Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

De stilte van de oorlog

Rudi Vranckx

Aan de keukentafel

‘En toen?’
‘Neergeschoten mensen, hoe is dat?’

Honderden keren heb ik die vraag gesteld. Nooit heb ik het antwoord gekregen. Tien jaar lang zat ik met grootvader aan de keukentafel en altijd opnieuw kwamen diezelfde verhalen over de oorlog: hoe ze boter smokkelden en hoe ze schuilkelders groeven. Ik kon het gebulder van de bommenwerpers horen alsof ik erbij was, de schokgolf van de luchtverplaatsing, en dan werd het altijd even stil. Kleine oom werd weggeslingerd en oma vond hem terug, opgeblazen als een ballon met teveel lucht in. Soms gingen we naar zijn grafje kijken. Ik heb nooit een foto gezien van kleine oom. De dood bleef iets op grote afstand.

Spannender werd het als ze over de Duitsers praatten, de ‘moffen’ bromde oma altijd. ‘Ze hebben grootvader opgepakt en op de trein naar het kamp gezet, maar hij kon eraf springen. Daarna dook hij onder bij de boeren.’ ‘Wat had hij dan gedaan?’ Grootvader was bij het verzet, zei oma als voldoende verklaring. Hijzelf sprak dan weinig. ‘Hij was bij de witte brigade.’
     Voor mij klonk dat als John Wayne en de strijd bij Fort Apache. Ik keek met grootvader trouwens graag samen naar westerns... en naar het avondnieuws. Hij vroeg zich af wanneer we de eerste oorlogsfilms over Vietnam zouden zien. Wist ik toen veel dat verliezers niet graag geschiedenis schrijven. Het was de tijd dat de oorlog in Vietnam helemaal fout begon te lopen. Beelden van body-bags en van een jungle die brandde van napalm teisterden het televisiejournaal. De beroemde foto met het naakte meisje vol brandwonden huilend op de loop voor de gruwel.

Heel soms liet grootvader zijn been zien. Als het weer omsloeg, raakte dat gezwollen en kreeg het tot twee keer de normale omvang. ‘Een oorlogswonde’, vertelde oma. Hij was gevallen en onder zijn motorfiets geklemd geraakt. Grootvader was die eerste oorlogsdagen in ‘40-‘45 koerier van legerberichten. Het meest mysterieuze relaas, mijn lievelingsverhaal, was dat van het gevecht om de brug. Het verzet in de strijd tegen de moffen, zo heb ik het althans onthouden.

‘Wat deed het verzet?’
‘Vechten tegen de bezetters!’
‘Waar? En hebben jullie gewonnen?’
‘We hebben een brug vernield.’
‘Heb je mensen doodgeschoten? ’
Toen werd het stil....


In de wereld

December 1989, bijna een leven later. Nagylak, de grens tussen Roemenië en Hongarije. Het is een grijze winterdag. De wachtpost is niet verlicht. Aan de overkant wordt er geschoten. Een jongeman van net dertig jaar staat te liften, achtergelaten door zijn collega’s. Een huurwagen met drie fotografen stopt en neemt hem mee naar Timisoara. Ze willen het massagraf van Timisoara zien, de wieg van de Roemeense revolutie. Het zijn journalisten, de jongeman dat ben ik. Het is mijn eerste grote opdracht en deze kans wil ik grijpen, ten koste van alles.
     Enkele dagen eerder had de redactie beslist om een reporter de Roemeense omwenteling te laten verslaan. Het was enkele dagen voor Kerstmis en er waren geen ervaren verslaggevers beschikbaar. Het zou een kleine opdracht worden, wat feesttaferelen filmen, net zoals in de andere landen achter het IJzeren Gordijn. Dat dacht men toch. Maar de sfeer kantelde snel. De Securitate, de gevreesde geheime dienst van de Roemeense dictator Ceaucescu, schoot op iedereen. Eén collega werd doodgeschoten, hoorde ik een paar dagen later. De oorlog was jarenlang ver van ons vandaan gebleven, ik kende alleen de verhalen van mijn grootvader aan de keukentafel, als fetisj droeg ik zijn leren jasje.

In de straten van Timisoara stroomt bloed! Ik verwacht het ergste, maar zie enkel een paar naamloze lijken liggen. Het is koud, de grond is bevroren, er ligt poedersneeuw, overal vliegen grote zwarte kauwen. Het is griezelig ja, maar is dit nu een massagraf? De lijken zijn dichtgenaaid. Op het lichaam van een vrouw ligt een dode baby.
     Later hoor ik dat dit geen oorlogsmisdaad was, maar lijken waarop autopsie is uitgevoerd. Dit waren geen slachtoffers van marteling en moord. Het was een zorgvuldige enscenering van een regime dat aan het vervellen is om te overleven. Voor het eerst heb ik het gezicht van de oorlog gezien. Dat gezicht droeg een masker.

