![]()


|
 |
Niet aan denken De antisociale persoonlijkheidsstoornis van
Mario van Nes
Femke Ponsioen
Belachelijk, wat een zinloze onderneming. Zie ons nu eens sjokken door
die teringblubber. We lijken wel plastic olifanten in die belachelijke
poncho’s. Tering, wat kan het hier regenen. Sinds dat we hier zijn neergepoot,
door een stel gesjeesde socio’s, pist het hier van de lucht. Ondenkbaar
dat er nog een triester oord bestaat dan dit hier.
Gisteren heeft Dickey Slovenië uit de atlas geknipt en hebben we
het ritueel verbrand. Het geborduurde tafelkleedje mocht er ook aan
geloven. Hup weg ermee. Adieu mestkevers, stelletje fuckers, de fik
erin. Hanno, die lullo, begon in paniek alle ramen open te gooien. Alleen
al bij het idee dat hij zou kunnen worden teruggestuurd en alsnog moet
zitten, krijgt hij zweetvoeten. Hanno kan niet tegen de bajes. Ik heb
twee keer met hem moeten tuchten en beide keren moesten ze hem volproppen
met benzo’s. Anders zag hij beestjes. Op een dag hadden we hem met klaverjassen
zo tuk, dat hij een week lang zijn pillen moest afdragen. Het weekend
daarop konden ze hem zo afvoeren naar de isoleer.
Ik zou het wel best vinden, als we terug zouden moeten. Dit alles hier
is zwaar klote. Je moet achterlijk vroeg opstaan, als een zwakzinnige
buiten in de aarde wroeten en van die shit ook nog een maaltijd zien
te koken. Ik heb het niet op die avondbesprekingen, groepsvergaderingen
en mentorgesprekken. Bij het woord groep, krijg ik de neiging om boven
de plee te gaan hangen. Geef mij maar een gewoon tuchthuis. Dan weet
je tenminste waar je aan toe bent. Ik ben geen groepsdier. Liever ga
ik er solo doorheen, met een blowtje voor de rust.
Vandaag gaan we naar de grotten van huppeldepup, om fijn aan onze groepsband
te werken. Het een en ander schijnt te wensen over te laten volgens
de socio’s. Het is toch te gek voor woorden. Nog zoiets. Wim heeft de
flessen drinken bij zich en Dickey onze lunchpakketten. Ik stelde voor
dat iedereen zijn eigen rotzooi zou dragen, maar nee, Juffrouw Mier
vond dat geen goed idee. Doel is, om er met elkaar voor te zorgen, dat
iedereen tenminste één keer de hele shitzooi draagt. Helemaal
lijp zijn die gasten. Zo gaat het dus dag in dag uit.
We zijn er. Een of andere Neanderthaler, die ze vast hier in de buurt
hebben opgegraven, is onze begeleider. Hij geeft ons ieder een helm
met een lamp erop, zodat we er nog belachelijker uitzien. Ik ben blij
dat Chantal me nooit zo zou kunnen zien. Ach, what the fuck, die ligt
waarschijnlijk al lang te krikken met die gozer van Chill Out. God we
moeten ook een tuigje om, waar je ballen door afgeknepen worden. ‘Don’t
play with my balls Tarzan,’ had ik willen zeggen, maar die vent lijkt
niet in voor een geintje. We moeten ons een voor een laten zakken door
een tunnel die naar beneden loopt. De rest moet boven aan de kabel gaan
hangen zodat je niet te pletter valt. ‘Prachtig, fijn dat ik op jullie
kan vertrouwen, jongens,’ imiteer ik Truus. ‘Zo is het maar net,’ tutert
Truus de Mier terug.
Beneden is het vochtig en pikkedonker. ‘Welkom in de geile gleuf van
ma Baker,’ fluistert Dickey. De Neanderthaler gaat voorop. De Kneus
sluit de rij. Achter me hoor ik Truus de Mier hijgen. Ik stel me voor
dat ik haar adem van zuurdesembrood en biologische pindakaas kan ruiken.
‘Leuk hè,’ piept ze. ‘Welcome to the temple of doom, suck my
blood and be my slave,’ grom ik. Ze zucht en houdt godzijdank even haar
ratel.
