Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Het teveel

Leo de Haes

Overvloed en onbehagen in het boekenvak
In zijn essay Over de onwetendheid zet Hans Magnus Enzensberger ietwat vileinig de zogenaamde huidige ongeletterdheid van de man in de straat af tegen de eruditie van vroegere geleerden.1 Hij doet dat aan de hand van twee personen: het gefingeerde kapstertje Zizi dat verzot is op Bild-roddels en de zeer belezen zestiende-eeuwse Duitse humanist Melanchton. Enzensberger vraagt zich doodgemoedereerd af hoe groot en verscheiden de bibliotheek van Melanchton wel kan geweest zijn in vergelijking met die van Zizi vandaag. Zijn antwoord is ontluisterend: ‘De canon was precies omlijnd en gemakkelijk te overzien, een twintigtal auteurs, dichters, .losofen en kerkvaders, nog wat vakliteratuur, de rest was eigenlijk rommel (…).’ Kortom, de privé-bibliotheek van Melanchton, die nochtans al vanaf zijn twaalfde naar de universiteit ging, kon in een doorsnee keukenkastje. En nog belangrijker misschien, de meeste van zijn collega’s teerden op hetzelfde beperkte leesmenu. En dan hebben we het over wetenschappers met Europese uitstraling.
Wat had de modale man of vrouw in die dagen dan wel op het nachttafeltje liggen? Hij had geen bedlectuur, gesteld dat hij al geschriften in huis had. Professor A. Th. Van Deursen heeft nauwgezet de inventarissen van inboedels uit de zestiende en zeventiende eeuw erop nagevlooid en stelt vast dat die catalogi zelden melding maken van boeken. En als ze al genoemd worden, dan is het de bijbel of stichtelijke werken. ‘De kuiper Thijmen te Medemblik had in 1568 niets anders dan “eenen besloten boeck van de passie ons Heeren, gedruckt ter Gouwe, anno 1519”. De Naaldwijkse boer Cors Steffense bezat in 1569 een Nederlandse bijbel, drie jaar tevoren bij Plantijn te Antwerpen gedrukt. Mary Gijsbertsdr., weduwe van de Amsterdamse wijnverlater, liet in 1578 twee boeken na: “’t een van de Legenden ende ’t ander van de Evangeliën.”’2 Enzovoort. Schraalhans troef dus, ook in de Gouden Eeuw. Het volk las niet of nauwelijks. En de artistieke elite? Eind 2003 verscheen het boek Rembrandt’s Reading - the Artist’s Bookshelf of Ancient Poetry and History. Auteur Amy Golahny telt precies 22 boeken ten huize van de schilder. Ze kon er 7 van identificeren, waaronder de bijbel en veel vakliteratuur, onder meer een werk over de kunst van Dürer en Karel van Manders Schilderboek. Al met al ook een erg overzichtelijke bibliotheek. Johannes Vermeer en Saenredam bezaten ongeveer even weinig boeken als Rembrandt - een kleinzoon van Vermeer was zelfs weer tot ongeletterdheid vervallen. Alleen Pieter Pauwel Rubens past met zijn ruim 550 boeken niet in dit prentje, maar hij was dan ook veel meer dan schilder. Rubens was ook humanist, geleerde, nouveau riche en diplomaat met een grote internationale staat van dienst.3
Elders in de wereld was (of is) het niet anders. In heel Caïro bijvoorbeeld werden tussen 1822 en 1842 net geteld 243 boeken gedrukt, dat is iets meer dan tien per jaar.4
Een hedendaagse geroutineerde lezer zou met zo’n geringe productie zeer onvoldaan blijven. Waarom deze historisch voorbeelden? Eén. Om het eeuwige refrein over de ontlezing en vooral de verschraling enigszins te relativeren. Twee. Om des te scherper de diepe kloof te laten voelen tussen het boekenvak van vroeger en het hedendaagse uitgeefbedrijf. Tegenwoordig is het punt niet langer dat de leeshonger van de lezer niet kan gestild worden, het probleem is veeleer indigestie. We zwemmen in een heuse boekenzee. Alleen al in het Nederlandstalige gebied werden er de afgelopen jaren zo’n 20.000 nieuwe titels gedrukt - 17.000 in Nederland, 3.000 in Vlaanderen. Een goede eeuw geleden bedroeg de totale boekproductie in Nederland nog om en bij de 3.000 exemplaren. Die toename is alom vaste prik. In Amerika bijvoorbeeld is het aantal boektitels toegenomen van 85.000 in 1947 naar 1,3 miljoen in 1998, en het aantal uitgevers steeg er van 357 naar 49.000.5
