Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Een afgebladderd fresco
zoals ik was (7)

Joris Note

De verteller vertelt hoe hij in mei 1800 met het Franse leger over de Sint-Bernard trok. Eindelijk zien ze een huis liggen: 'Dat was het hospice! Hier kregen we [...] een half glas wijn [...] Ik herinner me alleen nog de wijn, we kregen er ongetwijfeld een stuk brood en kaas bij. Ik meen dat we naar binnen zijn gegaan, maar het kan ook zijn dat de vele verhalen die ik gehoord heb over het interieur van het hospice een beeld hebben opgeleverd dat na zesendertig jaar in de plaats van de werkelijkheid is gekomen. Hierin schuilt een gevaar voor vervalsing waarvan ik me bewust ben sinds ik drie maanden geleden ben gaan nadenken over dit waarheidsgetrouwe dagboek.
     De afdaling bij voorbeeld kan ik me nog heel goed voor de geest halen. Maar ik wil niet verhelen dat ik vijf of zes jaar later een gravure ervan gezien heb die ik uitstekend vond lijken, en mijn herinnering is alleen nog die gravure.
     Dat is ook het gevaar van het kopen van gravures van mooie schilderijen die men op zijn reizen ziet. Spoedig maakt de gravure de hele herinnering uit en vernietigt ze de echte herinnering. Dat is me gebeurd met de Madonna van San Sisto in Dresden [...]'.
     De verteller vertelt, haalt een herinnering op; tegelijk toont hij zich sceptisch tegenover de beperktheid en mogelijke onjuistheid van de herinnering, hij geeft een mogelijke uitleg voor die mogelijke onjuistheid, en die uitleg leidt naar een andere herinnering. De tekst beweegt, hij wiebelt en wankelt onder ons. Zo heb ik het graag.

Henri Beyle (1783-1842), Stendhal dus, werd in 1831 benoemd tot Frans consul in het Italiaanse Civitavecchia, waar hij zich danig verveelde: herinneringen aan boeiender tijden drongen zich op. In de zomer van 1832 begon hij aan Souvenirs d'égotisme, een verslag over zijn Parijse leven van het voorgaande decennium, maar na twee weken stopte hij al, het was trouwens te warm (La chaleur m'ôte les idées à 1 heure et demie). Drie jaar later ontstond een omvattender poging tot autobiografie: Vie de Henry Brulard. Stendhal werkte eraan van november 1835 tot maart 1836, toen hij met verlof ging naar Parijs; daarna nam hij de tekst nooit meer ter hand. In 1890 verscheen het lastig ontcijferbare manuscript van Brulard voor het eerst in druk. Latere edities zouden almaar vollediger en nauwkeuriger worden; de jongste (door Gérald Rannaud, 1996-1998) omvat een facsimile van het handschrift en een 'diplomatische' transcriptie. De Nederlandse vertaling van 1980 is verouderd en verre van volmaakt: hoog tijd voor een nieuwe versie. Maar ach, stel dat die er kwam, dan werd ze onverschillig ontvangen, en er zouden vast niet genoeg toelichtingen in staan. De Nederlands-Vlaamse flauwekulcultuur heeft geen behoefte aan dit soort werk.