Het is vreemd om zo onder de grond te lopen. Het is alsof je op een
andere planeet loopt. Wanneer je een stap zet, beweegt de lamp op je
helm mee. Dit zorgt voor een spooky effect. Die schaduwen op de wanden
bewegen alle kanten op. Het doet me denken aan een videoclip van een
Gothic party. Wel gaaf. Ik had verwacht dat het hier zou stinken, zo’n
lucht die uit een verstopt doucheputje komt. Maar het ruikt fris, naar
mist of zoiets.
We komen uit op een soort van rotsplateau. Beneden in de diepte ligt
een meer. Boven ons hoofd hangen uitlopers van steen, die druppen alsof
ze verkouden zijn. ‘Hé Rio,’ schreeuwt Wim, ‘word je ook zo geil
van al die stalactieten?’
‘Ik krijg er al een druiper van als ik er naar kijk,’ galm ik terug.
Vervolgens pak ik de Kneus van achter beet en doe of ik hem over het
hek wil kieperen. Dickey pakt zijn been, ‘Hup, neem eens een frisse
duik Adri, dit water is goed voor je ogen, kun je gelijk die jampotten
in de glasbak gooien.’
‘Jongens, zo is het mooi geweest,’ jammert de Kneus. Achter me hoor
ik het getuuterdetuut van Truus de Mier. Ze trekt aan de rugzak die
Dickey om heeft. ‘En nu is het afgelopen,’ zeikt ze. ‘Blijf van me af,
biologische aardworm,’ sist Dickey.
‘Genoeg geweest,’ bast de Neanderthaler. In een klap laten we de Kneus
los. Ik draai me langzaam om. Jezus, wat een linkmiegel, zijn ogen vlammen,
als zo’n gedrocht uit hoe heet die film ook al weer. ‘Hooooo,’ mompelt
Wim zacht. ‘It’s alive!’ Hanno begint te giechelen. De Neanderthaler
laat zich niet afleiden, maar blijft ons strak aankijken. ‘Jouw krijg
ik nog wel holebeer,’ denk ik. ‘Don’t mess with this brother.’ Dan laten
zijn ogen me los.
Alsof er niets is gebeurd begint de Neanderthaler een fucking saai verhaal
over het ontstaan van de klotegrotten. Truus en de Kneus hangen aan
zijn lippen. Dickey en Wim laten de lichtbundels van hun helmen over
de tieten van Juffrouw Mier glijden. Hanno tuurt de diepte in en schudt
aan het hek. Niemand let op mij. Langzaam schuif ik achteruit de gang
in. Ik sluip terug, naar waar ik me een andere gang herinner. Ver weg
hoor ik Tarzan brullen. Die griezel zal me niet krijgen. Ik zet het
op een lopen, schiet de tunnel in, rechts langs meerdere plateaus, snel
naar links, rechts, een langwerpige ruimte in met knobbelzuilen. Ik
ren terwijl de lamp op m’n kop rondzwaait als een dronkeman. Wat een
kick om dat stelletje fuckers te slim af te zijn. Het hele uitje naar
de klote. Dat zal wel extra corvee, buitendienst en zeikgesprekken opleveren,
maar what the fuck, het is het waard.
In een rush voel ik de adrenaline door me heen trekken. Heel even, hier
diep onder de grond heb ik het gevoel dat ik leef. Het is hetzelfde
als een snuif coke, of het zetten van een kraak. Even heb je het gevoel
dat je op de rand balanceert. Dat soort momenten houden je scherp.
Het is stil hier. Er is een kleine ruimte met een nis, waar ik precies
in pas. De wanden voelen koud aan. Boven me hangen weer van die stalactieten.
Best geinig eigenlijk. Het lijkt alsof het plafond een enorme baard
heeft. Een druppende baard. Wanneer ik met mijn lamp omhoog schijn,
lijkt alles van zilver. Ik stel me voor dat niemand dit ooit heeft gezien.
Ik ben verdomme de enige die zo ver heeft durven gaan. Voor de eerste
keer kijkt een mensenoog naar deze stalentieten. Ook is het voor het
eerst in de geschiedenis dat er licht op deze rotsen valt. Nog nooit
heeft deze ruimte licht gezien. Ik weet niet, maar het windt me op,
dit idee. Eigenlijk had ik best ontdekkingsreiziger willen zijn.
Belachelijk, ik moet niet te veel denken. Hoe meer je denkt, hoe gekker
je wordt. Ik denk dat ik maar eens terug ga. Ze zullen nu wel genoeg
over de flos zijn. Ik zie de Kneus al besluiteloos staan, de helm van
ellende over zijn bril gezakt. Juffrouw Mier zal nu wel zwaar opgefokt
door de grot sputteren. En de Neanderthaler knijpt ‘m, want die Sloveense
dorpskevers zullen niet blij zijn, als ie er met eentje minder boven
komt. De jongens zullen zich verkneukelen, wie weet ook wel een tikkie
jaloers, omdat ze er zelf niet op zijn gekomen.