In So Many Books - Reading in the Age of Abundance (2005) schrijft Gabriel Zaid: ‘Als er vanaf vandaag geen enkel boek meer zou verschijnen, dan zou het een lezer nog 2.550.000 jaar kosten om alles te lezen, wat er tot nu is gepubliceerd.’ Die overvloed blijft niet zonder gevolgen, zowel voor de consument, de boekhandelaar als voor de uitgever. Het zorgt op z’n minst voor onbehagen. Geen lezer, ook de professionele recensent niet, kan de huidige boekenproductie bijbenen, gesteld dat hij dat al zou willen. Ik noem geen namen, maar ik ken meer dan één criticus die depressief geworden is door het onverwerkbare aanbod of zich daar behoorlijk slecht bij voelt. Zoals de moderne mens op alle gebieden moet keizen, moet ook de lezer keuzes maken, niet alleen wat genre betreft, - literatuur, crime, .loso.e, sociologie, fantasy, biologie, gezondheid, tuininrichting, SF, strips, geschiedschrijving, …maar ook binnen de diverse genres. Dé literatuurkenner bestaat niet meer. Hij is hooguit expert in de Nederlandse letteren van de negentiende eeuw of in de hedendaagse literatuur van het Paaseiland. Hij is Boon-specialist of exegeet van Het Gilgamesj-epos. Is dat erg? Ja en nee.
Op het eerste gezicht lijkt die boekenberg pure weelde. En cultureel bekeken is het dat ten dele ook. Om ons slechts tot de letteren te beperken: wie wil kan zich zijn leven lang verdiepen in uitsluitend (onderdelen van) de Zuid-Amerikaanse, Japanse of Berberse literatuur. Zelfs wie alleen maar Nederlands leest, kan zich behoorlijk bekwamen in zeg maar de Moldavische letteren want sinds de jaren zestig van vorige eeuw wordt zowat de hele wereldliteratuur in ons taalgebied ontsloten. De Edda, De Anabasis, De Wetten, Parzival, Discorsi of De Avonturen van Simplicissimus, ze zijn allemaal in het Nederlands vertaald, sommige klassiekers meer dan eens. Ulysses van James Joyce is vertaald door John Vandenbergh in 1969 en door Paul Claes en Mon Nys in 1994. Een paar jaar geleden verscheen een nieuwe vertaling van de Decamerone, de tweede al van de hand van Frans Denissen. Alleen al over de verschillen tussen de eerste en de tweede versie zal weer een pak nieuwe secundaire literatuur ontstaan. Dat alles is onmiskenbaar een verrijking, maar het vergt een zeer geoefend beoordelingsvermogen, zowel van de lezer, de boekhandelaar als de uitgever om het kaf van het koren te scheiden. En wie kan dat nog? Zelfs boekenwurm Hugo Verdaasdonk, hoogleraar literatuursociologie, is er moedeloos van geworden. ‘Waarom zou ik dat boek kopen van die totaal onbekende IJslandse dichter? Vanwege de “.onkerende stijl” die de flaptekst hem toedicht?’6 Deze oprisping verdient een terzijde. Er spreekt een enorme dédain uit tegenover het onbekende. Een IJslandse dichter, stel je voor. En één die behoorlijk schrijft! Het lijkt wel onvoorstelbaar. Deze hapklare vooroordelen van Verdaasdonk tegen onbekende boeken van onbekende auteurs zijn ook de vooroordelen van de modale boekenkoper, vrees ik. Ze geven meteen ook de krijtlijnen aan waarbinnen de hedendaagse uitgeverij kan/mag functioneren. Van de consument.
