![]()


|
 |
Kuifjes in kogelland
Jetteke van Wijk
I
Ik kwam met zestien dozen. Hagelslag had ik bij me.
Een citruspers, mijn dekbed, mijn favoriete mok.
Boeken natuurlijk. Bestek. Mijn superkleine
Compaq-laptop en een gigantisch grote en langzame
14K4-modem. Twee meter muziek voor in de nieuw
gekochte Cd-speler. Een wekkerradio. En brieven.
Drie stuks. Alle ondertekend door potentiële
opdrachtgevers en alle voorzien van zinsneden als
`we betalen helaas niet veel’ en `succes in
Jeruzalem’.
De grote hoeveelheid karton deed het incheckmeisje
op de luchthaven licht fronsen. ,,Tachtig kilo
overgewicht,’’ meldde ze koel. Of ik wel wist dat
dit een campingvlucht was.
,,Maar ik verhuis van land,'' pleitte ik. ,,Voor
mijn werk. Ik heb echt geen keus’’. En ik probeerde
zo zielig mogelijk te kijken, hopend op tenminste
een greintje lankmoedigheid.
Het was paasochtend 1997. De vlucht was vertraagd,
de rij chaotisch en lang. De zon moest nog opkomen.
Het personeel was vermoeid.
Vele uren later loste het vaderland op in een flard
van mist en een pak grijze wolken aan de buitenzijde
van het vliegtuigraam. De molens zouden legerposten
worden, de sloten droge wadi’s, het wisselvallige
klimaat opvallend voorspelbaar en stabiel. Het Oude
Vertrouwde maakte plaats voor het Grote Onbekende.
Een avontuur, zo praatte ik mezelf aan. Maar in
plaats van spannend en uitdagend voelde mijn
migratie eerder als een amputatie of ontworteling.
De bij het ontbijt als paasverrassing uitgedeelde
chocolade eitjes bleven dan ook hangen als een brok
in mijn keel. Nog een geluk dat mijn dozen zonder extra kosten
meereisden in het bagageruim.
II
Ik kwam in een tijd van vrede. Van relatieve vrede
in elk geval, want het land was hopeloos verdeeld in
links en rechts, seculier en religieus, kolonist en
peacenik, collaborateur en Palestijns nationalist.
Voor- en tegenstanders van de in 1993 met de
Palestijnen getekende Oslo-akkoorden bevolkten als
kolkende massa’s de demonstratiepleinen. Woedende
ultra-orthodoxen bekogelden iedere zaterdag de
bezoekers van winkels en cafés die zich niet aan de
heilige Shabbatrust hielden. Een controversieel
appartementenproject op Jabal abu-Ghneim/Har Choma
leidde in Jeruzalem tot heftige protestacties van de
vredesorganisaties, terwijl Arabische huiseigenaren
als verraders werden vermoord wanneer ze hun
woningen verkochten aan (rechtse) Israëli’s.
Business as usual dus.
Het was anderhalf jaar na het zogeheten
'nationale
trauma': de moord op de linkse premier Yitschak
Rabin van de Arbeiderspartij tijdens een
vredesbetoging in Tel Aviv. Het land bezon zich, en
mijn eerste verhaal diende zich direct al aan toen
ik mijn laptop en modem verbond met het internet.
Een rechtse, van origine Amerikaanse journalist uit
een nederzetting, wilde op de Jeruzalemse
universiteit in een lezing zijn complottheorie
lanceren over de kogels die de Israëlische
minister-president hadden getroffen. Niet Yigal
Amir, de religieuze student met contacten binnen het
kolonistenmilieu, was volgens hem de dader, maar
Israëls eigen veiligheidsdienst. Hij had de dia’s en de statistieken. De
filmprojector stond klaar, het bewijsmateriaal lag
op tafel, en de zaal was gereserveerd. Maar de
linkse studentenbewegingen weigerden hem een podium
te verlenen voor het afschuiven van de schuldvraag
die, wat hen betrof, overduidelijk lag bij de
rechtse ophitsingen tegen Rabin en de
vredesakkoorden. De campus stroomde vol met
demonstranten, en uiteindelijk mocht alleen de pers
de woorden van de spreker horen – voor zover
überhaupt nog mogelijk boven het geluid van de
buiten de muren gescandeerde leuzen en het optreden
van de politie. Gelijktijdig maakte Israël zich echter naarstig op
voor de periode na de oprichting van een zelfstandig
Palestina. Het al bijna vijftig jaar voortslepende
conflict met de Arabische wereld liep ten einde, en
de joodse staat zou binnenkort niet langer een
bezettingsmacht zijn. Tijd voor een grondwet, voor
het inperken van het leger, en voor een definitieve
keuze tussen democratie en theocratie. Zo ver was het echter nog niet. Onverwacht had
namelijk niet Rabins tweede man Shimon Peres de
premiersverkiezingen van 1996 gewonnen, maar de
rechtse havik Benjamin Netanyahu van de Likoed; een
partij die weinig op had met het idee van een
zelfstandige Palestijnse staat als buur van Israël.
