![]()


|
 |
Doosje
Jan van Loy
WOORDJE AAN HET GODJE DAT DIT VERHAAL VOELEN WIL
Als je voelen wil, mijn liefste Godje, wat ik je te vertellen heb,
dan kijk je niet uit hoeveel bladzijden mijn verhaal bestaat. Ik hou
niet van de gedachte dat verhalen kunnen eindigen. Sterker nog: daar
geloof ik niet in.
Waar ik wel in geloof, waar ik onvoorwaardelijk in geloof, dat zijn
verhalen. Alle verhalen zijn waar, hoe vreemd ze soms ook klinken. De
werkelijkheid is gewoon niet altijd ruim genoeg om ze te omvatten. Maar
wat is nu werkelijkheid meer, Godje, dan een jasje dat je aanmoet wanneer
je de straat op wil? Een jasje dat je al eens te krap wordt.
Leg dat jasje nou maar even opzij; we hebben het niet nodig nu. Er kan
ons niks gebeuren. We gaan met ons tweetjes een poosje in verhalen leven.
Als je echt wil weten hoe het was en is moet je beslist een knus plekje
in de wolken zoeken. Zo eentje vanwaar je naar beneden kan turen als
je groot wil zijn en naar boven wanneer je te groot dreigt te worden.
Naar de sterren, die je zullen vertellen dat je niet niks bent, maar
gelukkig ook niet al te veel.
Luister dan naar ze, liefste Godje, en voel daarna mijn verhaal.
Goote Tovelaar
Hij deed elke dag alsof het zondag was.
Zo kwam het dat op een dinsdagvoormiddag Goote Tovelaar nog steeds op
een bank aan het kanaaltje zat, ver van de nijvere mensen. En hij keek
naar de plompe vrachtschepen die knullig op het water voorbij schuimden.
Soms speurde hij naar vissen in dat water, maar hij zag er nooit en
sakkerde dat het zonde was.
Goote Tovelaar liet een doosje in zijn jaszak over zijn vingers rollen.
Zijn zakken stonden bol van zulke kleine doosjes, die hij voortdurend
met zich mee zeulde, want hij geloofde dat er vanalles inzat dat wel
eens van pas zou komen. Goote Tovelaar had doosjes met vleugels erin,
hij had er met hoop, hij had er met liefde en zelfs enkele waarin heuse
wolken zaten.
Maar het meest opmerkelijke doosje was datgene dat hij geregeld over
zijn vingers liet rollen om te zien of hij het nog had. Het was een
heel belangrijk doosje, dat hij niet mocht kwijtspelen. Er zat namelijk
een hele kleine duivel in, met zijn armen en benen in zijn baard verstrikt
omdat hij al vele eeuwen in dat doosje zat te prakkiseren over een manier
om de heerschappij over de wereld te bekomen. En Goote Tovelaar had
zich voorgenomen erop toe te zien dat geen mens het ooit zou kunnen
openen. Hij kon zich maar al te goed voorstellen wat voor herrie ervan
zou komen als hij dat niet deed.
Het zal inmiddels wel duidelijk zijn dat Goote Tovelaar geen gewone
kerel was. Hij was eigenlijk altijd al een zonderling geweest. Keurig
en vriendelijk, dat wel, maar toch een beetje vreemd. Goote Tovelaar
had immers een flinke portie magie in het lijf. Hij was, wat je zou
noemen, een tovenaar. En werkelijk een grote ook, want hij wist je altijd
precies te vertellen wanneer er een ster zou vallen, wanneer de regen
kwam, zelfs of er de volgende dag al dan niet wolken zouden zijn en,
zo ja, hoe die er dan zouden uitzien. De jongens vonden het prachtig.
Goote Tovelaars voorspellingen kwamen altijd precies uit zoals hij het
had gezegd, zodat ze gingen geloven dat hij een pact met de Fournisseurs(dat
zijn de goden die het Geluk over de wereld strooien) had gesloten, of
dat hij er zelf een handje in had, wat misschien nog wonderlijker zou
geweest zijn.
Vogel + Grasvis
De jongens waren ook wel wat vreemd. Maar ach, vreemd zijn, dat gaat
er ook maar om wie het minst wordt geloofd.
Neem nu Vogel, dat was een jongen die geloofde dat hij vleugels had,
en dat hij daarmee vliegen kon. Niets is minder waar voor wie niet in
vleugels gelooft, maar Vogel wist wel zeker dat het toch zo was. Zijn
vleugels had hij van Goote Tovelaar gekregen.
Die had ze in één van zijn doosjes aan Vogel gegeven en
gezegd: “Vogel, - want zo heet je voortaan – in dit doosje zitten mijn
vleugels; ze zijn nu voor jou. Ik heb ze niet meer nodig om te vliegen,
dat lukt me zo ook wel. Nou moet je wel even goed luisteren: probeer
ze maar liever niet aan de mensen te tonen, zij zullen toch alleen maar
het doosje kunnen zien. Strek daarentegen je mooie vleugels in het uitspansel,
ga maar eens gedag zeggen tegen de vogels en de Fournisseurs, als je
ze ziet. Toe nu maar, Vogel, vlieg, hup dan.”