Vie de Henry Brulard is niet zomaar een interessante negentiende-eeuwse autobiografie; het is een onvergelijkelijk boek, dat altijd zal blijven verbazen en bevreemden. Te beginnen bij de titel. In een autobiografie zijn schrijver en ik-figuur identiek. Hoezo dan 'Henry Brulard'? Waarom een pseudoniem, waarom dít pseudoniem? Stendhal gruwde van 'die afschuwelijke hoeveelheid Ik's en Mij's' in autobiografische teksten (en vreesde dat ze de lezers zouden wegjagen). Het pseudoniem lijkt een middel om wat afstand te nemen: wellicht valt het me makkelijker om allerlei dingen over ik/mij te vertellen als ik dat niet echt zelf ben, als dat eigenlijk een personage is. Maar 'Henry Brulard' houdt de afstand klein: dezelfde initialen als Henri Beyle, en in wezen dezelfde voornaam - die van zijn moeder, Henriette. En 'Brulard', zo heette een familielid van moederskant; we mogen het pseudoniem zien als een weigering van de naam van de vader. Het gaat eigenlijk om een ingewikkelde kwestie: Beyle gebruikte tientallen pseudoniemen, streefde naar authenticiteit terwijl hij tegelijk een spel met maskers speelde. Maar hier blijft het toch een middeltje, een hulpconstructie om op gang te komen, want in de tekst komt ook 'Beyle' voor, en 'B'.
     Na een vluchtige blik weet je al dat Vie de Henry Brulard iets speciaals is: de tekst gaat vergezeld van 177 (!) tekeningetjes, meestal schetsen of kaartjes van plaatsen waarbinnen de verteller zichzelf en anderen situeert via letters. Het zijn geen verwaarloosbare illustraties, ze vullen de beschrijvingen aan, de tekst verwijst ernaar: 'Op punt H ben ik misschien wel het meest in vervoering geraakt... Ik staarde vol verlangen naar punt B en wenste vurig...' Bovendien zijn er onderschriften, die soms iets toevoegen aan de hoofdtekst. Over de functie van de schetsen valt veel te speculeren, maar zeker gebruikte Stendhal ze om voor zichzelf herinneringen zo concreet of voelbaar mogelijk op te roepen. Het hangt daarmee samen dat hij graag formuleringen gebruikt als 'ik zie het nog voor me'.
     De tekst wordt gebroken, en niet alleen door de tekeningen. In de marge krabbelde Stendhal allerlei notities, die in de uitgaven meestal onderaan de pagina staan. De marge kruipt ook in de tekst zelf: het verhaal wordt overwoekerd en ondergraven door uitweidingen van uiteenlopende aard - tirades tegen vroegere vrienden die het ver geschopt hebben, adviezen aan een eventuele uitgever, maar ook bedenkingen over het herinneren en het schrijven zelf: het boek heeft onder meer zichzelf tot onderwerp, en Stendhal, beïnvloed door Sterne en Diderot, durfde op dit punt dingen waar menige latere experimentele auteur voor zou zijn teruggeschrokken. Plaats en tijd van het schrijven zijn zichtbaar, de wisselwerking tussen nu en toen is onmisbaar en expliciet, en ook andere periodes uit Stendhals leven zijn aanwezig. Zo komt het dat, hoewel Brulard een jeugdautobiografie is (de held wordt niet ouder dan zeventien), je toch een indruk krijgt van de hele levensloop.
     Dit alles gebeurt (dat is het juiste werkwoord) op een ongeordend lijkende manier; de verteller springt van de hak op de tak, associeert als een neuroot op de divan, improviseert als een virtuoze muzikant - er bestaat geen jazzier boek. Hij herhaalt zich, met en zonder variaties, bekritiseert wat hij gisteren heeft geschreven, loopt vooruit op komende evenementen. Dat is geen toeval of onmacht. Stendhal schreef erg snel (zoals altijd) en wilde erg snel schrijven - niet alleen om de opborrelende of toestromende herinneringen op te vangen, maar ook om echtheid en waarheid te bereiken; te lang nadenken en corrigeren zou kunnen leiden tot vergoelijking en verdraaiing. Authenticiteit komt dus snel, maar niet meteen en niet vanzelf, ze moet teweeggebracht worden, georganiseerd. Hij neemt zich wel eens voor om gegevens op te zoeken, maar elders wimpelt hij dat af: het is hem immers om zelfkennis te doen, en hij wil niet de dingen beschrijven maar 'het effect dat ze op me hadden'. Ook dat hoort bij de gewenste authenticiteit.
     Maar, even aangenomen dat Stendhal zijn werk zelf naar een uitgever gebracht had, dan zou het er toch heel anders uitgezien hebben, minder 'chaotisch'? Inderdaad, we moeten de onafheid niet verafgoden; hij had correcties aangebracht op de eerste worp, hij zou dat opnieuw gedaan hebben; de tekst bevat geheugensteuntjes als 'Eens vragen naar de botanische naam van...', er zijn pagina's open gebleven voor aanvullingen. Maar sommige stendhalianen willen de bestaande tekst toch geen klad noemen. Stendhal, zegt Philippe Lejeune, heeft ervoor gekozen 'de autobiografie te tonen terwijl ze tot stand komt, haar niet aan te bieden als een eindproduct of een voltooid bouwwerk, maar als een handeling'. Brulard valt te vergelijken met het journaal van een archeoloog, of met het opgraven zelf: 'In plaats van een museum te bezoeken, worden we betrokken bij het werk op het terrein, bij het onderzoekswerk. [...] De archeologen hebben een onderzoeksmethode: ze verdelen het terrein in vierkanten die ze een voor een exploreren; Stendhal heeft ook een methode, hij schrijft systematisch zoveel bladzijden per dag, zonder vooropgezette ideeën, met de zekerheid dat de praktijk, het gebaar zelf van het schrijven iets zal opleveren waarvan hij bij het begin geen idee had, zoals je niet precies kunt weten wat je gaat vinden in een vierkante meter klei. [...] In andere autobiografieën zien we een geheugen dat schrijft; hier is het een schriftuur die, door te schrijven, zich herinnert.'
     Het gaat bij dit denken op papier overigens ook om interpretatie: als kind kon ik dat feit of gedrag alleen waarnemen en vreemd vinden; nu, al schrijvend, meen ik het te begrijpen.