Tot gruwel van links en vreugde van rechts zette hij
dan ook een rem op de vredesakkoorden van Oslo.
Clausules kregen subclausules, vastomlijnde
processen werden opgesplitst, gebiedsoverdracht liep
vertraging op. Maar toerend over de rammelwegen van de Westoever en
de Gazastrook was ondertussen duidelijk waarneembaar
hoe het verrijzende Palestina met de dag meer vorm
kreeg. Yasser Arafat en de zijnen waren na decennia
van ballingschap weer toegelaten tot het gebied en
de Palestijnse vlag was niet langer verboden. Er
ontsproten politiebureaus, gevangenissen,
rechtszalen, presidentiële paleizen, ministeries en
een parlement. Auto’s kregen een eigen kleur
nummerplaat en telefoonlijnen liepen niet meer via
Israël, maar langs de centrales van het vers
opgerichte bedrijf PalTel. Er waren Palestijnse
banken en er was een Palestijns paspoort.
Buitenlandse investeerders begonnen met de aanleg
van een haven en een vliegveld. Internationale
bedrijven openden kantoren. Achter veel Israëlisch checkpoints, waarvoor
westerlingen zelden hoefden te stoppen, stond een
uit zandzakken en volgestorte tonnen opgebouwde
Palestijnse controlepost, doorgaans voorzien van
kaartspelende of wegdoezelende grenswachters.
Overijverige politieagenten regelden in de autonome
steden het verkeer met een dusdanig enthousiasme,
dat de voetganger die ook maar een enkele millimeter
buiten het zebrapad leek te stappen meteen de les
gelezen werd.
Natuurlijk was er ook sluimerend ongenoegen over,
onder andere, het dralen van Netanyahu. Maar ieder
weekend dromden de Israëlische massa’s naar de
Westoever om goedkoop te winkelen en te eten, en
soms stonden rond het Meer van Tiberias de auto’s
met de Palestijnse nummerplaten rijendik geparkeerd.
En onderwijl groeide aan beide kanten van de
toekomstige grens een nieuwe schare kinderen op met
de realiteit van een toekomstige Palestijnse staat
naast de huidige Israëlische: de zo gedoopte
`vredesgeneratie’. En de enigszins vertraagde uitvoering van de
Oslo-akkoorden? Die zou weer naar behoren op schema
komen te liggen zodra een linkse premier het roer
overnam.
III
,,Maar wat wil je nu echt?,’’ vroeg de chef
binnenland van een Nederlands persbureau tijdens een
sollicitatiegesprek voor de functie van
correspondent in mijn woonplaats Utrecht. Hij wees
daarbij op mijn CV, waaruit een onmiskenbare
buitenlandlucht opsteeg. Of ik misschien toch geen
weidsere horizon zocht dan die van de stadsreporter. Dus vertelde ik hem van de twee droomposten die ik
ergens in de verre toekomst nog eens hoopte te
bekleden: correspondent Londen en correspondent
Jeruzalem. Groot-Brittannië vanwege de uitgesproken
verscheidenheid aan verhalen die op het eiland te
maken viel, en Israël omdat het in alle opzichten
een journalistiek paradijsje was. Wel conflict, maar
geen restricties voor buitenlandse verslaggevers.
Net genoeg oorlog om zorg te dragen voor
interessante en verontrustende reportages, en toch
voldoende veilig om geen kogelvrije vest toe te
voegen aan de reisgarderobe. Plus een problematiek
die in vijf weken tijd meer ingrijpende
maatschappelijke veranderingen kon veroorzaken dan
Nederland doorgaans zag in vijftig jaar. En een
uitermate toegankelijke informatiestructuur; zelfs
als studentje journalistiek was mij in 1988, toen ik
bij wijze van stage een half jaar lang achter de
eerste Palestijnse Intifada aanrende, nooit een
interview geweigerd noch bleef er ooit een deur
dicht. ,,Ik begrijp echter ook,'' koppelde ik het betoog
weer soepeltjes terug naar de vacature, ,,dat ik
eerst een carrière in Nederland moet opbouwen’’. De chef zweeg. Korte tijd richtte hij al zijn
aandacht op de complexe taak van het omroeren van de
suiker in zijn koffiekop. Toen bracht hij plots het
gesprek op de buitenlandredactie en hoe deze net
bezig was een netwerk op te zetten van freelance
correspondenten. ,,Mocht je je dus ergens
vestigen,'' besloot hij, ,,neem dan een laptop met
een modem mee en je kunt meteen voor ons aan de
slag’’. Muziek in de oren van de pas afgestudeerde werkloze
natuurlijk; vooral toen bij thuiskomst een
gelijkluidende brief op me wachtte van een
tijdschrift waarnaar ik een open sollicitatie had
gestuurd. Ook juist begonnen met een netwerk van
freelance buitenlandcorrespondenten, en daarom
dringend op zoek naar iemand in Israël. Het leek zo
te moeten zijn.