Zo werd Vogel stiekem een hemelbewoner (hoewel hij niet de hele tijd
boven de wereld rondfladderde), en geen mens heeft dat ooit gezien,
behalve die lui, die in vleugels geloofden. De andere mensen zagen hem
alleen als de jongen die Vogel heette, en ze vonden dat het een rare
naam was.
Op een dag scheerde Vogel nog eens door de lucht, en toen was er van
alle mensen die daar beneden liepen één jongen die het
gezien had.
Dat was Grasvis, de graszwemmer. Hij was er zo door aangegrepen dat
hij pas weer kon ademen toen hij gans blauw was geworden. Vogel lachte
smakelijk bij het zien van de blauwe jongen in het groene gras en streek
bij hem neer. Ze konden nu maar net zo goed vrienden worden, vond hij,
en dat deden ze.
Grasvis hield ongelooflijk veel van gras, behalve wanneer hij het maaien
moest. Dan had hij zo de pest in dat je het aan geen mens kon vertellen.
Het had ook geen enkele zin om gras te maaien, want dan was het even
kort en afzichtelijk, maar het groeide al snel weer terug tot het weer
lekker lang was. Een tijd had Grasvis het groeien van het gras bestudeerd
en hij had begrepen dat gras die rotzooi van het maaien niet hoefde;
het wilde lang zijn. Meer zelfs, het hoorde zo.
Nu moet gezegd dat Grasvis zelf geen tuintje had, hij woonde twee hoog
in een grijze betonnen doos in het centrum van de stad op een muffe
kamer met twee ramen en een balkonnetje waar hij niet op dorst. In die
kamer zat hij ’s avonds soms bij een kaars te dromen van een eigen tuin.
Hij stond in voor het onderhoud van de pleinen en de grasperkjes in
het stadspark, elke vrijdag moest hij er gras maaien, de hele zomer
lang. De stakker. Toen hij dan uiteindelijk weigerde om het nog langer
te doen en zijn baas van zijn nieuwe inzichten op de hoogte bracht,
werd hij genadeloos buiten gekieperd.
Maar Grasvis gaf er niet om. Hij had nu meer tijd om lang gras te zoeken,
en om erin te woelen, of ‘graszwemmen’, zoals hij het zelf noemde.
Na wat ongeveer een jaar moet geweest zijn, ging hij werken op een
kantoortje in een gebouw dat zo groot was dat je erin kon verdwalen
en zodat niemand je ooit nog vinden zou. Maar het voelde prettig om
geld op zak te hebben, en dus bleef hij het doen. Hij kocht een hoed,
betaalde de huur van zijn muf kamertje en de rest stak hij in een sok
opzij voor zijn tuintje.
Abeltje
En op een zondagavond was Abeltje naar het bankje van Goote Tovelaar
toegekomen. Hij had hem zien rommelen met zijn doosjes en wilde nu eindelijk
wel eens weten hoe hij het klaarspeelde dat hij die vreemde doosjes
altijd in zijn handen liet rollen zonder dat hij er ooit één
verloor. Abeltje had Goote Tovelaar namelijk al een tijdje lopen bespieden
en hij was er erg van onder de indruk dat in al die tijd niet ééntje
ergens was achtergebleven.
Ik moet je nu wel even vertellen, liefste Godje, dat Abel een ongelooflijke
dromer was. Als je hem ooit tegenkomt zal je vast helemaal weg van hem
zijn. Maar omdat hij zo’n fanatiek dromer was, vergat hij zowat alles
waarvan de mensen vonden dat het belangrijk was. Er zou nooit wat van
hem terechtkomen, dachten de mensen soms; zo onpraktisch was hij. En
eigenlijk hadden ze wel een beetje gelijk, want als ze hem niet af en
toe een eindje vooruit hielpen was hij al lang een schooier geweest.
Wat Abel niet vergat gaf hij weg en wat hij nog voor zichzelf had speelde
hij vroeg of laat toch nog kwijt.
Daarom wilde hij leren hoe hij zijn spullen bij zich kon houden. Goote
Tovelaar, die anders altijd zo spraakzaam was, had er maar idioot bijgestaan,
want hij begreep niet hoe je het in godsnaam voor mekaar kreeg om dingen
te vergeten.
DE MENSEN DIE DE ZON NIET KENDEN
Zomer als de hel was het, en Grasvis zat uit het venster te staren.
Hij droomde van zijn tuintje – nog een paar maanden werken en dan was
het zover. Heerlijk moest dat zijn, zo’n eigen tuintje.
Verschrikkelijke hitte. Grasvis schrok wakker. Alles wat geen schaduw
vond, werd gebraden in de zon. Maar de mensen om hem heen typten ijverig
voort. Tiktiktik dat je er duivelse hoofdpijn van kreeg. Nijvere mensen.
Zij hadden uiteraard niks gemerkt. Ze snapten er niets van; ze merkten
niet eens hoe het leven hen stiekem passeerde. Ze hadden niet eens de
tijd om het warm te hebben.
DE KOOP VAN HET JAAR
Abeltje had die dag rond de middag een gitaar gekocht en hij zou zeker
een groot musicus worden. Musicus. Het klonk als vogelzang, als iets
dat uit de hemel was neergedaald. Hij prevelde het een keer of drie
voor zich uit om het te proeven op zijn lippen. Prachtig, hoe dat klonk.