Ook veellezer Walter van den Broeck ziet het niet meer zitten, maar om een andere reden. ‘De lezer kiest niet langer, hij wordt gekozen,’ sombert hij in zijn apocalyptische Brief aan cultureel Vlaanderen.7 Dat is ongetwijfeld te zwart-wit gesteld, maar Van den Broecks apodictische uitspraak geeft wel de essentie van het hedendaagse culturele keuzeprobleem aan.
Wat te lezen? En wat nog uit te geven? Welke betrouwbare gids moet de doorsnee boekenliefhebber, of hij nu lezer, handelaar of uitgever is, volgen, als zelfs de meeste recensenten geen overzicht meer hebben, laat staan de nodige historisch bagage om die massa boeken te plaatsen en te duiden? Dat keuzeprobleem geldt bovendien niet alleen voor boeken. Want behalve een boekenberg is er ook een soapberg, een schilderijenberg, een cd-berg en, sinds kort ook, een gestaag groeiende dvd-berg. Deze verwarrende en onrustmakende overvloed doet zich feitelijk op alle mogelijke cultuurdomeinen voor: theater, film, (pop)muziek, internet, sport, life style, entertainment, kranten, knuffels, tijdschriften, radio- en tv-programma’s, gastronomie, tentoonstellingen, consoles… ‘We maken te veel opera’s,’ zegt ook Gerard Mortier over zijn vakgebied.8 Het cultureel teveel zou wel eens een compensatie kunnen zijn voor het menselijk tekort, een compensatie ook voor het wegvallen van de veilige, overzichtelijke verzuilde samenleving.
Hoe dan ook, het overaanbod aan cultuurgoederen is een nog vrij jong fenomeen, maar het vormt intussen wel een extra probleem voor het boekenvak. Het boek heeft als drager van informatie, vorming en/of ontspanning zijn monopoliepositie zien ondergraven worden door andere media en amusementsvormen. Het boek is geen primus inter pares meer, zoals de spraakmakende gemeente met wortels in het Bildungsbürgertum probeert vol te houden. Het boek is nu een medium naast de talloze andere. Dat maakt niet alleen de concurrentie in het culturele veld veel groter. Het immense cultuuraanbod, dat kranten tot diverse bijlagen heeft geïnspireerd, zet ook aan tot zapgedrag. Zappen, shoppen, sampelen, het zijn niet voor niets hippe bastaardwoorden vandaag. In die zin is het teveel zowel spiegel als aanjager van de individualisering. Vandaar dat er nauwelijks nog canonisering plaatsvindt. De canon is vervangen door een commercieel gestuurde top 10 en die is even wisselvallig en inwisselbaar als de mode. Wat telt, althans oppervlakkig bekeken, is de mainstream, een vergaarbak van kwaliteit en pulp. Want laten we wel wezen, het teveel is niet louter een kwantitatieve term. Het teveel bevat ook veel kwaliteit.
Door de overvloed aan culturele goederen zijn we ook omnivoren geworden. Behalve specialisten pikken velen van alles wat mee uit het culturele totaalaanbod, met name dan datgene wat in de media komt bovendrijven. Het klinkt misschien paradoxaal, maar uitgerekend in de culturele overvloed ligt mede de oorzaak van de boekenberg. Anders is het onverklaarbaar en zelfs ronduit dom dat uitgevers in een krimpende markt elk jaar opnieuw weer meer boeken produceren. Noem het een vlucht vooruit. Een uitgeverij die maar 20 boeken per jaar produceert heeft maar 20 keer de kans om op de boekenberg opgemerkt te worden, de uitgever die 100 boeken uitgeeft vervijfvoudigt, althans in theorie, de mogelijkheid dat één van zijn boeken het grote peloton verlaat en de toptien haalt. Ik ken geen uitgever in het Nederlandstalig gebied die niet zeurt over overproductie, maar elke uitgever vindt tegelijkertijd dat vooral zijn collega’s overdrijven. Een onoplosbaar probleem dus. Tegelijkertijd blijft het de natte droom van elke uitgever om met minder boeken meer omzet (en winst) te realiseren, maar zo’n keuze voor small is beautiful is hachelijk. De angst om een bestseller mis te lopen zit er diep in. Critici die de evidente overproductie op de korrel nemen, beseffen amper dat talloos nieuwe boeken ook weer totaal nieuwe producten zijn, die niet op hun verkoopbaarheid vooraf getest zijn en zelfs niet getest kunnen worden, omdat zulke publieksenquêtes te duur zijn en telkens eenmalig. Een poëziebundel is een volslagen ander product - om die term maar eens te gebruiken - dan de biogra.e van Multatuli of een handleiding paddestoelplukken. Toch moet de uitgever elke keer weer voor elke nieuw boek de juiste doelgroep (proberen te) vinden.
