Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Hotel Solidariteit

Johan Vandenbroucke

Vanuit het hotel met de auto - meestal een witte Mercedes - naar de frontlijn. ’s Ochtends renden journalisten de trappen van het bordes af naar de rij geparkeerde wagens, waar de wachtende Cambodjaanse chauffeurs de al glimmende velgen nogmaals poetsten. Ze vertrokken om de geur van oorlog op te snuiven en met een beetje geluk waren ze terug voor de lunch, of toch voor het dagelijkse cocktailuurtje aan het zwembad.
Tien jaar later was het hotel het hoofdkwartier van elkaar beconcurrerende hulporganisaties, en nog eens tien jaar later kreeg het weer een koninklijke naam, en werd het opnieuw wat het altijd beoogde te zijn: een royaal luxehotel.
De geschiedenis van Le Royal.

1.

Veel heb ik niet meegemaakt.
Laatst in Phnom Penh ging ik weer een kijkje nemen in Le Royal, zoals ik altijd doe als ik daar ben. Ik bestelde een gin-tonic - die ik duurder betaalde dan elders in de stad - en nippend aan het drankje stond ik mezelf toe nog eens te verwijlen in het verleden; in de geschiedenis waar ik zo weinig mee te maken heb en me toch zo sterk bij betrokken voel.
Nostalgie is niet het juiste woord - al was ik, zoals vaak in Phnom Penh, ook nostalgisch - en ook spijt, wroeging of treurnis zijn geen goede omschrijvingen - al voelde ik me, zoals altijd, ook bezwaard door wat er gebeurde. Waarom toch? Ik maakte het niet eens bewust mee, ik ben van nà de oorlog, in de jaren zeventig was ik een schooljongen.
Daarover tobbend voelde ik me tegelijkertijd op een vreemde manier gelukkig, zoals ook wel vaker in Phnom Penh. Misschien heeft het met de altijd schijnende zon te maken, of met de vochtigheid die maakt dat ik de hitte als weldadig ervaar?
Het verleidelijke klimaat én de tragische geschiedenis, ik wil eigenlijk niet precies te weten komen welke verbinding die combinatie in mijn hoofd tot stand brengt.

Het hotel is zichzelf gebleven, hoewel het grondig gerenoveerd en uitgebreid werd. Het heet opnieuw Le Royal, zoals vroeger, lang voor ik er kwam. In 1990 heette het Hotel Samaki, wat vertaald wil zeggen: solidariteit. Nog eerder, in de dagen van de republiek, heette het Le Phnom, al bleven de habitués het graag Le Royal noemen.

Phnom Penh wordt meestal, door Franse oud-kolonialen of door oorlogsjournalisten, beschreven als een prachtige stad vol tropische geuren, gelegen aan de rustig stromende Mekong, met brede, door palmbomen omzoomde boulevards en avenues, groene parken vol vriendelijke mensen, en statige koloniale gebouwen met onmiskenbare oosterse charme. Gewoonlijk wordt ook benadrukt dat de stad in de jaren zestig een oase van vrede en rust was, terwijl in het naburige Vietnam en het hectische Saigon de waanzin woedde.
Oorlogscorrespondent Jon Swain beschreef het Cambodja uit die tijd als “een land waarvan je altijd dacht dat het alleen in sentimentele romans over het Oosten kon bestaan” en de hoofdstad Phnom Penh als “een prachtige, groene, naar tropische bloemen geurende stad. In de velden aan de rand ervan speelden lachende, blije kinderen met de waterbuffels van hun vader”.
Het beeld is te idyllisch, vertekend door wat er nadien gebeurde, maar Phnom Penh is bij uitstek een stad waarvan je le cafard krijgt. Zelfs ik - die pas decennia later de deels verwoeste, zichzelf weer oplappende stad bezocht en deze in een armoedige, vuile, zelfs onhygiënische toestand aantrof - kan er alleen maar in idyllische termen aan terugdenken.
In 1990 fietste ik vaak urenlang door de stad. Hoewel ik meestal weinig oog heb voor architectuur vielen de prachtige - of ooit prachtig geweest zijnde - gebouwen me op. Zelfs ik zag ondanks de verwaarlozing en verweerdheid hun praal van weleer. In een reisnotitieboekje noteerde ik dat ik plotseling beter begreep dat de jonge soldaten van de Khmer Rouge - vrijwel uitsluitend boerenjongens die nog nooit een stad hadden gezien - hun ogen uitkeken toen ze Phnom Penh innamen op 17 april 1975.
Een van die statige gebouwen was Hotel Samaki, voorheen Le Phnom, voorheen Le Royal.