Hij maakte zijn staartje los en liet zijn haar op zijn schouders hangen
–zijn mooie lange haren. Daarna liep hij naar het stadhuis om zich tegen
haar grijsgeblakerde gevel neer te vleien en zijn liedjes aan de mensen
te schenken.
Nu, de mensen vonden het maar niks wat hij speelde en om eerlijk te
zijn; hij had er zelf ook meer van verwacht. Maar Abel speelde toch
dapper door. Hij wist niet zo meteen wat hij anders doen kon.
Twee of drie mensen stonden even zwijgend te kijken, zodat Abel dacht
dat ze van zijn muziek genoten; hij sloofde zich nog harder uit op het
instrument, dat nu nog luider snerpte dan daarvoor. De mensen stopten
hem wat geld toe en keken meelijdend naar hem om toen ze weer doorliepen.
Abeltje had het wel begrepen; ze dachten dat hij een schooier was, de
mensen hadden zich schromelijk vergist. Abel had een eigen huis, hij
had geld zat en nu hij een artiest was, zou hij vast nog veel rijker
worden. Nou ja, een artiest, dat was hij toen nog niet, maar dat werd
hij nog wel als hij genoeg oefende. De mensen moesten maar eens opletten
met wat ze dachten, vond hij. Ze dachten altijd zomaar eender wat. Tot
er herrie van kwam, dan dachten ze weer wat anders.
Maar lang boos blijven kon hij niet. Hij stond op, knoopte de gitaar
stevig vast op zijn rug en ging sigaartjes kopen van het geld dat hij
had verdiend, een doos met wel twintig heerlijke havanna’s. Hij rookte
er een voordat hij op de tram naar huis stapte, en nog eentje toen hij
weer was afgestapt. Dat was wel twee haltes te ver, maar de sigaar maakte
veel goed. Dat heb je zo met sigaren, bedacht hij, die kunnen erg veel
weer in orde maken.
Toen Abel thuiskwam, was de doos verdwenen. Binnensmonds vloekte hij,
maar hij wist zich al snel weer op te vrolijken. Hoewel hij de twee
sigaren die hij had gerookt nu nogal prijzig vond, ellendig werd hij
er niet van: het was toch de koop van het jaar geweest.
VAN GENOT EN VREUGDE WORD JE GROEN
Omdat de Fournisseurs het zo’n zonde vonden dat het sigarendoosje zomaar
midden op de weg lag, zorgden ze ervoor dat Vogel het vond toen hij
de straat overstak om Abel een bezoekje te brengen. De Fournisseurs
waren immers van plan om tegen de avond de wolken eens flink uit te
schudden - al die donkere regen moest eruit -, en het zou rottig geweest
zijn als de sigaartjes dan nat waren geworden, want zo had er niemand
nog wat aan. En de Fournisseurs, die zelf ook geregeld een goeie sigaar
lustten, wisten maar al te goed hoe dat smaken kon.
Vogel had een smeulende havanna in zijn mondhoek hangen toen hij aanbelde.
Abeltje opende de deur en moest lachen toen hij Vogel door het dolle
heen hoorde kelen: “Nou heb ik hier zonet een stel lekkere peukjes gevonden!
Als je me er even inlaat, dan kunnen we er gelijk een paar van oproken.”
Uiteraard had Abel het doosje meteen herkend toen Vogel het uitnodigend
over de salontafel naar hem toeschoof, maar hij wilde de gezellige sfeer
niet bederven en zei niks over het doosje dat ze zo meteen zouden zitten
plunderen.
“Wees maar gerust gulzig, hoor,” zei Vogel. “Laat je maar niet bedonderen
door de goeie zeden: gulzigheid loont, mijn beste.” En Abel rookte zoveel
hij maar kon, of hij nu wilde of niet, want telkens wanneer de ene sigaar
op zijn eindje liep, ramde Vogel hem alweer een andere onder zijn neus,
die hij plechtig aanstak. De dolle vreugde van Vogel was prettig om
te zien, daar genoot Abel nog het meest van: hoe Vogel drukte zat te
maken omdat hij vond dat de dag hen bijzonder gunstig gezind was geweest.
Het knappe was dat hij Vogel niet eens ongelijk kon geven.
Toen kwam de regen, en alle mensen die zo laat nog buiten liepen, gingen
naar huis toe. Ze rookten tot ze er allebei groen van zagen. Tegen de
tijd dat alle sigaartjes op waren, waren de wolken al lang uitgeschud,
zodat Vogel naar zijn huisje terug kon vliegen zonder nat te worden.
EEN STER VIEL UIT DE HEMEL
Diezelfde avond (dat Vogel en Abeltje sigaren rookten tot ze er groen
van zagen) lagen Goote Tovelaar en Grasvis in het lange gras van de
tuintjes in het stadspark. Goote Tovelaar keek binnen in de hemel, daarna
keek hij op zijn zwart plastieken uurwerk, dat er wat sullig uitzag
aan de pols van een man als hij, en zei dat Grasvis snel omhoog moest
kijken. Toen viel er een ster uit de hemel.
