Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Scoop

Sus van Elzen


Rahimullah Yusufzai heb ik voor het eerst ontmoet toen de oorlog tegen de Russen woedde in Afghanistan. Benazir Bhutto was net tot premier van Pakistan verkozen. De CIA probeerde samen met de Pakistaanse ISI het zootje ongeregeld dat in het Westen ‘De Moedjahedin’ heette – in feite stamhoofden met privé-legertjes die met Amerikaans geld warlords hoopten te worden – tot een begin van efficiëntie te organiseren. De propagandamolens verspreidden hoopvol het bericht dat het Rode Leger zo goed als verslagen was en dat Jalalabad, de stad dichtst bij de Pakistaanse grens, nu gauw ging vallen. De wereldpers verzamelde zich in de lobby van het Pearl Continental hotel in Peshawar, klaar om met rollende camera’s de Khyberpas over te gaan.
Zo’n wereldpers die zich opmaakt voor de scoop, daar komt heel wat machismo bij te pas, stoere kleren en een opwindende mengeling van adrenaline, aanstellerij en zakelijkheid. Duitse tv-ploegen met hun fixers en tolken zaten daar hun geheimen af te schermen voor Britten en Amerikanen. Het was in die dagen nog niet de gewoonte om met een helm en een kogelvrij vest aan te komen teneinde als reporter ernstig genomen te worden. Het werk was nog relatief ongevaarlijk, als je het niet te dol maakte. Het zou ook niet bij me opgekomen zijn de wereldpers, zoals ze daar in die hotellobby bij elkaar zat, ‘het circus’ te noemen.
De essentie van het circus is de opvatting dat journalisten allemaal achter hetzelfde verhaal aan zitten zoals fotografen bij een voetbalmatch allemaal de doelpunten willen. Alle tv-zenders willen dezelfde reportage, dat is de consensus. Zijn er twee verschillende, dan heeft iemand zich vergist.
In zekere zin is dat ook zo, maar een voetbalwedstrijd bestaat nu eenmaal niet alleen uit doelpunten. Een aanzwellende crisissituatie die naar oorlog riekt, biedt meestal weinig of geen doelpunten. Het probleem van de speciaal uitgezonden journalist is dan: waarover naar huis berichten als er eigenlijk niets te melden valt? Het probleem is al oud, men leze er Scoop van Evelyn Waugh op na, maar met de vermenigvuldiging van de televisienetwerken – en van hun cameraploegen ter plekke – is het veel erger geworden. Tv-ploegen zijn immers duur en moeten daarom elke dag minstens een item naar huis doorsturen – en natuurlijk is er niet elke dag een item te filmen.
Om kort te gaan, daarom zitten de reporters elkaar in het oog te houden in de lobby van het hotel tussen hun rugzakken, camera’s en bandopnemers als legioensoldaten tussen hun bepakking in den vreemde. Elk moment kan er één aan de telefoon geroepen worden of discreet buitengaan met zijn fixer. Dan spitsen alle oren zich, vernauwen ogen zich tot spleetjes. De mobiele telefoons hebben dit alleen maar erger gemaakt. Als de journalist in kwestie zijn onzichtbare teken geeft, zijn cameraman zijn sigaret uitdrukt, de geluidsman al aan de deur staat met zijn bandopnemer, dan veert de hele meute recht en begeeft zich als een man naar de deur en de parking van het hotel waar haar huurauto’s met chauffeur al met draaiende motor te wachten staan. Iedereen snelt weg in dezelfde richting, wie de weg weet, is meestal niet te beroerd om nieuwelingen een tip te geven. Iedereen komt bijna gelijktijdig aan op dezelfde bestemming en daar wordt het wachten voortgezet. Meestal gebeurt daar in het geheel niets, maar wee de journalist, wee Rudi Vranckx, wee de tv-ploeg, ook al werken ze dag en nacht, die er niet bij is als er wél iets gebeurt! Daarom geven tv-netwerken overal ter wereld op hetzelfde moment dezelfde beelden en hetzelfde verhaal. Fixers, gidsen en tolken verdienen goud aan deze situaties, zeker als deze een paar weken aanslepen en de regio uitgemolken geraakt aan beelden en pittoreske figuren.
De moeilijkheid voor een individuele journalist met het circus is dubbel. Ten eerste moet hij het weten te vinden en er enig contact mee krijgen, anders geraakt hij nooit op weg. Ten tweede moet hij er op tijd van weg raken, het is slavernij. Want het circus zuigt je op, het is groot en biedt alles wat de krant van je vragen kan – waarom zou je iets anders doen? Tenzij je eigenwijs bent en denkt dat al die bollebozen van de grote netwerken verkeerd bezig zijn? Of wil je met alle geweld met een eigen verhaal thuiskomen? Maar kun je jezelf in twee snijden of, zoals mijn moeder zei, kun je heksen?
Daar zat ik dus, midden in het circus, in de lobby van het Pearl Continental. Het circus had een doel en geen ander: de val van Jalalabad filmen. De datum daarvan stond zo goed als vast, over het uur was nog discussie mogelijk.