Weet een uitgever dan niet vooraf welk publiek welk boek zal verkopen? Meestal niet, nee. Er zijn natuurlijk zekerheden - de nieuwe Kristien Hemmerechts, de nieuwe Jamie Oliver, de nieuwe Nicci French - maar veelal is het gokken. Uitgeven is vaak een vorm van roulettespel, niet omdat een uitgever in het wilde weg boeken uitgeeft, wel omdat hij erg afhankelijk is van derden om zijn boek in de kijker te werken en dus verkocht te krijgen: recensies in bladen, auteurinterviews in radio-en tvprogramma’s, nominaties en prijzen, de zichtbaarheid van een boek in de winkel (naast de kassa, in de etalage, in stapels op tafel of in het rek maakt commercieel een groot verschil uit - in Amerika moet een uitgever die een boek in de etalage wil hebben véél geld neerdokken), de mode, de actualiteit, enzovoort.9 Kortom, de economie van het uitgeven is in wezen irrationeel, en dan heb ik het nog niet over het eveneens vaak onredelijke gedrag van boekhandelaren om een boek al dan niet te (ver)kopen. De laatste jaren beginnen boekhandelaren boeken die niet tot de mainstream behoren al te weigeren. Dat maakt de handel in hoge mate onvoorspelbaar. Geen haar op mijn hoofd had ooit verwacht dat De wereld van Sofie van Jostein Gaarder - sinds 1994 - een kleine 400.000 hardcovers zou halen en in 2003 nog eens ruim 50.000 exemplaren als paperback. Het laatste was makkelijker in te schatten dan het eerste, omdat er zich al een verkooppatroon had gevormd. De eerste druk van de hardcover bedroeg een zuinige 5.000 exemplaren; de verkoop van de paperback was vooraf begroot op 40.000 exemplaren - 10% van de al verkochte oplage is een werkbaar uitgangspunt voor midprice edities. Maar waarom uitgerekend deze roman over filosofie zulke hoge ogen gooide blijft onverklaarbaar. De tijd was er rijp voor, hoor ik vaak. Het was het juiste boek op het juiste moment, beweren sommigen. Dat is allemaal achterafpraat, net zoals het gigantische succes van Harry Potter - in ons taalgebied een nooit eerder geziene eerste oplage van deel vijf van 1.000.000 exemplaren! - ontsnapt aan het bevattingsvermogen. En dan zwijg ik nog over de misdaadromans van Dan Brown die al maanden met drie titels in de top-tien staat, niet alleen in Vlaanderen en Nederland, maar in de hele wereld. Alleen al in 2004 verkocht De Da Vinci Code in het Nederlandstalig gebied om en bij de 600.000 exemplaren, terwijl van Het Juvenalis Dilemma - ook van Dan Brown - er zo’n 250.000 exemplaren van eigenaar wisselden. Zelfs In Europa van Geert Mak, een in alle opzichten zwaar boek, haalde meer dan 300.000 verkochte exemplaren op één jaar tijd. En al even opvallend: de verkoop van al deze megabestsellers handhaaft zich ook in 2005. Overigens hebben uitgevers het veel liever over hun enkele successen dan over hun vele mislukkingen Eén (magere) troost: ook bij flops is het koffiedikkijken waarom het beoogde resultaat niet gehaald werd.