De mensen beweerden dat het geen vallende sterren, maar satellieten
waren waarvan Goote Tovelaar kon voorspellen wanneer ze door de donkere
lucht zouden scheren. Maar dat was allemaal onzin, natuurlijk. In satellieten
kan je immers niet zo geloven als in de sterren. Bovendien geloofden
de jongens ook stellig dat het sterren waren.
Maar goed, toen viel er dus een ster uit de hemel en het was het mooiste
dat Grasvis ooit had gezien. Toegegeven, een bloot meisje is vast aardiger
om te zien dan de val van een ster, maar Grasvis had nog nooit een meisje
in haar blootje gezien.
Grasvis was zo onder de indruk van het hele fenomeen dat hij nog een
hele tijd lang met open mond naar de hemel en daarna naar Goote Tovelaar
zat te kijken. Hij wilde Goote Tovelaar vragen hoe hij dat deed wat
hij net had gedaan, maar die verdomde mond van hem wilde niet meewerken.
De maan hing al een heel eind boven de wereld toen de vraag er verstaanbaar
uitkwam.
Goote Tovelaar, omdat hij er plezier in had wanneer hij de jongens kon
verbijsteren, keek nogmaals op zijn uurwerk, hapte een mondvol lucht
op en hield die onder zijn tong zonder een woord uit te brengen. Nadat
hij zo een poosje was blijven liggen, stond hij plots op alsof hij toch
nog wilde antwoorden.
“Geniet nog maar even van het perkje, Grasvis,” zei hij, “want de Fournisseurs
zullen je zo meteen weer naar huis sturen.” Daarna stapte hij rustig
bij Grasvis vandaan, die verward achterbleef. Toen kwam de regen.
ABELTJE WAS GODDANK MET WEINIG TEVREDEN
Dagen lang was Abeltje van huis geweest. Hij had in parken en op pleintjes
geslapen, en voor hij sliep had hij zo lang als hij kon naar de sterren
gekeken.
De mensen stonden door de ramen van zijn huis te gluren. Toen ze Abel
zagen; een schooier, een ongeschoren strompelaar, - en die gitaar van
‘m dan, wat zal er van hem worden?- bleven ze een tijd verstomd staan.
Abeltje was helemaal smerig en hij stonk, hemeltje, als een straathond,
zo stonk hij. De mensen vroegen hem wat er aan schortte.
“Wat nou, er schort helemaal niks aan. Ik heb zelden beter tijden beleefd
dan nu, m’n beste luitjes,” antwoordde Abel geschrokken – wat hadden
de mensen zich nu weer in het hoofd gehaald? Hij wilde zijn huisje invluchten,
maar die verdomde deur klemde weer.
De mensen vonden dat zijn huis toch altijd zo’n zootje was en ze vonden
dat wel eens een likje verf gebruiken kon, hier en daar – dat oogt toch
niet aardig meer, m’neer Abel, zegt u nu zelf – en ze hadden zich zo’n
zorgen om hem gemaakt, hemeltjelief, en dat het huis wel eens een likje
verf kon gebruiken, want het was altijd zo’n zootje, en de deur moest
dringend geolied. Ach, het waren beste mensen, hoor, maar Abeltje hield
alleen niet zo van de herrie die ze soms konden maken over helemaal
niks.
Waarom hij niet wat beter zorgde voor zijn spullen?
Abel gaf het op. Hij trok de sleutel uit het slot van die dekselse deur
en wierp hem de mensen toe.
“Waarom zorgen jullie er niet voor?”
De mensen keken elkaar verbaasd aan, en zo liet hij ze achter.
Toen Abel het park inliep, lachte hij luid om gekke snuiten. Hij ging
op een bank zitten en zette zijn gitaar naast zich tegen de leuning
aan. En het moet toeval zijn geweest: een eindje verderop zag hij mensen
lopen en wijzen naar de huizen die ze wilden kopen, later. Ze hadden
vast al wel ergens een huis, maar dat was niet genoeg. Voor hen mocht
het wat meer zijn, ze wilden een huis dat zo verpletterend groot was
dat je er schrik van kreeg. Ze zouden er een heel leven voor werken
als het moest.
Abel was anders. Hij wilde geen huis waar hij schrik van kreeg. Hij
hield niet zo gek veel van werken, en wie niet werken wil moet met weinig
tevreden zijn, zeiden de mensen altijd. Het maakte Abel niks uit, hij
was goddank met weinig tevreden. En als iets van zijn spullen wilde
verdwijnen moest het dat zelf maar weten. Want hij gaf er dan geen zier
meer om. Zolang je je dromen maar niet kwijtspeelde was er betrekkelijk
weinig echt het zoeken waard. Gelukkig speelde je die niet zomaar een
twee drie kwijt. In ieder geval, hoe berooid hij er ook mocht bijlopen,
zijn dromen wilde hij houden.
Maar de mensen wezen de grootste huizen aan, en dat zouden ze vast nog
heel lang blijven doen. Morgenochtend zouden ze weer naar hun kantoortjes
moeten hollen zoals ze dat altijd al hadden gedaan. Zomaar, eigenlijk,
want ze hadden er geen idee van wat er naast die grote huizen en naast
hun werk bestond. Hun wereldje was een oude bekende, die elke ochtend
aan hun bed stond en die hen elke nacht te slapen legde.
“Ik heb met de mensen uit je straat gesproken.”