Le Royal is gelegen in een brede zijstraat van de Monivong Boulevard, een van de hoofdwegen, en verbindt die met Wat Phnom, de heuvel annex tempel waaraan de stad haar naam dankt. Naast het hotel ligt de Nationale Bibliotheek en aan de overkant van de met palmen doormidden gesneden straat, het Lycée Descartes, waar zowel de kinderen van de Cambodjaanse elite school liepen als die van Franse expats. Eens stond daar ook de kathedraal, die later opgeblazen werd door de Khmer Rouge. En om de hoek, enkele honderden meter verder in de Monivong Boulevard, bevond zich de Franse ambassade, waar in april 1975 de resterende buitenlanders hun toevlucht zochten.
In 1990 heette de Monivong Boulevard nog Achar Meab - met de regimes veranderden ook de straatnamen - en toen ik de voormalige Franse ambassade voor het eerst zag, leek de compound me groter dan ik had verwacht. Dat mocht ook wel, want in april 1975 verbleven er opeens meer dan 2000 mensen, buitenlanders én Cambodjanen. Toen de Khmer Rouge alle Khmers naar het platteland stuurde, konden de buitenlanders alleen maar machteloos toekijken hoe hun Cambodjaanse vrienden, collega’s, bedienden, minnaressen en geliefden het terrein werden uitgedreven. Zoals ze ook alleen maar konden toekijken hoe kostbare boeken van de aan de overkant gelegen l’École française d’Extrême-Orient in brand werden gestoken, iets wat ook het lot was van de meeste boeken uit de Bibliothèque Nationale.


2.

In de film The Killing Fields wordt het hotel uitgebeeld. Dat vertel ik graag aan mensen die nog niet thuis zijn in Phnom Penh. Uitgebeeld of nagebootst, want de film werd opgenomen in Hua Hin in Thailand. [Starred in The Killing Fields, vermelden toeristische internetsites over het Sofitel Central Hua Hin Hotel.]

Spacious, zo wordt het hotel steevast omschreven, groots en ruim. Van mijn eerste bezoek herinner ik me de brede gangen en corridors, de immense traphallen, de vele onvermoede tussenruimtes, zaaltjes, salons en binnenplaatsen, zoveel hoekjes en kanten. Graag zou ik schrijven: het hotel had zoveel ogen als een ananas.
“Een statig, geel gepleisterd gebouw met krakende parketvloeren, oneindig veel hoeken, dienstgangen, arcaden, luifels met roodstenen dakpannen en ontvangstzalen,” zo herinnert de Nederlandse Dieudonnée ten Berge het zich uit 1974.
Jon Swain beschrijft zijn kennismaking in 1970 als volgt: “Dit grootse statige gebouw, omrankt met rode bougainvillea’s was eens de Franse officiersclub en recenter een geliefde uitvalsbasis voor toeristen die naar Cambodja kwamen voor la chasse, om de tempels van Angkor te bezoeken en om de legendarische schoonheid van de vrouwen te smaken. Ik hield meteen van de romantische sfeer. De gesculpteerde houten trapleuningen die leiden naar ruime, vaal verlichte gangen, de weelderige tuin met tropische planten, het zwembad in de tuin, de vervagende foto’s aan de donkergekleurde muren, het geratel van de oude Franse rubberplanters die Pernods dronken aan de bar.”

