Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

De wereld zou me dankbaar moeten zijn

Marnix Verplancke

When you are old and grey and full of sleep,
And nodding by the fire, take down this book,
And slowly read, and dream of the soft look
Your eyes had once, and of their shadows deep;

How many loved your moments of glad grace,
And loved your beauty with love false or true,
But one man loved the pilgrim soul in you,
And loved the sorrows of your changing face;

And bending down beside the glowing bars,
Murmur, a little sadly, how Love fled
And paced upon the mountains overhead
And hid his face amid a crowd of stars.


Net als Quand vous serez bien vieille, het gedicht dat de zestiende-eeuwse Franse humanist Pierre de Ronsard voor zijn geliefde Hélène componeerde en waardoor W.B. Yeats zich bij het schrijven van bovenstaande verzen liet inspireren, behoort When you are old and grey tot de grote klassieke liefdespoëzie. Hier is sprake van een totale, onvoorwaardelijke liefde, een leven lang, in goede en slechte tijden, een liefde die het aardse overstijgt en bijna irreëel is. In de verte horen we Dante de lof van Beatrice zingen en zien we Petrarca door de knieën gaan voor Laura. En inderdaad, wat er bestond tussen William Yeats en Maud Gonne moet zo ongeveer van dezelfde statuur geweest zijn, met dit verschil dat hun verhaal van onvervuld verlangen niet in het zwoele Italië speelde, maar wel in het barre Ierland en dat het pas een eeuw geleden plaatsgreep, waardoor het des te treffender is.
Toen de drieëntwintigjarige Yeats op 30 januari 1889 Maud Gonne voor het eerst zijn ouderlijke huis zag binnenkomen had hij het al meteen te pakken. “De mooiste vrouw die hij ooit gezien had,” schreef hij later in zijn memoires, “bewoog zich door de kamer als was ze een Griekse godin.” Maar Gonne was niet naar huize Yeats gekomen om er haar exuberante schoonheid ten toon te spreiden. Die kon haar trouwens wellicht gestolen worden, want ze zag zichzelf bovenal als een voorvechtster van het Ierse nationalisme: een politieke activiste die het van haar woorden en daden moest hebben en niet van haar fraaie appelbloesemwangen.
Dat Gonne op bezoek ging bij Yeats was een ideetje van John O’Leary, de pacifistische nationalist die na vijf jaar Engelse dwangarbeid en een lange Franse ballingschap in 1884 teruggekeerd was naar Dublin. O’Leary was een literair onderlegd man met een bijzondere interesse voor poëzie en kreeg al gauw de jonge dichters op zijn hand, waaronder Yeats natuurlijk. De jonge William was toen, wat het Ierse nationalisme betreft, zeker geen volstrekt onwetende meer. Daarvoor was hij te veel de zoon van zijn vader John, maar het uit ‘86 daterende ‘Two Titans, a Political Poem’, Yeats’ eerste echte Ierse gedicht, was er wellicht zonder O’Leary toch nooit gekomen.
Het klikte meteen tussen Maud en William en het duo besliste de dag nadien samen te dineren, waarbij er tussen de happen door vooral over politiek gesproken werd en over de beste manier om ideeën in praktijk om te zetten. Gonne, zo bleek van bij de aanvang, was iemand van het gewapend verzet. Ze was van Anglo-Ierse bourgeois afkomst en had aan beide bijvoeglijke naamwoorden een even grote hekel. De beuk erin, zou je haar devies wellicht nog het best kunnen omschrijven, en al dat gefilosofeer over de economische en sociologische bijkomstigheden van een revolutie leek haar niet meer dan een conservatief schijnmanoeuvre. Eens die verdomde Engelsen de Ierse zee weer over, zou het allemaal vanzelf wel goed komen. Yeats zag het helemaal anders. Hij haatte de Engelsen niet, zo benadrukte hij, maar wel het Engelse materialisme. Gewapend verzet zei hem niets, want hij wou de Ieren niet alleen vrij maken, hij wou ze ook opvoeden. Hij wou hen opnieuw laten kennismaken met hun mystieke wortels en als ze maar met genoeg zouden opkomen voor hun eigen identiteit zouden de Engelsen vanzelf hun biezen pakken. Zijn persoonlijke bijdrage tot de Ierse vrijmaking zag hij dan ook vooral beperkt tot het oprichten van literaire genootschappen en bibliotheken. Hoe weinig hij naar onze normen wel afwist van de politieke realiteit mag blijken uit zijn brief van 1 februari 1889 gericht aan John O’Leary waarin hij schrijft dat Gonne denkt dat Bismarck “achter de dood van de Oostenrijkse koning zit, of was het de prins? Je weet wel, degene die onlangs stierf”.