Jezus, wat een teringgangen. Het lijkt wel of ze er achter m’n rug,
twintig hebben bij gegraven. Hoe ben ik nu precies gegaan? Ik geloof
hierlangs. Nee, toch niet, hier heb je wel zo’n knobbelzuil, maar het
waren er meer. Tyfus, wat lijkt alles hier op elkaar. Wat zal ik doen,
naar links, rechtdoor? Jezus ik krijg het op m’n zenuwen van die schaduwen.
Het beweegt me allemaal net iets te veel. Alsof je naar een film kijkt,
van een parkinsonpatiënt. Straks loop ik steeds verder die kloteaarde
in. Wie weet kom ik er aan de andere kant wel uit. Shit, stel je voor,
je loopt en loopt totdat je boven je een ijzeren plaat ziet. Je duwt
het ding open en het blijkt een putdeksel te zijn. Opeens sta je midden
op de Champs-Elysées in Parijs. Dat zou pas weird zijn. Ik zou
onmiddellijk een bakkerij induiken en een zak croissantjes kopen. Shit
wat heb ik een honger. Hoe laat zou het zijn? Behoorlijk klote dat ik
mijn horloge en mobiel verpatst heb. Anders had ik zo Dickey effe kunnen
bellen. Zou geinig geweest zijn. Misschien zou het niet alleen geinig
geweest zijn, maar ook van levensbelang. Jezus, ik zit goed in de nesten.
Hé dit is een grotere ruimte. Fuck, beneden weer zo’n meer. Een
lullig stukje rots is dit. Geen hek hier. Er komen dus nooit toeristen
op deze plek. Kut, kut, kut. Dit zou wel eens het einde kunnen zijn.
Levend begraven, jezus. Misschien graven ze me pas eeuwen later weer
op. Dan word ik in een museum gezet. Tering, wat is het hier koud. Ik
moet uitkijken dat ik niet van die kloterichel kukel. Dan ben ik in
ieder geval van alles af. Hoe lang zou ik het uithouden zonder water
of eten? Klote, was ik maar niet zo lamlendig geweest, dan had ik nu
die rugzak van Dickey of Wim gehad. En hoelang zou deze fucking lamp
het nog uithouden? Shit, shit, shit. Ik moet die lamp maar uitdoen.
Gewoon hier blijven zitten. Ze zeggen dat je het beste op dezelfde plaats
kunt blijven. Dan is de kans groter dat ze je vinden.
Jezus, wat is het donker hier. En stil. Alleen dat gedruppel. Ik vraag
me af hoe lang het duurt voordat je daar volkomen maf van wordt. Het
is geen kraan die je effe dicht kan draaien. In China martelen ze mensen,
door om de zoveel tijd, een druppel op hun kop te laten vallen. Uiteindelijk
voelen die druppels als bakstenen. Word je helemaal gek van.
Zo is het dus om begraven te worden. Opeens zit je verdomme in een totaal
andere wereld. Wie weet zijn er hier overal beesten in de weer, van
die beesten waar je nooit aan denkt, omdat je ze niet ziet. Mollen,
aardwormen, ratten en van die dingen. Ze houden zich stil, maar je zult
zien, zodra ik hier het loodje leg, zijn ze er als de kippen bij om
aan te schuiven. Dan vreten ze je langzaam kaal. De fuckers. Shit, jezus,
ik wil niet begraven worden. Niet nu.
Hoe zal het nu boven zijn? Wie weet lopen er nu wel een rij Sloveense
padvindertjes boven m’n kop. Van die kereltjes met groene petjes en
witte spillepootjes. Ik heb nog nooit een padvindertje gezien zonder
spillepoten. Dat komt door die broeken. Altijd van die broeken, drie
maten te groot, tot op de knieën. Bij de gymles, vroeger, had ik
een keer zo’n broek achterover gedrukt. Dat jochie, hoe heette die ook
alweer, moest de verdere dag in z’n gymbroekkie door de school. Ik wilde
ook zo’n broek, omdat ik ook bij de padvinders wilde. Maar die ouwe
vond het een kouwekakclubje. Nee, hij vond het maar niks.