Toen de jonge Amerikaan (en latere journalist) Jacques Leslie er in 1968 voor een korte vakantie kwam vond hij het hotel bij eerste aanblik zo overweldigend dat hij het als intimiderend ervoer: “ik voelde de aura van luister en tijdloosheid”. In de voortuin, tussen de halfronde oprijlaan, vormden kleurrijke bloemen de naam van het hotel. Gewoon losjes gekleed, zoals de student die hij een half jaar eerder nog was, voelde Leslie zich niet op zijn plaats in “dit monument van koloniale pracht”.

Nu hoort Le Royal bij de internationale Raffles groep, die het in 1997 met grote middelen restaureerde. Sindsdien is het weer een van de absolute topklassenhotels, samen met Le Grand Hotel in Siem Reap bij Angkor, dat tot dezelfde hotelgroep behoort. Voor mij is het onbetaalbaar geworden. De goedkoopste discount rate die ik aantrof op het internet bedraagt 158 $ voor één nacht.
Ook op het internet laat de hotelgroep weten dat het hotel, daterend uit 1929, grondig vernieuwd werd naar de glorie van de vroegere bloei. Het voldoet aan de verwachtingen van een modern hotel van wereldklasse en biedt tezelfdertijd een oudwereldse charme door de ongewone combinatie van Khmer-, art deco- en Frans-koloniale architectuur.
Er zijn 208 kamers en suites, verspreid over drie met elkaar verbonden vleugels rond de grote binnentuin en zwembaden. De kamers zijn allemaal smaakvol ingericht met meubelen in art decostijl en met Cambodjaanse kunstobjecten. Vier speciaal ontworpen, gepersonaliseerde suites zijn genoemd naar beroemde personen die er ooit logeerden: Jacqueline Kennedy, Somerset Maughan, Charles de Gaulle en André Malraux. In die suites bevinden zich kostbare memorabilia en originele kunstvoorwerpen die verwijzen naar de illustere bezoekers van destijds. (Prijzen beschikbaar op verzoek.) Op de vierde verdieping is er ook een koninklijke suite. Het hotel beslaat een volledig stadsblok, vermeldt de promotiesite verder, en is gelegen temidden aromatische tropische tuinen. De compound omvat ook acht eet- en drankgelegenheden, in- en outdoors, waaronder The Writers Bar, The Elephant Bar, Restaurant Le Royal en Le Phnom.
Er is zelfs een boekhandeltje, merkte ik tijdens mijn laatste bezoek. The Tragedy of Cambodian History van David P. Chandler ligt er te koop, al is dat basiswerk elders best goedkoper te vinden.

Hoteljournalistiek is ook een vak. “Hotel Le Royal is niet alleen maar een plaats om de nacht door te brengen,” schrijft Caroline Major bijvoorbeeld, “maar een uniek hotel met dat zeldzame kenmerk van historie en stijl”. Alles, van de gewelfde zolderingen in de lobby tot de klassieke centrale traphal, ademt er geschiedenis en charme. Raffles, zo vervolgt ze, behield de herinnering aan Phnom Penhs romantische nostalgie, met zwartwitfoto’s van koloniaal Cambodja, rotanstoelen, varens, palmen en tropische parfums van jasmijn en frangipane.

