Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Van nul naar niets

Niels Landstra

Op de woeste bergketen lag een witte emulsie; het deed denken aan een toef versteende slagroom. Dolf smeerde met een bevochtigde vingertop de gelaagde klodder iets meer over het doek uit. Hierdoor ontstond de beoogde schijn van eeuwige sneeuw. Toch bleef het perspectief onwerkelijk aandoen. Waarschijnlijk had het te maken met de vanillegele hemel. Platgedrukt onder de rand van de lijst, leek hij geen weerstand te kunnen bieden tegen zo’n oprijzende veste van majestueuze onneembaarheid.

Op de televisie keek Dolf gebiologeerd naar de bebaarde man met het schilderspalet in de hand die vorm gaf aan eenzelfde soort schilderij. ‘Just paint a little cloud right there...’ Stilte. Spanning. Een penseelstreek. ‘And that’s how easy it can be.’
Onmerkbaar gnuifde Dolf. Zijn palet hield hij op identieke, haast onverschillige wijze vast. Ook zijn gemurmel leek enigszins op het knauwerige Amerikaans van de goeroe, ware het niet dat Dolfs gekwelde pose en minutieus bezig zijn meer weg hadden van afgetobde toewijding. Schrapend en piepend begon de videorecorder terug te spoelen. Werktuiglijk klopte Dolf met de kwast op een stuk karton en keek dan voldaan rond in de huiskamer. Zijn schilderijen dompelden de wanden in een bonte chaos van bergen, meren en landschappen. Van elk doek wist hij zich te herinneren hoeveel moeite het hem had gekost om tot een product met enige structuur te komen, de frustratie omdat hij volkomen afhankelijk was van Bobs inspirerende techniek, vergat hij daarentegen.
Dolf zette de kraan open in de keuken en liet het heet dampende water neerplenzen op zijn palet. Steunend op zijn ellebogen, keek hij naar de regenboogkleuren die wegspoelden in de wasbak. Hij draaide de kraan dicht. Een ver gerucht dwaalde door de stilte van de straat. Geritsel klonk op de ruiten. Sneeuw? Hij rende de tuin in en keek verlangend naar boven. De lucht was wit bezaaid met warrelende sneeuwvlokken. En dit met het aanbreken van de lente! Bijna uitglijdend op de tegels van zijn terras, stormde hij zijn huis binnen. Op zijn gazon klapte hij zijn schildersezel uit en begon bevlogen aan een schilderij. Dolf gloeide van opwinding. Kon hij het alleen? De besneeuwde lucht liet zich gemakkelijk vastleggen, daarvoor had hij lang genoeg lessen gevolgd, maar de oude stadswijk werd een gruwelijk, chaotisch woud van betonnen schaduwen. Dolf zwolg in de tragiek ervan; het was of er een bombardement op de wijk had plaatsgevonden en de rokerige karkassen van de woningen werden bedekt onder een dik pak sneeuw!
‘Aan het schilderen, buurman?’ vroeg een passerende buurtgenoot. Hij leunde nieuwsgierig over de ligusterhaag. ‘Heb je vroeger ten tijde van de vuurwerkramp in Enschede gewoond?’
‘Nee. Waarom?’
‘Vanwege de grauwheid. De schijnbare verwoesting. Tamelijk surrealistisch, lijkt me. Opzet of toeval?’
‘Het is louter toeval, louter toeval,’ antwoordde Dolf laconiek. Hij trachtte de kritiek van de voorbijganger te overzien. Surrealisme... Hij schilderde surrealistisch. Dat was een verrukkelijk, met niemand te delen genoegen. Binnen zocht Dolf een plek uit voor zijn schilderij. Met ingehouden adem keek hij rond in de kamer. Bob waarde als een geest door zijn werken. Dolf had van hem geleerd dat creativiteit een groot goed was. Dat hij zelf tot iets in staat was.