,,Allicht is het even doorbijten in het begin,''
probeerden vrienden me over mijn twijfels heen te
helpen. ,,Maar áls er dan opeens iets groots
gebeurt, dan weet iedereen je meteen te vinden en
gaat de toko lopen’’. Jaja. Want als iets direct al duidelijk werd, dan
was het wel dat relatieve vrede niet bevorderlijk is
voor het opstarten van een freelance post – zeker
niet in een ver buitenland, zonder financiële
reserves of garanties, als beginnend journalist die
de juiste contacten in het vaderlandse mediawereldje
nog ontbeert, in een gebied dat per capita van de
bevolking wereldwijd de meeste correspondenten kent
(en in absolute cijfers slechts voorbij wordt
gestreefd door de Verenigde Staten). Daar zat ik dan, in een leeg
anderhalfkamerappartement met slechts een tafel, een
krukje, een boekenkast en een televisie, en speurde
nooddruftig naar onderwerpen die de grote
persbureaus over het hoofd hadden gezien. Bibberend
in de winter omdat het ene elektrische kacheltje de
ruimte niet aankon, puffend in de zomer bij gebrek
aan geld voor een ventilator, leefde ik op
boterhammen met pindakaas als avondmaal en perste
sinaasappels voor de vitaminen. Aan het eind van
elke maand telde ik nerveus mijn geld om te zien of
ik quitte had gespeeld en zo mijn verblijf met nog
vier weken verlengen kon. Terwijl de andere correspondenten zich dus bezig
hielden met de politieke schandalen uit het tijdvak
Netanyahu, boog ik me noodgedwongen over zaken als
het vijftigjarig jubileum van de Dode Zeerollen, de
opening van het eerste Palestijnse casino in
Jericho, de plannen voor een Palestijns-Israëlische
versie van Sesamstraat, de transseksuele
deelneemster aan het Eurovisie Songfestival, en de
aanstelling van een Israëlische ambassadeur voor de
maan. Ook het nakende jaar 2000 zorgde voor veel
verhalen, variërend van de volledige renovatie van
het Palestijnse stadje Bethlehem – riolering,
bestrating, puien, winkels, toeristische routes,
parkeergarages – en parallel daaraan de Israëlische
race om alle pelgrimsplekken klaar te stomen voor de
verwachte hordes, tot het bezoek van de paus, de
vele pseudo-Messiassen die door het land liepen, de
christelijke groepjes die zich vast op de Olijfberg
vestigden voor het Einde der Tijden, en de angst dat
in alle millenniumgekte iemand een apocalyptische
daad zou willen stellen door de moskeeën op de
Jeruzalemse Tempelberg of a-Haram a-Sharif op te
blazen. Die staan immers zo lastig juist op de plek
waar, als opmaat naar het Laatste Oordeel en de
oorlogen van Gog en Magog, de Derde Tempel moet
verrijzen. Soms tikten collega’s behulpzaam opdrachten naar me
door en rekten mijn financiële reserve met
productieklussen voor radio en TV. Eindigde een
maand echter onverhoopt met winst, dan was dat
doorgaans toch het gevolg van hard
oorlog-en-vredenieuws: een zelfmoordaanslag, grote
militaire verliezen, politieke blunders, de
mogelijke teruggave van de hoogvlakte van Golan aan
Syrië, een doorbraak in de onderhandelingen, een
ceremonieel staatsbezoek, of de angst voor
Scudraketten op Tel Aviv als gevolg van de oplopende
spanningen rond Irak. Zodra het punt van mijn mes