Ik herinner me de geur van ouderwetsheid in 1990. Het was niet meteen duidelijk welke kamers verhuurd werden aan de hulporganisaties en welke eventueel voor gasten beschikbaar waren. Ik weet nog hoe we er ongestoord rondkuierden, hoe de brede trappen kraakten en hoe de trapleuningen haast plechtig aanvoelden. Ik herinner me hoe iemand in een kamer de oudmodische luiken openvouwde en hoe we dan uitkeken op de tuin en het zwembad. En dat ik dan opmerkte dat het wel leek alsof we acteerden in een oude Franse film.
In de vroege jaren zeventig moet Geraldine Cox ook zoiets ervaren hebben. Ze kwam als medewerkster van de Australische ambassade naar Cambodja, totaal onvoorbereid op de staat van oorlog waarin het land verkeerde. Alleen al door de rit van de luchthaven naar het centrum was ze in een staat van shock toen de auto de oprit naar het “elegante maar vervallen” hotel opreed. Tijdens het inchecken vroeg ze zich af waarom ze zich vooraf niet beter had geïnformeerd. Ze was gekomen om zich te vermaken, niet om een oorlog mee te maken. Terwijl ze dat bedacht, opende ze in haar kamer de ouderwetse houten luiken voor het raam en keek naar beneden. Wat ze zag, leek een filmset, “een gezellige tuin met zwembad en een klein restaurant, gelegen tussen palmbomen en varens. Aan tafeltjes en stoelen rond het zwembad zaten westerlingen te luieren en te genieten van de late middag. De zilveren en gouden juwelen van de vrouwen glinsterden in de zon.” En tussen de tafels vol ontspannen en gecultiveerde mensen dribbelden Cambodjaanse obers in uniform, smetteloos wit én met koperen knopen, met schenkbladen vol cocktails.
Later, als ze al niet meer in het hotel woont, dringt ze op een zwoele nacht de tuin binnen, om er heimelijk naakt te zwemmen.

De tuin was al legendarisch voor 1970. Het was het favoriete ontspanningsoord voor Franse colons, stewardessen van Air-France, en de Cambodjaanse elite in de jaren zestig. De Duitse journalist Peter Scholl-Latour schrijft dat je er in 1965 - toen Phnom Penh nog “een haven van vrede” was - kon genieten van de excellente Franse keuken in het restaurant en kon gluren naar de stewardessen van de nationale luchtvaartmaatschappij die aan het zwembad paradeerden in frivole bikini’s. Een aantal Franse veteranen uit de eerste IndoChinese oorlog hoorden ook bij de vaste bezoekers, aldus Scholl-Latour, en geheime agenten van zowat overal in de wereld.
Charles Meyer, die vanaf 1955 in Phnom Penh woonde en jarenlang adviseur was van prins Sihanouk, vernoemt in zijn evocatie van “het wonderlijke Cambodja van weleer” de tuin en het zwembad als een van de stedelijke genietingen, naast de meisjes en de opiumkit van Madame Chhums. Hij voegt er wel aan toe dat Phnom Penh vergeleken met Bangkok of Manilla weinig ontspanningsmogelijkheden bood.

Weinig mogelijkheid tot vertier, dat was ook een klacht van hulpverleners in het begin van de jaren negentig. Gelukkig waren er soms feestjes onder expats, waar alle remmingen werden losgelaten.
Citaat uit een brief van een toen in Phnom Penh werkende vriendin: “Op oudejaarsavond was er een feestje bij het zwembad van de Samaki. Wij maar lachen, lachen en dansen, dansen en drinken, drinken en lonken, lonken en verleiden. Ik werd in het water gegooid, maar door de verkeerde man.”
In een andere brief gaat het over een fuifje elders in de stad, dat eindigde in het zwembad van de Samaki, na een dolle race door de stad aan 100 km. per uur. (In 1970, zo lees ik bij Robert Sam Anson, hielden de journalisten wel eens cyclo-races tussen Café de Paris en Le Royal.)
Ik heb dat soort uitzinnige fuifjes ook meegemaakt. Alsof de oorlog en de avondklok niet bestonden. Holiday in Cambodia. Jonge, geprivilegieerde jongens en meisjes - journalisten, hulpverleners of toeristen - tijdens dolle feestjes in de hitsig makende hitte. Boy meets girl where the beat goes on.
Het is altijd heet in Phnom Penh, zelfs tijdens het regenseizoen. Il y a toujours la tentation. En het zwembad is nooit veraf.

