Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Geen bijzonderheden

Jeroen Van Kan

Tanners voetstappen kraakten aangenaam in de sneeuw. Haus Waldfrieden heette het huis waar hij, zoals elke dag, naar op weg was, en inderdaad oogde de houten villa met z’n kleine torentje en schilderachtige vensters onverstoorbaar tevreden. Een oase van welbehagen in deze door sneeuw en kou gedempte straat.
    Eerst volgde Tanner het tuinhek, volgde het tot hij weer bij de ingang uitkwam. Geen detail ontging hem bij die wandeling, zelfs niet nu de sneeuw zoveel aan het oog onttrok. De dag dat hij slordig zou worden zou hij mevrouw Kwarnte onmiddellijk vragen hem te ontslaan. Al meer dan vijfendertig jaar vervulde hij deze taak met een grondigheid die aan het lachwekkende grensde. Aan het pijnlijke zelfs, volgens sommigen. Arnold bijvoorbeeld, de zoon van mevrouw Kwarnte, dacht er zo over. Hij vond Tanner zielig, een oude man die door zijn vader ooit was opgezadeld met een onmogelijke opdracht en tegen wie nu niemand meer durfde te zeggen dat hij nutteloos werk verrichtte. Natuurlijk wist hij dat Arnold er zo over dacht, ook al had de jongeman het tegenover hem nooit uitgesproken. Niets ontging Tanner. Al zo vaak was hij om het huis heen gelopen, als een MRI-scanner rond een schedel, dat hij ook dat wat zich binnen in de villa verborg, eigenlijk ongekend wilde blijven, kende. Als je er maar vaak genoeg omheen liep, genoeg geduld had en scherp genoeg keek, keerde elk object zich voor je ogen binnenstebuiten.
    Oswald Tanner woonde al zijn hele leven in het kleine bergdorpje. Een voormalige mijnwerkersplaats. De familie Kwarnte was rijk geworden in die sector. Haus Waldfrieden was een overblijfsel uit een tijd dat alles in het dorp nog in het teken van de kolenwinning had gestaan. De familie van Tanner had behoord tot het proletariaat. Lang geleden. Inmiddels was A. meer een plaats voor recreanten, een plaats waar stadsmensen een tweede huis hadden, vermaard als A. was om zijn frisse berglucht en mooie wandelgebieden.
     Ongemerkt was hij vijfenzeventig geworden. Wie zijn leven in een ijzeren regelmaat dwingt maakt vaart, heeft zijn leven zodanig gestroomlijnd dat het een ongekende snelheid bereikt. Tanner voelde zich prettig bij het dagelijks beschrijven van dezelfde baan. Dat maakte hem ook zo geschikt voor dit werk. De oude Kwarnte had dat destijds goed gezien.
    Na het maken van de ronde langs het hek maakte Tanner eenzelfde soort wandeling door de tuin. Die route begon en eindigde op het grintpad. Pas dan naderde hij het huis dichter, liep hij vlak langs de houten wanden. Na die derde inspectieronde opende hij de deur naar het souterrain, stampte op het rooster de sneeuw van zijn laarzen en vulde in de hal het boek in. “Geen bijzonderheden” schreef hij op, precies onder het “Geen bijzonderheden” van de dag daarvoor. Natuurlijk waren er elke dag wel bijzonderheden, zoals bijvoorbeeld de verse sneeuwlaag, maar dat was niet het soort bijzonderheid waar hij op moest letten. Zijn taak was door de oude Kwarnte zeer nauwkeurig omschreven. Welke soort bijzonderheid wel of niet in aanmerking kwam om te vermelden wist Tanner als geen ander.
    Toen hij het boek terug had gezet in de kast, naast alle eerdere jaargangen, hoorde hij een deur piepen. Hij keek om. Het was Arnold. Met een beetje fantasie kon je zijn vader in hem herkennen, ook al was de zoon veel slanker en had hij de helblauwe ogen en volle lippen van zijn moeder geërfd.
    ‘Meneer Tanner! Zit de ronde er weer op?’ vroeg hij met iets verdacht amicaals in zijn toon.
    ‘Ja... Alles is weer in orde,’ antwoordde hij zo opgetogen mogelijk. Dit was een bijzonderheid. Niet eentje die een plek verdiende in het boek, maar het verschijnen van Arnold was desalniettemin hoogst uitzonderlijk. Hij liet zich nooit zien als Tanner er was.
