Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Kuifjes in kogelland

Jetteke van Wijk

I

Ik kwam met zestien dozen. Hagelslag had ik bij me. Een citruspers, mijn dekbed, mijn favoriete mok. Boeken natuurlijk. Bestek. Mijn superkleine Compaq-laptop en een gigantisch grote en langzame 14K4-modem. Twee meter muziek voor in de nieuw gekochte Cd-speler. Een wekkerradio. En brieven. Drie stuks. Alle ondertekend door potentiële opdrachtgevers en alle voorzien van zinsneden als `we betalen helaas niet veel’ en `succes in Jeruzalem’.
     De grote hoeveelheid karton deed het incheckmeisje op de luchthaven licht fronsen. ,,Tachtig kilo overgewicht,’’ meldde ze koel. Of ik wel wist dat dit een campingvlucht was.
     ,,Maar ik verhuis van land,'' pleitte ik. ,,Voor mijn werk. Ik heb echt geen keus’’. En ik probeerde zo zielig mogelijk te kijken, hopend op tenminste een greintje lankmoedigheid.
     Het was paasochtend 1997. De vlucht was vertraagd, de rij chaotisch en lang. De zon moest nog opkomen. Het personeel was vermoeid.
     Vele uren later loste het vaderland op in een flard van mist en een pak grijze wolken aan de buitenzijde van het vliegtuigraam. De molens zouden legerposten worden, de sloten droge wadi’s, het wisselvallige klimaat opvallend voorspelbaar en stabiel. Het Oude Vertrouwde maakte plaats voor het Grote Onbekende.
    Een avontuur, zo praatte ik mezelf aan. Maar in plaats van spannend en uitdagend voelde mijn migratie eerder als een amputatie of ontworteling. De bij het ontbijt als paasverrassing uitgedeelde chocolade eitjes bleven dan ook hangen als een brok in mijn keel.
    Nog een geluk dat mijn dozen zonder extra kosten meereisden in het bagageruim.