dus de bodem van de pindakaaspot begon te raken,
groeide stil de hoop op een groot verhaal dat alle
opdrachtgevers weer eens simultaan naar de telefoon
zou doen grijpen. Ook de val van het kabinet Netanyahu eind 1998 liet
zich moeiteloos onder die noemer scharen. Uitdager
bij de verkiezingen van 1999 werd Ehud Barak, leider
van de Arbeiderspartij, voormalig beschermeling van
Yitschak Rabin, en daarmee de man die de
vredeserfenis van de vermoorde premier per
ommegaande zou redden mits hij maar de meeste
stemmen kreeg. Zo redeneerde in elk geval links, en
voerde een campagne op leven en dood. Barak won, het vredeskamp sprong van euforie in de
stadsfontein van Tel Aviv, en Het Conflict leek rap
de krantenkoppen te verruilen voor de
geschiedenisboeken. Voorjaar 2000 trok de nieuwe
premier de Israëlische troepen na achttien jaar
terug uit de veiligheidszone van Libanon. Er was
even sprake van een vredesakkoord tussen Israël en
Syrië, en naar verwachting in de herfst of winter
van het millenniumjaar zou de Palestijnse staat
definitief worden ingetekend op de kaart. Een nieuw
begin, en dus een prachtig moment om mijn
correspondentschap mee te eindigen. In de zomer verscheepte ik daarom mijn dozen vast
naar Nederland, klaar om zelf direct achter mijn
spullen aan op het vliegtuig te springen zodra het
Palestijnse volkslied `Biladi Biladi’ over
onafhankelijk Ramallah had geschald. Geen moment te
laat ook, want ik telde mijn geld en zag dat ik
volledig bankroet was. Failliet gegaan aan de vrede.
IV
En toen werd alles anders. Het begon in de laatste week van september 2000 met
een omstreden en van vele kanten sterk afgeraden
bezoek. De plaats: het al-Aqsa-moskeeënplateau op de
Tempelberg, na Mekka en Medina nummer drie op de
lijst van heilige plekken van de Islam. De cast: de
rechtse oppositieleider Ariël Sharon, in de
Arabische wereld één van de meest verguisde
Israëli’s door al het Palestijnse bloed dat sinds
zijn diensttijd aan zijn handen kleeft. De
implicatie: heiligschennis. Het gevolg: massale, in
woede gedrenkte rellen. Maar eigenlijk begon het al veel eerder. Want
ofschoon menig Israëli eind jaren negentig nog in de
veronderstelling verkeerde dat de bezetting ten
einde liep en alles nu beter was dan vroeger, voelde
de dagelijkse werkelijkheid voor Palestijnen
beduidend grimmiger aan. Reisvergunningen tussen
Westoever en Gazastrook waren uitermate moeizaam te
verkrijgen, het Israëlische leger regeerde buiten de
autonome steden nog steeds met ijzeren hand, en na
aanslagen en rond de joodse feestdagen werden de
checkpoints stelselmatig gebruikt om de Palestijnse
steden volledig af te sluiten van Israël en van
elkaar. Toerend over de rammelwegen van het toekomstige
Palestina, was dan ook alom waarneembaar hoe de
stemming met de dag meer omsloeg. De blokkades
wurgden de plaatselijke economie, zodat steden,
dorpen en vluchtelingenkampen langzaam verzonken in
armoede. Handelswaar rotte weg. De wanhoop nam toe. Barak ondertussen, weigerde al anderhalf jaar lang
ook maar één centimeter land over te dragen voor
autonomie; iets wat zelfs Netanyahu, al zijn
vertragingstactieken ten spijt, nooit had gedurfd.