Tyfus, zit ik weer te denken. ‘Denken is voor luie donders,’ bromde
die ouwe altijd. ‘Voor mensen die te beroerd zijn hun handen uit de
mouwen te steken.’ Fuck, niet aan die ouwe denken nu. Denken, daar wordt
je niet beter van. Rustig nu, gewoon doorgaan met ademhalen. Relaxed
makker. Ze laten je niet zitten hier. Vroeg of laat komt er iemand.
Ze kunnen het gewoon niet maken om je hier te laten wegrotten. Maar
waarom ook niet. Ik bedoel, Truus de Mier zal verdomd opgelucht zijn
dat ze van me af is, om van de Kneus maar niet te spreken. Die Neanderthaler
had me het liefst ter plekke willen afschieten, dus hem zal het verder
ook een worst wezen. En de jongens? Die zullen het wel een vet verhaal
vinden, Rio die zichzelf uiteindelijk voorgoed vernaggelt. Misschien
zitten ze allang op de boerderij een kop koffie te drinken, bezig met
een nieuw corveerooster, nu er eentje weggevallen is. Shit, shit, niet
aan denken.
Ik word gek van dat gedruppel en die stilte. Misschien moet ik schreeuwen.
Jezus, ik wil mezelf nu niet horen schreeuwen. That’s not me. Het laatste
wat ik nu nog godverdomme heb, is mezelf hier. Dat ga ik nu niet op
de helling zetten. Ik weet het zeker, wanneer ik schreeuw, hoor ik iemand
anders. Dit is een fucking bad trip. Dit is fout. Straks ga ik Lisa
achterna. Jezus fuckerd, ga nu ook nog een keer aan Lisa denken. Dan
kan je net zo goed meteen van die richel duiken.
Weird, ik zie geen ene fuck, maar ik zou zweren dat er iemand naar me
kijkt. Effe die lamp aan. Nee, alles is nog hetzelfde. Wie zal er nu
in godsnaam op bezoek komen om een partij naar me te staren? Misschien
is dit wel een teken dat het afgelopen is. Dat heb ik wel eens gehoord,
dat dan iedereen nog eens voorbij komt. Fuckers, ik voel ze toch echt
naar me koekeloeren. Die vrouw van dat huis daar in de Lepelaarstraat.
Waarom moet ik verdomme nu aan dat mens denken? Ik voel dat ze verdomme
net zo kijkt als toen, toen ze naar beneden kwam. Ik was net haar video
aan het loskoppelen. Opeens stond ze daar, in een wit nachthemd met
van die ruches, waardoor ze veel jonger leek dan ze waarschijnlijk was.
Ze had lang krullend haar en aan een kant van die slaapvouwen in d’r
wang staan. Maf, zoals je dat in een halve seconde allemaal kunt zien.
Ik stond daar en zij stond daar, terwijl Vinny in de studeerkamer met
de pc in de weer was.
‘Alsjeblieft’ zei ze, ‘hier slapen kinderen.’
Jezus, ik sta daar met haar video onder mijn arm, onder de dope met
een achterlijke muts over m’n kop en zij begint over slapende kinderen.
Ik werd fucked up van dat wijf. Ik zal nooit haar gezicht vergeten toen
ik naar haar toeliep en siste dat ze heel snel moest zorgen dat ze bovenkwam.
Anders zou ikzelf eens naar boven gaan, om haar kinderen te verrassen.
Pure ontzetting in die ogen van d’r. Alsof ik een monster was. Toen
gaf het me een kick. Nu is het klote. Ontzettend klote allemaal.
Shit, shit, dit gaat niet goed. Jezus, ik flip. Harold Groenewaal, die
staat me hier ook aan te koekeloeren. Ik voel het gewoon. Harold Groenewaal.
Zo’n bleek spinnetje met van die broeken die je pantalons noemt. Elke
vrijdag bracht hij z’n klarinet mee, want dan moest ie zo nodig naar
muziekles. Hij was een studiebol, die Harold. Hele encyclopedieën
kende die vogel uit z’n hoofd. En hij schreef. Hij liet je dingen zien,
die je elke dag zag, maar nog nooit op die manier. Die verhalen waren
goed. Dat wisten we allemaal. Maar niemand die hem dat ooit heeft laten
merken. Wanneer hij z’n opstel moest voorlezen, gingen we gewoon gapen.
Maar iedereen luisterde. En iedereen wist dat iedereen luisterde. Dat
maakte me behoorlijk pissig. Toen hebben we hem ingesloten in de douches.