Klagen over het feit dat er te veel boeken zijn is intussen een sport geworden, maar dan wel een sport waarvoor je geen inspanning hoeft te doen, zelfs niet met de hersenen. Zo’n klaagzang gaat namelijk gemakshalve voorbij aan de essentiële vraag: welke boeken zijn overbodig? Het antwoord op die vraag bestaat niet, dat verschilt van lezer tot lezer. Het literaire milieu bijvoorbeeld kijkt graag neer op misdaad-, kook- en tuinboeken. Toch is er een groter publiek voor dit soort boeken dan voor het gemiddelde literaire werk. Overbodig? Sinds ik zelf een ruime tuin tot mijn bezit mag rekenen (die ook onderhouden moet worden), zie ik het stapeltje tuinboeken in de gezinsbibliotheek zienderogen groeien. Natuurlijk zijn er ook vrijetijdsboeken die winkeldochters worden, maar er worden ook talloze prachtige romans uitgegeven die aan de straatstenen niet te slijten zijn. Zijn dat daarom overbodige boeken? Zijn kortom alleen de boeken die wél verkopen zinvol? Zelfs wie voor dit extreem liberale standpunt kiest, kan die vraag pas beantwoorden nadat het .nanciële plaatje van het boek helemaal rond is, en dat is pas nadat de verkoopsresultaten bekend zijn. Te laat dus.
Elke jeremiade over de boekenberg verdonkeremaant bovendien de soms moeilijke afwegingen die een uitgever maakt voor hij tot uitgave beslist. Veel criteria heeft een uitgever trouwens niet (meer) om zijn beslissing op te baseren. De ideologische aanpak en de literaire richtingenstrijd wegen veel minder zwaar dan vroeger. De exclusief vrijzinnige uitgever of de uitgever die zich specialiseert in louter literair experimenteel werk bestaan nagenoeg niet meer. Ik heb de verdwijning van dit stukje verzuiling nog net mogen meemaken. Toen ik op 1 september 1991 als uitgever begon, werd ik prompt gebeld door een ambitieuze Vlaamse jonge schrijver die per se zijn contract met Houtekiet voor zijn roman wilde annuleren. Reden: zijn boek paste niet bij mijn pro.el als uitgever - dat hij blijkbaar kende voor ik het zelf met vallen en opstaan had uitgezocht. Zijn magistrale roman is nog steeds niet verschenen, want een uitgever met een profiel dat alleen bij een bepaald soort auteurs past bestaat natuurlijk niet meer. Sterker, in het Nederlandstalig gebied heb je nog nauwelijks exclusief literaire uitgevers. Ook De Bezige Bij publiceert meer en meer non-fictie, net als De Arbeiderspers, die ook kruimels probeert mee te pikken van het marktsegment van de goedverkopende ‘damesliteratuur’, de zogenaamde chic-lit. Geen kwaad woord daarover trouwens. Het is een overlevingsstrategie als een ander. De culturele overvloed dwingt vele uitgevers tot uitgeven in de breedte - wat weer tot meer boeken leidt.
Welke criteria rest een uitgever om tot uitgave te beslissen? Kwaliteit en verkoopbaarheid, en bij voorkeur een combinatie van beide. Dat lijken erg eenduidige normen, maar dat zijn ze allerminst. Wat is een goed boek? Elke uitgever denkt daar anders over, om van boekhandelaars en lezers nog te zwijgen. Hoe dan ook, er is niet altijd een rechtstreeks verband tussen kwantiteit en kwaliteit. Het eerste is overigens een meetbaar begrip, het tweede niet. En als verkoopbaarheid een criterium is waarom geven uitgevers dan zoveel boeken uit die niet of nauwelijks verkopen? Toenmalig grootuitgever Mai Spijkers van het PCM-concern gaf in de Volkskrant toe dat 40% van zijn boeken voor minder dan 1% omzet zorgen.10 Hij had die 40% dus net zo goed niet kunnen uitgeven. Er is nog een ander cijfer. In 1996 bedroeg de gemiddelde verkochte oplage van een literair werk in ons taalgebied amper 1.025 exemplaren. Aangezien in dat cijfer de bestsellers verrekend zijn, betekent dit