Ik ben onderweg naar Transylvanië, de Roemeense bergen. Waar zit die vervloekte oorlog nu? Genoeg controleposten, dat wel, met ongeschoren en ongewassen mannen, stinkend naar de zelfgebrouwen jenever. Het is mij volstrekt onduidelijk wie nu bij welke bende hoort. Maar échte oorlog moet toch iets anders zijn? Plots stopt de chauffeur en duikt in een greppel. Verdwaasd en ook opgewonden ga ik kijken. Automatisch geweervuur. Om mij heen wordt er geschoten op iemand die verscholen zit in een kraan op een bouwwerf. Af en toe wordt er teruggeschoten. In de veronderstelling dat ik iets moet doen, ga ik maar schuilen achter een elektriciteitspaal. TSJK... gevolgd door een kleine stofwolk naast mij! Volgens een collega is dit nu het geluid van een kogel, een misser. Als je het hoort is de kogel al voorbij. En heb je geluk gehad. In het andere geval heb je het niet eens geweten. Enkele minuten later is de schietpartij voorbij. Een lichaam wordt uit de cabine van de kraan gegooid en valt met een plof in de berm.
     Mijn eerste oorlogsdode, mijn eerste dode tout court, en ik heb niets gedaan. Maar wat zou je als reporter ook kunnen doen? Ik ben gewoon blijven staan, zonder zenuwen, en heb alles ondergaan. Ik voelde geen misselijkheid, eigenlijk voelde ik niets. Alleen was er die stilte. Er was allicht voldoende lawaai van automatische geweren, maar in mijn hoofd werd alles vertraagd en verstild, alsof er op zo’n moment een demper tussen mijn zintuigen en mijn hersenen wordt gezet.

Ik rij terug naar de grens. Aan de andere kant wacht het hotel. Pas als ik in een heet bad zit, klapt mijn lichaam dicht en verkrampt alles in mij. Gelukkig zink ik snel weg in een urenlange slaap. Ik droom niet. Het is erg stil en ik raak maar niet wakker.
     De eerste keer vergeet je nooit, niet in de liefde en niet in de oorlog. Er zullen nog vele oorlogen volgen. Rwanda, Cambodja, Sarajevo, Congo, Kosovo, Palestina, Afghanistan... Irak. Vergis ik me of draait de wereld echt alsmaar sneller, gemeten aan de oorlogen. In mijn hoofd worden de periodes tussen twee oorlogsreportages in voortdurend korter. Ik leef steeds minder in deze wereld en steeds meer in die andere wereld. Het wachten kost er minder moeite, alsof mijn geest een computer is die dan op standby staat. De opwinding is er duizend keer intenser, ook de kleuren zijn er feller. Het is een wereld met een eigen code. Het is erg simpel: je gaat dood, je stopt ermee of - als je het maar lang genoeg uitzingt – word je oud-strijder. Dat zou mijn grootvader alleszins begrepen hebben.
     In het begin bekeek ik mijn idealen nog met een vergrootglas. Ik analyseerde ze als een amateur-psycholoog. Of eigenlijk meer als een jongetje dat met een dubbel gevoel een vlinder opprikt: ben ik nu boos om al dit leed? Voel ik wel voldoende? Oorlog is toch fout!