II

Ik kwam in een tijd van vrede. Van relatieve vrede in elk geval, want het land was hopeloos verdeeld in links en rechts, seculier en religieus, kolonist en peacenik, collaborateur en Palestijns nationalist. Voor- en tegenstanders van de in 1993 met de Palestijnen getekende Oslo-akkoorden bevolkten als kolkende massa’s de demonstratiepleinen. Woedende ultra-orthodoxen bekogelden iedere zaterdag de bezoekers van winkels en cafés die zich niet aan de heilige Shabbatrust hielden. Een controversieel appartementenproject op Jabal abu-Ghneim/Har Choma leidde in Jeruzalem tot heftige protestacties van de vredesorganisaties, terwijl Arabische huiseigenaren als verraders werden vermoord wanneer ze hun woningen verkochten aan (rechtse) Israëli’s.
     Business as usual dus.
     Het was anderhalf jaar na het zogeheten 'nationale trauma': de moord op de linkse premier Yitschak Rabin van de Arbeiderspartij tijdens een vredesbetoging in Tel Aviv. Het land bezon zich, en mijn eerste verhaal diende zich direct al aan toen ik mijn laptop en modem verbond met het internet. Een rechtse, van origine Amerikaanse journalist uit een nederzetting, wilde op de Jeruzalemse universiteit in een lezing zijn complottheorie lanceren over de kogels die de Israëlische minister-president hadden getroffen. Niet Yigal Amir, de religieuze student met contacten binnen het kolonistenmilieu, was volgens hem de dader, maar Israëls eigen veiligheidsdienst.
    Hij had de dia’s en de statistieken. De filmprojector stond klaar, het bewijsmateriaal lag op tafel, en de zaal was gereserveerd. Maar de linkse studentenbewegingen weigerden hem een podium te verlenen voor het afschuiven van de schuldvraag die, wat hen betrof, overduidelijk lag bij de rechtse ophitsingen tegen Rabin en de vredesakkoorden. De campus stroomde vol met demonstranten, en uiteindelijk mocht alleen de pers de woorden van de spreker horen – voor zover überhaupt nog mogelijk boven het geluid van de buiten de muren gescandeerde leuzen en het optreden van de politie.
    Gelijktijdig maakte Israël zich echter naarstig op voor de periode na de oprichting van een zelfstandig Palestina. Het al bijna vijftig jaar voortslepende conflict met de Arabische wereld liep ten einde, en de joodse staat zou binnenkort niet langer een bezettingsmacht zijn. Tijd voor een grondwet, voor het inperken van het leger, en voor een definitieve keuze tussen democratie en theocratie.
    Zo ver was het echter nog niet. Onverwacht had namelijk niet Rabins tweede man Shimon Peres de premiersverkiezingen van 1996 gewonnen, maar de rechtse havik Benjamin Netanyahu van de Likoed; een partij die weinig op had met het idee van een zelfstandige Palestijnse staat als buur van Israël. Tot gruwel van links en vreugde van rechts zette hij dan ook een rem op de vredesakkoorden van Oslo. Clausules kregen subclausules, vastomlijnde processen werden opgesplitst, gebiedsoverdracht liep vertraging op.
    Maar toerend over de rammelwegen van de Westoever en de Gazastrook was ondertussen duidelijk waarneembaar hoe het verrijzende Palestina met de dag meer vorm kreeg. Yasser Arafat en de zijnen waren na decennia van ballingschap weer toegelaten tot het gebied en de Palestijnse vlag was niet langer verboden. Er ontsproten politiebureaus, gevangenissen, rechtszalen, presidentiële paleizen, ministeries en een parlement. Auto’s kregen een eigen kleur nummerplaat en telefoonlijnen liepen niet meer via Israël, maar langs de centrales van het vers opgerichte bedrijf PalTel. Er waren Palestijnse banken en er was een Palestijns paspoort. Buitenlandse investeerders begonnen met de aanleg van een haven en een vliegveld. Internationale bedrijven openden kantoren.
    Achter veel Israëlisch checkpoints, waarvoor westerlingen zelden hoefden te stoppen, stond een uit zandzakken en volgestorte tonnen opgebouwde Palestijnse controlepost, doorgaans voorzien van kaartspelende of wegdoezelende grenswachters. Overijverige politieagenten regelden in de autonome steden het verkeer met een dusdanig enthousiasme, dat de voetganger die ook maar een enkele millimeter buiten het zebrapad leek te stappen meteen de les gelezen werd.
     Natuurlijk was er ook sluimerend ongenoegen over, onder andere, het dralen van Netanyahu. Maar ieder weekend dromden de Israëlische massa’s naar de Westoever om goedkoop te winkelen en te eten, en soms stonden rond het Meer van Tiberias de auto’s met de Palestijnse nummerplaten rijendik geparkeerd. En onderwijl groeide aan beide kanten van de toekomstige grens een nieuwe schare kinderen op met de realiteit van een toekomstige Palestijnse staat naast de huidige Israëlische: de zo gedoopte `vredesgeneratie’.
    En de enigszins vertraagde uitvoering van de Oslo-akkoorden? Die zou weer naar behoren op schema komen te liggen zodra een linkse premier het roer overnam.