In 1990 was er nog oorlog, maar die speelde zich voornamelijk af in de provincies. In Phnom Penh viel er weinig van te merken, behalve dan de avondklok. Verder bestond de oorlog er vooral uit geruchten, gissingen, dreiging en angst dat de verzetscoalitie met de Khmer Rouge opnieuw aan de macht zou komen.
Het was niet te vergelijken met de sfeer in 1970, na de coup van Lon Nol tegen Sihanouk. De prins sloot een verbond met zijn vroegere vijanden, de Khmer Rouge, en riep op tot gewapende strijd. Ondanks massale Amerikaanse steun verloor het nieuwe republikeins regime snel terrein. Met de oorlog en de Amerikaanse inmenging kwamen ook de oorlogsjournalisten. De meesten vestigden zich in Le Royal, de minder gelukkigen in het nabijgelegen hotel Monorom.
De republiek herdoopte de Monivong Boulevard in de Avenue van de 18de maart, de dag van de coup, en Le Royal werd Le Phnom.

Er is geen zwembad méér beschreven dan dat van Le Phnom, voorheen Le Royal. Vrijwel in elk boek en iedere getuigenis uit die tijd komt the pool in de binnentuin voor. Elke dag zaten er langbenige Françaises bij het zwembad gracieus te wezen, schrijft Jon Swain. Hun aanwezigheid was betoverend en creëerde volgens hem een onweerstaanbare sfeer van hete seks en ijsgekoelde drankjes. Het openluchtrestaurant in de tuin heette La Sirène, naast verse kreeft en krab was er een heerlijke vis te verkrijgen die genoemd werd: Les demoiselles du Mekong.

T. Jeff Williams, correspondent voor Associated Press, checkte in op 15 maart 1970, enkele dagen voor de coup. Hij beschrijft het hotel als een groot, vijf verdiepingen tellend gebouw met puntgevels op het dak en terrasbalkonnetjes. Zelf logeerde hij niet in het hoofdgebouw maar in een bungalow achterin, naast een frangipaneboom vol witte bloesems. In het midden van de tuin aan het zwembad, zo stelt hij vast, zaten Franse stewardessen die smachtend zonnelotion smeerden op hun lijven.
In de dagen na de coup kwamen er tientallen journalisten en televisiecrews toe. De Franse zakenlui en airhostessen reageerden openlijk minachtend op die invasie van onstuimige, vooral Engelssprekende correspondenten.
De biografie van de Australische oorlogsfotograaf Neil Davis spreekt van een heuse rivaliteit aan het zwembad: de Fransen gingen zich, na verloop van tijd, verpozen aan de ene kant, terwijl de niet-Fransen, hoofdzakelijk Amerikanen, zich verzamelden aan de andere kant. “De twee groepen spraken nauwelijks tegen elkaar, ze beperkten zich tot woeste blikken over het water, met bijzondere verachting.”
CBS-medewerker Kurt Volkert heeft het over Franse plantage-eigenaars en hun in bikini’s getooide concubines die, terwijl ze in de schaduw van de tamarinde bomen hun drankjes pimpelden, met ongeveinsde afkeer reageerden op de luidruchtige, langharige en slordig geklede journalisten. Ook het management van het hotel slaagde er nauwelijks in beleefd te blijven, volgens hem: “Anders dan de Cambodjaanse militairen beschouwden ze ons niet als potentiële bondgenoten en zelfs niet als goedbetalende klanten”.
Bij Swain echter geen kwaad woord over het personeel: “Le Royal werd spoedig mijn thuis, de hoffelijke en altijd beleefde staff van Monsieur Loup, le patron, werd me zo vertrouwd als mijn collega’s.” De Brit Swain sprak dan ook Frans en was geïnteresseerd in Franse cultuur. Hij was een van de weinigen die de twee milieus frequenteerde.