En wat in Camp David de allerlaatste
besprekingsronde vóór de zelfstandigheid had moet
zijn, liep in juli 2000 stuk op – uitermate
simplistisch gesteld – de kwestie Jeruzalem. Beide
partijen onderhandelden op een iets lager niveau
gewoon verder, maar in de Palestijnse gebieden
vonkte het. De lont vond het kruitvat aan het besluit van het
vrijdaggebed in de al-Aqsamoskee op 29 september, de
dag na het bezoek van Sharon. Boven, tussen de muren
van het uitgestrekte Islamitische heiligdom op de
berg, vlogen duizenden stenen, molotovcocktails en
ijzeren pijpen richting de Israëlische politie, die
hard ingreep. Beneden stonden wij, de pers, en
telden de brancards die weggedragen werden. Aan het
eind van de slag waren aan Palestijnse kant zeven
doden en meer dan honderd gewonden gevallen. Vijftien agenten liepen eveneens letsel op. De doden leidden tot rellen, de rellen tot doden en
de doden tot rellen. En terwijl dit soort
ongeregeldheden in het verleden altijd wel weer
binnen enkele dagen waren uitgewoed, liep nu het
aantal slachtoffers met het voortschrijden van de
elk uur verspreide nieuwsbulletins alleen maar
verder op. Dag in, dag uit zinderden de massale
begrafenismarsen door de straten van de Palestijnse
steden. Nooduitzendingen beheersten de Israëlische
televisiestations, waarbij de presentatoren nijvere
pogingen ondernamen de almaar voortrazende tsoenami
aan berichten bij te benen. Desondanks verwachtten
deskundigen iedere dag weer een spoedig einde aan
het verzet. Begin oktober kolkte de Intifada twee weken lang
over de grenzen van de Westoever en de Gazastrook
heen en overspoelde Israël. In de Arabische steden
liepen betogingen uit op bloedige gevechten met de
politie, die op hun beurt de menigten probeerden te
beteugelen met vuurwapens en kogels. Verspreid over
het hele noorden verloren dertien staatsburgers bij
dit neerslaan van de schermutselingen het leven
onder procedureel dubieuze omstandigheden. Joodse demonstranten brandden ondertussen moskeeën
af, blokkeerden wegen, en vernielden Arabische
winkels en auto’s. In Tel Aviv werd een Islamitisch
gebedshuis omsingeld en aangevallen met de bidders
er nog in. Honderd inwoners van Afula marcheerden
richting het Arabische buurdorp Nin en konden
slechts op vijftig meter van de huizen door de
politie worden gestuit. Eén van de grootste slagvelden die oktoberdagen was
Nazareth geweest, zodat we de twaalfde met een
groepje collega’s richting Galilea reisden om eens
poolshoogte te nemen. Nauwelijks aangekomen in het
nog nasmeulende centrum van de stad, kwam echter via
de mobiele telefoon een schimmig verhaal binnen
vanuit Ramallah: iets over Israëlische
undercoveragenten die tijdens een
martelarenbegrafenis ontmaskerd zouden zijn.
Omdraaien was geen optie vanwege de grote afstand,
dus hielden we de hele middag vanuit Nazareth nauw
contact met buitenlandse journalisten die wel ter
plekke waren. Zij wisten ons inmiddels te vertellen
hoe twee in Ramallah verdwaald geraakte Israëlische
reservisten bij het politiebureau door woedende
Palestijnen waren gelyncht, en dat boven het centrum
van de stad nu gevechtshelikopters hingen Op de terugweg leek het of we in een parallel
universum waren beland. Vers gespoten Hebreeuwse
graffiti droop van de bushokjes en viaducten en riep
op tot een `transfer’ van alle Palestijnen richting
Jordanië. Tanks lagen in het landschap. De radio
meldde dat Israëlische Apaches bommen afwierpen op
doelwitten in Ramallah en Gaza-stad. ,,Onbestaanbaar,'' becommentarieerden we elke vijf
minuten ons ongeloof over de rappe verandering van
de wereld waarin we leefden. Opeens leek de
Intifadavlam onmogelijk nog te doven. Vanaf toen wisten de telefoons van geen zwijgen
meer. Ik telde mijn geld, voldeed mijn schulden en
braadde vette biefstukken voor het avondmaal.
V
Tot het uitbreken van de tweede Intifada draaiden
onze stoerste verhalen voornamelijk rond incidenten
die we ooit eens meemaakten in het veld. Brandende
autobanden die uit het niets de straat op rolden.
Stenen die per ongeluk richting onze wagens vlogen.
Bommen die we hadden horen afgaan en aanslagen die
voor onze ogen gebeurden. De katyusha-raket die
insloeg in Kiryat Shmona juist toen we daar de
verkiezingsnacht bijwoonden in het hoofdkwartier van
de Arbeiderspartij. Of de nacht dat de tanks wegreden uit Libanon en de
laatste christelijk-Libanese gastarbeiders voorgoed
terug de grens overstaken. Of de dag daarna, toen we
opeens midden in de ontruimde Veiligheidszone
stonden en door het hek heen konden praten met de
fuivende, met Hezbollahvlaggen zwaaiende menigte aan
de andere kant. Met het ommetje van Sharon op de Tempelberg, werd
echter elke dag een Kuifjedag. We doken voor kogels
en schuilden achter muurtjes. We stonden oog in oog
met tanks en klauterden over het puin van oneindige
rijen kapotgeschoten huizen. We reden over
omgeploegd asfalt en spoedden ons van rellen naar
aanslagen naar begrafenissen en weer terug. We
leerden het verschil tussen een kalasjnikov en een
M-16, tussen een pantserwagen, een tank en een
`Humvee’. We reisden nog slechts in groepjes, omdat
kuddes altijd veiliger zijn. En we propten
doorgesneden uien in onze reporterstassen, daar het
inademen van de geur van ui vlak onder de neus de
effecten van traangas danig vermindert. We leefden, kortom, volledig op het ritme van de
piepjes van het nieuws. Toch was de Intifada die eerste jaren nog een strijd
die steeds van vorm en inhoud veranderde, en die dus
onze voortdurende aanpassing vergde. In het begin
renden we mee met de `shabaab’; de stenengooiende
jongeren die elke middag op vaste plekken de
confrontatie met het leger zochten, en die dan net
zolang hun keien en molotovcocktails richting de
soldaten bleven slingeren tot er een reactie kwam.