III

,,Maar wat wil je nu echt?,’’ vroeg de chef binnenland van een Nederlands persbureau tijdens een sollicitatiegesprek voor de functie van correspondent in mijn woonplaats Utrecht. Hij wees daarbij op mijn CV, waaruit een onmiskenbare buitenlandlucht opsteeg. Of ik misschien toch geen weidsere horizon zocht dan die van de stadsreporter.
    Dus vertelde ik hem van de twee droomposten die ik ergens in de verre toekomst nog eens hoopte te bekleden: correspondent Londen en correspondent Jeruzalem. Groot-Brittannië vanwege de uitgesproken verscheidenheid aan verhalen die op het eiland te maken viel, en Israël omdat het in alle opzichten een journalistiek paradijsje was. Wel conflict, maar geen restricties voor buitenlandse verslaggevers. Net genoeg oorlog om zorg te dragen voor interessante en verontrustende reportages, en toch voldoende veilig om geen kogelvrije vest toe te voegen aan de reisgarderobe. Plus een problematiek die in vijf weken tijd meer ingrijpende maatschappelijke veranderingen kon veroorzaken dan Nederland doorgaans zag in vijftig jaar. En een uitermate toegankelijke informatiestructuur; zelfs als studentje journalistiek was mij in 1988, toen ik bij wijze van stage een half jaar lang achter de eerste Palestijnse Intifada aanrende, nooit een interview geweigerd noch bleef er ooit een deur dicht.
    ,,Ik begrijp echter ook,'' koppelde ik het betoog weer soepeltjes terug naar de vacature, ,,dat ik eerst een carrière in Nederland moet opbouwen’’.
    De chef zweeg. Korte tijd richtte hij al zijn aandacht op de complexe taak van het omroeren van de suiker in zijn koffiekop. Toen bracht hij plots het gesprek op de buitenlandredactie en hoe deze net bezig was een netwerk op te zetten van freelance correspondenten. ,,Mocht je je dus ergens vestigen,'' besloot hij, ,,neem dan een laptop met een modem mee en je kunt meteen voor ons aan de slag’’.
    Muziek in de oren van de pas afgestudeerde werkloze natuurlijk; vooral toen bij thuiskomst een gelijkluidende brief op me wachtte van een tijdschrift waarnaar ik een open sollicitatie had gestuurd. Ook juist begonnen met een netwerk van freelance buitenlandcorrespondenten, en daarom dringend op zoek naar iemand in Israël. Het leek zo te moeten zijn.
,,Allicht is het even doorbijten in het begin,'' probeerden vrienden me over mijn twijfels heen te helpen. ,,Maar áls er dan opeens iets groots gebeurt, dan weet iedereen je meteen te vinden en gaat de toko lopen’’.
    Jaja. Want als iets direct al duidelijk werd, dan was het wel dat relatieve vrede niet bevorderlijk is voor het opstarten van een freelance post – zeker niet in een ver buitenland, zonder financiële reserves of garanties, als beginnend journalist die de juiste contacten in het vaderlandse mediawereldje nog ontbeert, in een gebied dat per capita van de bevolking wereldwijd de meeste correspondenten kent (en in absolute cijfers slechts voorbij wordt gestreefd door de Verenigde Staten).
    Daar zat ik dan, in een leeg anderhalfkamerappartement met slechts een tafel, een krukje, een boekenkast en een televisie, en speurde nooddruftig naar onderwerpen die de grote persbureaus over het hoofd hadden gezien. Bibberend in de winter omdat het ene elektrische kacheltje de ruimte niet aankon, puffend in de zomer bij gebrek aan geld voor een ventilator, leefde ik op boterhammen met pindakaas als avondmaal en perste sinaasappels voor de vitaminen. Aan het eind van elke maand telde ik nerveus mijn geld om te zien of ik quitte had gespeeld en zo mijn verblijf met nog vier weken verlengen kon.