Ook al hadden Yeats en Gonne hun eigen kijk op de politieke realiteit, toch dreef deze geen wig tussen hen. Integendeel zelfs, zonder de politiek zou de liefde wellicht nooit stand gehouden hebben. Ze kwamen elkaar een heel eind tegemoet en Maud en William werden een frequent samen gezien duo. Zij vervoegde The Golden Dawn, de esoterische sekte waarvan hij lid was en die de Ierse mystiek nieuwe leven wou inblazen, om ze een paar maanden later alweer de rug toe te keren omdat ze het een stelletje Engelse blaasbalgen vond. Hij bedekte haar standpunt met de mantel der platonische liefde en schreef een aantal toneelstukken voor haar, waarin ze - in The Countess Cathleen - de redster van het vaderland werd die bereid was haar ziel aan de duivel te verpanden in ruil voor voedsel voor de arme boeren.
Het betekenisvolle hoogtepunt van hun politieke liaison die zijn weerslag kreeg in tientallen parels van gedichten vond plaats in 1897, toen koningin Victoria om haar diamanten jubileum te vieren het hele Britse Rijk wou bezoeken en dus ook Dublin aandeed. De stad raakte door dit gebeuren compleet gepolariseerd. De politie diende de winkels die hun uitstalraam versierd hadden te bewaken en er werd voor rellen gevreesd. James Connolly hield in Dame Street een protestbijeenkomst waar ook Maud Gonne als spreekster optrad. Ze vertelde hoe ze die ochtend naar St. Michan’s Church gegaan was om de graven te versieren van de United Irishmen die in de revolutie van 1798 waren gesneuveld en de deur gesloten had gevonden omwille van het bezoek van de koningin. “Must the graves of our dead go undecorated because Victoria has her Jubilee?” luidde haar retorisch vraag aan de uitzinnige luisteraars. Daarna trok de massa in stoet naar Rutland Square, wat nu Parnell Square is. Daar stonden borden opgesteld met daarop de getallen van het aantal Ieren dat onder Victoria uitgezet, vervolgd en veroordeeld was. Gonne voerde een doodskist op met het opschrift “The British Empire”. Het kookpunt van de massa werd overschreden, de mouwen werden opgerold en er sneuvelden honderden ramen. De politie chargeerde, sloeg een oude vrouw dood en tweehonderd andere Dubliners het ziekenhuis in. Gonne triomfeerde en Yeats, tot nu toe louter een toeschouwer, wou maar een ding: zo vlug mogelijk zijn wilde schoonheid afvoeren. Dit liep volgens hem helemaal fout.
Hoezeer hun politieke tactiek - en hun algemene temperament - verschilde bleek trouwens drie jaar later alweer, toen Victoria Dublin nogmaals aandeed, nu om de eeuwwende te vieren. Om de 12.000 unionistische kinderen te counteren die opgetrommeld waren om de koningin te groeten, organiseerde Gonne een tegenbetoging met 40.000 nationalistische kinderen. Yeats - als was hij een kwajongen - kwam niet verder dan het stiekem oprollen van de rode loper waarover Victoria met haar koninklijke schoenen had moeten schreiden.