Soms heb je een overdosis nodig om die stilte in je hoofd te doorbreken.
     Maart 1991. De Sardasjtbergpas tussen Iran en Irak. We overnachten in het laatste bergstadje aan de Iraanse kant van de grens. Ik heb geen slaapzak mee, er zijn geen bedden, zodat we op de kille vloer van het gemeentehuis moeten zitten, de hele nacht lang. Voor de deur staat een gewapende revolutionaire wacht, officieel voor onze veiligheid. Ik voel me als een hagedis die warmte nodig heeft en vraag om hete thee met veel suiker, tevergeefs. 's Ochtends slik ik beschaamd elke klacht in. Bijna drieduizend meter hoog boven op die bergpas zie ik waar het in deze job écht om draait.
     Met honderdduizenden, stap na stap, schuifelen ze voort de berg op. Het zijn Koerden op de vlucht voor uitroeiing door Saddam Hoessein. Geen enkel buurland ziet hen graag komen, maar ze hebben geen keuze. Hun opstand werd verraden door het Westen. Eén man vertelt over zijn broer die gemarteld is door Iraakse soldaten. Hij werd naakt op een staaf gebonden. Ik probeer het mij in te beelden. Als melaatsen met een ratel spuwen ze hun verhalen: elektroshocks aan de genitaliën, met een oor tegen de muur gespijkerd. De modder op het bergpad is halfbevroren. Het bloed van de gewonden vermengt zich met de smeltende sneeuw. Sommige vluchtelingen zijn amper gekleed of geschoeid. Ik kijk in die ogen, onpeilbaar! Ik huiver van de kou en van de doffe ellende. Als een lawine van emoties golft het over me heen. Ik probeer het in cijfers te vatten, dat is veiliger, beter om je verstand niet te verliezen. Volgens de berichten sterven er duizend vluchtelingen per dag. Ik bekijk de colonne en tel: om de vijf tot tien meter sterft er iemand, nu, hier, onder mijn ogen.

De stank van de oorlog, de waanzin heeft een geur.
     Rwanda, november 1990.
De échte genocide wacht nog op zijn kans in de duizend heuvels. Maar Tutsi-rebellen opgerukt uit Oeganda en Hutu-strijders van het Rwandese regime maken elkaar al dood. De frontlinie golft op en neer. Er vallen enkele duizenden doden. Met een oud VW-busje rijden we van Kigali in de richting van de Oegandese grens. We hebben een papier ineengeknutseld met veel stempels. Het ziet er officieel en deftig uit al stelt het niets voor. Voor de ongeletterde soldaten aan de controleposten is het echter ruim voldoende. Sommigen houden het doorgangsbewijs zelfs ondersteboven.
     ‘Vous voulez un paquet de sigarettes citoyen?’ ‘s Avonds in de bar van hotel Mille Collines discussiëren we met de concurrentie. Onze trots is te groot om hetzelfde te doen. Hij zou naar het Westen rijden, ik naar het Noorden. Op de redacties heeft men geen idee waar er wordt gevochten en wie nu wie aan het uitmoorden is, dus is elke gok evenveel waard.
     Wij hebben geluk. In de verte stijgen zwarte rookpluimen op boven de savanne. Enkele hutten zijn uitgebrand, alles is er uitgestorven. Plots worden we ingesloten door een viertal jeeps, de zendmasten zwiepend op het dak. Het is duidelijk een commandopost, gelukkig met officieren. De baas is goed gezind, hij laat zich ‘colonel Rwendi’ noemen.
     ‘We hebben de rebellen op de vlucht gejaagd!’ Hij toont een tiental gevangenen. ‘Kijk, het zijn amper kinderen in te grote uniformen.’ De kolonel is een boom van een kerel, zelfbewust, onkwetsbaar. ‘Wat ga je met hen doen?’ vraag ik. Hij haalt zijn schouders op en ik ben blij dat ik het antwoord niet hoef te weten.
     Maar dit is onze geluksdag, we mogen de kolonel volgen naar de frontlinie, een droomescorte in deze business. Het enige dat nog ontbreekt zijn de slachtoffers. Met een brede zwaai wijst de militair om zich heen. ‘Allez y, vous les sentez!’ We zitten midden in een prachtig natuurpark, het Akagera-park. Maar de zebra’s en de wilde dieren zijn verdreven door de échte beesten, op de vlucht geslagen voor de gevechten. Behoedzaam stappen we tussen het hoge gras en al na honderd meter ruiken we het: een weeë, zoete stank, die ik onmiddellijk herken. Vorige zomer heb ik verslag gemaakt van een hittegolf waardoor duizenden varkens crepeerden. Dezelfde geur. Het is ontluisterend. Maar las ik niet ergens dat varkens bijna hetzelfde genetisch materiaal hebben als mensen? Voor mij liggen drie lichamen verwrongen, stukgeschoten. Verderop liggen er nog meer. Van één man is het hemd aan de buik opengescheurd. De camera zoemt in. Ik kijk toe van erg dichtbij en plots zie ik ze, duizenden witte wormen wriemelen zich naar buiten. Ik heb het nu wel gehad, met de zakdoek voor de neus gaan we terug, voorzichtig oplettend om niet op nieuwe kadavers te stappen. Als we terug naar Kigali rijden is er de stilte. Bij valavond zwijgt de natuur en ikzelf zit opgesloten in mijn hoofd. Het is mijn eerste Afrikaanse zonsondergang, schoonheid en gruwel laten mekaar hier niet los.
     Mijn collega van de concurrentie loopt er ongelukkig bij. Zijn trip was niet erg succesvol en zijn redactiechef kloeg dat ze niet voldoende lijken hadden gefilmd. Onze opdracht is meer dan geslaagd, maar als ik 's avonds op de hotelkamer de beelden zie, voel ik pas échte walging. De camera registreert zonder enige terughoudendheid alle details: het licht is hard, de contrasten zijn scherp. De wormen kronkelen door het beeld en worden pas langzaam deel van een ruimer beeld, de illusie van wat ooit een mens was.
     Hoe lang kan een cameraman dit soort beelden vastleggen zonder zelf beschadigd te worden of word je er immuun voor? Misschien helpt het wel de realiteit te zien met slechts één oog door de zoeker van een lens in zwart-wit. De ergste beelden kunnen we nooit gebruiken; de goegemeente zou walgen bij het avondmaal. Gelukkig voor hen kan televisie nog geen stank weergeven, die mengeling van vuiligheid, bloed en ontbinding: de geur van de oorlog. Ik zal het ruiken ervan als een extra zintuig ontwikkelen. Blank of zwart, moslim of christen, die stank zal altijd dezelfde zijn.

