![]()


|
 |
Mandeeër in Basra
Jef Lambrecht
Basra, 30 juni 2004.
Vanop de pui van het hotel is het vuurgevecht een concert. Het begon kort na valavond met een droog pistoolschot achter de omheiningmuur, waarop een ander schot volgde. Dan nog een schot. Dan nog één. Dan het staccato van machinegeweren. Tenslotte de doffe knallen van mortiergranaten.
Niemand slaat er acht op maar de vaste gast van het hotel komt er bij staan. Hij was vanmorgen bij het ontbijt. Een ontbijt voor twee mannen, een vreemdeling en een Mandeeër, elk aan hun tafel in een grote blauwgeschilderde feestzaal, een ontbijt voor twee hongerigen. Maar het was een vorstelijke maaltijd in dit land van hongerlijders.
Het is altijd in dezelfde buurt, zegt hij, aan die kant kunnen ze ontsnappen. Hij wijst naar het zuidwesten. Vertel niemand dat ik een Mandeeër ben of ik ga eraan, had hij de vreemdeling ’s morgens toegefluisterd. Hij had het luidop in gebroken Engels gezegd. De kelner kon hem niet verstaan. Nu zegt hij dat iedereen hem voor Hoessein, de moslim, houdt. Soms gaat hij wel eens naar het graf van Ali in Najav wanneer hij dat nodig vindt. Terwijl er wordt geschoten alsof er geen einde aan zal komen, inviteert hij de vreemdeling voor een biertje op zijn ruime kamer in een vleugel van het hotel waar hij de enige gast is. De vreemdeling droomde al jaren van een ontmoeting met een Mandeeër.
Ze verlaten de pui, het podium van de getuigen, en de Mandeeër begint uitvoerig te vertellen over zijn kleine, antieke geloofsgemeenschap. Hij trekt twee blikken Amsterdammer open. Velen van ons zijn de voorbije jaren afgeslacht, verzucht hij. Er kraait geen haan naar. In de hele wereld zijn we met zo’n 120.000, meestal goudsmeden. Hier, in Irak, waar we vandaan komen, namen de joden ons in vertrouwen toen het hen na vijfentwintig eeuwen te heet onder de voeten werd. We waren de beste goudsmeden van Bagdad en Basra, Amara en Kut en alle steden van het zuiden.
De vreemdeling vertelt van een Babylonische pot die hij bij een vorig bezoek aantrof in de oude bazaar van Bagdad. Een wat ruwe pot met een bezweringstekst die in een antiek schrift naar de bodem cirkelt waar men een geketende demon met een enorme fallus tekende. De potten werden in Babylon onder de hoeken van de huizen begraven om ze te beschermen. Er waren potten met hebreeuwse teksten of in het Mandees, een oost-Aramees dialect. Ook op de dievenbazaar van Amman, waar de Babylonische magie nog steeds als de machtigste wordt geprezen, had hij zo’n pot gezien. Acht slecht aan elkaar gelijmde scherven.
Het is onduidelijk of de Mandeeër iets van de potten weet, maar in Irak zijn de
Mandeeërs nog altijd gereputeerde tovenaars, zegt hij. Het is een publiek
geheim. Hij lacht. Veel vrouwen komen naar ons. Moslimvrouwen van alle rang en
stand. Met allerlei kwesties van amoureuze of familiale aard. Ook geleerde
vrouwen, met diploma’s van Westerse universiteiten. En erg mooie vrouwen. Met
velen bedreef ik de liefde. Dat was onderdeel van het ritueel. Hij vertelt dat
er achter zijn goudwinkeltje in Bagdad een kamertje lag, vlakbij Rashidstreet.
Daar gebeurde het, met kruiden en dampen in gedempt licht. De klanten bleven hen
trouw. Lukte het wat ze deden, dan werden ze overladen met geschenken. Was er
geen resultaat, dan had iedereen er belang bij dat de zaak werd vergeten. Het
waren de golden days.
De goudsmid-tovenaar komt niet uit een erg religieuze familie. Hij spreekt geen Mandees en schrijft het niet, tenzij hij iets wil noteren wat niet door derden mag worden gelezen. Hij toont zijn agenda met een pagina waar hij het Mandees alfabet kopieerde. Zijn kinderen stuurde hij naar een Mandese school. Zij spreken en schrijven de taal wèl.
Hij knikt. We zijn een erg gesloten gemeenschap. Onder elkaar dragen we de naam van onze moeder en een voornaam die verschilt van de officiële. Je kan je niet bekeren tot ons geloof. Trouw je met iemand van een andere godsdienst, lig je eruit. Onze bisschoppen moeten zelf hun eten bereiden tenzij hun vrouw of hun moeder het voedsel klaarmaakt. Dat wordt steeds moeilijker. De man spreekt in het besef dat hij een cultuur vertegenwoordigt die ten dode opgeschreven lijkt.
Hij zucht. Toen Saddam nog machtig was, waren we een kleine, beschermde gemeenschap, vervolgt hij, maar toen hem eind jaren ’90 de macht begon te ontglippen, begon de vervolging. Wij, de beste goudsmeden van het land, werden een voor een vermoord door jaloerse moslimconcurrenten. Er kwamen geen onderzoeken. Het werd epidemisch. Het is niet gestopt. Nog altijd niet.
Als hier iemand weet dat ik Mandeeër ben, is mijn leven in gevaar, bezweert hij nu. In Iran, waar er nog minder van de onzen zijn dan hier, is het niet beter. Mijn broer, die in de begindagen van de oorlog met Iran werd krijgsgevangen, moest tot de laatste wachten om te worden vrijgelaten. Omdat hij Mandeeër was.
Er komen nieuwe blikken Amsterdammer. Het is diep in de nacht. Opeens zegt hij: “Johannes de Doper was onze laatste profeet omdat we vonden dat er een einde moest komen aan het gezeur.”
|
|