    Terwijl de andere correspondenten zich dus bezig hielden met de politieke schandalen uit het tijdvak Netanyahu, boog ik me noodgedwongen over zaken als het vijftigjarig jubileum van de Dode Zeerollen, de opening van het eerste Palestijnse casino in Jericho, de plannen voor een Palestijns-Israëlische versie van Sesamstraat, de transseksuele deelneemster aan het Eurovisie Songfestival, en de aanstelling van een Israëlische ambassadeur voor de maan. Ook het nakende jaar 2000 zorgde voor veel verhalen, variërend van de volledige renovatie van het Palestijnse stadje Bethlehem – riolering, bestrating, puien, winkels, toeristische routes, parkeergarages – en parallel daaraan de Israëlische race om alle pelgrimsplekken klaar te stomen voor de verwachte hordes, tot het bezoek van de paus, de vele pseudo-Messiassen die door het land liepen, de christelijke groepjes die zich vast op de Olijfberg vestigden voor het Einde der Tijden, en de angst dat in alle millenniumgekte iemand een apocalyptische daad zou willen stellen door de moskeeën op de Jeruzalemse Tempelberg of a-Haram a-Sharif op te blazen. Die staan immers zo lastig juist op de plek waar, als opmaat naar het Laatste Oordeel en de oorlogen van Gog en Magog, de Derde Tempel moet verrijzen.
    Soms tikten collega’s behulpzaam opdrachten naar me door en rekten mijn financiële reserve met productieklussen voor radio en TV. Eindigde een maand echter onverhoopt met winst, dan was dat doorgaans toch het gevolg van hard oorlog-en-vredenieuws: een zelfmoordaanslag, grote militaire verliezen, politieke blunders, de mogelijke teruggave van de hoogvlakte van Golan aan Syrië, een doorbraak in de onderhandelingen, een ceremonieel staatsbezoek, of de angst voor Scudraketten op Tel Aviv als gevolg van de oplopende spanningen rond Irak. Zodra het punt van mijn mes dus de bodem van de pindakaaspot begon te raken, groeide stil de hoop op een groot verhaal dat alle opdrachtgevers weer eens simultaan naar de telefoon zou doen grijpen.
    Ook de val van het kabinet Netanyahu eind 1998 liet zich moeiteloos onder die noemer scharen. Uitdager bij de verkiezingen van 1999 werd Ehud Barak, leider van de Arbeiderspartij, voormalig beschermeling van Yitschak Rabin, en daarmee de man die de vredeserfenis van de vermoorde premier per ommegaande zou redden mits hij maar de meeste stemmen kreeg. Zo redeneerde in elk geval links, en voerde een campagne op leven en dood.
    Barak won, het vredeskamp sprong van euforie in de stadsfontein van Tel Aviv, en Het Conflict leek rap de krantenkoppen te verruilen voor de geschiedenisboeken. Voorjaar 2000 trok de nieuwe premier de Israëlische troepen na achttien jaar terug uit de veiligheidszone van Libanon. Er was even sprake van een vredesakkoord tussen Israël en Syrië, en naar verwachting in de herfst of winter van het millenniumjaar zou de Palestijnse staat definitief worden ingetekend op de kaart. Een nieuw begin, en dus een prachtig moment om mijn correspondentschap mee te eindigen.
    In de zomer verscheepte ik daarom mijn dozen vast naar Nederland, klaar om zelf direct achter mijn spullen aan op het vliegtuig te springen zodra het Palestijnse volkslied `Biladi Biladi’ over onafhankelijk Ramallah had geschald. Geen moment te laat ook, want ik telde mijn geld en zag dat ik volledig bankroet was. Failliet gegaan aan de vrede.