Op het juiste moment op de verkeerde plaats.
     Je moet in deze stiel geluk hebben. Al een jaar lang rijgen de kleine opdrachten zich monotoon aan mekaar. Een operette-invasie in Haïti is het enige opwindende dat ik meemaak. In het Midden Oosten is het vredesproces volop aan de gang. Ik denk eraan een sabbatical te nemen, een studiebezoek aan Israël voor enkele maanden.
     Tel Aviv, februari 1996.
De dag dat ik op de Ben Goerion luchthaven land, begint de meest bloedige veertiendaagse uit de geschiedenis van de terreuraanslagen in Israël. Bij twee bomaanslagen in Jeruzalem en in Ashkelon worden 23 Israëliërs, twee Amerikanen en een Palestijn gedood. De volgende zondag, voor de joden de eerste werkdag van de week, stapt een Palestijn met als strijdersnaam Islam Mohammed op bus 18 die naar het centrum van Jeruzalem rijdt, ze rijden langs de joods-religieuze wijk. Het is diezelfde buslijn als bij de aanslag een week eerder, het is alleen een kwartiertje vroeger, om 6 uur 25 ontploft de bom in de historische Jaffastraat. De bus rolt nog enkele tientallen meter verder. Er vallen minstens 18 doden. Wat overblijft is een verwrongen uitgebrand metalen geraamte. ‘Dood aan de Arabieren!’ roepen omstanders.
     De volgende dag neem ik bus 18. Ik ga ervan uit dat de terroristen misschien wel twee maar toch geen drie keer op dezelfde plek zullen toeslaan. Op hetzelfde ogenblik probeert een Palestijnse jongeman van 24 uit Ramallah het winkelcentrum Dizengoff in het hart van Tel Aviv binnen te dringen. Veiligheidsagenten doorzoeken de bagage van iedereen aan de ingang uit vrees voor een aanslag. De man keert zich om en blaast zichzelf op met behulp van dertig kilo explosieven midden op een druk zebrapad. Overal liggen afgerukte lichaamsdelen, mensen kruipen bloedend in paniek rond. Er liggen halfnaakte lichamen, ze lijken op etalagepoppen: kleren van slachtoffers worden soms door de zware luchtverplaatsing van het lijf gescheurd. Er vallen 14 doden en meer dan honderd gewonden. Onder hen opvallend veel kinderen die het Poerim-feest, het joodse carnaval, aan het vieren zijn. Mijn studio ligt vlakbij de plaats van de ontploffing. Om de hoek ga ik mijn brood en de krant kopen. Als ik niet de verdoemde bus 18 was gaan zoeken, zat ik nu een cappuccino te drinken voor het raam met zicht op de jongeman uit Ramallah die zich het paradijs heeft ingeblazen, waar 72 maagden op hem wachten. Insjallah!
     Ik heb geen ooggetuigenverslag kunnen brengen, voor het eerst grijnst het lot me vals toe. Op het juiste moment op de verkeerde plaats zijn, het zal me nog vaker overkomen, gelukkig maar. Mike’s Place is de pub in Tel Aviv waar ik 'savonds wat ga schrijven en een biertje drinken. Als ik later terug op de redactie ben, loopt het bericht binnen over de zoveelste zelfmoordaanslag... Mike’s place.
     Ook dit jaar in Irak heeft het lot me al enkele keren op de schouder getikt. Bagdad Hotel waar we onlangs nog enkele weken logeerden, werd door een bomauto geramd. Er vielen tientallen doden en gewonden.
Ik kan er best niet te lang bij stilstaan: oorlogsjournalistiek is niet zozeer een loterij, veeleer is het een absurd theaterstuk.