Abel schrok op uit zijn mijmeringen. Het was Goote Tovelaar die het
zei. Hij stond er een beetje plechtig bij, met zijn handen op zijn rug.
“Werkelijk prachtig vind ik het, wat je daar gedaan hebt. Maar ik begin
me toch wat zorgen om je te maken, mijn beste. Je kan toch niet zomaar
om het even wat kwijtspelen. Je bent verdomd je huis kwijt, jongen.
En dan nog wel aan die lui.” Goote Tovelaar lachte er even om. Abeltje
haalde zijn schouders op.
“Ik had er anders wel wat voor willen missen om hun gezichten te zien,
toen je hen je sleutel toewierp.” Nu moesten ze er allebei om lachen.
Abeltje beschreef de verbaasde snuiten van de mensen zo goed als hij
kon en ze dolden nog wat over de mensen. Ze zetten een boom op over
de bureaucraatjes en andere stoffige mannetjes die zo zuinig met hun
tijd omsprongen en nooit tijd overhadden. Die mannetjes zich uiteraard
schromelijk vergist, dat liet zich raden. Zo veel tijd was er, dat je
soms niet eens meer wist wat je ermee aanmoest. Maar dat was voor die
mannetjes misschien anders.
Opeens werd Goote Tovelaar weer ernstig. Hij had iets bedacht waardoor
Abel wat meer op zijn spullen zou leren letten. Als het Abel wat leek,
wilde Goote Tovelaar hem het vergeten afleren. Abeltje wilde het nu
wel proberen. Misschien kon je inderdaad niet zomaar om het even wat
kwijtspelen.
“Hier zo, dan,” zei Goote Tovelaar toen en gaf Abel een doosje. Abel
moest erop toezien dat het nooit kwijt of open raakte, want dan kwam
er herrie van waar je niet goed van werd. In het doosje zat immers een
kleine duivel die op de heerschappij over de wereld zinde.
Abel vond het allemaal nogal vreemd, maar zulke dingen hoorde je wel
meer van Goote Tovelaar. Zonder tegen te pruttelen stak hij het doosje
in zijn jaszak. En hij zou er heel goed op letten dat het niks overkwam.
Toen de dag alweer om was ging Goote Tovelaar weg om te slapen – niemand
wist eigenlijk waar hij sliep; misschien loog hij wel en sliep hij helemaal
nooit. Ook Abeltje stond op om nog wat door de zacht snurkende stad
te dolen.
De volgende ochtend vond een kleine jongen een gitaar op een bankje
in het stadspark. Hele dagen oefende hij zich op het gevonden instrument,
en hij leerde het al snel bespelen.
VREEMDE SNUITERS
Het was een verdomde rotdag op het werk geweest. Zelfs Grasvis’ dromen
van zijn tuintje hadden er niet aan kunnen baten.
Toen het dan eindelijk avond was, zat Grasvis op zijn kleine kamertje
te overdenken waar wij mensen toch in godsnaam mee bezig waren. We werkten
bijna allemaal tot we doodop waren, dan sliepen we, en de volgende dag
gingen we gewoon terug werken. Er leek geen eind aan te komen. Maar
toch; alles moest wel een beetje eindig zijn, bedacht hij voorzichtig.
Er werd aan het raam getikt. Grasvis zette het open en toen kwam Vogel
naar binnen gevlogen. Hij was weer in een luidruchtige bui, dat was
meteen duidelijk. Vanalles keelde hij door elkaar waar je geen touw
aan vast kon knopen.
Er werd op de muur geklopt. De buren hadden hard gewerkt, een hele dag
lang, ze waren misnoegd en moe en wilden nu geen herrie meer horen.
“Leuke lui,” merkte Vogel grienend op. Hij werd al wat verstaanbaarder,
maar de opwinding was er nog.
“Weet je waar ik net nog ben langsgelopen?” Vogel wachtte niet tot Grasvis
er een gooi naar gedaan had.
“Bij Abeltje, maar hij was er niet. ’t Waren vreemde snuiters die openmaakten.
Ik schrok me de duvel verdomd! Toen ik ze vroeg wat ze met Abel hadden
uitgevreten – ik weet niet waarom, maar ik vond dat er een luchtje aanzat.
Ze hadden hem misschien de lieve ziel uit het lijf gefolterd, weet ik
veel -, toen ik ze dat vroeg zeiden ze dat hij hen zijn huis gegeven
had. En ik was de heilige Sint-Pieter die voor hun zielenheil even op
visite kwam. Ik bedoel maar: uiteraard geloofde ik ze niet zo een twee
drie. Maar ze leidden me rustig rond zodat ik voor mezelf kon oordelen
of ze hadden gelogen of niet, en ze toonden me de sleutel van de keet.
En nou zal ik je nog meer vertellen: ze staken me zelfs een sigaartje
in m’n kop, een dikke, met een jenevertje toe. Het was goeie, hoor,
neem dat maar van me aan. Ja ja, die lui kenden er wat van.” Vogel maakte
er snelle drinkgebaartjes bij.
“Wacht eens even,” zei Grasvis toen Vogels woorden tot hem doorgedrongen
waren, “wat heb je nou zonet gezegd?”
Vogel was weer een beetje bedaard.
“Abel heeft z’n hele hebben en houden aan die lui gegeven, heus waar.