Maar het was ook net het politieke dat Maud en William op privé-vlak uit elkaar hield. Veel tijd voor romantiek hadden ze niet. Gonne zat vaak voor lange periodes in Frankrijk en Yeats had een vaste stek in Londen. Er werd nogal wat afgesmacht in brieven en gedichten, maar fysieke liefde kwam er niet aan te pas. In 1891 had Yeats Gonne een huwelijksaanzoek gedaan. Ze was geflatteerd, maar antwoordde daarom niet minder kordaat dat ze veel van hem hield en dat ze altijd vrienden zouden blijven, maar trouwen zat er niet in. Dat kon ze gewoonweg niet. In plaats van Gonne uit zijn gedachten te zetten, stak Yeats echter een tandje bij. In zijn poëzie werd Maud de ongenaakbare pre-rafaëllitische schone, de koningin van de kuisheid die boven de wereldse liefde stond en alleen in staat was tot een spiritueel huwelijk. In 1896 had hij wel een lichamelijke scharrel met Olivia Shakespear, een ongelukkig getrouwde romanschrijfster en de moeder van Dorothy, het meisje waarmee Ezra Pound in 1904 in het huwelijk zou treden, maar zijn diepe liefde voor Maud Gonne kwam daardoor niet in gevaar. Meer zelfs, toen Shakespear het plan opvatte haar echtgenoot te verlaten en bij Yeats in te trekken, liet hij haar zachtjes verstaan dat zoiets niet de bedoeling kon zijn.
De opdoffer die Maud hem in 1898 verkocht moet dan ook hard aangekomen zijn. In het Nassau-hotel, Gonnes vaste stek in Dublin in die tijd, waren ze samen aan het werk, plannen maken voor een Iers theater en de Order of Celtic Mysteries. Ze waren nog maar zelden zo intiem geweest en op een ochtend vertelde Yeats haar dat hij die nacht gedroomd had dat ze hem kuste. Gonne had een gelijkaardige ervaring gehad. Er was een spiritueel gezelschap aan haar bed verschenen, waaronder Yeats. Iemand had haar hand genomen en het in dat van de dichter gelegd en verklaard dat ze voortaan man en vrouw waren. Het was een opmerkelijk toeval geweest en de twee geestesgenoten begonnen erover te filosoferen. Van het een kwam het ander en het idee van een reëel huwelijk stak opnieuw de kop op. Gonne werd openhartig en bekende dat dit echt niet kon. Ze was immers niet die onschuldige vrouw waar hij haar voor hield. In Frankrijk was ze eind jaren tachtig verliefd geworden op de journalist Lucien Millevoye. Op 11 januari 1890 was hun zoontje Georges geboren, een beeldschone baby die echter anderhalf jaar later gestorven was aan meningitis. Haar verdriet was enorm geweest en ze zou alles gedaan hebben om het kind terug tot leven te wekken, inclusief vrijen met Millevoye in de crypte van de kapel waar Georges begraven lag; een daad die trouwens niet helemaal zonder resultaat was gebleven aangezien ze op die manier zwanger was geworden van een tweede kind, de in 1895 geboren dochter Iseult.
Het is moeilijk in te schatten wat die woorden bij Yeats veroorzaakten. Tien jaar lang was hij blind geweest en had hij het ideaal van een vrouw aanbeden in plaats van de vrouw zelf. Over hun ideale, spirituele eenwording had hij geschreven: “when such bodies join / There is no touching here, touching there, / Nor straining joy, but whole is joined to whole; / For the intercourse of angels is a light / Where for its moment both seem lost, consumed”. Het was een grote leugen gebleken en zijn reactie was tweeledig. Enerzijds zwoor hij de Rossetti-vrouwen op slag en stoot af. Gedaan met het trillen als een espenblad bij het zien van de frêle geliefde. Voortaan wou hij “clear light, strong bodies”, en hij begon een affaire met de flink uit de kluiten gewassen masseuse Mabel Dickinson. Op poëtisch vlak zorgde Gonnes bekentenis eveneens voor een ommezwaai. Tussen 1898 en 1901 kreeg Yeats geen liefdespoëzie meer uit zijn pen geperst, en wanneer het hem uiteindelijk toch weer lukte was die gericht aan een ander soort vrouw, menselijker, een moeder die ouder wordt en rimpels rond de ogen krijgt: “Your well-beloved’s hair has threads of grey, / And little shadows come about her eyes”, schrijft hij bijvoorbeeld in ‘The Folly of Being Comforted’.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de liefde laat zich zoals bekend niet leiden. De vrouw waar zijn nieuwe liefdespoëzie aan gericht was, was niemand minder dan Maud Gonne. En wanneer er een openingsstuk voor het eerste Ierse theater - het Dublinse Abbey Theatre - geschreven moest worden, kwam Yeats met Cathleen ni Houlihan voor de dag, een ode aan moeder Ierland waarin de hoofdrol voor Gonne was weggelegd en waaruit zij voor eens en altijd als de Keltische Jeanne d’Arc naar voor zou komen. Het applaus na afloop van de première was overweldigend. Yeats en Gonne hadden het nog maar eens gefikst, en al zouden ze samen nimmer een echt kind op de wereld zetten, het Abbey Theatre is toch zowat de dichtste benadering ervan die ze ooit bereikten.