    ‘Ik wilde graag een momentje met u praten, als het u uitkomt.’ Nu hij dichterbij was gekomen, binnen de straal van het licht, leek Arnold weer meer op zijn moeder dan daarnet. Dezelfde harde jukbeenderen, dezelfde glimlach, zowel welwillend als koel.
    ‘Ja, natuurlijk, ga uw gang.’ Tanner gaf de deurtjes van het kastje nog een extra duwtje, ook al wist hij dat ze goed dicht waren.
    ‘Het is misschien het beste als ik er niet omheen draai. Mijn moeder en ik hebben besloten geen gebruik meer te maken van uw diensten.’ Bij een andere gelegenheid was zijn formele woordkeus beslist lachwekkend geweest.
    Er volgde een stilte die zo te zien alleen door Tanner als pijnlijk werd ervaren. De woorden hadden hem getroffen als een met de vlakke hand uitgedeelde klap. De tinteling die de klap achterliet voelde hij over heel zijn lijf.
    ‘Natuurlijk bent u al meer dan vijfendertig jaar bij ons in dienst en heeft u ons goede diensten bewezen, en daarom zullen we u een deel van uw vergoeding gewoon door blijven betalen, maar uw rondes hoeft u niet meer te maken.’
    Tanner keek Arnold aan zonder hem echt goed te zien. Hij kon niks zeggen.
    ‘Ik begrijp best dat het voor u een beetje als een schok komt.’
    Legde hij werkelijk zijn hand op zijn schouder? Tanner was bijna te ver heen om het te merken, om zich volkomen bewust te zijn van de bijzonderheid van dit moment. Dat “geen bijzonderheden” dat hij zojuist in het boek had geschreven was ineens een absurditeit geworden.
    ‘Waarom?’ vroeg hij toen de ergste tinteling langzaam wegtrok.
    ‘Ik zal eerlijk zijn meneer Tanner.’ Hij nam een klein stapje terug en vouwde zijn handen, alsof hij een toneelstukje uit ging voeren. ‘Na de dood van mijn vader hebben we alles zoveel mogelijk gelaten zoals het was, maar hij is inmiddels al meer dan zes jaar dood. We kunnen niet voor eeuwig alles zo laten zoals tijdens mijn vaders leven. Zoals u weet is Elisabeth in verwachting, en het is voor moeder ook beter als ze naar beneden verhuist... Wegens haar ziekte, begrijpt u,’ preciseerde hij. Het korte zwijgen benutte hij om Tanners reactie te peilen, maar op het verweerde oudemannengezicht viel niet veel meer waar te nemen dan verbazing. ‘Het leven gaat door meneer Tanner.’ Die laatste woorden klonken verontschuldigend, ook al was de toon plichtmatig.
    Elisabeth zwanger? Mevrouw ziek? De woorden ziek en zwanger tolden rond, zwermden nerveus om elkaar heen. Ziek? Zwanger? Hij wilde ze uitspreken, vragen stellen, maar merkte al snel dat hij dat niet kon.
    ‘Maar wie gaat dan de boel in de gaten houden voor u?’ vroeg hij uiteindelijk.
    ‘Niemand. Het is niet zo dat we u vervangen. Helemaal niet! U heeft al die jaren uitstekend werk geleverd! Maar wat mij betreft is dat wat u doet niet meer nodig.’
     ‘Niet meer nodig?’
     ‘Laten ik het zo zeggen: u heeft uw best gedaan al die jaren, bent vele jaren in trouwe dienst geweest, maar waarom gaat u nu niet lekker genieten van uw oude dag? Over geld hoeft u zich geen enkele zorgen te maken. Gaat u toch wat leuks doen met uw tijd!’
    Ook al twijfelde Tanner niet aan de oprechtheid van zijn woorden, er klonk iets minzaams in door. Alsof hij een domme oude man was die vijfendertig jaar van zijn leven had vergooid aan een nutteloze bezigheid. De jongen wist niet waar hij het over had! Hij had geen idee hoe belangrijk de inspectierondes waren geweest voor zijn vader, hoeveel belang de oude Kwarnte had gehecht aan de zorgvuldigheid waarmee Tanner zijn taak volbracht. Het waren niet alleen de rondes, het was meer dan dat. Vooral toen hij ouder werd en zelf het huis nauwelijks nog verliet draaide een groot deel van zijn leven juist om het vervolmaken van de routine, bijna als een horlogemaker die een precisie-uurwerk tot uiterste perfectie probeerde te dwingen. En nu maakte zijn zoon Arnold, de hooghartige zoon met de koude ogen en de metalig klinkende stem, het in een paar minuten stuk, op een alledaagse dag zonder bijzonderheden. Zomaar. Plotseling. Weg.