And shit happens. Meestal gaat het zo snel dat je geen tijd hebt om je eigen stommiteiten te vervloeken. Een hinderlaag, een bom langs de weg, vaak is het louter domme pech. Toch helpt ervaring, al was het maar om een checklist op te stellen waarop je zou moeten letten:
1. Steek nooit de frontlinie over, zeker niet als ze schieten!
2. Respecteer de avondklok en hou je gedeisd!
3. Overal kunnen mijnen liggen, loop er nooit als eerste naartoe!
Dit lijkt me een aardige top-drie. Je kan echter ook zoveel ervaring hebben, dat je niet meer weet wat je ermee aan moet. Of wat nog veel erger is, je kan té zelfzeker worden. Alle drie de regels heb ik al overtreden, want voor een goed verhaal moet je nét een tikkeltje te ver kunnen gaan.

Uiteindelijk is oorlogsverslaggeving niet meer dan rondrijden in de schemerzone van het gezond verstand.
     Congo, Goma 1997.
Al meer dan een week zitten Frans en ik te wachten op een nieuw offensief van het rebellenleger van Laurent Kabila. Onze campagne is met een vliegende start begonnen: eerst een interview met de leider en daarna de verovering van de diamantstreek Mbuyi-Mayi. Nu stokt het. De redactie lijkt me vergeten. Ik ben hier vierklauwens naartoe gestuurd zonder satelliettelefoon en met amper cash geld. Allicht beseft men in Brussel niet dat de bedrijfskredietkaart hier weinig indruk maakt. Ik kan niet meer opbellen en heb net genoeg geld om elke dag een brood te kopen. In mijn tas heb ik twintig repen chocolade. Een pater gaf mij dit pakket mee voor de zusters in de streek. Eén reep per dag is mijn rantsoen, met eeuwige dank aan de nonnekes.
     Frans, een free- lancer voor wat regionale bladen, is er erger aan toe. Hij heeft geen geld en slaapt op mijn kamer. Frans lijdt al een week aan dysenterie, de schijterij! Hij wordt steeds bleker en slapper. Dagelijks krijgt hij drie flesjes cola. Die ontkurkt hij om de prik te laten ontsnappen en hij strooit er vervolgens zout in. Wansmakelijk, maar het helpt. In de kamer hangt een zurige stank, Frans hangt voortdurend in de badkuip.
     De muren lijken op mij af te komen, de dagelijkse tropische plensbui is net voorbij, en ik wil buiten, het gevoel koesteren dat ik iets doe.
     ‘Zou je dat wel doen, er is een avondklok?’
Maar ik let niet op zijn waarschuwing, ik ken het hier al veel te goed.
     ‘Er gebeurt hier toch nooit iets.’
De wandeling is geweldig, de lucht is eindelijk fris en in de cités wordt er gedanst en bier gedronken. Zonder het goed te beseffen wandel ik tot aan het Kivu-meer, en dan wordt het wel erg laat om terug te keren. Plotseling is er niemand meer en in de duisternis zie ik voor me slechts de lange donkere grindweg.
     Er wordt geroepen, ik hoor rennen, enkele schoten, een enkele kreet en opgewonden gefluister. Er is iemand neergeschoten, vlakbij! Aan de rand van de brousse roept er iemand iets onverstaanbaars naar me. Ik stap snel door, rennen zou verdacht zijn. Ik voel mensen lopen, meer dan dat ik ze zie. Een schot, een waarschuwing, opnieuw een schreeuw. Ik moet wel hard gaan rennen, ik wil niet stomweg per vergissing worden afgemaakt. Ik slaag erin om op een open plein aan een asfaltweg te geraken. Hier is er licht van een straatlantaarn, zo kan iedereen me zien. Het is een gok. De kadogo’s, kindsoldaten grabbelen me vast, benen gespreid, geweer tegen me aan, ze roepen van alles, ik versta er niks van. Lingala of Swahili? Het zijn jonge mannetjes met te grote rubberen laarzen en slechtpassende uniformen. Iedereen is zenuwachtig. Het is een patstelling die elk moment slecht kan aflopen. Opeens rijdt een jeep langs en de wagen stopt. Er stapt een officier uit die Frans spreekt. Ik ben nog nooit zo blij geweest om een officier van het Congolese leger te ontmoeten. De kindsoldaten gehoorzamen hem.
     Die gastjes gedroegen zich vreemd, door drank of drugs? Ik weet ook niet wie ze eerder hadden neergeschoten of waarom. Maar ik vervloekte mezelf dat ik de avondklok niet had gerespecteerd. Je moet tien jaar ervaring hebben om zo stom te zijn.