Azura, de rubberen pop die centraal in de kamer stond, knipoogde lie.ijk naar hem. Haar mond was kogelrond en felrood, en door het negligé waarin hij haar had gehuld, schimde de tekening van haar boezem. De wanstaltige wipneus van boetseerklei die haar gelaat zowel een lamentabele als pathetische uitdrukking schonk, vond Dolf boeiend, maar haar loensende ogen fascineerden hem het meest. Ze deden hem denken aan koraal. Aan de peilloze diepte van een oceaan. Hij hield van Azura. Guitig gaf hij haar een knipoog terug. Al was ze een kloon die door machines was verwekt, Dolf had haar een identiteit gegeven. Hij had haar, hij wist het opeens, tot een surrealistisch mens gemaakt. Als hij naakt op haar ging liggen, beleefde hij een samensmelting die kon wedijveren met de hoeren die hij bezocht als hij Azura in bad had gestopt. Dan dacht hij aan haar, dat hij haar alleen thuis had gelaten, met de uitlopers van verf op haar wangen als verwaarloosde mascara, weemoedig starend in de badkamer alsof ze eronder leed dat de geur van zijn hartstocht uit haar was weggespoeld. Maar als ze dan weer droog en schoon was, dan kon ze, door de beeldende kracht van zijn penseel en zijn uitgebreide damesgarderobe, een nieuwe, gedienstige Azura voor hem zijn.

Mensen zwermden de kantoorgebouwen in en uit. Achter de talloze ruiten draaide de meedogenloze mechaniek van het geld. Direct na het parkeren van zijn auto op het bedrijfsterrein, begon bij Dolf het beven. Met een onzekere hand, schikte hij zijn kapsel van strak achterover gekamd haar dat hij met haarlak had gevernist, maar door zijn overmatige zweten gaandeweg los zou weken. Tegen de middag plakten zijn lokken hem op het voorhoofd en had hij natte kringen onder zijn oksels.
In het kantoor hing ponti.caal boven de kopieermachine een bord waarop met zwarte stift de maandomzetten van het regiokantoor werden bijgehouden. Iedereen had al gescoord, behalve Dolf. Een roodgekleurde ‘smiley’ met een omgekeerde glimlach markeerde de plek die cijfers ontbeerde. Hij nam er rekenschap van, maar ijlde met grote haast voorbij aan zijn uitvergroot falen.
Zodra hij zijn computer aanzette, begon het apparaat te loeien. Roffelend met zijn vingers op het bureaublad, wachtte hij tot hij zijn mailbox kon openen. Schrikken van de tientallen berichten over uitvaart, .scale regelgeving en te volgen verkooptrainingen, deed hij niet meer. Op het moment dat ze verschenen, wiste hij ze gewoon van het scherm.
Tegen de geldende etiquette in, deed hij zijn stropdas af en zijn colbert uit. Daarop zette hij zich met een been af tegen de vloer en zwierde op zijn bureaustoel met wieltjes naar de andere zijde van het kantoor. Daar staarde hij verweesd naar de gesloten lamellen.
‘O, zonneschijn,’ dacht hij, ‘ik zit hier binnen, in kunstlicht, maar voel de warmte van je stralen als ze binnensluipen door verboden kieren. Dan weet ik de zoveelste dag uit mijn bestaan weggerukt.’
Dolf draaide de lamellen open. Het daglicht stortte zich over hem heen. Een aangename prikkeling kroop over zijn gelaat. Een gloed van zomer.
‘Jongens,’ mopperde de secretaresse met haar Zeeuwse tongval die vanaf de ingang als een schikgodin over het kantoor waakte en resoluut de lamellen dichtdraaide. ‘Geen pottenkijkers, hier, hoor. Ze hoeven van buiten niet te weten wat we van binnen doen.’
‘Ja, maar...’ dacht Dolf. ‘Als het toch zo is dat we altijd in kunstlicht moeten vertoeven, waarom graven we dan geen grote put in dit industrieterrein en laten we al die lelijke gebouwen ondergronds verdwijnen en planten we er een bos op? Dan krijgen we bovengronds de een of andere aankomsthal met roltrappen die naar beneden gaan en zijn er refugié waar wijlen mijn vriend Bob van een groot scherm...’
‘Goedemorgen, jongens!’ riep de regiomanager joviaal. Het ontlokte slechts mat gemompel. ‘Ik hoor jullie geloof ik “goedemiddag” zeggen, maar dat is het nog niet, laat staan maandagavond, ha!’
