![]()


|
 |
De vrouw van Mars
Alexandra Fenoghen
(vertaling: Jan H. Mysjkin)
Alexandra Fenoghen had op 14 januari 1968 geboren moeten
worden te Sarichioi, een van de dorpen rond en in de Donaudelta waar
de oud-gelovigen drie eeuwen geleden gingen schuilen voor de achtervolgingen
door tsaar Peter de Grote ; maar haar moeder beviel onverwacht in het
naburige dorp Jurilovca, waar ze op familiebezoek was. Hoewel die dorpen
in een Roemeense omgeving waren ingebed, hebben ze heel die tijd zowel
de Russische taal als hun specifiek kerkelijke gebruiken weten te bewaren.
Na de val van Ceausescu, eind 1989, werden die dorpen door de Roemeense
overheid erkend als een van de achttien etnische minderheden die het
land rijk is. Alexandra Fenoghen studeerde eerst verpleegkunde, waarna
zij vijf jaar in Jordanië ging werken. Na haar terugkeer studeerde
ze Russische taal- en letterkunde aan de universiteit van Boekarest.
Vandaag werkt ze als redactrice bij de op Rusland gerichte uitzendingen
van de Roemeense Wereldomroep. Binnen de literatuur neemt Alexandra
Fenoghen door haar dubbele linguïstische binding een bijzondere
plaats in : zij schrijft haar verhalen in het Russisch en vertaalt die
vervolgens in het Roemeens. Haar debuut Bijna verhalen (2002) verscheen
dan ook tweetalig onder een dubbele titel. In 2004 publiceerde zij de
monografie Sarichioi, het raadsel van de negentiende eeuw, in samenwerking
met haar vader, de historicus Sevastian Fenoghen.
Ik heb besloten om jullie mijn geheim mee te delen. Althans, wat ik
sinds kort beschouw als mijn geheim, waarover niemand ooit iets zou
hebben mogen ervaren. Ik heb het idee dat ik de laatste tijd een en
ander beter begin te begrijpen, maar ik ben er niet helemaal zeker van.
Jullie moeten namelijk weten dat ik van Mars kom. Juist, van de planeet
Mars, de vierde vanaf de Zon, die jullie de rode planeet noemen, al
is ze in de verste verte niet rood, maar ik heb geen zin om in te gaan
op het probleem van de verschillende perceptie van een zelfde fenomeen
door verschillende subjecten.
Zoals ik al zei, ik kom van Mars. Op een mooie dag... wacht even, laat
me rekenen, ik heb me nog niet gewend aan het tijdsverschil tussen onze
planeten... zo’n anderhalf aardejaar geleden kwam ik tot de vaststelling
dat ik het leven op mijn planeet kotsbeu was, een planeet waar niets
nieuws gebeurt en waar alles tot een onverdraaglijke sleur is geworden,
zodat ik het plan opvatte om naar de naburige planeet te verhuizen,
om er uit te rusten en er een lucht te ademen, die misschien niet zuiverder
is, maar alleszins anders. Dus, op een mooie dag – in feite wilde ik
op een mooie nacht arriveren, maar ik had me in mijn berekeningen verstrikt,
wiskunde is nooit mijn sterkste kant geweest – op een mooie dag dus
bevond ik me pats in het centrum van een immense stad. Ik ben gewoon
langzaam uit de hemel neergedaald – bij ons hoeven ze geen vliegende
schotels meer, niet eens als oud ijzer, sinds geruime tijd vliegen we
zonder tussenkomst van techniek, louter op basis van ons verlangen.
Het brein is sowieso superieur aan wat voor gesofisticeerde techniek
ook, als je het maar weet te gebruiken zoals het hoort. Toegegeven,
in mijn geval komen de dingen niet altijd uit zoals ik het wil, maar
ik weet hoe ik moet vliegen, zoveel mag ik wel zeggen.