Ik geloofde er niets van. Pakistan was toen, post-dictatuur en in volle euforie, vier of vijf Engelstalige kranten rijk en daarin stonden heel andere verhalen over de oorlog in Afghanistan. Volgens de Pakistani stond Jalalabad helemaal niet op vallen. Volgens de Pakistani – maar wie luisterde er naar Pakistani? Een heel grote machine als de BBC geloofde het wel, maar die had dan ook uitzendingen in Urdu, en naar de oorlog kwam die met een half leger: een tv-ploeg bij het circus, een andere elders en een net van permanente correspondenten, informanten en medewerkers die de cameraploegen naar het dagelijkse nieuws stuurden terwijl anderen achtergrond in kaart brachten. Daar kun je niet tegen op, tenzij je zelf een binnenweg weet, iemand kent die je in ’t kort je oorlog uit de doeken kan doen. Zo iemand was voor mij de bureauchef van het dagblad The Muslim in Peshawar, Rahimullah Yusufzai, die die avond net terug was uit Jalalabad.
Yusufzai, een gelovige moslim en een Pathaan zoals de meeste Afghanen in Peshawar, berichtte toen over de oorlog een beetje zoals de Afghanen hun oorlog voerden: grotendeels liftend en te voet, vanuit zijn eigen wereld. Dat was toevallig ook de wereld waar die oorlog gevoerd werd. Dus ging ik met hem de stad in, ging ik luisteren naar Afghaanse notabelen die trachtten hun Moedjahedin aan de kant te zetten, trachtten de oude koning terug te halen… Politiek in plaats van oorlog dus. Vooruitziend en voor de krant even onbruikbaar als voor het circus. Over Jalalabad vertelde hij dat de stad niet ging vallen. De reden daarvoor was dat de Moedjahedin niet in staat waren afspraken te respecteren. Ze wilden in plaats van een gezamenlijk offensief te organiseren waar de stad misschien inderdaad niet aan zou weerstaan, absoluut zelf als veroveraar van Jalalabad op tv komen. Ze waren, onder druk van de haastige wereldpers, de helft van de tijd op elkaar aan het schieten in plaats van op de Russen. Dat zijn ze later ook blijven doen, tot er in Afghanistan geen steen meer op de andere lag en de geterroriseerde bevolking met bloemen en gejuich de Taliban binnenhaalde. Voor wie het wou weten is Yusufzai ook daarover blijven berichten.
In alle eerlijkheid: als iemand van u mij ooit in een oorlog betrapt heeft, dan was dat beslist omdat ik mij van plek vergist en van moment misrekend had. Oorlog is mijn vak niet. Ik was in Vietnam ná de oorlog, tussen de puinhopen, in Cambodja ná Pol Pot, tussen de knekelhopen, in China ná de Culturele Revolutie (enfin, ze was nog een beetje bezig, maar dat wist ik toen niet), in de politieke en ideologische puinhoop. Vaak was dat even gevaarlijk als met militairen meegaan in een geregeld conflict, tot Irak misschien de regels overhoop haalde: in een geregeld conflict zit de vijand aan de andere kant van het front, in de chaos van Cambodja bewaakte de vijand misschien de volgende brug. In Gaza heb ik altijd in burgerkleren door de stad gewandeld, zonder kogelvrij vest, helm en spandoek met ‘TV!’ erop, maar het is waar dat ik meermaals heb moeten vluchten, een keer voor de stenenhagel van een klas kleine meisjes. Tijdens de tweede Intifada waren de Israëli’s gevaarlijker, maar daar had ik altijd een bewaarengel als Yusufzai bij me, die wist waar de lijnen liepen.

Tot nu toe zorgde ik als ik in de wereld ging kijken er in de eerste plaats voor dat de oorlog in kwestie ofwel al gedaan was (liefst), ofwel nog moest beginnen. Ik was er wel op uit om in revoluties rond te lopen, maar dan wel als de klap al gevallen was en het stof aan het zakken. Als het feest nog bezig was en de afrekeningen nog moesten beginnen.
Ik houd niet van oorlog omdat het een verkeerde, zij het veel voorkomende situatie is. Een apolitieke situatie. Oorlog is het geval dat vermeden had moeten worden, de plek waar men zich niet mag bevinden. ‘Oorlog’, schreef François Cavanna, ‘heb je als iemand zijn werk niet heeft gedaan. Wat te doen in geval van oorlog? Ervoor zorgen dat je er niet in verzeild raakt. Daarvoor dient de politiek.’