Een beetje samenvatting toch maar. Na twee inleidende hoofdstukken begint het verhaal. Henry/Henri wordt in 1783 geboren te Grenoble, in een burgerlijke familie met aristocratische sympathieën. Zijn moeder Henriette Gagnon verliest hij op zijn zevende; voortaan zal hij het moeten stellen met haar zus Séraphie en met zijn vader, twee hatelijke en strenge mensen. Gelukkig heeft hij wel een goede verhouding met zijn grootvader Gagnon (die hem warm maakt voor de letteren), met diens hooghartig-edele zus Elisabeth, en met zijn moeders lichtzinnige broer Romain; maar de jaren na 1790 zijn toch grotendeels miserabel. Tot eind 1796 blijft hij thuis, en zucht hij onder meer onder de knoet van de bekrompen leraar abbé Raillane. Daarna gaat hij naar de Ecole centrale en legt zich vooral toe op de wiskunde, die hem moet helpen om weg te raken uit Grenoble, naar de Ecole polytechnique in Parijs. In de herfst van 1799 vertrekt hij inderdaad naar de hoofdstad, maar hij studeert er niet; hij woont bij familie, krijgt een baantje op het Ministerie van Oorlog. In mei vertrekt hij naar Italië; tijdens die tocht zijn er schitterende momenten, en de aankomst in Milaan betekent een letterlijk onzegbaar geluk. Het zo onaffe boek eindigt er dus wel mee dat de ik-verteller een uitweg uit de ellende gevonden heeft, er is een afronding.
     Herhaaldelijk zegt Stendhal dat hij geen herinneringen heeft aan momenten van grote opwinding, en er niet adequaat over kan schrijven. 'Milaan' illustreert dat zo afdoende dat het verhaal helemaal ophoudt... Toen hij veel eerder vertelde over een heerlijke vakantie bij zijn oom Gagnon in Les Echelles (Savoie), voelde hij zijn uiteindelijke echec al aankomen: 'de diepe spijt niet meer dan een zwakke schildering te kunnen geven en zo een hemelse herinnering te bederven [...] maakt voor mij het schrijven tot een kwelling in plaats van een genoegen. Ik zal straks wel helemaal niet in staat zijn de overtocht over de St-Bernard met het reserveleger (16 tot 18 mei 1800) en het verblijf in Milaan [...] te beschrijven.' Het gaat niet alleen om 1800: Stendhal ging meermaals terug naar Milaan, woonde er van 1614 tot 1621, kende er zijn wellicht grootste onvervulde liefde, Métilde. Hij praatte zich graag aan dat hij via zijn moeders familie Italiaans bloed in de aderen had (wat ook zijn passie voor Italiaanse muziek zou moeten verklaren).
     Stendhal overwon zijn stomheid over het grote geluk langs een omweg, toen hij in 1838 zijn roman La Chartreuse de Parme dicteerde, die begint met de intocht (1796) van Napoleons troepen in Milaan. Over het onvermogen om 'Milaan' rechtstreeks te verwoorden gaat het allerlaatste essay van Roland Barthes, 'On échoue toujours à parler de ce qu'on aime' ('Verwoorden waar je van houdt, is tot mislukken gedoemd').
     Terwijl de meeste autobiografen nostalgisch naar het verleden kijken, en de volwassenheid zien als een verbanning, ligt dat bij Stendhal omgekeerd, omdat hij weinig herinneringen heeft aan de gouden jaren met de moeder. Béatrice Didier: 'Het mythische geluk wordt voorgesteld als een toekomst van het schrijven. Al in Souvenirs d'égotisme kondigt de auteur ons aan dat hij misschien ooit, als hij de kracht ertoe vindt, over die Milanese jaren van geluk met Métilde zal vertellen. In Vie de Henry Brulard is de ordening van het verhaal gericht op de bevrijding die belichaamd wordt door het vertrek uit Grenoble [...] en vooral de aankomst in Milaan. Het mythische paradijs is dus geen verleden maar een toekomst: geen Eden, maar het Beloofde Land - dat de schrijver evenmin zal kunnen bereiken als Mozes.' Ironisch genoeg, over de vreselijke kindertijd kan wél geschreven worden - en hoe.