IV

En toen werd alles anders.
    Het begon in de laatste week van september 2000 met een omstreden en van vele kanten sterk afgeraden bezoek. De plaats: het al-Aqsa-moskeeënplateau op de Tempelberg, na Mekka en Medina nummer drie op de lijst van heilige plekken van de Islam. De cast: de rechtse oppositieleider Ariël Sharon, in de Arabische wereld één van de meest verguisde Israëli’s door al het Palestijnse bloed dat sinds zijn diensttijd aan zijn handen kleeft. De implicatie: heiligschennis. Het gevolg: massale, in woede gedrenkte rellen.
    Maar eigenlijk begon het al veel eerder. Want ofschoon menig Israëli eind jaren negentig nog in de veronderstelling verkeerde dat de bezetting ten einde liep en alles nu beter was dan vroeger, voelde de dagelijkse werkelijkheid voor Palestijnen beduidend grimmiger aan. Reisvergunningen tussen Westoever en Gazastrook waren uitermate moeizaam te verkrijgen, het Israëlische leger regeerde buiten de autonome steden nog steeds met ijzeren hand, en na aanslagen en rond de joodse feestdagen werden de checkpoints stelselmatig gebruikt om de Palestijnse steden volledig af te sluiten van Israël en van elkaar.
    Toerend over de rammelwegen van het toekomstige Palestina, was dan ook alom waarneembaar hoe de stemming met de dag meer omsloeg. De blokkades wurgden de plaatselijke economie, zodat steden, dorpen en vluchtelingenkampen langzaam verzonken in armoede. Handelswaar rotte weg. De wanhoop nam toe.
    Barak ondertussen, weigerde al anderhalf jaar lang ook maar één centimeter land over te dragen voor autonomie; iets wat zelfs Netanyahu, al zijn vertragingstactieken ten spijt, nooit had gedurfd. En wat in Camp David de allerlaatste besprekingsronde vóór de zelfstandigheid had moet zijn, liep in juli 2000 stuk op – uitermate simplistisch gesteld – de kwestie Jeruzalem. Beide partijen onderhandelden op een iets lager niveau gewoon verder, maar in de Palestijnse gebieden vonkte het.
    De lont vond het kruitvat aan het besluit van het vrijdaggebed in de al-Aqsamoskee op 29 september, de dag na het bezoek van Sharon. Boven, tussen de muren van het uitgestrekte Islamitische heiligdom op de berg, vlogen duizenden stenen, molotovcocktails en ijzeren pijpen richting de Israëlische politie, die hard ingreep. Beneden stonden wij, de pers, en telden de brancards die weggedragen werden. Aan het eind van de slag waren aan Palestijnse kant zeven doden en meer dan honderd gewonden gevallen.
    Vijftien agenten liepen eveneens letsel op.
    De doden leidden tot rellen, de rellen tot doden en de doden tot rellen. En terwijl dit soort ongeregeldheden in het verleden altijd wel weer binnen enkele dagen waren uitgewoed, liep nu het aantal slachtoffers met het voortschrijden van de elk uur verspreide nieuwsbulletins alleen maar verder op. Dag in, dag uit zinderden de massale begrafenismarsen door de straten van de Palestijnse steden. Nooduitzendingen beheersten de Israëlische televisiestations, waarbij de presentatoren nijvere pogingen ondernamen de almaar voortrazende tsoenami aan berichten bij te benen. Desondanks verwachtten deskundigen iedere dag weer een spoedig einde aan het verzet.
    Begin oktober kolkte de Intifada twee weken lang over de grenzen van de Westoever en de Gazastrook heen en overspoelde Israël. In de Arabische steden liepen betogingen uit op bloedige gevechten met de politie, die op hun beurt de menigten probeerden te beteugelen met vuurwapens en kogels. Verspreid over het hele noorden verloren dertien staatsburgers bij dit neerslaan van de schermutselingen het leven onder procedureel dubieuze omstandigheden.
    Joodse demonstranten brandden ondertussen moskeeën af, blokkeerden wegen, en vernielden Arabische winkels en auto’s. In Tel Aviv werd een Islamitisch gebedshuis omsingeld en aangevallen met de bidders er nog in. Honderd inwoners van Afula marcheerden richting het Arabische buurdorp Nin en konden slechts op vijftig meter van de huizen door de politie worden gestuit.
    Eén van de grootste slagvelden die oktoberdagen was Nazareth geweest, zodat we de twaalfde met een groepje collega’s richting Galilea reisden om eens poolshoogte te nemen. Nauwelijks aangekomen in het nog nasmeulende centrum van de stad, kwam echter via de mobiele telefoon een schimmig verhaal binnen vanuit Ramallah: iets over Israëlische undercoveragenten die tijdens een martelarenbegrafenis ontmaskerd zouden zijn. Omdraaien was geen optie vanwege de grote afstand, dus hielden we de hele middag vanuit Nazareth nauw contact met buitenlandse journalisten die wel ter plekke waren. Zij wisten ons inmiddels te vertellen hoe twee in Ramallah verdwaald geraakte Israëlische reservisten bij het politiebureau door woedende Palestijnen waren gelyncht, en dat boven het centrum van de stad nu gevechtshelikopters hingen
    Op de terugweg leek het of we in een parallel universum waren beland. Vers gespoten Hebreeuwse graffiti droop van de bushokjes en viaducten en riep op tot een `transfer’ van alle Palestijnen richting Jordanië. Tanks lagen in het landschap. De radio meldde dat Israëlische Apaches bommen afwierpen op doelwitten in Ramallah en Gaza-stad.
    ,,Onbestaanbaar,'' becommentarieerden we elke vijf minuten ons ongeloof over de rappe verandering van de wereld waarin we leefden. Opeens leek de Intifadavlam onmogelijk nog te doven.
    Vanaf toen wisten de telefoons van geen zwijgen meer. Ik telde mijn geld, voldeed mijn schulden en braadde vette biefstukken voor het avondmaal.