En zo kwam ik, zoals ik al zei, uit de hemel midden in de allerdrukste
straat van die stad terecht, waarop ik door grote angst werd gegrepen
: het leek wel alsof al die mensen samentroepten om een terechtstelling
bij te wonen ; er was politie, leger, brandweer en wat al niet, net
als bij ons, op Mars.
Geloof me, het was een eindeloos komen en gaan van mensen, zonder ook
maar een moment van verpozing. In dat apocalyptische gekrioel was er
niemand die zelfs maar naar me heeft omgekeken. Ik werd ongerust. Ik
dacht dat ik onder invloed van de aardse atmosfeer onzichtbaar was geworden,
je weet maar nooit... Nou ja, ik had er geen andere verklaring voor...
Er komt een wezen uit de hemel neergedaald en dat lokt niet de minste
reactie uit. Behalve van een of andere opa met een stuk in zijn kraag
– weet ik nu, maar toen begreep ik er geen sikkepit van – die zijn ogen
tot spleetjes kneep, me aankeek en vroeg :
‘Je komt zeker van de Maan gevallen ?’
Op het moment zelf was ik zo verrast, dat ik was vergeten dat ik incognito
wilde blijven om mogelijke verwikkelingen te voorkomen, en spontaan
en eerlijk antwoordde ik hem :
‘Nee, van Mars.’
De opa zette grote ogen op en barstte in lachen uit, waarop het tot
me doordrong dat ik maar beter kon uitkijken en fluks in de massa verdween.
Lange tijd ben ik bang geweest dat die kerel me had aangegeven bij de
autoriteiten, en dat die vervolgens een klopjacht op me zouden organiseren,
maar er gebeurde helemaal niets.
Zo begon mijn leven op Aarde. Ik wist een heleboel over de aardbewoners
en over hun planeet. Gedurende een paar jaar had ik alle bestaande informatie
over hen op Mars bestudeerd. Aanvankelijk leek alles me ontzettend eenvoudig.
Ik heb een flat gezocht en daarna een baantje – al had ik zonder dat
laatste gekund, maar ik wilde niet alleen zomaar verblijven op Aarde,
ik wilde me volledig aanpassen om op en top een aardbewoonster te worden,
daarvoor was me geen moeite te veel.
In het begin was ik bang dat de mensen op mijn werk zouden merken dat
er iets niet in de haak met me was. Op Mars zouden ze onmiddellijk iets
hebben ‘geroken’. Maar hier ? Niets, geen enkel probleem. Uiterlijk
verschil ik helemaal niet van jullie, aardbewoners, behalve mijn ogen
misschien, of nee, niet de ogen, maar mijn manier van kijken. Ik heb
onlangs ondervonden dat de mensen geen greep krijgen op de uitdrukking
in mijn ogen. Maar aanvankelijk was er niemand die een vraag stelde
over mijn ogen, meer zelfs, niemand stelde me welke vraag dan ook, niet
waar ik woonde, niet waar ik vandaan kwam, niet wie ik was, niets over
mijn privé-leven, om helemaal te zwijgen over mijn plannen en
projecten voor de toekomst...
In vergelijking met Mars, waar je niemand tegen het lijf loopt zonder
dat die vragen gaat stellen over alles en nog wat, leek de Aarde me
een zalige plek. Ik vond dat de mensen werkelijk de intimiteit van de
ander respecteren en dat ze niet indiscreet zijn, meer bepaald wanneer
ze je niet goed kennen.
Ik was vastbesloten om me aan het leven hier aan te passen en mijn dagen
tot het eind in geluk te slijten. Maar al snel begon ik me eenzaam te
voelen – ik ben een timide wezen, en zeg niet veel als ik er niet toe
word aangemoedigd. Om die reden stonden de vrienden niet om me heen
te dringen. Dus adopteerde ik een kater. Nou hebben wij ook katten op
Mars, maar toch duurde het even voor Rat en ik zich aan elkaar hadden
gewend ; misschien omdat de katten op Mars niet echt gelijken op de
katten op Aarde. Ik vermoed dat hij onmiddellijk heeft aangevoeld dat
ik geen aardbewoner was, want hij reageerde veeleer bevreemd op mijn
verlangen hem te aaien zoals we onze katten aaien op Mars, namelijk
door ze aan de staart te trekken.