En drinken dat ze konden, sjonge, je hebt er geen idee van…”
“Maar waar zal hij dan slapen? Hoe kon hij nu zo stom zijn?” Grasvis
kon het niet begrijpen.
“Nou ja, het zat er anders wel behoorlijk aan te komen dat ie weer vreemd
zou gaan doen. Abel is een beste kerel, hoor, maar weet je wat het is?
Hij kan niet op z’n boeltje letten, dat is het. Kan ie niet, en dan
speelt ie het allemaal zomaar kwijt en het kan hem worst wezen. Het
is een beste kerel, maar er zal nooit wat van ‘m worden, denk ik.”
Grasvis dacht eens diep na. Opeens zei hij: “Weet je wat we zullen doen?
Als jij hem morgen hier naartoe brengt, dan kan hij hier blijven wonen
tot hij een betere oplossing heeft.”
“Mij is het al om het even. De sufferd.”
“Dan zullen we het zo doen?”
“Afgesproken. Sjonge, een piekeraar en een warhoofd bij elkaar, dat
wordt leuk. Twee sufkoppen bij elkaar; zo komt er vast van geen van
jullie beiden wat terecht.” Vogel lachte tot hij ervan hoesten moest.
De buren klopten op de muur en brulden dat het maar eens uit moest zijn
met dat kabaal.
“Nou goed,” zei Vogel weer wat stiller. “Nu moet je toch beslist eens
horen hoe die lui drinken konden…”
Af een toe knikte Grasvis tijdens Vogels lange betoog en maakte zich
stilletjes zorgen om die arme Abel.
ABEL EN GRASVIS KONDEN NAUWELIJKS WACHTEN TOT DE LUCHT WAS VERVUILD
De Baas was op kantoor. Ze hadden het gehoord van de Roker, die bijna
elke dag aan het klantenonthaal stond te roken en daarom zo genoemd
werd, want niemand wist hoe hij werkelijk heette. De Roker had het van
de conciërge gehoord, en die had vroeg in de ochtend voor de grote
Baas moeten openmaken.
Op kantoor probeerden de bedienden er nu om het vlijtigst bezig te lijken,
behalve Grasvis dan, want die was door niemand op de hoogte gebracht
van de dreiging omdat hij hen nog nooit was opgevallen.
“Sufferds,” dacht Grasvis, en dat ze vast allemaal krankjorum waren
geworden, zoals ze door elkaar liepen. Een horde dolle honden die zichzelf
in de staart bijten en niet weten wat ze gebeten heeft.
Aan het bureautje naast dat van Grasvis zat een mannetje zich aan een
kop koffie te branden terwijl hij naarstig op formulieren zat te kribbelen.
Grasvis ging wat over zijn schouder staan kijken.
“Wat is hier aan de hand?” vroeg Grasvis hem.
Het mannetje spiedde even om zich heen en fluisterde dat de grote Baas
er was, en: “Luister eens, zou u zo vrij willen zijn me te laten doorwerken?
Er is nog heel wat werk voor de boeg.”
Gezellige kerel. Snapt niet dat ie z’n koffie even moet laten afkoelen.
Een strebertje. Maar beter om die lui wat te laten sudderen.
Grasvis ging terug achter zijn bureautje zitten en begon ook maar wat
te rommelen. Hij vroeg zich af wat het bedrijf nu eigenlijk precies
maakte.
Tegen de middag was de Baas weer weg. Iedereen zette zijn hemd wat verder
open en ze dronken allemaal limonade om de goeie afloop te vieren.
’s Avonds stond Abel met de Roker te keuvelen in de inkomhal. Vogel
was hem vast tegengekomen, bedacht Grasvis. Hij groette de twee heel
beschaafd en stak voor de goeie vorm een sigaartje op.
Toen het sigaartje Grasvis te warm aan de lippen was geworden, schudden
hij en Abel de Roker de hand en gingen naar Grasvis’ kamertje. Naar
huis.
Onderweg werd Grasvis er nieuwsgierig naar wat Abel in zijn jaszak had
waar hij al de hele tijd mee stond te priegelen. Abel keek Grasvis een
tijdje vertwijfeld aan en antwoordde uiteindelijk dat hij een doosje
van Goote Tovelaar had gekregen, en dat het een heel belangrijk doosje
was. Abel zou er het vergeten mee verleren, had Goote Tovelaar gezegd.
Maar omdat hij daarmee eigenlijk zijn mond al een flink stuk had voorbijgepraat,
verklapte hij er verder niks meer over.
Op Grasvis’ kamertje zaten ze nog te prakkiseren over tuintjes en over
wat er allemaal in het bedrijf van de grote Baas werd gemaakt. Ze zouden
zelf ook ooit nog wel eens een bedrijf oprichten waar lucht in versheidzakjes
werd verpakt. En als de vrije lucht dan te erg vervuild was geraakt
om hem nog gewoon in te ademen zouden ze die zakjes verkopen. Van de
opbrengsten konden ze tuintjes kopen en gitaren, en misschien ook nog
wel wat anders, maar vooral tuintjes en gitaren.
Ze gingen er allebei zo in op dat ze bijna niet meer konden wachten
tot de lucht helemaal vervuild was. Met die zoete gedachte in hun hoofd
soesden ze in.