Het domein van niet-fictionele ik-teksten valt grofweg te verdelen in dagboeken, persoonlijke brieven en werken van langere adem; binnen de derde categorie kun je een onderscheid maken tussen autobiografie in strikte zin, memoires en zelfportret. De realiteit ziet er niet zelden gemengd uit; zo is De grote schaamlippen (1969) van Daniël Robberechts zowel dagboek als zelfportret, met bovendien strikt autobiografische passages. Hoe zit het bij Stendhal?
     Een AUTOBIOGRAFIE is een verhaal waarin iemand zijn leven vertelt met de klemtoon op het persoonlijke en het innerlijke, en vaak met buitensporige aandacht voor de kindertijd. Vie de Henry Brulard is een autobiografie, maar heeft iets van al de andere subgenres. Ook MEMOIRES vertellen een verhaal, maar met meer nadruk op het publieke, maatschappelijke leven: politici schrijven memoires. Stendhal vertelt hoe hij in de provincie als kind de Franse Revolutie meemaakte, bespreekt de positie van zijn familie in die periode, verwijst naar belevenissen en ontmoetingen in leger en ambtenarij. Maar het blijft fragmentarisch, hij geeft geen 'tijdsbeeld'.
Het ZELFPORTRET biedt eerder een beschrijving of analyse: ik heb die en die eigenschappen, pleeg me zus of zo te gedragen. Stendhal wil zichzelf in beeld krijgen: 'het is hoog tijd dat ik mezelf leer kennen. Wat ben ik geweest? Wat ben ik?' Hij noemt factoren van vroeger die zijn karakter bepaald hebben, zegt dat hij nog dezelfde is als toen. Bij het begin staat ook miskenning: ze zeggen dat ik dit of dat ben, en ze vergissen zich.
     Stendhal hield een echt Journal bij, maar ook Brulard vertoont DAGBOEK-kantjes. Dat hij de schrijfdata noteert is niet zo bijzonder, maar hij vertelt vaak iets over pas gebeurde dingen en over de schrijfomgeving. In hoofdstuk I zoekt hij zelfs een dagboek-effect: 'Vanmorgen, 16 oktober 1832, stond ik...' - zo luiden de allereerste woorden; drie bladzijden later: 'Pas op de 23ste november 1835 ga ik hiermee verder.' Wellicht is dit het fictiefste element van het hele boek. Stendhal schreef de héle openingstekst in 1835, maar hij wilde eerst het kader aanduiden waarin de impuls voor de autobiografie ontstaan zou zijn: terwijl hij vanop de Janiculum-heuvel in Rome het panorama overschouwt, bedenkt hij dat hij weldra (1833) vijftig wordt en dat hij zichzelf niet kent.
     En een BRIEF? Ik heb 'vuur laten aanleggen en schrijf dit op, ik hoop zonder te liegen, zonder mezelf iets voor te spiegelen, maar met net zoveel plezier alsof ik een brief aan een vriend schrijf.' De losheid en slordigheid, en de vele ik-dwaal-af-varianten, zouden in een informele brief op hun plaats zijn. En het valt op hoe sterk Stendhal aan een geadresseerde denkt. 'Wat een geduld wordt er van u gevergd, mijn lezer!'