Hij zuchtte, alsof het nu eenmaal iets was wat gebeuren moest. We hoefden
niks te doen, hij ging vanzelf op de tegels liggen. Toen hebben we over
hem heen gepist. Ik zie nog hoe ik me richtte op zijn gezicht. Even
keek ie me strak aan, terwijl mijn pis langs zijn smoelwerk liep. Ik
schrok. Ik verwachtte angst, of haat. Maar ik zag medelijden. Alsof
hij verdomme wist dat ik ooit, jaren later, hier in m’n eentje, in die
klotegrot terecht zou komen. Shit, ik voel z’n pisogen gewoon hier.
En ma. Als het toch zo moet, kom jij me dan ook maar aanstaren. Want
fuck, je hebt niks anders gedaan. Nooit wat zeggen, nooit eens met de
vuist op tafel. Alleen maar staren met van die rode zwembadogen. Ik
zie je nog staren toen die kloteschool had gebeld, toen je ontdekte
dat je geld miste, toen het eerste stel wouten aan de deur kwam. Fuck,
fuck, fuck, ik word gek van die ogen. Oh god, this is bad. Fuckers,
help me. Jezus, alsjeblieft.
Ik ben er in gelopen. Ik ben in mezelf gelopen. Het is fucked up, maar
zo voel ik het. Deze klotegrot, dat ben ik. Ik loop door me eigen bloedvaten,
door m’n eigen ingewanden, door die hele klotemeuk vanbinnen. Ik ben
steeds dieper gegaan. Waar zit ik nu? Waar zit ik nu godverdomme? In
m’n kop? In m’n fucking hart? Ik weet het godverdomme niet meer. Ik
zit ergens waar ik niet wil zitten. That’s for sure. Ik zit in een kelder,
een kelder vol fucking ogen. De ogen van die ouwe, van ma, van Lisa,
van dat wijf uit de Lepelaarstraat, van die flikker van een Groenewaal,
van mij. Ik zit hier met omgedraaide ogen. Ik kijk zo m’n kop in. Ha,
ha, dit is waanzin. Ik kijk godverdomme de verkeerde kant op.
Oh, god, ook dat nog. Ik trek verdomme vacuüm. Shit, m’n hart.
M’n fucking hart. Dit gaat veel te snel allemaal. Ik hou het niet meer
bij. Lucht, geef me lucht. Dit is het. Ik stik godverdomme. M’n kop,
het wordt licht in m’n kop. Als ik flauw val, val ik naar beneden. Lucht,
alsjeblieft. Ik draai, ik draai in m’n fucking zelf. Dit moet stoppen.
Laat me verdomme de pijp uitgaan in deze grafkelder. Niet meer ademen.
Godverdomme, stop dan met ademen. O fuck, dit was het dan. Ik ga dood.
Daar is iemand. Ik droom dat er iemand is. Hij pakt me vast. Het maakt
geen fuck uit dat ik jank, hij houdt me gewoon tegen zich aan. Ik voel
hem ademen, ik houd me vast aan zijn adem. Hij houd een plastic zakje
voor m’n mond. Het zakje ruikt naar zuurdesembrood en pindakaas. Rustig
nu, zijn hand op m’n hoofd. Hij trekt me overeind. Zijn arm om mijn
schouders. Hij bromt dat het o.k is. Dat we naar buiten gaan. Zijn stem
lijkt op die van de Neanderthaler. Ik blijf bij hem, ook al lopen we
naar sint juttemis.
We lopen door bloedvaten, darmen, hartkamers; het zou hier warm moeten
zijn. Ik jank als een klein kind. Dan zie ik boven m’n hoofd licht.
Nu zijn er meer. Ze helpen me in een tuigje en roepen naar boven. Stukje
voor stukje word ik uit mezelf getrokken. M’n ogen draaien. Ik kijk
weer de goeie kant op. Naar de bomen in de schemer. Mooie dingen, die
bomen. Naar Truus de Mier, die staat te janken. Naar de Kneus, die glimlacht
alsof hij een of andere herrijzende Jezus ziet. De jongens trekken aan
de kabel en zingen: ‘Kom uit die grot zak, ik waarschuw niet meer, nee,
nee, nee, nee uit die grot zak, dit is de laatste keer.’ Ik grijns.
Weird, hoe alles hetzelfde is, maar toch zo verdomd anders.
|
 |
 | |
|