Om de militairen te wijzen op de aanwezigheid van
pers, kleedden we ons in felgekleurde T-shirts en
hoopten zo te voorkomen dat ook wij doelwit zouden
worden van hun kogels. Iets later hulden we ons in speciale pershesjes;
dunne, lichtgevend gele vesten die met reflecterende
letters PRESS uitschreeuwden zodra we ze over onze
kleding trokken. Ook sleepten we inmiddels fiets- en
hockeyhelmen mee als bescherming tegen de
stenenregens van de Palestijnen en de knuppels van
de Israëlische politie. Deze outfit kwam met name
goed van pas bij rellen waar de scheidslijn tussen
troepen en betogers niet strak getrokken was. In
Jeruzalem bijvoorbeeld, waar lange tijd iedere
vrijdag een `vrijdag van woede’ was, en we soms tot
benauwens toe lagen ingeklemd tussen keiengooiende
jongeren en kogelschietende agenten als waren we de
kaas in de tosti. Met het openlijker gewapend worden van de Intifada,
kwamen auto’s met Israëlische nummerborden op de
kolonistenwegen van de Westoever steeds vaker vanuit
de Palestijnse heuvels onder vuur te liggen. Wij
plakten met grote letters 'TV' op onze wagens, en
hoopten dat de militanten dit goed genoeg konden
lezen om ons niet in het vizier te willen nemen. De eerste kogelvrije vesten arriveerden toen vanuit
het Palestijnse Beit Jalla de overburen in de
Jeruzalemse buitenwijk Gilo avond aan avond
beschoten werden, waardoor wij dagelijks door de
vuurlinies moesten rennen voor dekking. Kogelvrije
helmen volgden toen Israëlische tanks enkele
semi-autonome dorpen belegerden en de bewoners
werden opgesloten in hun huizen. We liepen door de
uitgestorven straten en wisten hoe op de daken de
scherpschutters van het leger lagen, terwijl achter
hoeken groepjes gewapende militanten wachtten op hun
kans. Grote nieuwsorganisaties importeerden zelfs
gepantserde jeeps om zich veiliger over het terrein
te bewegen. Wij klemden onze onbeschermde auto’s
dankbaar tussen hen in toen, in de lente van 2002,
Israël na een maand van bloedige aanslagen de
autonome Westoeverplaatsen opnieuw bezette en wij
nog slechts in konvooien stapvoets door de van tanks
voorziene spooksteden konden rijden. En ondertussen verdween alles uit het landschap wat
de voorafgaande jaren zo zorgvuldig was opgebouwd.
De Palestijnse controleposten werden
kapotgebombardeerd, gevolgd door de politiebureaus
en de presidentiële werkpaleizen. Het juist
gerenoveerde Bethlehem veranderde in een ruïne die
deed denken aan het Beiroet van 1982. De
constructieplek van de Gazaanse haven werd
platgewalst, de startbaan van het vliegveld
vernield. De vredesgeneratie verwerd tot
oorlogsjeugd, en produceerde aan beide kanten van de
checkpoints kindertekeningen vol puinhopen, geweld
en lijken. Israël liquideerde politici en militante leiders, en
nagelde Arafat aan de grond met het uitschakelen van
zijn helikopters. Palestijnse militanten bliezen
bussen, restaurants en winkelcentra op, en
vermoordden op klaarlichte dag een rechtse minister
in een Jeruzalems hotel. ’s Nachts dreunde het bombarderen van Bethlehem door
tot in Jeruzalem, waarop we bedachten hoe onze
Palestijnse vrienden met doodsbange kinderen
schuilden in een kamerhoek. Overdag echoden de
aanslagen door de straten, waarop we hoopten dat
niemand die we kenden op het verkeerde moment op de
verkeerde plaats was geweest. Buitenlandse investeerders vluchtten, de
toeristenindustrie stortte in, en de rechtse
hardliner Ariël Sharon verving de linkse Ehud Barak
als premier. Samen dansten de beide partijen de
dodendans, en het orkest leek de melodie maar niet
moe te kunnen worden.