     Macedonië 1999.
     Ik slaap al enkele dagen op de canapé bij Zhivkov thuis in Skopje. Ik lig op vinkenslag tegen dat de invasie van de Westerse troepen in Kosovo begint. Zhivkov is de voorbije maanden in dit conflict mijn chauffeur en duivel-doet-al. Het is een doodbrave man die de dollars broodnodig heeft. Hij droomt ervan naar Canada te emigreren, maar wordt al jarenlang opgelicht door een Duitse mensenhandelaar die hem een visum zou bezorgen.
     We zijn met afstand de meest sjofele reportageploeg in de regio. De auto waarmee we Kosovo willen binnenrijden is één of ander klein aftands Oost-Europees ding. We hebben een bagagedrager gekocht om ons materiaal erop vast te binden want in de koffer staat een gastank. Ik mag er niet aan denken dat iemand daarop zou schieten.
     Eindelijk is het zover, die ochtend zou het beginnen. De voorbije week hebben we de grensstreek verkend en met soldaten gepraat. Kennis is macht. We staan opgesteld op een zandweggetje waarlangs de pantserkolonnes zouden binnenrollen. Zhivkov, Harry - een zachtaardige Hollandse cameraman - en ikzelf zitten in het rode autootje samengeperst, op het dak een grote vastgesnoerde frigobox met eten en drinken.
Verderop over de grens zijn gurkha’s en commando’s volop de invalswegen aan het beveiligen. De Britse tanks zetten zich in beweging, we laten er tientallen passeren en dan is er een klein gat in de colonne - hopla. Het kleine rode autootje met de frigobox verovert mee Kosovo tussen twee tanks in. De soldaten zijn totaal verbijsterd, maar een veiliger oorlogsopdracht kan ik mij niet inbeelden. Kosovaren die ons zien passeren moeten allicht meer denken aan een oude Franse Tati-film: ‘Monsieur Hulot en vacances’ of nog eerder ‘Traffic’.
     Het is een verhaal uit de duizend. De Serviërs hebben een akkoord gesloten en trekken zich overal terug, bevrijding op afspraak heet dat. Om de filmbeelden wat te kruiden steken ze hier en daar wat boerderijen in brand, maar échte gruwel is er niet bij want de wereld kijkt toe. Het zou een bittere les worden.
     Na een uurtje onder bescherming van de tanks mee opgerukt te zijn, slaan we een andere richting in. Je mag die jongens ook niet te lang op de zenuwen werken. Het gebied is opgedeeld tussen verschillende landen. Elke legereenheid houdt zich met zijn eigen opdracht bezig. Van de ene zone rijden we ons van geen kwaad bewust in de andere. Het is al namiddag en we willen stilaan terugkeren, maar eerst wil ik ook wat Servische troepen filmen. De volgende vallei dan maar. Maar dan komt uit het bos plotseling een patrouille Serviërs. Ze houden ons tegen, de jongens zelf zijn in paniek. Ze weten niet wat er aan de hand is. Ik probeer hen uit te leggen dat de oorlog sinds vanochtend voorbij is. Ze zeggen ons nog dat ze hun eenheid kwijt zijn, en die moet zich ergens over de heuvelkam bevinden. Een beetje te ver gaan is de regel, dit is een journalistiek goudmijntje dat de concurrenten niet hebben.
     Behoedzaam rijden we voort, langs een wanordelijke sliert soldaten. De eerste zijn vriendelijk. We geven hun sigaretten. Ze bieden ons slivovitsj aan. De drank blijft maar rondgaan, maar dan verandert ineens de sfeer. We worden door enkele kerels vastgegrepen. Zhivkov krijgt wat meppen, één van de soldaten houdt een handgranaat voor mijn neus en begint te brullen. ’Straks worden we toch aangevallen, ik maak er liever hier al een einde aan. Jullie zijn mee met die verraders!’ De man is dronken en onvoorspelbaar maar de handgranaat op scherp is ijzingwekkend écht. Het is alsof mijn zintuigen weer in slow motion gaan. Alles wordt stil in mijn hoofd en ik zie en hoor mezelf van op afstand pleiten voor uitstel. Niet stoppen met praten want dan is het misschien voorbij. Ik beloof dat ik voor hen zal onderhandelen met de Amerikaanse soldaten die vanuit de volgende vallei oprukken. Het is tenslotte niet de schuld van deze Servische jongens dat ze nog ongewild aan het front rondhangen. Mijn woorden overtuigen een deel van de soldaten. Het heethoofd wordt met zachte dwang aan zijn armen vastgehouden, de handgranaat wordt uit zijn handen genomen.
     Het is afgelopen met oorlogstoerist spelen. Maar ik wil wel mijn belofte houden. Bij de eerste controlepost van de Amerikaanse soldaten doen we ons verhaal. Ze roepen de officier. Het licht wordt echter al minder sterk, vandaag kan hij niets meer doen. Het lijkt dat de tragedie niet te voorkomen valt. Plotseling komt er een oproep binnen, tanks zetten zich in beweging, helikopters vliegen over.
     De Servische soldaten zijn verdwenen, ze zijn wellicht dieper de bossen in getrokken. Waar wij een uurtje geleden werden bedreigd, staat nu een ziekenhuishelicopter. Eén lichaam wordt weggevoerd, één man ligt aan het infuus. Hij zal de nacht niet overleven. Het zijn Duitse reporters die een uur later op dezelfde Serviërs zijn gestoten.
     Valavond, nog meer angst, nog meer slivovitsj. Ik heb alweer geluk gehad, maar heb ik ook een fout gemaakt?