V

Tot het uitbreken van de tweede Intifada draaiden onze stoerste verhalen voornamelijk rond incidenten die we ooit eens meemaakten in het veld. Brandende autobanden die uit het niets de straat op rolden. Stenen die per ongeluk richting onze wagens vlogen. Bommen die we hadden horen afgaan en aanslagen die voor onze ogen gebeurden. De katyusha-raket die insloeg in Kiryat Shmona juist toen we daar de verkiezingsnacht bijwoonden in het hoofdkwartier van de Arbeiderspartij.
    Of de nacht dat de tanks wegreden uit Libanon en de laatste christelijk-Libanese gastarbeiders voorgoed terug de grens overstaken. Of de dag daarna, toen we opeens midden in de ontruimde Veiligheidszone stonden en door het hek heen konden praten met de fuivende, met Hezbollahvlaggen zwaaiende menigte aan de andere kant.
    Met het ommetje van Sharon op de Tempelberg, werd echter elke dag een Kuifjedag. We doken voor kogels en schuilden achter muurtjes. We stonden oog in oog met tanks en klauterden over het puin van oneindige rijen kapotgeschoten huizen. We reden over omgeploegd asfalt en spoedden ons van rellen naar aanslagen naar begrafenissen en weer terug. We leerden het verschil tussen een kalasjnikov en een M-16, tussen een pantserwagen, een tank en een `Humvee’. We reisden nog slechts in groepjes, omdat kuddes altijd veiliger zijn. En we propten doorgesneden uien in onze reporterstassen, daar het inademen van de geur van ui vlak onder de neus de effecten van traangas danig vermindert.
    We leefden, kortom, volledig op het ritme van de piepjes van het nieuws.
    Toch was de Intifada die eerste jaren nog een strijd die steeds van vorm en inhoud veranderde, en die dus onze voortdurende aanpassing vergde. In het begin renden we mee met de `shabaab’; de stenengooiende jongeren die elke middag op vaste plekken de confrontatie met het leger zochten, en die dan net zolang hun keien en molotovcocktails richting de soldaten bleven slingeren tot er een reactie kwam. Om de militairen te wijzen op de aanwezigheid van pers, kleedden we ons in felgekleurde T-shirts en hoopten zo te voorkomen dat ook wij doelwit zouden worden van hun kogels.
    Iets later hulden we ons in speciale pershesjes; dunne, lichtgevend gele vesten die met reflecterende letters PRESS uitschreeuwden zodra we ze over onze kleding trokken. Ook sleepten we inmiddels fiets- en hockeyhelmen mee als bescherming tegen de stenenregens van de Palestijnen en de knuppels van de Israëlische politie. Deze outfit kwam met name goed van pas bij rellen waar de scheidslijn tussen troepen en betogers niet strak getrokken was. In Jeruzalem bijvoorbeeld, waar lange tijd iedere vrijdag een `vrijdag van woede’ was, en we soms tot benauwens toe lagen ingeklemd tussen keiengooiende jongeren en kogelschietende agenten als waren we de kaas in de tosti.
    Met het openlijker gewapend worden van de Intifada, kwamen auto’s met Israëlische nummerborden op de kolonistenwegen van de Westoever steeds vaker vanuit de Palestijnse heuvels onder vuur te liggen. Wij plakten met grote letters 'TV' op onze wagens, en hoopten dat de militanten dit goed genoeg konden lezen om ons niet in het vizier te willen nemen.
    De eerste kogelvrije vesten arriveerden toen vanuit het Palestijnse Beit Jalla de overburen in de Jeruzalemse buitenwijk Gilo avond aan avond beschoten werden, waardoor wij dagelijks door de vuurlinies moesten rennen voor dekking. Kogelvrije helmen volgden toen Israëlische tanks enkele semi-autonome dorpen belegerden en de bewoners werden opgesloten in hun huizen. We liepen door de uitgestorven straten en wisten hoe op de daken de scherpschutters van het leger lagen, terwijl achter hoeken groepjes gewapende militanten wachtten op hun kans.
    Grote nieuwsorganisaties importeerden zelfs gepantserde jeeps om zich veiliger over het terrein te bewegen. Wij klemden onze onbeschermde auto’s dankbaar tussen hen in toen, in de lente van 2002, Israël na een maand van bloedige aanslagen de autonome Westoeverplaatsen opnieuw bezette en wij nog slechts in konvooien stapvoets door de van tanks voorziene spooksteden konden rijden.
    En ondertussen verdween alles uit het landschap wat de voorafgaande jaren zo zorgvuldig was opgebouwd. De Palestijnse controleposten werden kapotgebombardeerd, gevolgd door de politiebureaus en de presidentiële werkpaleizen. Het juist gerenoveerde Bethlehem veranderde in een ruïne die deed denken aan het Beiroet van 1982. De constructieplek van de Gazaanse haven werd platgewalst, de startbaan van het vliegveld vernield. De vredesgeneratie verwerd tot oorlogsjeugd, en produceerde aan beide kanten van de checkpoints kindertekeningen vol puinhopen, geweld en lijken.
    Israël liquideerde politici en militante leiders, en nagelde Arafat aan de grond met het uitschakelen van zijn helikopters. Palestijnse militanten bliezen bussen, restaurants en winkelcentra op, en vermoordden op klaarlichte dag een rechtse minister in een Jeruzalems hotel.
    ’s Nachts dreunde het bombarderen van Bethlehem door tot in Jeruzalem, waarop we bedachten hoe onze Palestijnse vrienden met doodsbange kinderen schuilden in een kamerhoek. Overdag echoden de aanslagen door de straten, waarop we hoopten dat niemand die we kenden op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was geweest.
    Buitenlandse investeerders vluchtten, de toeristenindustrie stortte in, en de rechtse hardliner Ariël Sharon verving de linkse Ehud Barak als premier. Samen dansten de beide partijen de dodendans, en het orkest leek de melodie maar niet moe te kunnen worden.