Voor welke lezer, welke vriend, is de tekst bestemd? 'Wat voor denkbeelden zal deze vriend in 1880 hebben? Hoe verschillend van de onze!' Stendhal richtte dus tot toekomstige mensen, was er terecht van overtuigd dat hij pas decennia later gelezen kon en zou worden: in 1880, in 1935. 'Tegenwoordig is het voor driekwart van mijn kennissen een enorme onvoorzichtigheid, een enormiteit, als ik het heb over de schurkachtigste van alle Kings en de schijnheilige Tartaar [= koning Louis-Philippe en tsaar Nicolaas I] [...]; in 1880 zullen deze meningen truisms zijn [...] Dat is iets nieuws voor me: te spreken tot mensen van wier geestesgesteldheid, opvoeding, vooroordelen en godsdienst men absoluut niets afweet. Wat een aansporing om de waarheid te spreken, en niets dan de waarheid, dat is het enige waar het op aankomt. Benvenuto [Cellini] heeft de waarheid gesproken en men volgt hem met plezier, alsof hij gisteren geschreven had [...].' Je hebt hier drie kanten: a) mijn waarheden zullen pas door latere mensen aanvaard worden; b) als ik me tot lateren richt kan ik de waarheid schrijven zonder respect voor heersende normen; c) door de waarheid te schrijven kan ik iets maken dat ook in de toekomst leesbaar blijft (zoals de autobiografie van Cellini, zie De Brakke Hond 80). Maar Stendhal is niet zeker van zijn waarheid, ze ontsnapt hem: cette vérité qui met fuit.
     Herinneringen zijn als oude fresco's 'waarop men duidelijk een arm kan onderscheiden, terwijl het stuk ernaast dat het hoofd voorstelde eraf gevallen is': naast goed bewaarde fragmenten zijn er 'grote open plekken die alleen de bakstenen muur laten zien. De pleisterkalk [...] is afgebroken en het fresco is voor altijd verloren'. Het komt erop aan die toestand te respecteren, en niet als 'een banale romancier' de gaten op te vullen. Stendhal wil geen fabeltjes verzinnen ten behoeve van een welgevormd geheel. Vergissingen en halve of hele onwaarheden doen daar niets aan af; immers, de lezer moet niet vergeten 'dat ik slechts aanspraak maak op waarachtigheid voor zover het mijn gevoelens betreft; voor feiten heb ik altijd een slecht geheugen gehad.'
     Geen fictie dus, niet tomber dans le roman. Maar verhalen hebben hun eigen wetmatigheden, en er is dan ook opgemerkt dat er in Brulard een mythisch schema zit, of dat het óók een roman is: een ontwikkelingsroman, een schelmenroman.

Over de relatie met zijn ouders lijkt Stendhal verbluffend helder, en freudiaans. Hij was, zegt hij, verliefd op zijn moeder, met een begeerte die amper verschilde van wat hij als volwassene voor vrouwen voelt. 'Ik wilde mijn moeder met kussen overdekken en zonder kleren aan. [...] Ik verafschuwde mijn vader als hij ons gekus kwam verstoren. Ik wilde altijd haar boezem kussen.' Aan zijn vader, de rivaal, kent hij alle mogelijke roteigenschappen toe. Nog erger is de kwaaie en kwezelachtige tante Séraphie. Zij staat buiten de oedipale driehoek, of is het niet zo helder? De jongen verdenkt haar ervan een affaire met de vader te hebben. En zelf vindt hij haar assez jolie; tijdens een verblijf in het buitenhuis van zijn vader 'ging [zij] 's morgens altijd met blote benen de tuin in, zonder kousen. Ik was zo van de duivel bezeten dat de benen van mijn verbitterdste vijandin indruk op me maakten. Ik had best verliefd willen zijn op Séraphie. In mijn verbeelding leek het me ontzettend fijn om die gezworen vijandin in mijn armen te nemen.'
     De familie onderdrukt Henry, en die onderdrukking loopt parallel met maatschappelijke onderdrukking, 'Alle tirannieën lijken op elkaar': ik was 'zoals de huidige volkeren van Europa: mijn tirannen spraken altijd poeslief tegen me alsof ze me met liefderijke zorgen omringden, en hun betrouwbaarste bondgenoot was de religie.' Of: 'Mijn onafhankelijkheid sproot voort, net als de vrijheid van de Italiaanse steden in de achtste eeuw, uit de zwakheid van mijn tirannen.'
     De familie wordt afgewezen wegens haar opinies, haar politieke en religieuze behoudsgezindheid. Of omgekeerd: de jongen wordt uit reactie tegen zijn omgeving anti-royalistisch en anti-godsdienstig. Ook Henry's esthetische voorkeuren ontstaan als reactie: Shakespeare bijvoorbeeld had 'het immense voordeel dat hij niet was geprezen en aanbevolen door mijn familie zoals Racine.' In averechtse zin heeft de familie dus vormende invloed. Heel frequent stelt Stendhal zich voor hoe hij geworden zou zijn als zijn opvoeders het anders aangepakt hadden - ze hadden me om hun vinger kunnen winden! Maar dat is geen wens: 'Ik huiver als ik eraan denk: als Séraphie even tactvol en wijs als haar broer was geweest, had ze gemakkelijk een jezuïet van me kunnen maken.' En als zijn meesters hem meer geleerd hadden, dan had hij minder op eigen houtje moeten bevechten en zou hij dus niet zo zelfstandig en eigenzinnig geworden zijn als hij is.