Ten tweede is oorlog een georganiseerde poging om de totale chaos te creëren. Men zegt dat het eerste slachtoffer in een oorlog de waarheid is. Dit is juist. Niet omdat iedereen dan staat te liegen – alle journalisten weten dat bijna iedereen bijna de hele tijd liegt, oorlog of geen oorlog. Dat zijn we gewend. Maar wel omdat het in de chaos van de oorlog voor de enkele journalist onmogelijk is de waarheid of zelfs maar de waarschijnlijkheid op het spoor te komen. Het geloof neemt dan over. Het geloof, niet van de collega’s in het circus, die geloven meestal al lang nergens meer in, maar dat van hun hoofdredacteuren, dat de goede kant aan het winnen is (dat zijn zij dan zelf meestal), of wat hun dan ook door de hoofdredacteurenwind is aangewaaid. In de chaos speelt de waarheid geen rol meer. Zij is er onzichtbaar geworden. Wat telt is wie wint: die zal achteraf de waarheid bepalen. Schrijf dan iets anders als journalist en je zult niet eens gecensureerd worden. Daar tegenover staat dan Rahimullah Yusufzai, die de oorlog verslaat als plaatselijk nieuws. Als het belangrijk is krijgt hij een kolom. Dag in, dag uit getuigt hij dat het ingewikkelder ligt dan dát. Ben je niet van de gelovige soort, dan is hij het contact dat je nodig hebt.
Wat je op het spoor kan komen zijn verhalen. Dat is tenslotte wat je doet: verhalen vertellen uit de wereld. De literaire wereld, de sportwereld, de Wetstraat. Sommige journalisten leven in een oorlogswereld, er zijn er een paar heel goede en heel beroemde. Verhalenvertellers. Ryszard Kapuscinski beweegt zich in oorlog als in vrede, en weet perfect de weg in de chaos. Maar is hij een oorlogsreporter? Robert Fisk is de bijna onbetwiste kampioen in het Midden-Oosten, hij schrijft heel vaak over oorlog omdat het Midden-Oosten de helft van de tijd in oorlog is. Fisk leeft daar, in de gehavende stad Beiroet: oorlog is een aspect van zijn wereld, en daar bericht hij over. Maar is hij een oorlogsjournalist? Ik zou Fisk en Kapuscinski eerder beschavingsjournalisten noemen. Mensen die over het muurtje gaan kijken, hoe de buren leven in die andere beschaving, de islam, of het boeddhisme als je het dan met alle geweld over Cambodja wilt hebben. James Fenton was zo iemand, niet voor niets een dichter, zijn beste reportages gingen over evenementen waar hij niet geweest was, zoals het bloedbad van Kwangju in Zuid-Korea, of waar hij niet over wou praten, zoals de Khmer Rouge of de communistische guerrilla in de Filippijnen.
Over het muurtje kijken, heb ik altijd graag gedaan, maar dus niet als ze er aan het vechten waren. Als ze aan het vechten zijn is het als voetbal of een boksmatch: al wat je kan doen is de slagen tellen, punten geven. Zien wie wint, misschien (alleen kun je dat meestal niet zien, bij voetbal is dat veel duidelijker).
Daar komt bij dat ze altijd gelijk willen hebben. Je wordt verondersteld ze alsmaar gelijk te geven, terwijl wat ze voor je neus aan het doen zijn – elkaar vermoorden, uithongeren, mijnen leggen, om het bij beschaafde voorbeelden te houden - bewijst, nee, illustreert, dat ze géén gelijk hebben. Het enige wat je dan kunt doen als journalist, is een verhaal maken waarin je tracht te begrijpen hoe zo’n soldaat, kolonel en al, tankcommandant, zoon van een gewone moeder en een onderwijzer, zo afgestompt geraakt dat hij een klein meisje doodschiet, of nee, dat hij zelfs uit zijn tank komt om dat kleine meisje met zijn machinegeweer nog wat doder te schieten. Twintig kogels in haar lijf, wat na de derde kogel natuurlijk gewoon verspilling is.
Valt dat onder oorlogsjournalistiek? Nee, als je dát interessant kan maken is het over het muurtje kijken. Anders is het voyeurisme of propaganda.
Jaren later is Jalalabad natuurlijk wél gevallen. De Taliban zijn gekomen en ik ben weer teruggeweest bij Rahimullah die de Taliban persoonlijk kende, nog altijd te voet de berg over ging naar Afghanistan en ondertussen ook voor de BBC werkte. Hij verafschuwde de ‘commandanten’, de warlords die intussen ook Kaboel hadden vernield. Ik ging naar Kandahar en hij drukte me op het hart nooit een Afghaan te geloven. Hij zei: ‘Als een Afghaan je iets zegt, vraag je je niet af of het waar is of niet. Je vraagt je af, waarom wil die Afghaan dat ik dat geloof?’
Hij zei ook, op mijn vraag of de Taliban een strategie hadden, ‘Natuurlijk hebben die een plan.’ Daarbij keek hij om en grijnsde, een gevaarlijk moment want hij reed honderd op de drievaksbaan naar Peshawar. ‘Zo lang ze maar kunnen, aan de macht blijven, dát is hun plan!’
De laatste keer dat ik hem zag had hij zijn baard laten staan want hij had zijn pelgrimstocht naar Mekka gedaan. Een sneeuwwitte baard. Hij was bezorgd over zijn dochter.
Dat was toen de Amerikanen Afghanistan bombardeerden en de wereldpers zich weer verzamelde in de lobby van het Pearl Continental in Peshawar. Yusufzai ging de berg over, naar de Taliban-hoofdstad Kandahar. Misschien had ik wel mee gemogen, maar mijn omstandigheden waren er niet naar.