Daar zaten ze rond het zwembad, jonge, ambitieuze journalisten, onder wie enkele van de talentrijksten van hun generatie. Later zouden ze Pulitzers en andere prijzen winnen met hun reportages, later zouden ze boeken schrijven en zelf uitgebeeld worden in films en documentaires. Le Phnom was hun uitvalsbasis en hun thuis. Ze werden er volwassen. Coming of age in Cambodia, zowel Swain als Elizabeth Becker gebruiken deze uitdrukking.
Vanuit het hotel versloegen ze de oorlog. T.D. Allman van The Washington Post schreef bijvoorbeeld dat hij op 19 april 1970, “na een dure Franse maaltijd, afgesloten met een chocolade-soufflé, bij het met palmen omzoomde zwembad van het eerbiedwaardige hotel Le Royal”, besloot om uit te rijden om een bezoek te brengen aan Vietnamese gevangenen en aan de Cambodjaanse legerkapitein die ze tijdens het eten al grappend The Killer hadden genoemd.
In maart 1970 wakkerde het Lon Nol-regime de bij Khmers altijd sluimerende Vietnam-haat aan en organiseerde pogroms op de in Cambodja levende Vietnamese gemeenschap. De lijken dreven in de Mekong en de journalisten deden er verbijsterd verslag van. De flaptekst van War News van Robert Sam Anson spreekt dan ook van de afwisseling voor de jongste reporter van Time Magazine tussen de luxueuze genoegens in Hotel Royal en de bloedige slachtingen onder Vietnamese burgers door Cambodjaanse troepen.
Phnom Penh 1970-1975: overdag de waanzin van de oorlog, ’s avonds lekker eten, stevig drinken, joints roken, en stoeien aan het zwembad.

3.

Het was een vreemde oorlog, daar in het Cambodja van Lon Nol. De frontlijn kon ongemerkt verschuiven en lag dicht bij Phnom Penh. Zo dichtbij dat je, volgens Swain, met een ritje van ongeveer dertig minuten in zowat elke richting verzekerd was van een tribuneplaats. “Het nam minder tijd in beslag om naar het front te trekken dan een Londenaar nodig heeft om door de ochtendspits naar het werk te rijden.”
[Dat de uiteindelijke overwinning van de guerrilla vijf jaar op zich liet wachten, kwam niet door de tegenstand van de regeringstroepen - die beperkten zich in 1970 al tot het verdedigen van de steden en verbindingswegen - maar door de interne strijd, waarbij de Khmers Rouges eerst afrekenden met hun aanvankelijke brothers-in-arms, de Vietnamezen en de zogenaamde Khmer Vietminh.]

