![]()


|
 |
'Killroy was here'
Arnold Karskens
Iedere morgen bij het ontwaken drukt een zware steen op zijn buik,
net onder het middenrif. Hij noemt dat het oorlogsbesef, het misselijkmakend
voorgevoel dat deze dag zijn laatste zal zijn. De voorbode van een zeer
pijnlijk einde.
De enige remedie is opstaan. Vooral niet blijven liggen. Dan draait
de wereld in tegengestelde richting rond, alsof je dronken bent; boezemen
de komende ontmoetingen vrees in zonder dat er een afspraak bestaat;
slaat de vermoeidheid zonder een enkele beweging als een mokerslag toe.
Dus hij staat op en dwingt zich tot het ochtendritueel, het enige houvast
wat hij de hele dag zal hebben. Bij het scheren loopt hij in gedachte
de donkere hotelgang door. In de lobby zwaait hij naar de klerk. Buiten
is de straat een vreemde, de stad onbekend. Pertinent bant hij namen
uit zijn geheugen. Door het ontkennen van de spijkers voelt de fakir
geen pijn.
Een oorlog is als rondrennen in een donkere kamer waarvan de bezoeker
de afmetingen niet kent. De handen op zijn rug gebonden, wachtend op
de klap. Misschien dendert hij door een gat in de vloer of valt het
plafond naar beneden.
Bij het tandenpoetsen realiseert hij zich dat muren in oorlogsgebieden
altijd zijn gesausd met kalkwit. Dat komt vast omdat oorlog wordt gevoerd
in achtergebleven gebieden. In landen waar ze geen behang kennen. In
steden waar het er niet toe doet of de huizen met de grond gelijk worden
gemaakt.
Met zijn vingers trekt hij een grijs geurspoor. ‘Killroy was here’.
Hij laat steentjes vallen om de weg terug te vinden.
Op de rand van het bed telt hij de tegels. Hij tuurt naar de zwart-witte
luchtfoto die boven zijn bed hangt. Hij zoekt naar de rivier die van
links naar rechts als een witte worm over de kaart kronkelt. Halverwege
stopt zijn oog bij een brug. Van daaruit is het acht straten zuidelijk
naar zijn hotel, een onscherpe vlek in een donker vierkant. Zijn wereld
bestaat uit 520 lichtgroene tegels in een grijze vlakte.
Gelukkig zijn er deuren. De knop is de slagboom die alleen op zijn
commando opgaat. Zolang hij op de rand van het ijzeren bed zit, hoeft
hij zich niet ongerust te maken. Alleen rustig blijven ademhalen. Hij
ruikt het stinkende toilet. Hij ziet het pluizige stof in de hoeken.
Met een vlakke hand wrijft hij de glooiingen weg in de dekens.
De schoudertas laadt hij in. Een schrijfboekje, een pen, een camera.
Dit voldoet om vanavond de buitenwereld als buit de kamer binnen te
slepen.
Vaak verlangt hij naar de oorlog als in een film. Niet te ver, opdat
hij de explosies kan horen, niet te dichtbij opdat de luchtdruk hem
niet omverblaast en steengruis zijn lichaam niet striemt.
Nog even en dan eet hij in een donker restaurant aan een lage tafel
zijn ontbijt. Plat brood met zwarte brandplekken die de smaak hebben
van as. Zijn as. Voor hem staat een roestvrijstalen schaal met dikke
room waarvan de randen geel zijn aangekoekt. De thee in een klein glas
brengt de suikers die hij deze ochtend nog nodig heeft. Hij staat traag
op. De auto wacht. Ergens is het onheil al geschied voor iemand die
zoals hij deze ochtend met pijn is opgestaan.
Hij staat voor de deur en pakt zijn notitieboekje. Hij schrijft nietszeggende
ideeën op; wie te bezoeken, wat te zien. Beter in de routine blijven
van nutteloze arbeid dan in die momenten van mijmering je noodlot onder
ogen zien.
Door de barsten van het raam dringen straatgeluiden binnen, een auto
die langsrijdt, een claxon in de verte, iets wat op sprekende mensen
lijkt. Buiten is nog niet iedereen dood. Hij weet niet of hij daar blij
om moet zijn.
|
|