Jan was een goedgeluimde manager van medio dertig die, zo beweerde hij, zonder de dood niet zou kunnen leven. Elke ochtend wist hij na het lezen van de krant welke beroemdheden de wereld waren ontvallen, zodat het adviseurscorps niet van voorbeelden verstoken zou blijven als het op bezoek bij de klant ging. Eigenlijk was Jan pas gehumeurd als de resultaten van het kantoor tegenvielen. Zelden was daar sprake van; alleen in het hoogseizoen, als de gedachte aan de dood op retraite was en men niet of met ongenoegen thuis gaf, gingen de verkoopstatistieken onderuit.
Jan kwam bij Dolf staan.
‘Waar zit de hebzuchtspier ook alweer, Dolf?’
Plichtsgetrouw klopte hij bij zichzelf op de linkerborst.
‘En wanneer gaat die opspelen, Dolf?’
‘Als het gaat om koopsompolissen bij rijke lui die weinig rendement hebben van hun beleggingen en het rendement van een uitvaartpolis juist hartstikke hoog is...’
‘En...’ zei Jan afwachtend. Zijn geluidloze lach had een colgate schittering.
‘De verzekerde er zelf niet zoveel aan heeft, maar zijn nabestaanden wel.’
‘Goed zo, Dolf.’ Jan boog zich voorover en fluisterde bijna grimmig: ‘Waarom zou jou een goede omzet nu nog in de weg staan?’
Dolf haalde verongelijkt zijn schouders op.
‘Hij gaat draaien, jongens. De nul gaat van het bord!’ verkondigde Jan met verheven stem.

Bij een benzinepomp verorberde Dolf vlug twee kadetjes, staand aan een tafel, omringd door smakkende chauffeurs die hem minzaam aanstaarden. Hij trok het zich niet aan, in beslag genomen als hij was door zijn aanstaande bezoek. Het was zaak een strategisch plan te bedenken. De leeftijden van de mensen waren goed, begin veertig. Met een beetje geluk was een van de echtelieden of iemand in de nabije omgeving al getroffen door een nare ziekte, zodat de dood al de vage omtrekken van een onwenselijke gedaante had gekregen.
Het liep tegen zevenen toen hij arriveerde voor de woning waar hij werd verwacht. Uit het handschoenenkastje van zijn wagen, pakte hij een boek met de titel: ‘Numerologie. Uw analyse van de tijd.’
Dolf becijferde de mogelijkheden van geluk en tegenspoed die de getallen hem aanreikten. Hij beheerste de techniek nog niet volledig, maar de uitkomst was een zes. Dit stond garant voor succes. Omdat nog geen glimp daarvan door zijn troebele dag had geschenen, lag er een goede avond in het verschiet.
Hij floepte een lampje aan boven de spiegel en inspecteerde nauwgezet of er geen snot in zijn neus zat of etensresten tussen zijn tanden en schikte met zijn handen de bezwete lokken van zijn sluike haar. Hij voelde zich uitstekend, zei hij hardop, en glimlachte naar het bleke gezicht in de spiegel.
‘Hallo, ik ben een afgezant van Magere Hein. Dood gaan we immers allemaal maar wanneer en hoe... Denkt u dat er dan genoeg middelen zijn om de laatste reis van uw dierbare te kunnen bekostigen?’
Een gezette man met pretogen deed Dolf open. Na een hartelijke handdruk waarna Dolf de man met Joost mocht aanspreken, werd hij voorgegaan, een huiskamer met gedempt licht binnen. Aan een eettafel zat een vrouw met paperassen voor zich. Pedant keek ze op over de rand van haar leesbril om de naderende Dolf op te nemen.
‘Koffie, meneer Vlijmen?’ vroeg ze zakelijk.
‘Graag. Prettig kennis met u te maken.’
Dolf begon in zijn koffie te roeren. Joost liet een kritische blik langs Dolfs schriele postuur glijden en zocht in zijn binnenzak naar een pakje sigaretten.
‘Rookt u,’ vroeg Joost en presenteerde een Marlboro.
‘Zo vaak en zo veel als mogelijk,’ antwoordde Dolf opgewekt en koos een sigaret uit, ‘het kan immers altijd de laatste zijn.’
Met een plof sprong er een Siamees bij hem op tafel.
‘Scheer je weg,’ siste de man.
‘Het geeft niet,’ zei Dolf vergoelijkend. ‘Ik ben dol op beesten. Het is alleen zo jammer dat ze door het passieve meeroken ook eerder sterven. Net als bij mensen, krijgen ze eerder kanker. En kleine kinderen hebben er nog er nog meer last van. Allerlei ziektes kunnen zich vroegtijdig openbaren. Heeft u kinderen?’
