wilde en
waar ik me ook bevond. Ik kon in Parijs leven of in Stockholm, in Londen
of New York, en ik droeg de taal bij me, als de lichtst mogelijke bagage.
Op
dit ogenblik was de oorlog overwonnen, en de jaren van de vlucht waren
overleefd. Ik kon spreken, kon zeggen wat ik zeggen wou, en misschien
luisterde er iemand naar me, misschien zouden anderen tegen me spreken
en ik zou ze verstaan.’
Ik had in Auschwitz kunnen zijn, moeten zijn; ik zou daar vermoord zijn,
maar ik bezat ook de aanleg om zelf te moorden. Die beschouwing vormt
het hoogtepunt of de uitkomst van een neiging die in Afscheid van mijn
ouders en nog meer in Fluchtpunkt gedurig opduikt, de neiging van de
verteller om voor zichzelf een alternatief leven op te roepen: hoe zou
het
gelopen zijn als, wie zou ik geworden zijn als...? In de kindertijd
waren
er bijvoorbeeld een paar gelukkige ontmoetingen met een luchtige vriend
van zijn ouders, ontmoetingen die tonen ‘hoe verschillend mijn leven,
onder andere omstandigheden, had kunnen verlopen, en zij tonen me
de rijkdom aan onverbruikte vreugde die er in mij lag’. En als de fabriek
waarin hij werkte, jaren later, niet de fabriek van zijn vader geweest
was, dan
had hij daar ‘misschien kameraadschap kunnen vinden, verbondenheid
in het lichamelijk werk, ook een meisje misschien, een weefster, een
magazijnmeisje...’ Zo bekeken krijgen ook de vrij uitgebreide portretten
van kennissen (meestal kunstenaars) een zin binnen het geheel: de verteller
had ook die en die kant op kunnen gaan, de anderen vertegenwoordigen
mogelijkheden van hemzelf - en lang niet altijd gewenste mogelijkheden.
Vaak kun je die voorstellingen interpreteren als zwakke pogingen tot
solidariteit.
In zijn monumentale De esthetica van het verzet zal Weiss aan het eind
van de jaren zeventig deze idee van een alternatief leven op een meer
radicale manier doorvoeren: de roman is, onder veel meer, een imaginaire
autobiografie. De ik-figuur is duidelijk een alter ego van de auteur,
met
wie hij zijn leeftijd en zijn artistieke ambities en zijn ballingschap
deelt,
maar hij is ook iemand die zich in de jaren dertig en veertig engageert
in
communistische politiek (hij neemt zelfs deel aan de Spaanse burgeroorlog)
en die streeft naar een revolutionaire kunst; in zekere zin beweegt
hij zich in
dezelfde richting als Weiss, maar onvergelijkelijk veel sneller. Verschillende
vrienden uit Afscheid en Fluchtpunkt treden in Esthetica opnieuw op
- onder
nieuwe namen en met nieuwe levenslopen, maar toch zijn het dezelfden;
de verteller voert met hen oeverloze gesprekken over politiek en over
de
relatie tussen kunst en politiek, en ook van die gesprekken kregen we
in
Fluchtpunkt al een voorsmaakje. Kortom: wie de latere roman goed wil
begrijpen moet de vroege romans bestuderen, en vice versa.
Afscheid van mijn ouders en Fluchtpunkt zijn geen volmaakte boeken.
Ze
bevatten clichématige zinnen en grote woorden, ze bedrijven soms
wat
te expliciete en goedkope auto-psychologie. Maar ze bevatten ook een
massa prachtige en beklemmende beelden Weiss kon heel zintuiglijk
en bezwerend schrijven, hij toont zijn evocatieve meesterschap in
gedetailleerd beschrijvende en vertellende stukken, in poëtische
klachten
en aanklachten.
Al heeft de onmacht niet het laatste woord, ze weegt zwaar door, ze
werkt soms deprimerend op de lezer; je zou wat meer humor en lucht
willen. Maar was dat wel mogelijk, zonder dingen te relativeren die
niet
gerelativeerd moeten worden? Weiss is niet zacht voor zijn jeugdige
ik, voor zijn angst en lafheid en gemeenheid en gewilde eenzaamheid;
maar hij neemt dat ik helemaal ernstig, hij kijkt er niet naar vanuit
een
zelfgenoegzame, ironische, wereldwijs monkelende positie. Daarom zijn
ook de grote woorden niet zo verkeerd, ze horen bij het personage, ze
horen bij die onaangepaste jonge mens, ze horen bij zijn houterigheid.
Hetzelfde geldt voor de wat naïeve en af en toe plechtige toon,
die ook in
andere werken van de toch allesbehalve naïeve Peter Weiss te beluisteren
valt. Afscheid van mijn ouders en Fluchtpunkt laten uiteindelijk een
volstrekt
authentieke indruk na.
Die authenticiteit zit ook in de manier waarop het persoonlijke en het
historische met elkaar worden verbonden, en tot op zekere hoogte niet
verbonden. De boeken laten zien hoe een individu gewoon niet in staat
blijkt
om zijn leven ‘af te stemmen’ op uitzonderlijke tijdsomstandigheden.
En
de verteller weet zich wel gedetermineerd door een autoritaire opvoeding
en een autoritaire maatschappij, maar hij gebruikt die niet als excuus
voor
zijn moeilijkheden en mislukkingen.
Aan het einde staat geen triomf; de problemen zijn niet opgelost, ze
worden verwoordbaar. En in die verwoording geven ze nog altijd stof
tot
nadenken.
Aantekening
Peter Weiss, Afscheid van mijn ouders,
vert. Koos Schuur, De Bezige Bij, Amsterdam, 1964, tweede druk 1968.
Ik citeer uit die vertaling, soms met kleine wijzigingen; de citaten
uit Fluchtpunkt vertaalde ik zelf. In het Duits is Peter Weiss’ werk
verschenen bij Suhrkamp, Frankfurt a. Main: Abschied von den Eltern
(1961), Fluchtpunkt (1962), Die Ästhetik des Widerstands (1975-1981).
Verder: P.W., De esthetica van het verzet, vert. Peter Kaaij, Historische
Uitgeverij, 2000; Jochen Vogt, Peter Weiss, Rowohlt, Hamburg, 1987 (rowohlts
monographien 367).
|
|