Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel
De volledige tekst van deze bijdrage van Jeroen Brouwers staat in nummer 86 van De Brakke Hond, dat op dit moment te koop is in de betere boekhandel. Het kan ook via onze site besteld worden, dan wordt het nummer per post toegestuurd.

Opent deuren niet nutteloos tijdens de rit der rijtuigen en andere notities in de marge

Jeroen Brouwers

[....] Vlaams en Nederlands (bis)
Neem nu de Vlaming Luuk Gruwez. Ik bedoel zijn geeuwverwekkend vervelende boekjes met de tot in eindeloosheid uitgevezelde herinneringen aan opa Bing en opa Knor, tante Sabbel en nonkel Kluts, neef Smurf, nicht Patatje, buurman Prot en nog een queue van andere figuren uit zijn boeiende bestaan, alle aangeduid met dergelijke of soortgelijke nomenclatuursels. In De Wetenschap heet dit schrijfgedoe 'Genealogisch Proza'. Je zou scheurbuik oplopen van het niet te stuiten schateren. In Gruwez' ouwelullengeschriften is er sprake van een geliefde, die Tippetotje wordt genoemd: de naam van een schilderesje uit het Kapellekensbaantweeluik van Louis Paul Boon, - de originaliteitsprijs zal hem er niet voor toevallen.
     Gruwez, die ik ken als een onuitstaanbare ijdeltuit, zelfingenomen kraanhals en vileine roddelwind: gewezen dorpsschoolmeester met te veel tijd, die hij doodt door uit het raam te staren, miezerend over de verloren tijden, in de actuele maakt hij namelijk niks meer mee, tenzij nu en dan een bezoek aan de kapper, twee straten verderop, om het dunne struweel op zijn bovenlip te laten bijharken.
     Na alle poppenkastpersonages uit zijn jeugd te hebben geportretteerd, begon hij aan de beschrijving van alle huizen waarin hij gedurende zijn leven zoal heeft gewoond, daarna aan het noteren van luchtbellenfilosofietjes over de maanden van het jaar, niet zelden in de brief- of dagboekvorm, want dat zijn de gemakkelijkste genres.
     Luuk Gruwez: een soortement John Gielgud van de B-film.
     In 2002 verscheen zijn boekje De maand van Marie: de monologen van vier vrouwen, weergegeven in het West-Vlaams, dat wordt gesproken in Gruwez' geboortestreek. 'Sappig Vlaams', zoals de Ollanders, als ze in een ruimhartige bui zijn, het wel plegen te noemen, - of ze het begrijpen is een tweede.
     Maar wat als het West-Vlaams dialect, waarvan ook Stijn Streuvels zich op jeuk veroorzakende wijze bediende, in de randstad nu eens niet wordt begrepen? Dan koopt men er Gruwez z'n boekske niet, tot verdriet van hemzelf en zijn uitgever en tot gematigde vreugde van de firma De Slegte, al krijgt die het ding evenmin in geen decennia verkocht.
     Vond men er iets op?
     Het voor de hand liggende, te weten: de verklarende woordenlijst achterin het boek. Eeuwenlang de oplossing van uitgevers van de intussen gestorven Nederlands-Indische of Indisch-Nederlandse literatuur. Deel 1 van Multatuli's Volledig werk, dat Max Havelaar bevat, eindigt met zo'n 'alphabetische lijst van Indonesische woorden'. ('…het was te vrezen, als men de sawah niet tijdig bewerkte, () dat er geen padi zou te snyden zyn, om die te bergen in den loemboeng van het huis', - afkomstig uit de tweede volzin van hoofdstuk 17 over Saïdjah en Adinda.) De verklaring van de Indonesische woorden 'sawah', 'padi' en 'loemboeng' kan de lezer in die lijst opzoeken. De in een mengtaal van Nederlands en Indisch (het 'petjôh') geschreven werk van Vincent Mahieu (pseudoniem: Tjallie Robinson) kan het al helemaal niet zonder dergelijke lijst stellen. (Voetgangers en overige deelnemers aan stadsverkeer moeten uitkijken voor de tram: wordt men 'door de