En zet nou geen grote ogen op omdat mijn kater Rat heet. Waarom staat
iedereen daar zo van te kijken ? Op Mars is Rat de meest courante naam
voor katten.
Rat en ik hadden het samen erg naar onze zin. Op mijn werk was ik altijd
bezig – al heb ik nog altijd niet begrepen wat ik daar deed en waarom,
maar goed, niemand heeft ooit ook maar een opmerking gemaakt, dus vermoed
ik dat alles in orde was – en als ik thuis kwam, werd ik opgewacht door
mijn viervoetige gezel. We hadden een vrolijke en aangename tijd.
Dat alles gebeurde in het begin van mijn nieuwe leven op Aarde, gedurende
de eerste twee of drie weken, volgens jullie tijdscriteria. Ik vond
dat ik me perfect had aangepast en na enige tijd meer serieuze dingen
kon aanpakken, tuinieren of zo. Op Mars is tuinieren een uiterst belangrijke
aangelegenheid, die niet zomaar aan de eerste de beste wordt toevertrouwd.
Helaas, al gauw was ik niet meer in staat om wat dan ook te begrijpen
van wat er om me heen aan de hand was. Mijn nieuwe kennissen stonden
onverschillig tegenover mij en mijn leven, en om me heen deden zich
allerlei onverklaarbare verschijnselen voor. Het werd me opeens duidelijk
dat het voor mensen vitaal is om voortdurend anderen te beoordelen,
meestal diegenen die je het meest nabij zijn... Toen ik voor het eerst
zo’n tafereel meemaakte, was ik ervan overtuigd dat ik eigenlijk niet
doorhad waar het over ging, een soortement kortsluiting van de contacten,
een storing in de communicatiekanalen, een culturele en taalkundige
blokkering, of zoiets...
Ik bood de mensen mijn hulp aan, maar niet alleen wilden ze die niet
aanvaarden, bovendien keken ze me wantrouwend aan, ja scholden me vlakaf
uit... en ik begreep niet waarom. Ik kwam er al gauw achter hoe de vork
in de steel zat, en hoewel ik nog altijd niet kon begrijpen waarom ze
zo verstoord waren om het feit dat ik nooit klaagde over wie of wat
dan ook, dat ik tevreden was met mijn werk, de mensen en het leven,
dat ik me bezighield met mijn eigen zaken en met niemand ruzie zocht,
ging ik me hoe langer hoe meer afsluiten in mezelf. Ik begon de mensen
om me heen nauwkeuriger op te nemen. Ik wilde ontdekken waarin ik zo
van hen verschilde, en waarom ik er, wat ik ook deed, uiteindelijk altijd
weer bijstond als het ‘groene marsmannetje’ (neem me niet kwalijk, dat
is bij ons het equivalent van jullie uitdrukking ‘witte raaf’).
Op een dag kwam ik tot het besluit dat ik verliefd moest worden, wilde
ik echt helemaal een aardbewoonster zijn. Ik wist wat liefde was – ja
in het Heelal gaat de mare dat de Marsianen hun weerga niet kennen als
het om de liefde gaat. Ik zou niet weten of dat waar is... in elk geval
heb ik dat niet verzonnen, dat is wat anderen denken...
Dus zocht ik het gezelschap van een charmante, vrolijke en intelligente
jongeman, een ware prins, niets minder dan dat. En ik, vastbesloten
om de aardse minne te proeven, werd tot over mijn oren verliefd, zoals
jullie, aardbewoners, dat zeggen. Ik hield van hem zoals alleen een
hartstochtelijke Marsiaanse dat kan, zonder ergens rekening mee te houden,
geheel en al levend met en voor mijn liefde.