Yeats leek zich zo stilaan bij de wereldse status van zijn geliefde Maud neergelegd te hebben en misschien, zo dacht hij, vereenvoudigde dat de zaken trouwens wel een stuk - was het immers niet makkelijker iets te beginnen met een mens dan met een heilige? - toen hij alweer een kaakslag van haar kreeg. Op een avond, net voor hij een lezing diende te geven, kreeg hij een telegram van Gonne waarin ze meldde dat ze op 21 februari 1903 in Parijs met majoor John MacBride was getrouwd. Het was alsof er iemand het licht uitknipte in de zaal. Yeats ging toch het podium op, gaf een van de beste lezingen uit zijn hele carrière, maar kon zich nadien met de beste wil van de wereld niet herinneren wat hij had gezegd. Waarom MacBride, vroeg hij zich steeds opnieuw af. Dat was toch maar een stomme militair en geen dichter, occultist of gecultiveerd man zoals hijzelf, en voor zover hij zich nadien liet vertellen was het zelfs geen groot minnaar. De schuld moest dus volledig bij hem liggen. Gonne had MacBride boven hem verkozen omdat hij gewoon niet goed genoeg was. Het resultaat was opnieuw tweeledig. Enerzijds ging hij de boer op en had hij binnen het jaar drie seksuele relaties. Anderzijds wees hij de poëzie af - hij zou de komende vijf jaar slechts één gedicht schrijven - en legde hij zich volledig toe op toneel, wat resulteerde in niet minder dan vijf stukken die expliciet over de schuldvraag gingen en een aantal Ierse heroïsche tragedies. Later zou hij Gonne schrijven hoe hij op dat moment artistiek vast zat: “Nothing to make a song about but kings, / Helmets and swords, and half-forgotten things / That were but memories of you”.
Maar Maud Gonnes huwelijk liep al vlug op de klippen. In juni 1904 werd zoon Sean geboren, het kind dat zou uitgroeien tot een van de Grote Ierse republikeinen. Sean zette zich in voor het lot van politieke gevangenen, stond aan de wieg van Amnesty International en mocht in 1974 de Nobelprijs voor de vrede in ontvangst nemen. MacBride kon zich niet vinden in de huwelijkse staat, zette het op een zuipen en vervreemdde zienderogen van zijn gezin. Het koppel woonde in Frankrijk en een echtscheiding behoorde dus tot de mogelijkheden. In 1905 zette Gonne de stap en ze kreeg het hoederecht over haar zoon toegewezen. Wat in feite een intriest verhaal was, werd in Ierland helemaal anders geconcipieerd. Daar was Gonne een gevallen vrouw die haar man in de steek had gelaten en dat zou ze weten ook. Toen ze in 1906 in het Abbey Theatre samen met Yeats op het podium verscheen, werd ze door de toeschouwers uitgejouwd, en bij haar vroegere nationalistische compagnons, allemaal vrienden van MacBride zo bleek, was ze ook niet meer welkom. Wat volgde was een decennium in Frankrijk, pendelend tussen Parijs en haar huis aan de Normandische kust. Ze schreef nog wel opruiende artikels, maar Dublin bezoeken deed ze niet meer, deels ook omdat ze vreesde het hoederecht over Sean te verliezen. Ierland erkende immers haar echtscheiding niet.