Naast schilderkunst en muziek bekleedt literatuur een enorme plaats in Vie de Henry Brulard, zowel lezen als schrijven. En ook dit is een ambivalent gegeven, bron van vreugde en ergernis. Stendhal staat voor een bepaalde literatuuropvatting en verzet zich tegen een andere: 'eenvoud' tegenover 'bombast', zoiets. Hij weet dat zijn werk niet past in zijn tijd: 'ik stel me bloot aan het risico te worden uitgefloten; ik voel me trots en moedig als ik een zin schrijf die zal worden afgewezen door een van die twee reuzen (van 1835), Chateaubriand of Villemain.' Zijn afkeer van de mode-literatuur, van 'de aanstellerij die men "goed schrijven" noemt in 1825-1836', is een variant van zijn afkeer van holle frasen, schijnheiligheid, bedrog - en vice versa: 'een van de literaire fouten van mijn vader en Raillane was dat ze eeuwig en altijd de schoonheid van de natuur overdreven (waar deze schone zielen maar heel weinig gevoel voor hadden, want ze dachten alleen aan geld verdienen)'.
     En Henry houdt van wiskunde 'omdat ze huichelarij en vaagheid uitsluit'.

De liefde van en voor vrouwen staat in Stendhals ervaring centraal, maar hij verlangt ook naar andere soorten samenzijn. Waarom verveelt hij zich in Civitavecchia? 'Omdat ik met niemand van gedachten kan wisselen. Ik moet van tijd tot tijd 's avonds met intelligente mensen praten, anders krijg ik het gevoel of ik stik.' Ook daarom begint hij aan dit boek (de lezer van 1880 als gesprekspartner!), en zodra hij weer uitzicht heeft op gezelschap (Parijs!) houdt hij ermee op. Is het zo simpel? Eigenlijk weet niemand waarom hij het werk onvoltooid liet.
     De familieleden lieten de jongen niet met andere kinderen spelen, ten dele uit standsbewustzijn, ten dele omdat ze zich na Henriettes dood terugtrokken uit het sociale leven. Stendhal raakt er niet over uitgepraat: omgang met anderen was - samen met vrijheid - het streefdoel van zijn kinderleven. En samenzijn met de anderen is in zekere zin zijn zoals de anderen: hij vindt het vreselijk dat de familie zich als beter dan de rest beschouwt, vindt het vreselijk dat de familie hém op zijn dertiende beschouwt als een bijzonder jongetje.
     Ontgoochelingen volgen. De medeleerlingen vallen tegen, de Parijzenaars vallen tegen, de soldaten vallen tegen. Ten dele komt dat juist door Henry's opvoeding, hij heeft niet geleerd om zich in een gemeenschap te gedragen. En zijn verwanten hebben hem zo aangestoken 'met hun aristocratische en hooghartige neigingen' dat hij zich allerminst thuis voelt onder het plebs: 'Ik heb een afschuw van het gepeupel [canaille] (ik wil er niet mee in aanraking komen) terwijl ik het tegelijkertijd als volk al het geluk van de wereld toewens.'