Ik was compleet uit het oog verloren dat ik eigenlijk helemaal niets
begreep van de gang van zaken hier op Aarde, en dat de mensen voor mij
een onopgelost raadsel bleven. Ik was ervan overtuigd dat liefde het
enige antwoord op mijn vragen was, dat het mij zou helpen om alles te
begrijpen en dat ik me op die manier op mijn beurt verstaanbaar zou
kunnen maken.
Mijn geliefde was de enige die opmerkte dat ik naar aardse normen ietwat
vreemd was – behalve Rat dan, maar die wil ik niet meetellen, omdat
hij geen mens is... Hij keek me met een glimlach aan en zei teder :
‘Je bent niet als de anderen... Je bent vreemd, alsof je van een andere
planeet komt... Je bent mijn liefje van Mars...’
Ik antwoordde hem met een glimlach dat ik inderdaad van Mars kwam, waar
er twee manen aan de hemel staan, wier bewoners meer verstand hebben
van de liefde dan wie ook in het Zonnestelsel, en dat ik de Aarde had
uitverkozen, enkel en alleen omdat ik wist dat ik hem hier zou ontmoeten.
Hij geloofde me niet, maar daar gaat het niet om – het gaat erom dat
we van elkaar hielden, en dat ik voelde dat ik stukje bij beetje vat
begon te krijgen op de andere dingen die om me heen op Aarde gebeurden.
Op een dag keek hij me langdurig aan, en toen zei hij me dat er een
droevige uitdrukking in mijn ogen lag, waarop ik antwoordde dat het
me verbaasde dat hij droefheid zag waar alleen blijheid bestond, waarop
hij me een of ander even verwijt naar het hoofd slingerde, waarop ik
bang werd en ver stond als voordien : ik was niet in staat om ook maar
iets te begrijpen. Hij voegde eraan toe dat er helemaal niets in mijn
ogen te lezen was, en toen ging hij er met slaande deuren vandoor.
Ik ben elk gevoel voor tijd verloren... Ik zou niet kunnen zeggen wanneer
hij me heeft verlaten of hoe lang mijn geluk heeft geduurd... zelfs
in het algemeen weet ik niets meer, niet eens de dingen die ik ooit
leek te begrijpen...
Ik kijk naar de aardbewoners, en ik weet niet wie ze zijn of wat ze
willen. Wanneer ik in de spiegel kijk, komt alles me zo verwarrend voor...
Ik weet niet wie ik ben en wat ik hier doe op deze Aarde, waar niemand
om me geeft... En alsof het lot me al niet genoeg heeft gekweld, ben
ik op de koop toe vergeten wat ik moet doen om terug te vliegen naar
Mars... Dus heb ik besloten om jullie mijn geheim te vertellen, al besef
ik best dat jullie me niet zullen geloven, en dat mijn verhaal jullie
niet zal ontroeren... Maar misschien, ergens... Op mijn planeet is er
hoop zolang er leven is...
Ik kwam van Mars... Aardbewoners, horen jullie me ?... Ik ben een vrouw
van Mars.
Over de vertaler.
Jan H. Mysjkin, geboren in 1955 te Brussel, leidt vanwege zijn vertaalactiviteiten
een half-nomadisch bestaan tussen Amsterdam, Boekarest en Parijs. Vorig
jaar publiceerde hij vertalingen van Gerrit Kouwenaar en Paul van Ostaijen
in het Frans ; daarnaast verschenen in het Nederlands een bloemlezing
met dadateksten uit de ontstaanstijd (Een avond in Cabaret Voltaire),
een bloemlezing van Franstalige Belgische dichters (Hanenveren van diverse
pluimage), evenals de roman De beiaardier van Georges Rodenbach. Sinds
een jaar of twee rommelt hij rond in de Roemeense taal- en letterkunde.
|
|