Het jaar van het gevaarlijke leven.
     Bagdad, juli 2004.
Het is bloedheet, 50 graden Celsius, maar dat is niet de reden dat er zo weinig volk op straat loopt. Iedereen wacht op de volgende zware aanslag. De oorlog is al meer dan een jaar voorbij en de macht is net overgedragen aan een Iraaks bewind, officieel dan toch. Ik heb het echter alleen maar erger zien worden. Cijfers zeggen niet alles, maar ze spoken door mijn hoofd. Vijftig collega-journalisten zijn er nu al in deze oorlog zonder regels gedood. Dat is bijna evenveel als in tien jaar Vietnam-oorlog. Duizend Amerikaanse soldaten werden in een body-bag naar huis gestuurd. De Iraakse slachtoffers zijn niet meer te tellen.

Irak wordt werkelijk het verhaal van mijn leven! Nog nooit ben ik zo dichtbij geweest, vlakbij alles: gevechten, massagraven, aanslagen. Het voorbije jaar was ik meer in Bagdad dan thuis. De oorlog is steeds dichterbij gekropen, hij zit nu tot onder ons vel en in ons hoofd.
Ons, dat is Patrick, Jan en ik. Jan was er al bij in Roemenië in ‘89. We slapen niet in het Sheraton of Palestine hotel, maar in een appartement vlakbij. Als terroristen een aanval uitvoeren, zullen ze ons wel overslaan, denken we. Zo heeft iedereen zijn zoethouders. Ik slaap bij voorkeur achteraan en op één van de bovenste verdiepingen, misschien kan ik nog langs het dak ontsnappen.
     Vanochtend werd ik wakker door een harde knal vlakbij. In de tuin achter onze verblijfplaats smeulde een vuurhaard en een zwarte rookpluim steeg op, er was een mortiergranaat neergekomen maar niemand werd geraakt. Eén minuut later werd er in de straat voor het hotel een auto wél geraakt, alle inzittenden werden verkoold. Er volgden nog twee granaten, ons appartement lag midden in de roos.
     En plotseling is er dan weer die stilte... en niets meer. Bagdad ontwaakte.