dat de meeste boeken nog veel minder verkopen. Met zulke lage aantallen komen uitgevers niet of nauwelijks uit hun productiekosten. Waarom doen ze het dan? Omdat ze op een gegeven moment, al dan niet geadviseerd door hun verkoopafdeling, een gat in de markt voor dat boek zagen. Maar die markt is, net als de beurs, uiterst volatiel.11 Ook dat verschijnsel is vrij recent en weerspiegelt waarschijnlijk onze hele samenleving. We spurten van hype naar hype. De gemiddelde omloopsnelheid van een boek is bovendien teruggevallen op twee à drie maanden. Wat gisteren (niet) verkocht als zoete broodjes, hoopt zich vandaag op bij De Slegte. Wat vandaag regel is, kan morgen een uitzondering worden. Jaren hoor ik boekenhandelaren en verkopers parmantig verkondigen dat sportboeken niet te slijten zijn, vandaag halen ze de bestsellerlijsten.12 Non-fictie voor de jeugd is onverkoopbaar, heet het. Met dat argument wees een Nederlandse collega-uitgever Kaas en de evolutietheorie van Bas Haring af.13 Een Houtekiet-redacteur was er zo laaiend enthousiast over dat we er geen moment aan twijfelden het te publiceren. Het boek won in Vlaanderen de Gouden Uil voor de Jeugd en in Nederland de Eurekaprijs voor het beste wetenschappelijke boek. Het heeft inmiddels ruim 45.000 exemplaren verkocht en is vertaald in het Duits, - ook in Duitsland heeft het boek een belangrijke prijs gewonnen - het Noors en het Koreaans. Wat heet onverkoopbaar. Maar het is niet omdat een boek uitgesproken kwaliteiten heeft dat het per de.nitie behoorlijk verkoopt. De ene keer pakt het positief uit, de andere keer is het een slag in het water. De vele uitgevers die Harry Potter of Dan Brown hebben afgewezen, rukken zich vandaag waarschijnlijk de haren uit het hoofd en betreuren hun vergissing. Maar was het wel een vergissing? Achteraf ja, telkens weer achteraf. Ik prijs me gelukkig dat ik het nooit in manuscriptvorm op mijn bureau heb gekregen.
Er is nog een derde criterium dat uitgevers tot publicatie doet beslissen, een criterium dat naar mijn gevoel zwaarder en zwaarder begint door te wegen: de promootbaarheid en street credibility van de auteur. Elk boek in de boekenberg krijst om aandacht, concurreert met alle andere boeken, ook die van dezelfde uitgeverij, want zowel het budget als de leestijd van de boekenconsument is beperkt. Alleen die boeken die echt de aandacht op zich weten te vestigen overleven, althans in de boekhandel, en dan nog maar voor korte tijd meestal. De uitgever is dus vandaag tegelijkertijd, tegen heug en meug, een sandwichman. Een moderne uitgeverij is zijn eigen reclamebedrijf. Maar ook van de auteur wordt van langsom meer verwacht dat hij een communicator is en het publiek kan bespelen. De schrijver als performer. Tom Lanoye en Arnold Grunberg zijn er het prototype van. Een auteur moet tegenwoordig bij zijn boek een hapklaar verhaal kunnen leveren dat door de media gretig wordt opgezogen en gereproduceerd. Een schitterend boek schrijven, volstaat vaak niet meer. Een vlotte beurt in een tv-show doet meer verkopen dan een enthousiasmerende recensie. Zelfs een slechte kritiek is in het gevecht om lezers/kopers nog altijd beter dan helemaal geen recensie. ‘Wie schrijft, die blijft’ moet vandaag worden aangevuld met ‘tot de volgende talkshow’. Het ergste wat een auteur (én uitgever) kan overkomen is dat niemand aandacht aan zijn boek besteedt - en de kans dat dat gebeurt groeit ironisch genoeg naarmate er meer boeken worden uitgegeven. Ook de media worstelen immers met de overvloed en klampen zich vast aan de meest spraakmakende evenementen. Dat leidt tot allerlei hansworsterijen die vroeger ondenkbaar waren in het