DE FOURNISSEURS HADDEN EEN FLINKE PIJP GESTOPT
Goote Tovelaar had zich net op een bankje in het park neergevlijd om
een pijp te stoppen toen Vogel kwam aangevlogen. Vogel pufte en kuchte
zich bijna de longen uit het lijf, en hij vloekte dat het daarboven
zo’n zootje was - hoeveel smurrie daar in dikke bruine pakken onder
de wolken zweefde, hij werd er niet goed van. Wat de mensen nu weer
in de zin hadden, dat wilde hij wel eens weten. Of ze de Fournisseurs
wilden uitroken misschien?
Vogel was onlangs nog voorbij hun wolk gevlogen, zei hij, en toen had
hij gezien hoe ze de bruine troep uit hun baarden probeerden te kammen.
Hij had ze horen jammeren en vloeken dat ze hun baarden nooit meer zo
wit zouden krijgen als ze voorheen waren geweest.
“Een schande,” gromde Vogel pruilerig. Goote Tovelaar knikte instemmend
terwijl hij van zijn pijpje lurkte en wolkjes langs het mondstuk mompelde.
“Zonde van de wereld.”
De twee bleven nog wat verwijtend zitten kijken naar de auto’s die verderop
langs de huizen raasden. Iedereen wist het van die zonde, en dat was
alles.
Omdat Vogel bang werd dat ze in oeverloos gejeremieer verzeild zouden
raken, vroeg Vogel of Goote Tovelaar het al van Abel gehoord.
“Wat van Abel gehoord?” vroeg Goote Tovelaar afwezig.
“De stakker. Hij heeft zijn huis aan een stel dronkelappen gegeven.”
“O dat, ja, dat wist ik al.”
“En hij zal bij Grasvis zijn intrek nemen. Als je het mij vraagt, kunnen
die twee het nu wel schudden. Van hen komt nooit meer wat terecht.”
Goote Tovelaar glunderde. Maar misschien was het toch beter als ze niet
zo snel van oordeel waren, vond hij. Vogel knikte. Het kon hem stiekem
worst wezen hoe Goote Tovelaar erover dacht; hij had er lekker toch
zijn eigen ideetjes over.
Goote Tovelaar blies nog een grote geurige wolk uit en keek omhoog of
hij misschien de baarden van de Fournisseurs in de hemel kon zien hangen.
De bruine smurrie was intussen al wel bijna verdwenen, en toch zag hij
ze niet. De Fournisseurs hadden kennelijk ook een flinke pijp gestopt.
Zoveel wolken had Goote Tovelaar nog nooit bij elkaar gezien.
EEN STER VIEL OP HET PERKJE
De hele dag had Grasvis gezwommen in het hoge gras van de tuintjes
in het park, en Abel had op het bankje gezeten om ernaar te kijken,
hij had enkele sigaartjes gerookt en met zijn doosje gespeeld.
Tegen de avond kwam Goote Tovelaar naar hen toe gewandeld. Vogel was
hem vanuit de lucht gevolgd. Goote Tovelaar groette Abel en vroeg voorzichtig
of hij zijn doosje nog bij zich had, en Abel knikte trots van jaja ik
heb het nog, maar hij sprak niet. Hij wilde de schoonheid van het moment
niet breken, zo blij was hij erom dat hij het doosje nog had. Dat begreep
Goote Tovelaar wel. Heel erg stil keken ze – Goote Tovelaar, Abel en
Vogel, die intussen geland was – naar het gelukzalige wroeten van hun
vriend Grasvis.
Grasvis had al die tijd van de wereld niks gemerkt. Het enige dat hij
er nog van kende was het heerlijke natte gras om hem heen. Maar het
doffe gebrom van de straten sloop uiteindelijk terug in zijn hoofd binnen
en prikte de droombel die hem omsloten had stuk. Plop en ze was weg.
“Dit zullen we nooit meer voelen,” zei hij toen hij Goote Tovelaar en
Vogel zag.
“Ach, misschien wordt het de volgende keer nog mooier. Zoiets kan je
nooit weten.,” antwoordde Goote Tovelaar sussend.
Toen het donker werd, zaten ze op een bankje over sigaren en tuintjes,
gitaren en over meisjes te bomen. Met een meisje had je gelijk alles
bij de hand wat je maar wensen kon, en het was vast net daarom dat ze
zo verdomd moeilijk te strikken waren. Sigaartjes roken lekker en gras
was een zegen om op te liggen en gitaren waren leuk om te horen, maar
een meisje had dat alles tegelijk en was bovendien nog leuk om naar
te kijken ook. En zo begonnen ze te fantaseren over naakte meisjes.
Vogel en Goote Tovelaar pochten dat ze al eens een naakt meisje in het
echt hadden gezien. Het was prachtig, onbeschrijflijk eigenlijk, zeiden
ze tegen Abel en Grasvis, die elk woord van hun verhaal nu zo diep in
zich opnamen dat ze het in hun bloed voelden stromen. Zo’n eigen meisje,
dat moest wel heus wat zijn, dachten ze.