tram gegrepen, di-banting, di-kotjok, dan di-oelek'. Uit Tjallie Robinson, Piekerans van een straatslijper.) (Ik herinner me opeens mijn moeder, die het 'petjôh' vloeiend sprak, zodat ik nog steeds geen idioticon nodig heb om dit eveneens zeer binnenkort uitgestorven, geestige en schilderachtige taaltje te kunnen volgen. Ze maakte zich zorgen over mijn toekomst en heeft vaak genoeg gezegd dat ik mijn levensbestemming zou vinden als 'toekang sodok trèm': dit is de persoon die in het oude Batavia met een schepje aan een lange steel paardenuitwerpselen en ander vuil uit de tramrailgleuven schraapte…)
     Luuk Gruwez: de Hugo Claus van de tweederangs letteren. Ook Claus bezigt in veel van zijn werk een of ander, dikwijls zelfverzonnen, Vlaams, zonder zich te bekommeren om de vraag of zijn lezers het zullen vatten of niet, en dat is de juiste instelling, - men vindt in Claus' œuvre geen lijsten met woordverklaringen. Vlaams is niet een uitheemse taal als Maleis of Arabisch en hoeft voor een Nederlandstalig publiek dan ook niet te worden vertaald: de Ollander moet maar moeite doen om het te doorgronden, danwel getroost zich die moeite niet en komt er zo dan dus nooit achter wat hij misschien mist. Men schrijft Vlaams of men schrijft Nederlands, - schrijft men Vlaams, dan is het kneuterig om achterin het geschrift aan Nederlanders uit te leggen, zoals Gruwez dat doet in De maand van Marie, dat 'saluutjes' tot ziens betekent, dat een 'tellore' een etensbord is, dat onder 'boemelkonte' een vrouwelijk feestnummer wordt verstaan, 'klappen' een Vlaams woord voor praten is en een 'klapke' in het Nederlands een praatje zou worden genoemd. Enzovoort.
     Wat zou men eventueel hebben gemist als men De maand van Marie, het slaperig makende Vlaamse bleke-bettenboekje van de dorpsouwehoer Gruwez, ongelezen had gelaten? Niets, hij had het evengoed in het Nederlands kunnen schrijven, hij had het nog beter helemaal niet geschreven. Het Vlaams dat hij beliefde te gebruiken is slap en zonder veel extra zegging, het zeurt maar zo'n beetje in het rond zoals muzak in een winkelstraat en verveelt al even snel. Vergelijk dat eens met de veertig bladzijden durende, sprankelende monoloog van de tuinman Pol Mallants in Walter van den Broecks roman Het beleg van Laken (1985). In onversneden Olens, beeldrijk en vol taalkleur, vertelt deze werkman, zonder te beseffen hoe rijk, bont en humoristisch zijn spreektaal is, de biografie van koning Boudewijn met veel ooggetuigeninformatie over het leven aan het hof te Laken. Woordverklaringen? Eén keer bevat deze tekst een voetnoot: om het woord 'reut' uit te leggen, al zou ik het zonder uitleg toch wel min of meer hebben begrepen. Het kindermeisje van Boudewijn was 'een Hollandse', 'maar alla, liever een Hollandse dan zo'n Brusselse reut, waar of niet?' 'Reut' blijkt volgens de voetnoot een 'ros, kwaad wijf' te zijn, - misschien is het een woord dat ook in Vlaanderen verder vrij onbekend is.
     Ook de woordverklaringen in het drukwerkje van Gruwez had ik niet nodig: ik lees dan ook al 'Vlaams' sedert mijn jonge jaren, bovendien woon ik onderdehand al zo lang tijd temidden der Vlamingen en hun taal dat ik deze, volstrekt tweetalig als ik inmiddels ben, moeiteloos begrijp, overigens zonder zelf enig 'Vlaams' te kunnen klappen zonder mezelf belachelijk te maken.

[...]

De volledige tekst van deze bijdrage van Jeroen Brouwers staat in nummer 86 van De Brakke Hond, dat op dit moment te koop is in de betere boekhandel. Het kan ook via onze site besteld worden, dan wordt het nummer per post toegestuurd.