VI
Met het neerstrijken van de karavaan van echte
oorlogscorrespondenten in onze standplaats,
ontwikkelden wij, oudgedienden, ons steeds meer als
het geheugen van het conflict. Anders dan zij die
slechts werden ingevlogen om zo nu en dan eens een
extra wrange paragraaf te verslaan, kenden wij het
hele verhaal in alle nuances. ,,Weet je nog?’’ werd,
naarmate de Intifada voortschreed, een van de meest
gehoorde conversatieopeningen als we er samen op uit
trokken in het veld. En natuurlijk wisten we het allemaal nog. We liepen
door belegerde steden en herinnerden ons hoe we
mensen interviewden in huizen die nu weggeslagen
waren. We fotografeerden de van afsluitheuvel naar
afsluitheuvel voortsjokkende Palestijnse massa’s, en
bedachten hoe trots en waardig het volk kort geleden
nog was. We zagen kleine checkpoints veranderen in
onneembare forten en bruisende steden uitsterven
door omsingelingen of schier oneindige reeksen
aanslagen. We hoorden radicale praat en realiseerden
ons dat diezelfde monden eerder nog louter
invoelende woorden vormden. Maar meer nog dan dat, injecteerde de Intifada onze
journalistieke taak met zingeving.
Oorlogsverslaggeving is geschiedschrijving avant la
lettre, en onze perskaarten plaatsten ons op de
eerste rang voor het wereldtoneel. Geen diner hield
ons weg bij aanslagen, geen nachtrust ging boven de
politieke ontwikkelingen, en geen ziekte kon ons
ervan weerhouden naar Jenin te tijgen toen het leger
deze stad, na een verwoestende actie in het
vluchtelingenkamp in het voorjaar van 2002,
eindelijk vrijgaf voor de pers. Het verhaal moest
verteld en de mensen verdienden een stem. Ratelde de
telex, dan klikten onze camera’s, weerklonken onze
analyses en dansten onze vingers over het
toetsenbord. De eerste rang gaf ons echter ook een nieuw
perspectief op ons vak. Soms waren we bij
gebeurtenissen die in lauwe rust verliepen en wisten
we zeker geen verhaal te hebben. Tot we thuis
kwamen, en zagen hoe alle grote televisiestations de
twee minuten van plichtmatig scanderen voor de
camera’s hadden uitvergroot tot volkswoede en
onrust. Soms was er ook de absurde realiteit van de rellen
uit de begintijd die geheel verloren ging bij het
inzoomen op de jeugd met de stenen. Dat de onlusten
zich in de meeste steden beperkten tot slechts een
enkele straat bijvoorbeeld, waardoor zelfs tijdens
de felste gevechten in Bethlehem de toeristen
vrolijk via een parallelle weg naar de Geboortekerk
werden gebust zonder zich te realiseren dat ze deel
uitmaakten van het nieuws van de dag. Of dat in
Ramallah de buurtbewoners zich bij die eerste
confrontaties elke middag neervlijden in het gras
naast het stuk asfalt van het dagelijkse treffen, en
al picknickend de gebeurtenissen becommentarieerden
alsof het een televisiesoap betrof. In Beit Jalla poseerden gemaskerde militanten
overdag als volleerde acteurs zodra er ook maar
ergens een camera werd gesignaleerd. Ze gluurden om
hoeken met hun kalasjnikovs in de aanslag, maten
zich een stoere gevechtshouding aan en richtten
koelbloedig hun wapens op fictieve Israëlische
soldaten die, zo wisten wij net zo goed als zij, pas
bij het vallen van de avond hun posities weer zouden
innemen in het dorp. En tijdens het beleg van de Geboortekerk in
Bethlehem, toen de stad officieel was afgesloten
voor de pers, kwam heel het journaille openlijk
binnen via een zandheuveltje op enkele meters
afstand van een legerpost en het dichte
Gilo-checkpoint. Aan Israëlische kant was de plek
duidelijk gemarkeerd door de vele tientallen
geparkeerde auto’s met `TV’ op de ramen, en aan
Palestijnse kant reden de taxi’s af en aan en
rekenden astronomische bedragen. Als dat al niet
genoeg aanwijzingen verschafte voor de aanwezigheid
van journalisten, dan liet het straatbeeld in de
verboden stad niets te raden over: daar liepen we
dan, in onze met `TV’-gemarkeerde kogelvrije
outfits, als enige personen in het volledig
uitgestorven, onder huisarrest geplaatst Bethlehem,
en passeerden elke vijf stappen een legerpatrouille.