VI

Met het neerstrijken van de karavaan van echte oorlogscorrespondenten in onze standplaats, ontwikkelden wij, oudgedienden, ons steeds meer als het geheugen van het conflict. Anders dan zij die slechts werden ingevlogen om zo nu en dan eens een extra wrange paragraaf te verslaan, kenden wij het hele verhaal in alle nuances. ,,Weet je nog?’’ werd, naarmate de Intifada voortschreed, een van de meest gehoorde conversatieopeningen als we er samen op uit trokken in het veld.
    En natuurlijk wisten we het allemaal nog. We liepen door belegerde steden en herinnerden ons hoe we mensen interviewden in huizen die nu weggeslagen waren. We fotografeerden de van afsluitheuvel naar afsluitheuvel voortsjokkende Palestijnse massa’s, en bedachten hoe trots en waardig het volk kort geleden nog was. We zagen kleine checkpoints veranderen in onneembare forten en bruisende steden uitsterven door omsingelingen of schier oneindige reeksen aanslagen. We hoorden radicale praat en realiseerden ons dat diezelfde monden eerder nog louter invoelende woorden vormden.
    Maar meer nog dan dat, injecteerde de Intifada onze journalistieke taak met zingeving. Oorlogsverslaggeving is geschiedschrijving avant la lettre, en onze perskaarten plaatsten ons op de eerste rang voor het wereldtoneel. Geen diner hield ons weg bij aanslagen, geen nachtrust ging boven de politieke ontwikkelingen, en geen ziekte kon ons ervan weerhouden naar Jenin te tijgen toen het leger deze stad, na een verwoestende actie in het vluchtelingenkamp in het voorjaar van 2002, eindelijk vrijgaf voor de pers. Het verhaal moest verteld en de mensen verdienden een stem. Ratelde de telex, dan klikten onze camera’s, weerklonken onze analyses en dansten onze vingers over het toetsenbord.
    De eerste rang gaf ons echter ook een nieuw perspectief op ons vak. Soms waren we bij gebeurtenissen die in lauwe rust verliepen en wisten we zeker geen verhaal te hebben. Tot we thuis kwamen, en zagen hoe alle grote televisiestations de twee minuten van plichtmatig scanderen voor de camera’s hadden uitvergroot tot volkswoede en onrust.
    Soms was er ook de absurde realiteit van de rellen uit de begintijd die geheel verloren ging bij het inzoomen op de jeugd met de stenen. Dat de onlusten zich in de meeste steden beperkten tot slechts een enkele straat bijvoorbeeld, waardoor zelfs tijdens de felste gevechten in Bethlehem de toeristen vrolijk via een parallelle weg naar de Geboortekerk werden gebust zonder zich te realiseren dat ze deel uitmaakten van het nieuws van de dag. Of dat in Ramallah de buurtbewoners zich bij die eerste confrontaties elke middag neervlijden in het gras naast het stuk asfalt van het dagelijkse treffen, en al picknickend de gebeurtenissen becommentarieerden alsof het een televisiesoap betrof.
    In Beit Jalla poseerden gemaskerde militanten overdag als volleerde acteurs zodra er ook maar ergens een camera werd gesignaleerd. Ze gluurden om hoeken met hun kalasjnikovs in de aanslag, maten zich een stoere gevechtshouding aan en richtten koelbloedig hun wapens op fictieve Israëlische soldaten die, zo wisten wij net zo goed als zij, pas bij het vallen van de avond hun posities weer zouden innemen in het dorp.
    En tijdens het beleg van de Geboortekerk in Bethlehem, toen de stad officieel was afgesloten voor de pers, kwam heel het journaille openlijk binnen via een zandheuveltje op enkele meters afstand van een legerpost en het dichte Gilo-checkpoint. Aan Israëlische kant was de plek duidelijk gemarkeerd door de vele tientallen geparkeerde auto’s met `TV’ op de ramen, en aan Palestijnse kant reden de taxi’s af en aan en rekenden astronomische bedragen. Als dat al niet genoeg aanwijzingen verschafte voor de aanwezigheid van journalisten, dan liet het straatbeeld in de verboden stad niets te raden over: daar liepen we dan, in onze met `TV’-gemarkeerde kogelvrije outfits, als enige personen in het volledig uitgestorven, onder huisarrest geplaatst Bethlehem, en passeerden elke vijf stappen een legerpatrouille. We groetten elkaar vriendelijk, vroegen informatie, en werden keurig gewaarschuwd als er een actie stond gepland die ons welzijn in gevaar zou kunnen brengen.
    Toch eiste onze gedrevenheid ook een tol. Wij waren de enigen die zagen wat wij zagen en wisten wat wij wisten. Wij leefden met de afgerukte ledematen van de aanslagen en met de Israëlische menigten die na een zelfmoordactie hun woede koelden op Arabische werknemers in marktkraampjes of restaurants. Wij droegen de beelden op ons netvlies van door tanks geplette auto’s en volledig getraumatiseerde kinderen na nachten van belegeringen, invallen en bombardementen. Wij hoorden hoe Palestijnen soms dagenlang waren opgesloten in hun huizen met een overleden en wegrottend familielid, omdat het straatverbod hen ervan weerhield het lichaam te vervoeren of te begraven. We keken toe hoe de steden door het leger werden geleegd van bijna alle jonge mannen – en sloegen hen gade toen sommigen enkele weken later weer geblinddoekt en geboeid door bussen terug werden afgeleverd bij de checkpoints.
    In Israël hadden we elkaar en wisten we zonder woorden welke werkelijkheid wij deelden. Zodra echter met verlof, waren we geschokt door de onverschillige kleinburgerlijkheid die we aantroffen in onze respectievelijke vaderlanden. Rechtstreeks ingevlogen vanuit de loopgraven, werden we geconfronteerd met jeremiades over hypotheekrentes, normverlies, de euro en stelselmatige vertragingen in het openbaar vervoer.
    ,,De bus is te laat???!?,'' wilden we de klagers wel bij de schouders schudden. ,,Wees blij dat-ie niet is opgeblazen!’’