Het echtpaar keek elkaar aan. De vrouw schudde het hoofd ontkennend.
‘Niet dat het voor mij wat uitmaakt. Kinderen zijn gratis meeverzekerd. Of u ze nou heeft of niet.’
‘Nog koffie?’ vroeg Joost.
‘Lekker. Weet u trouwens wat een uitvaart kost? Nee? Hoe denkt u dat op te lossen als die laatste dag, de meest berouwvolle, zich dan aandient? Van de reserves betalen we dat dan, zie ik u denken, maar die heeft u hard nodig als de kostwinner wegvalt. Een koopsompolis biedt hiervoor uitkomst. Als u die in een keer volstort, zijn alle problemen uit de lucht.’
De mobiele telefoon van Dolf ging af. Een bericht van Jan in vetgedrukte letters.
SHOW ME THE CENTJES! stond er in de display.
‘We hebben een uitvaartverzekering,’ vertelde Joost en hij friemelde aan een document dat uit de stapel stak.
‘Die bronskleurige?’ vroeg Dolf. ‘Die is ook uit het jaar nul, zo te zien. Dan bent u zwaar onderverzekerd.’
Voor het eerst nam Dolf een schok waar bij zijn klanten. Hij had verwarring gezaaid. Koortsachtig rekende hij. Een oude polis die aan het huidige prijspeil moest worden aangepast, bracht hem wel drie tot vijf procent van zijn target op. Halverwege de maand, zou hij dan eindelijk van die depressief kijkende smiley op het scorebord af zijn.
‘De polis is van vorig jaar,’ zei Joost. ‘Het verzekerde bedrag is toen verhoogd.’
‘Prima.’ Peinzend dronk Dolf zijn koffie op. ‘Wellicht heeft u kennissen die onlangs nog met u hebben besproken dat ze zich zorgen maken om het te komen afscheid. Mag ik die dan, geheel vrijblijvend, eens bellen?’
Met lege handen stond Dolf even later buiten op de stoep. Het zweet dat langs zijn slapen droop, droogde langzaam op, het trillen bedaarde.
Glurend in de woonboten waar de hoeren hun wellust etaleerden, trok Dolf zijn capuchon verder over zijn hoofd, bang als hij was herkend te worden. Hij had het vaker meegemaakt, op een druilerige avond als deze, dat achter de donkere ruit van een auto het gezicht van een klant opdoemde. In de ontsteltenis die hij dan waarnam, schitterde iets van afgrijzen alsof Dolf een onheilsbode was.
De enigen die deden alsof ze hem leuk vonden, waren de hoeren. Althans, tot hun geveinsde welwillendheid onder hem bevroor als hij begon te reutelen als een hardloper op leeftijd en Azura’s naam amechtig tegen hen .uisterde. Erg veel verschil met haar maakte het tenslotte niet. Zijn geslacht was net als bij haar gevangen in plastic en als hij wist wat voor crème de hoeren zouden gebruiken om hun huid te laten glanzen en neutraal te ruiken, dan zou Azura nauwelijks nog voor surrogaat hoeven door te gaan.
Het leek hem opeens overbodig om zich te laten opslokken door de warmte van een kabbelend hol, badend in het schijnsel van een rode lantaarn. Het was prettiger om te genieten van de aandacht die hem ten deel viel alsof hij een echte Don Juan was.
Hij lachte. Het was of er licht brak door zijn donkere blik.
Welk gelaat zou hij Azura opschilderen nu zijn liefde onder de douche uit haar was weggevloeid? Somber, vrolijk? Als ze later maar weer in abrupte verbazing zou opkijken als hij binnenkwam, hopeloos verlaten zonder hem, omringd door wanden met obscure schilderijen, met haar lekkere mond en heerlijk .guur, zonder een woord van protest of leugens of besef.
Zijn mobiele telefoon ging. Een bericht over wisselingen in de top van het kantoorklassement, veronderstelde Dolf. Maar het was een monotoon sprekende stem aan de andere kant van de lijn. Iemand die een uitvaartpolis wilde. Dolf hing op. Hij was van de nul af. Hij ging bloemen voor Azura kopen.
Dat zou ze vast waarderen.