Het voorbije jaar heb ik het gezicht van de oorlog zien veranderen.
     Eerst waren er de helikopters die voortdurend cirkels draaiden. 's Nachts op het dak zag je ze niet, je hoorde ze pas wanneer ze als reuzenwespen over je hoofd scheerden, erg fascinerend. Het geluid van de oorlog kan iets rustgevends hebben. In Bagdad slaap ik trouwens altijd goed.
     Daarna zijn de wachtposten gekomen, steeds meer metershoge betonblokken werden hier in rijen neergepoot. Na elke aanslag werd een afsluiting opgeworpen. Het centrum van Bagdad ziet er niet meer als een stad uit, het is meer het decor van een slechte actiefilm. Het is meestal bij valavond dat er mortieren worden afgevuurd op de gebouwen van de bezettingsmacht aan de overkant van de rivier. Zou er een logica in zitten: voor of na het avondgebed, na het werk, of na het avondeten?
     Sinds onze vorige reis eten we op de kamer. Een jaar lang gingen we vaak naar een Italiaans restaurant. Tot ik op een avond eens goed om me heen keek. Er zat niemand meer in onze buurt, en het personeel was erg zenuwachtig. De klanten bleven weg. Want in dit nieuwe jachtseizoen werden wij zelf opgejaagd wild, we zijn intussen een belangrijk doelwit. In het restaurant gingen we eerst wat verder van het raam zitten, zo onopvallend mogelijk. Maar het is beter het lot niet lang te tarten. Met oudejaarsavond werd een restaurant waar veel journalisten kwamen de lucht ingeblazen. We bestellen nu eten aan huis: de ene dag pizza, de andere dag kip met rijst.
     Het is vreemd om weken- en maandenlang met die kerels op één kamer te zijn. Is dit de realiteit, de werkelijke wereld, als die al bestaat? Of ontglipt die ons als een reeks reportages die snel vervagen? Naarmate de oorlog vuiler wordt, worden de grapjes morbider: ‘Ik hoop dat de terroristen hun messen eindelijk eens geslepen raken!’ Ook de stiltes worden langer. We weten wat we aan elkaar hebben, hoe de anderen in crises reageren, maar dan nog: kennen we onszelf?

Het is tijd om terug naar huis te rijden, maar waar ligt die thuis intussen? Bagdad is een hel, maar het is onze eigen kleine hel. Ibrahim en Yassim, mijn fixers, vertrouw ik voor mijn leven, en dat is hier letterlijk. Zij schatten in waar we elke dag naartoe kunnen, ze schakelen hun netwerk van kennissen in om ons in die buurten te beschermen. De weg van Bagdad naar elders is echter levensgevaarlijk geworden, het is louter geluk hebben. Tientallen buitenlanders zijn al ontvoerd en vermoord.
     We zijn één van de weinige teams die nog over de weg rijden, het vliegtuig is evenwel veel duurder, zeker met al het televisiemateriaal dat we meezeulen. De collega’s verklaren ons voor gek. In Bagdad - in elke oorlog - voel ik pas echt dat ik leef, maar de prijs wordt nu wel erg hoog. Voor het eerst in al die jaren heb ik in de ogen van Patrick een aarzeling, ja zelfs angst gezien. Hij is van opleiding een commando. Het is voor hem allicht ondraaglijk om geen enkele controle meer te hebben. Mijn intuïtie is meestal op die van Jan ingesteld, hij reageert nu gelaten: ‘We hebben al zoveel geluk gehad, ooit stopt het.’ Er zijn al verscheidene buitenlanders onthoofd door de terroristen. Ik heb de beelden bekeken. Het zijn beelden die de kijker op televisie niet te zien krijgt. Onthoofden in real time, met alle gruwelijke doodsgeluiden erbij, vermengd met de kreten van fanatici. Ik probeer me zelfs in te beelden hoe die moordenaars zich moeten voelen, hoe ze daarna hun zwarte doeken afwikkelen, naar de moskee gaan of naar huis om thee te drinken. Jan denkt dat hij kalm zal blijven als het ons overkomt. ‘Een soort gelaten rust, het is geschied... insjallah!’ Wie van ons drie zou als eerste langs achter bij de haren worden vastgegrepen? Stop! Het leven is maar een actiefilm zonder voorspelbaar einde. Je wordt er moe van, oké, maar raakt het je wel?
     ‘s Ochtends 5 uur, als het uitgaansverbod wordt ingetrokken, vertrekken we. Volgens het overlevingshandboek van Yassim is dat het beste uur. Met wat geluk zijn we dan tegen tien uur voorbij de gevarenzone, ‘s morgens rusten de ontvoerders langs de weg. Nochtans zijn de voorbije weken nogal wat Westerlingen bij de ochtendkoffie uit hun huis gesleept. Dat zijn andere groepen, beaamt Yassim. Het zij zo. Hij hing zwarte doeken aan de ramen van onze jeep zodat men van buiten uit niet kan zien wie erin zit: die bange blanke mannen. Vanaf nu kunnen we niets meer doen. Ik sluit de ogen en hoop dat de wereld er beter uit ziet als ik ze enkele uren later opnieuw zal opendoen.
     Ik geef toe, ik leef een interessant bestaan, soms ben ik zelfs gelukkig. Het is echter ook alsof ik vier levens tegelijk leef, het zijn teveel levens die langs me heen lijken te glippen. Hoelang hou je dit vol? Dat zou ik aan de keukentafel gezeten aan mijn grootvader vragen. Hij zou wellicht opnieuw zwijgen.