boekenvak. Op de Frankfurter Buchmesse 2003 werd een film over Cees Nooteboom - nochtans wereldberoemd in Duitsland - tot groot ongenoegen van de auteur overstemd door de gelijktijdige presentatie van een werk over Mohammed Ali dat, het Olympisch motto indachtig, het grootste, zwaarste en dikste boek ter wereld was! De toch niet onbekende Nederlandse schrijver Atte Jongstra adverteerde voor één van zijn romans dan weer met zijn eigen overlijdensbericht, uit pure frustratie dat zijn boeken nooit de drempel van 2.000 exemplaren overschrijden. Hij hoopte dat zijn gefingeerde dood meer kopers zou lokken. En menig boekhandelaar die om op 22 november 2003 om middernacht het vijfde deel van Harry Potter begon te verkopen, was verkleed als heks, zwaaide met een toverstokje en tapte Glühwein voor de klanten. Elke trigger is kortom goed om de media te halen. Het is dan ook geen toeval dat zoveel Beroemde Nederlanders of Vlamingen boeken (laten) schrijven. Of dat de jaarlijkse Boekenbeurs in Antwerpen meer en meer op een walk of fame begint te lijken waar handtekeningenjagers even oog in oog kunnen staan met beroemdheden.14 Op de Boekenbeurs van 2003 waren er meer dan 600 signerende auteurs en niet minder dan 1.433 signeersessies.15 De spektakelmaatschappij heeft trouwens al langer dan vandaag zijn intrede gedaan in de literaire wereld. Ondanks de zogenaamde ontlezing (of misschien wel dankzij) is het aantal promotieactiviteiten voor het fictieboek explosief toegenomen: Saint Amour, de Pocketweek, Het Nationale Voorleesontbijt, Geletterde Mensen, De Nachten, de Literaire Lente, Literaal, De Nacht(en) van de Poëzie, Het Andere Boek, Het Groot Beschrijf, Wereldboekendag, Poetry International, de Zomer (Vlaams) en Maand (Nederlands) van het Spannende Boek, Gedichtendag, het Boekenbal, de Jeugdboekenweek, de Boekenweek, de Maand van de Filosofie, Antwerpen Wereldboekenstad… het houdt gewoon niet op. Wie aan een groot deel van deze wervend bedoelde acties participeert, heeft geen of nauwelijks tijd meer om te lezen. Zo raakt de huidige leescultuur gevangen in de paradox dat zijn meest enthousiaste aanhangers alleen nog maar horen (voor)lezen door derden. Kunnen we dit nog geletterdheid noemen?
En hoe is het de uitgever te moede? De uitgever, hij boert voort. Hij en zijn team zijn meer dan ooit in een vrijwel dagelijkse uitputtingslag verwikkeld om de interesse van de potentiële kopers voor zijn boeken te wekken. Te midden van die hectiek wordt de uitgever wel geacht in alle sereniteit ook boeken te lezen en te beoordelen, een lastige klus, want hij kan in de heksenketel van de spektakelmaatschappij almaar moeilijker zijn hoofd leeg houden of maken. Nu eens is hij himmelhoch jauchzend, dan weer zum Tode betrübt. Alleen de uitgever die echt van boeken houdt, kan op de almaar zeldzamer wordende rustige momenten verzaligd het vers van Goethe aanvullen met: Glücklich allein/ist die Seele, die liebt.

1 H.M. ENZENSBERGER, Lof van de inconsequentie, (Amsterdam, 1990), ‘Over de onwetendheid’, pp.32-46
2 A.TH. VAN DEURSEN, Mensen van klein vermogen. Het kopergeld van de Gouden Eeuw (Amsterdam, 1991), p. 158
3 A.Golahny, Rembrandt’s Reading - the Artist’s Bookshelf of Ancient Poetry and History, (Amsterdam, 2003); John Michael Montias, Vermeer en zijn milieu, (Baarn, 1993); Rubens en zijn bibliotheek. Een hart voor boeken, tentoonstellingscatalogus, (Antwerpen, 2004). Voor wie meer wil weten over het boekenbezit van geleerden, particulieren of kloosters kan ik in deze catalogus het artikel ‘Particulier boekenbezit in de zeventiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden’ van Pierre Delsaerdt aanbevelen.