     De familie die hem een bewustzijn van bijzonderheid wilde geven is daarin geslaagd, al zal ze het resultaat niet altijd gewaardeerd hebben. Stendhal ervaart zich altijd en overal als iemand van een ander slag, en cultiveert dat: iemand die botst met de heersende normen en waarden, iemand die een eigen weg volgt, trots op zijn afwijkendheid. De provinciale vaderstad Grenoble waarvan hij zo walgde blijkt dan ook niet eenduidig slecht: ze maakt hem tot een vreemdeling in Parijs, een sukkel dus - maar tevens tot iemand die zijn rug kan keren naar de toonaangevende kringen. Het is veelzeggend dat Stendhal met plezier dialectwoorden gebruikt, net als Engelse woorden overigens - en Italiaanse: zoals we weten is hij geen echte Fransman. Op zijn grafsteen liet hij zich Milanees noemen.
     Brulard bevat enkele hoofdstukken waarin de jongen een soort utopie van goed samenzijn beleeft. Het verblijf in Les Echelles is er zo een. Nog belangrijker vind ik de omgang met twee broers-medeleerlingen die zelfstandig een appartement bewonen, samen met hun aantrekkelijke zus. Hij gaat er geregeld eten: 'We zaten daar in alle onschuld rondom die notenhouten tafel die bedekt was met een ongebleekt linnen laken: Bigillion de oudste broer, 14 of 15 jaar; Rémy, 12; juffrouw Victorine, 13; ik, 13; het dienstmeisje, 17. We vormden een heel jong gezelschap zoals men ziet, en zonder oudere verwanten die ons konden hinderen.'

Een geweldig spannend boek, Vie de Henry Brulard - maar waarom houd ik ervan? Het is wel vooral aan de toon te danken: aan de monterheid waarmee Stendhal een treurige kindertijd tot leven brengt, aan de frisse baldadigheid waarmee hij machthebbers en huichelaars te lijf gaat. Aan de formidabele vitaliteit en mobiliteit van zijn schrijven. En aan zijn inzicht dat belangrijke literatuur alleen kan ontstaan in verzet tegen de literatuur. Aan zijn geestigheid. En aan... Misschien is hij de enige schrijver over wie ik kan dagdromen dat hij op bezoek zou komen, en dat ik hem maar een uurtje zou hoeven te briefen over de wereld van tegenwoordig, een beetje zakelijke informatie, hij zou gauw op de hoogte zijn, we zouden elkaar begrijpen, het werd een genoeglijke avond. Wat een onzin, neem me niet kwalijk. On échoue toujours à parler de ce qu'on aime.

Aantekening

Stendhal, Het leven van Henry Brulard, vert. C.N. Lijsen, De Bezige Bij, Amsterdam, 1980, herdruk bij Spectrum, Utrecht, 1982. (Ik citeer uit die vertaling, maar met alle respect heb ik hier en daar wijzigingen aangebracht.) Pocketuitgave: Vie de Henry Brulard, ed. Béatrice Didier, Gallimard (Folio), 1973; meer annotatie in Stendhal, Oeuvres intimes II, ed. V. Del Litto, Gallimard (Pléiade), 1982; daarin ook Souvenirs d'égotisme. Een makkelijk vindbaar commentaar: Philippe Berthier, Vie de Henry Brulard de Stendhal, Gallimard (Foliothèque), 2000; daarin het citaat van Lejeune, en veel andere verwijzingen. Verder: B. Didier, Stendhal autobiographe, P.U.F., Paris, 1983; Roland Barthes, 'Verwoorden waar je van houdt, is tot mislukken gedoemd', in: R.B., Het werkelijkheidseffect, vert. R. Hofstede, Historische Uitgeverij, 2004 (Frans in R.B., Oeuvres complètes 3, Seuil, 1995); interview met Gérald Rannaud in Magazine littéraire 346, 1996; Jean Starobinski, 'Stendhal pseudonyme', in: J.S., L'oeil vivant, Gallimard, 1999 (1961).