Ook al ging de paasopstand van 1916 in feite voorbij aan Gonne en Yeats - zij zat in Parijs, hij in Gloucester - toch zou die hun relatie in een definitieve plooi leggen. Nadat het Britse leger met een kanonneerboot het door de rebellen bezette postgebouw en de wijde omgeving errond in gruzelementen had geschoten werden de opstandelingen gearresteerd en geëxecuteerd. Een van hen was John MacBride en van de ene dag op de andere was Gonne daardoor voor de Britse wetgeving een weduwe. Ze kon dus opnieuw trouwen. Yeats - hij had soms echt iets aandoenlijks - haastte zich naar Frankrijk en deed haar nog maar eens een aanzoek. Opnieuw wees ze het af, waarop de dichter een week later zijn aanzoek herhaalde, maar nu gericht aan de inmiddels eenentwintigjarige Iseult. Jij zult altijd mijn “uncle Willie” zijn, lachte ze gecharmeerd het voorstel van de dertig jaar oudere man weg, maar haar wettelijke echtgenoot zag ze spijtig genoeg niet in hem. In 1917 trouwde Yeats met Georgie Hyde-Lees, de aan spiritisme verknochte vijfentwintigjarige juffrouw waarover Gonne opmerkte: “Een goede vrouw, rijk natuurlijk, die hem de rest van zijn leven mag verzorgen. Ofwel wordt ze zijn slaaf, ofwel laat ze hem na een tijdje in de steek”, wat ze trouwens geen van beide heeft gedaan. Er knaagde duidelijk iets aan Gonne. De tijd van aanzoeken was definitief voorbij, begreep ze, en dat bleek een moeilijker pil om te slikken dan gedacht.
Maar jaloers was Gonne niet. Toen Yeats en zijn kersverse echtgenote naar Dublin wilden verhuizen en geen geschikte woonst vonden, bood Gonne hen haar huis op Stephen’s Green 73 aan. Zij zat op dat moment in de gevangenis op verdenking van medeplichtigheid aan een Duits complot en de huur werd sowieso betaald, dus waarom er die tortelduiven niet in laten verblijven? Maar Yeats was een stuk afstandelijker geworden. Toen Gonne vrij kwam en aan haar eigen deur klopte, wou hij haar zelfs niet binnenlaten. Nog diezelfde dag verhuisden de Yeatsen naar een nieuw adres. De passie was verdwenen. Yeats legde zich meer en meer toe op zijn esoterische geschriften, werd na de onafhankelijkheid van 1922 senator, kocht zijn eerste huis in Dublin, op Merrion Square 82 - “Mijn vader had het moeten meemaken”, merkte hij geëmotioneerd op - en kreeg twee jaar later de Nobelprijs voor literatuur.
Maud Gonne zag hij nog van tijd tot tijd. Het tweetal had samen teveel meegemaakt om voorgoed uit elkaars zicht te blijven, maar voor het eerst waren het, zoals Gonne altijd al gewild had, gewoon vrienden. Weliswaar goede vrienden, want beiden wisten dat ze zonder elkaar wellicht een volstrekt ander leven hadden geleid, of zoals Gonne ooit opmerkte nadat Yeats haar voor de zoveelste keer gevraagd had of ze niet met hem wou trouwen omdat hij zich zonder haar zo verdrietig voelde: “Jij bent helemaal niet verdrietig. Je puurt prachtige poëzie uit datgene wat je jouw verdriet noemt, en die maakt je gelukkig. Ons huwelijk zou zo’n vervelende zaak zijn. Dichters moeten trouwens nooit trouwen. De wereld zou me dankbaar moeten zijn omdat ik niet met je getrouwd ben”. En dat zijn we.