Goote Tovelaar verklapte ook nog dat meisjes zelfs konden toveren. Ze
konden dingen met je doen zodat je even leek te sterven en naar lucht
hapte en daarna leefde je gewoon weer verder. Hij had het zelf eens
een keertje meegemaakt. Je werd er wel een beetje vies en moe van, maar
hij had het toch erg leuk gevonden.
Ze rookten nog wat en Goote Tovelaar voorspelde dat er weer een ster
zou vallen, er viel een ster voor onze voeten op het perkje en toen
ze was afgekoeld raapte Abel ze op en stopte ze in zijn zak bij het
doosje.
GROTE MEISJES
Grote meisjes liepen langs de winkelruiten en aan hun begerig wijzen
naar tasjes en kleedjes kon je al zien dat ze een heleboel geld bij
zich hadden. Ze zouden het vast opkopen. Abel hoopte dat ze heel veel
kleedjes zouden kopen, maar hij bleef zwijgend zitten kijken. In zijn
hand liet hij de ster rollen en aan zijn hielen lag iets dat uit zijn
zak was gevallen toen hij de ster er had uit gehaald.
Hij keek trots naar zijn ster en dan weer naar de grote meisjes en luisterde
naar het dartele gegil van kleine meisjes die wat verderop speelden
in het gras. De grote meisjes hadden al behoorlijk stevige borstjes,
merkte hij, en ze moesten ook al wel flink wat haartjes onder hun buik
hebben. Grote meisjes. Het water liep hem in de mond.
Het maakte niet echt uit hoe groot ze nou precies al waren, zolang ze
maar meisjes bleven. Vrouwen, daar kon Abel niet naar kijken zonder
een beetje beschroomd te zijn. Naar echte vrouwen moest je stiekem kijken.
Zelf was hij ook maar liever een jongen dan een man.
Een man met een zwarte Italiaanse hoed en een bruine jas. Hij liep even
door Abels dromerijen heen met een beleefd knikje. Toen droomde Abel
weer verder.
“Goeiedag, mijn naam is Toeval,” zei de man. Hij wilde een praatje maken,
maar Abel hoorde hem maar halfjes.
“Niets blijft als je het loslaat,” probeerde de man nog eens, hij bukte
zich om iets op te rapen, stopte het in zijn jaszak en wandelde weg.
De meisjes waren een winkel binnengelopen. Ze kwamen buiten met tasjes
om hun schouders. Abel keek snel naar de kruin van een boom toen ze
zijn richting kwamen uitgelopen, hij stak zijn ster weer veilig in zijn
jasje en ging naar Grasvis’ appartement.
HOE HOERTJE WEER EEN MEISJE WERD
Toeval liep door de stad te dolen, op zoek naar iemand die goed voor
verloren spulletjes kon zorgen. Zo kwam hij bij het meisje dat geen
eelt op haar voeten had. Dat kwam zo omdat ze de hele dag moest liggen
om aan de kost te komen. Mannen kwamen dan naar haar toe om tussen haar
dijen te schuren en zich aan haar borsten tegoed te doen, en achteraf
betaalden ze haar alsof ze met haar te doen hadden. Voor wat ze met
haar deden, dacht het meisje.
Omdat niemand voor haar een naam had verzonnen, liet ze zich Hoertje
noemen. Ze werd wel eens geslagen als een hond of verkracht en er werd
wel eens op haar gespuugd. De mensen vonden dat heel gewoon, maar ze
vonden het een schande dat ze zo kon leven. De Mensen hadden er geen
idee van, wist Hoertje.
Het was al erg laat toen Toeval haar zag zitten op een bankje in het
park, waar het schijnsel van een lantaarn een rozebruin maantje op haar
rug had geschilderd en de panden van haar jas toonden schuchter een
roodgeschaafde dij. Ze was mooi zo, maar in haar schoonheid kon je al
van ver vlekjes van pijn onderscheiden.
“Hoe heet jij?” vroeg Toeval.
“Dag jongetje, kom jij wat bij me zitten? Ik heb geen slipje hieronder.”,
antwoordde het hoertje terwijl ze haar jas onderaan opzij sloeg en haar
korte rokje vooraan wat oplichtte.
Toeval stond er even verbaasd en daarna bewonderend naar te kijken.
“Mijn kroes is een beetje droef vandaag. Zou jij d’r niet willen troosten?”
“Nou, eh, nee dat hoeft niet hoor,” stamelde Toeval, “Ik heb hier een
geschenkje voor je. Neem het maar aan. Daarzo.”
Toen begon Hoertje te huilen.
“Ho maar. Wat scheelt er nou, vind je het niet mooi?” vroeg Toeval idioot,
en hij liet haar tegen zijn borst uithuilen. Hij wist wel wat eraan
schortte.
Het meisje stak het doosje in haar jas. Het doosje op zich betekende
niet zo veel voor haar, maar ze had al zo’n lange tijd geen spulletjes
meer gekregen, en ze voelde zich weer even een meisje, nu.
“Schenk dat doosje maar aan iemand die ook wat droefjes is en vraag
hem er hetzelfde mee te doen, meisje. Ik moet nu weer elders heen. Laat
je voortaan maar Sterretje noemen.” En toen was Toeval alweer verdwenen.
De volgende dag bloedde ze toen een man tussen haar benen lag. Sterretje
lachte luid en de man werd bang en zette het op een lopen.
Op de aarde was het zonnig.
|
|