Journalisten konden er ’s ochtends op uitrijden, wat oorlogswalm opsnuiven, verminkten en gewonden zien, en vervolgens terug zijn in Le Royal voor het ontbijt aan het zwembad. Terugkomen in het hotel was volgens Swain een moment van vreugde. “Als de poorten open draaiden en de auto de oprijlaan opreed, wisten we dat we veilig waren. De vertrouwdheid van het hotel was een kostbaar iets."
Het had iets surrealistisch. Enerzijds een bijzonder wrede oorlog - er werden geen krijgsgevangenen gemaakt en het opeten van de lever van de vijand, die onsterfelijkheid zou bezorgen, kwam voor aan beide kanten - anderzijds het terugvallen in de “aangename apathie” van het luxehotel.
Ook Laura Palmer getuigt: “Cambodja was waar je naar de oorlog ging in een Mercedes, de enige beschikbare huurauto, terugkeerde in de avond, gerookte zalm at en St. Emilion dronk in het tuinrestaurant aan hotel Le Phnom - ik had nog nooit gebakken Alaska gegeten voor ik naar Cambodja ging. Het was verwarrend en vreemd om temidden van een oorlog een mengsel geserveerd te krijgen van schuimgebak, ijskreem en vlammen.”
Iedere ochtend - zo schrijft een andere correspondente, Tad Bartimus - slenterden reporters, fotografen en tv-crews de trappen van het bordes af naar de vloot van witte Mercedessen die geparkeerd stonden onder een oude bananenboom. Kleine, netjes uitgedoste chauffeurs met zwarte lederen schoenen met puntige neuzen stonden hen geduldig op te wachten; om de tijd te doden poetsten ze het chroom tot het glom. In enkele minuten hadden de chauffeurs de spullen van de correspondenten ingeladen: hun picknickmanden met brie, baguettes en wijn, thermossen met koffie, bandrecorders met muziektapes van Jimi Hendrickx of Janis Joplin, flak jackets, en fotogereedschap. Als de airconditioned karavaan vertrok van het hotelterrein, werden ze uitgezwaaid door mooie vrouwen in bikini’s, Franse leraressen, vriendinnen, echtgenotes, en door de spanning aangetrokken groupies, die er onderwijl naar streefden zo bruin mogelijk te worden.
Bij terugkomst werden de correspondenten begroet door zij die niet uit waren geweest die dag. De concurrenten, drankjes in de hand, luisterden ietwat ongerust naar de verhalen, bezorgd voor de mogelijke gevolgen vanuit hun thuisbasis als er berichten waren die zij hadden gemist. Het contrast kon niet scherper zijn, bedacht Kurt Volkert op een dag dat hij een van de pool warriors was geweest: “Het ene moment waren onze mensen in groot gevaar en nu, een half uur later, waren ze in het hotel, met de Franse meisjes die samentroepten rond het zwembad en geen teken van de oorlog, veertig kilometer verder. We fuifden wild die nacht.”

Toen hij er al one of the boys was, herinnerde Jacques Leslie zich een verhaal over de sfeer van vroeger in het hotel, vóór maart 1970. Op een avond kwam “de aardige en rondborstige” Monsieur Lu ( of Loup, zoals Swain schrijft, - Cambodjanen spreken de laatste medeklinker vaak niet uit, en namen uit het Khmer zijn sowieso een fonetische transcriptie) - kwam dus de hotelmanager zijn kantoor uitgerend omdat hij vernomen had dat een Europese man en een vrouw naakt in het zwembad lagen. “Hou daar alstublieft mee op,” smeekte hij, “er verblijven buitenlandse correspondenten in het hotel!”
Nu waren het de journalisten die naakt zwommen, merkte Leslie op. Tijdens de dag verzamelden ze informatie en tegen tien of elf uur in de avond was het zwembad gevuld met joelende verslaggevers, soms in het gezelschap van enkele vrouwen. “De Dionysische geest doordrong het hele hotel, zelfs de Cambodjaanse kamerjongens, dociel en gedienstig in hun nette, witte uniformen leken het leuk te vinden. Ik was niet zeker wie met wie sliep, wie stoned was van sterke drank, wie van drugs, maar ik hield van het goedgeluimde nihilisme van de plaats. Bekeken vanuit de vervormende filter van het hotel scheen Cambodja gelukkig en tragisch op hetzelfde moment.”