4 B. LEWIS, Wat is er misgegaan? De betrekkingen tussen het Westen en het Midden-Oosten (Amsterdam, 2002), p.157
5 F. VUIJSJE, in ‘Tyler Cowen, cultuuroptimist, Vrij Nederland, 6 december 2003, p. 26. Wie meer in een apocalyptische versie van het (Amerikaanse) boekenvak geïnteresseerd is, leze A.SCHIFFRIN, The Business of Books (London/New York, 2000). Misschien nog dit: 20.000 nieuwe boeken per jaar in ons taalgebied is inderdaad gigantisch, maar het is een fractie in vergelijking met de ruim één miljoen Nederlandse vrijetijdsschrijvers, zie A. TRUIJENS, ‘Schrijfgek Nederland’, in de Volkskrant, vrijdag 31 oktober 2003, p. 21
6 H. BOCKMA en J.RAMAER, ‘Het boek gaat ontploffen’, in de Volkskrant, donderdag 27 november 2003, ‘Horen + zien. Boeken-, cd- en dvdbijlage’, p.3
7 W. VAN DEN BROECK, ‘Op gelijke voet. Brief aan cultureel Vlaanderen’, (Leuven, 2003), p.136
8 De Standaard, 29 november 2003, p.15
9Een voorbeeld. In 1999 publiceerde Houtekiet ‘Kosovo, De uitgestelde oorlog’ van de eminente Balkan-kenner Raymond Detrez. De eerste oplage bedroeg een veilige 1500 ex. Amper een week na publicatie begonnen de NAVO-bombardementen, dat was een onbetaalbare barnumcampagne voor het boek, zo bleek (cynisch), want tegen alle verwachtingen in, werden er meer dan 7.000 ex. van verkocht. Ook Detrez’ veel oudere slapende titels ‘De Balkan. Van burenruzie tot burgeroorlog’ (1992) en ‘De Sloop van Joegoslavië’ (1996) waren in een mum van tijd uitverkocht.
10 P. DEPONDT, ‘Lawinegevaar op de boekenberg’, in de Volkskrant, vrijdag 14 november 2003, p.25
11 Eén van de gevolgen van de hedendaagse volatiliteit in het boekenvak is dat langdurige reeksen die de canon levendig willen houden moeilijk te handhaven zijn. Cfr. ‘Culture on the Market’, in The New York Review of Books, November 6, 2003, pp. 70-73: ‘In any case, it has become common enough to find that when the fifth volume of a new, complete, and at least temporarily adequate text of a classical author appears, volumes one to four are already unavailable.’ Ook Houtekiet maakt dit mee met zijn Vlaamse Bibliotheek (1998-2004), 37 delen modernistisch Vlaams proza in een verschijningsprogramma van 6 jaar. We stellen vast dat vrijwel geen enkele boekhandel de hele reeks op voorraad heeft/houdt, zodat van reekswerking nauwelijks sprake is. Misschien bieden het e-book en publishing on demand hier een oplossing, maar dat is een heel ander onderwerp. Overigens bestaan er in het boekenvak nog veel andere vormen van volatilileit dan de hoge omloopsnelheid van het boek: fusies van uitgeverijen, uitval van boekhandels, groot personeelsverloop, toenemende ontrouw van auteurs, redacteurs, directeurs en uitgevers aan een enkele uitgeverij, verkoop van bestellers door branchevreemde winkelketens, enzovoort. Een mooi overzicht van deze permanente stoelendans stond in de Volkskrant van 11 april 2005 12 Twee voorbeelden uit eigen huis: SIMON ZWARTKRUIS, ‘Clarence Seedorf. De biografie’ (Antwerpen, 2003) haalde in Nederland ruim 14.000 verkochte exemplaren; MICHEL WUYTS, ‘Renners van nu’ (Antwerpen, 2003) verkocht in Vlaanderen meer dan 7.500 ex. Als ik Houtekiet-voorbeelden geef, zijn die niet bedoeld als verdoken reclame, maar om dit essay met concrete cijfers te onderbouwen uit de eigen praktijk. Overigens gebruik ik expliciet voorbeelden van boeken die geen promotie meer nodig hebben.
13 Hetzelfde argument gaf Bloomsbury, de Britse uitgever die groot is geworden dankzij Harry Potter, om, ondanks de kwaliteiten van het boek, een Engelse vertaling af te wijzen.
14 J. DE PRETER en W. EETEZONNE, ‘De beurs van de BV’s’, in De Morgen, 12 november 2003, p. 23
15 De Standaard, 12 november 2003, p.15, onder de buitenlandse beroemdheden onder meer Redmond O’Hanlon, Rick De Leeuw, Germaine Greer, Sean French, Harry Mulisch, Erica Jong, Thea Beckman en Guy Gilbert.