    ‘Is het omdat ik een aantal dagen op rij geen bijzonderheden heb gemeld? Is dat de reden?’ vroeg Tanner bezorgd.
    Arnold lachte geforceerd. ‘Nee, natuurlijk niet meneer Tanner. Het heeft echt niets te maken met de kwaliteit van uw werk. Heus. U heeft uw werk altijd uiterst serieus genomen en het uiterst secuur uitgevoerd. Daar kan iedereen alleen maar bewondering voor hebben.’ Sinds de dood van zijn vader had niemand de boeken ooit meer ingezien, maar hij was net tactvol genoeg dat niet te vermelden.
     De vragen die hij wilde stellen kon hij niet over zijn lippen krijgen en dus zweeg hij. Tanner keek naar zijn laarzen, waarop de gesmolten sneeuw een glimmende laag water had achtergelaten, keek naar zijn handen, de duimen die hij nerveus over elkaar wreef.
     ‘Moeder wilde u graag uitnodigen om morgen koffie bij ons te komen drinken.’ Iets in zijn houding zei Tanner dat Arnold bezig was aan de afronding. Hooguit een halve minuut nog, dan zou hij hem een hand geven en een prettige avond wensen.
    ‘Goed, dan zal ik morgen langskomen.’
    ‘Een uur of tien?’
    ‘Prima.’
    ‘Dan wens ik u nog een hele fijne avond en dan zie ik u morgen.’ Arnold stak zijn hand uit, een smalle hand met lange vingers. Ook die hand leek in weinig op die van zijn vader. Knoestig, ferm, mannelijk. Aan de zoon was alles .jn, teer bijna, ook al ging die teerheid dan gepaard met een koelheid die voor mannelijk door zou kunnen gaan. Hij was het spiegelbeeld van zijn vader, in alles aan hem tegengesteld.
    Tanner nam de hand aan, voelde hoe Arnolds vingers fors in de zijne knepen en toen loslieten. Voor hij het wist was hij weer alleen in de hal, alsof er niets was gebeurd, de verschijning van Arnold een spookbeeld. Te zeer een bijzonderheid om echt te kunnen bestaan.
    De volgende dag liet Tanner verstek gaan. Pas in de avond, op het gebruikelijke tijdstip, verscheen hij voor de villa. Haus Waldfrieden lag er ook nu weer bij als een oase van warmte temidden van de witheid die het omlijstte. Tanner stond voor het tuinhek, zonder het te beroeren. Hij bekeek het huis uitvoerig, bestudeerde het. Uiterlijk was er niets aan veranderd sinds de oude Kwarnte was overleden. Nog niet in ieder geval, ook al zag Tanner nu pas hoezeer alles in afwachting verkeerde van een nieuwe tijd.
     Jarenlang had hij als een seismograaf alles geregistreerd wat zich hier binnen had afgespeeld, had het lopen van drie rondjes volstaan om alles tot in detail in kaart te brengen. En dan gebeurde dit. Sinds wanneer viel hij samen met het ritueel waarvan hij al die jaren de trouwe hoeder was geweest? Wanneer was dat begonnen? Hoeveel avonden achtereen had hij al “Geen bijzonderheden” genoteerd in het boek? Zes jaar lang waarschijnlijk. Sinds de dood van Kwarnte. Hij, Tanner, een uitgedoofde kunstmaan, draaiend rond een planeet die door hem niet meer werd gezien. Ziek. Zwanger. Dat gestroomlijnde leven dat hem met duizelingwekkende snelheid tot hier had gebracht, hem vroegtijdig naar zijn vijfenzeventigste levensjaar had gevoerd, ook dat leven liet zich nu niet meer hervatten. Jarenlang had het opgelegde banen beschreven, zoals de planeten in het model van het zonnestelsel dat op het bureau van de oude Kwarnte had gestaan, en nu eindigde het als losgeslagen hemellichaam.
    Ook al beperkte hij zich voor het eerst in vijfendertig jaar tot een ronde om het hek, hij deed zijn plicht, hoezeer hij er ook van overtuigd was nooit meer een bijzonderheid te kunnen waarnemen.