We groetten elkaar vriendelijk, vroegen informatie,
en werden keurig gewaarschuwd als er een actie stond
gepland die ons welzijn in gevaar zou kunnen
brengen. Toch eiste onze gedrevenheid ook een tol. Wij waren
de enigen die zagen wat wij zagen en wisten wat wij
wisten. Wij leefden met de afgerukte ledematen van
de aanslagen en met de Israëlische menigten die na
een zelfmoordactie hun woede koelden op Arabische
werknemers in marktkraampjes of restaurants. Wij
droegen de beelden op ons netvlies van door tanks
geplette auto’s en volledig getraumatiseerde
kinderen na nachten van belegeringen, invallen en
bombardementen. Wij hoorden hoe Palestijnen soms
dagenlang waren opgesloten in hun huizen met een
overleden en wegrottend familielid, omdat het
straatverbod hen ervan weerhield het lichaam te
vervoeren of te begraven. We keken toe hoe de steden
door het leger werden geleegd van bijna alle jonge
mannen – en sloegen hen gade toen sommigen enkele
weken later weer geblinddoekt en geboeid door bussen
terug werden afgeleverd bij de checkpoints. In Israël hadden we elkaar en wisten we zonder
woorden welke werkelijkheid wij deelden. Zodra
echter met verlof, waren we geschokt door de
onverschillige kleinburgerlijkheid die we aantroffen
in onze respectievelijke vaderlanden. Rechtstreeks
ingevlogen vanuit de loopgraven, werden we
geconfronteerd met jeremiades over hypotheekrentes,
normverlies, de euro en stelselmatige vertragingen
in het openbaar vervoer. ,,De bus is te laat???!?,'' wilden we de klagers wel
bij de schouders schudden. ,,Wees blij dat-ie niet
is opgeblazen!’’
VII
Veel is veranderd sinds de dagen van 2002. De
Palestijnse jeugd gooit allang geen stenen meer en
de wegen worden nog maar zelden beschoten. In Gilo
verdwenen de zandzakken uit de ramen, en uit Beit
Jalla reden de tanks reeds lang geleden weg. In
Ramallah zijn de volledig aan puin geschoten puien
van de hoofdstraat gerestaureerd en voorzien van
nieuwe winkels. Bethlehem plaveide wederom de wegen,
en de omvergereden lantaarnpalen van het
millenniumproject zijn opgetakeld en andermaal
verzonken in het trottoir. In Israël is het aantal aanslagen sinds het voorjaar
van 2004 beduidend afgenomen, zodat de markten,
steden en restaurants weer borrelen met leven.
Bussen worden beter beveiligd en het nieuws draait
als vanouds om politieke schandalen en
verkeersdoden. Op nooduitzendingen wordt slechts nog
overgeschakeld als er een explosie wordt gehoord –
net als vroeger, vóór de Intifada. In de Palestijnse Gebieden duurt de herbezetting van
de steden onverminderd voort, compleet met invallen
van het leger, liquidaties, arrestaties en oplopende
aantallen doden. Maar de karavaan van
oorlogscorrespondenten trok al voort naar nieuwe
plaatsen, en de internationale interesse voor de
zoveelste militaire actie in Gaza, Nablus of Jenin
is na vier lange jaren van strijd slechts nog
miniem. De Intifada is bijna sleur geworden. Met het stollen van de gewelddadigheden tot een
voorspelbare reeks van acties, zijn ook onze
kogelvrije vesten opgehangen in de kast. De helmen
stoffen onder op zolder, de uien liggen weer in de
groentelade, en de gepantserde jeeps staan veelal te
koop. Ons 'TV' kleeft nog steeds op de autoramen,
maar we laten de tape toch beduidend langer
afbladderen dan voorheen. En soms, heel soms, dromen we stiekem van een tijd
in een niet nader aangeduide toekomst waarin het
conflict is opgelost en de weggewiekte vredesduiven
weer landen in de regio. Mijmerend zullen we
herinneringen ophalen als we elkaar na jaren weer
treffen op een terrasje voor een reünie, en ,,weet
je nog?’’ zal onze geijkte conversatieopening zijn. Natuurlijk zullen we het allemaal nog weten. Hoe er
ooit checkpoints stonden die mensen stremden. Dat er
een tijd van muren en hekken was. Hoe we sirenes
plachten te tellen om te besluiten tussen ongeval en
aanslag. Dat Arafats hoofdkwartier een ruïne was. We zullen terugkijken met de wijsheid der jaren en
meewarig glimlachen over ons vroegere onvermogen het
einde van de tunnel te zien.
,,Ah!,'' zullen we nostalgisch verzuchten, terwijl
onze glazen klinken op het verleden. ,,Good times.
Good times’’.
Jeruzalem, oktober-november 2004
|
|