VII

Veel is veranderd sinds de dagen van 2002. De Palestijnse jeugd gooit allang geen stenen meer en de wegen worden nog maar zelden beschoten. In Gilo verdwenen de zandzakken uit de ramen, en uit Beit Jalla reden de tanks reeds lang geleden weg. In Ramallah zijn de volledig aan puin geschoten puien van de hoofdstraat gerestaureerd en voorzien van nieuwe winkels. Bethlehem plaveide wederom de wegen, en de omvergereden lantaarnpalen van het millenniumproject zijn opgetakeld en andermaal verzonken in het trottoir.
    In Israël is het aantal aanslagen sinds het voorjaar van 2004 beduidend afgenomen, zodat de markten, steden en restaurants weer borrelen met leven. Bussen worden beter beveiligd en het nieuws draait als vanouds om politieke schandalen en verkeersdoden. Op nooduitzendingen wordt slechts nog overgeschakeld als er een explosie wordt gehoord – net als vroeger, vóór de Intifada.
    In de Palestijnse Gebieden duurt de herbezetting van de steden onverminderd voort, compleet met invallen van het leger, liquidaties, arrestaties en oplopende aantallen doden. Maar de karavaan van oorlogscorrespondenten trok al voort naar nieuwe plaatsen, en de internationale interesse voor de zoveelste militaire actie in Gaza, Nablus of Jenin is na vier lange jaren van strijd slechts nog miniem. De Intifada is bijna sleur geworden.
    Met het stollen van de gewelddadigheden tot een voorspelbare reeks van acties, zijn ook onze kogelvrije vesten opgehangen in de kast. De helmen stoffen onder op zolder, de uien liggen weer in de groentelade, en de gepantserde jeeps staan veelal te koop. Ons 'TV' kleeft nog steeds op de autoramen, maar we laten de tape toch beduidend langer afbladderen dan voorheen.
    En soms, heel soms, dromen we stiekem van een tijd in een niet nader aangeduide toekomst waarin het conflict is opgelost en de weggewiekte vredesduiven weer landen in de regio. Mijmerend zullen we herinneringen ophalen als we elkaar na jaren weer treffen op een terrasje voor een reünie, en ,,weet je nog?’’ zal onze geijkte conversatieopening zijn.
    Natuurlijk zullen we het allemaal nog weten. Hoe er ooit checkpoints stonden die mensen stremden. Dat er een tijd van muren en hekken was. Hoe we sirenes plachten te tellen om te besluiten tussen ongeval en aanslag. Dat Arafats hoofdkwartier een ruïne was.
    We zullen terugkijken met de wijsheid der jaren en meewarig glimlachen over ons vroegere onvermogen het einde van de tunnel te zien.
,,Ah!,'' zullen we nostalgisch verzuchten, terwijl onze glazen klinken op het verleden. ,,Good times. Good times’’.


Jeruzalem, oktober-november 2004
 

© Jetteke van Wijk