Ze waren concurrenten die bij elkaar op schoot zaten. “Degenen die er waren, herinneren zich Hotel Le Phnom zoals het toen was,” schrijft Dieudonnée ten Berge later: “Een plek die met geen ander hotel op de wereld te vergelijken is. Waar de internationale pers samenhokte, ruzie maakte, vriendschappen voor het leven sloot en probeerde elkaar te overtreffen met scoops.”
Een kleine wereld - berichtend over de grote - met alles wat daarbij komt kijken. Verliefdheden en jaloezie, liefdesverdriet en ruzies, dolle vrolijkheid en bittere tranen. En geroddel natuurlijk, over de Khmers, de redacties thuis, de collega’s, maar vooral over elkaar. Gloria Emerson werd La passionaria van The Times genoemd, Denis Cameron kon Beth Becker niet luchten omdat ze hem ooit, aldus een vriend, een blauwtje liet lopen. Van de kennelijk manzieke Sarah Webb Burrel werd gezegd dat ze ooit callgirl was geweest in Rome, en zelf verklaarde ze graag dat ze al met zovele journalisten in het hotel had geslapen dat de verantwoordelijke voor de post nooit wist naar welke kamer haar brieven te zenden.
Misschien was zij ook de in enkele getuigenissen naamloos opduikende nymfomane, van wie ‘de verloofde’ op een dag uit Hong Kong op bezoek kwam en bij de hoteldesk informeerde in welke kamer zijn vriendin overnachtte. Waarop de receptionist zonder verpinken antwoordde: nummer 12, 18 en 23.
Sarah Webb Burrel was er aangekomen als het liefje van een fotograaf van Time Magazine. Toen hij eens naar Saigon moest, leende hij haar een fototoestel. Later, bij zijn terugkomst, zou hij het apparaat in het zwembad gooien toen hij vernam dat ze met meerdere collega’s het bed had gedeeld. Het belette haar niet verder de fotografie te bedrijven, en de promiscuïteit. Ze werd een notoire, nachtelijke naaktzwemster, een begenadigde journalistieke sjoemelaarster en een fotografe, wier werk voornamelijk verscheen in de bladen van haar bedpartners. Dit allemaal volgens Leslie, die het uitgebreidst over dat soort saillanterie schrijft.
Tijdens de dag wisselden we roddels uit, dixit Leslie dus, en discussieerden we over de laatste militaire en politieke ontwikkelingen, ondertussen het gaan en komen goed in de gaten houdend. Want als iemand lang afwezig bleef, betekende dat gewoonlijk dat hij een sterk verhaal op het spoor was.
In die “kleine wereld van de Royal” was het volgens Anson de truc om, als je op iets interessants was gestoten, openhartig te zijn zonder teveel los te laten. Het dagelijkse cocktailuurtje zag hij dan ook vooral als een oefening in de studie van de lichaamstaal.
Toen hij op een dag terugkwam, was de cocktailtijd al begonnen. De collega’s waren er, “de Franse verpleegsters lagen in bikini uitgestrekt naast het zwembad”, de gedienstige obers renden fanatiek als altijd heen en weer, terwijl verder in de tuin een spannend spelletje triktrak op het hoogtepunt was. Alsof er niets veranderd was sinds hij vertrok.
Trucks met grote blokken ijs arriveerden elke dag, de ijsklompen werden dan door werknemers geschoven tot aan de ijsbox van het restaurant. Als het regende stond een jonge hotelbediende met een grote paraplu op wacht om de gasten te begeleiden tussen het hotel en restaurant.

Vreemde snuiters genoeg in Le Phnom. Een almaar Shakespeare reciterende revolutionair. Een Spaanse dame die altijd stil en zwijgend bij het zwembad zat, wachtend op haar geliefde, een Fransman die twintig jaar eerder naar de ‘Franse oorlog’ in Vietnam was getrokken. Snobistische Françaises met opzichtig aangebrachte make-up en exotisch gelakte nagels die het steeds hadden over waterskiën op de Mekong en de onkunde van de Khmers om de Parijse mode te kopiëren. Een lichamelijk wonderlijk geproportioneerd nimfje van het lyceum aan de overkant dat kwam zwemmen en met haar nietige bikini de lusten van de journalisten danig prikkelde. Een dove Cambodjaan die met mime Lon Nol, Sihanouk en Nixon uitbeeldde, zo onweerstaanbaar dat zelfs de hotelbedienden dubbel plooiden van het lachen.
Van alle journalisten vond Leslie zeker Al Rockoff de excentriekste. Rockoff had als legerfotograaf in Vietnam gediend en was na zijn diensttijd niet naar huis gegaan maar als freelancer naar Phnom Penh gekomen. Hij zag er precies uit als een hippie G.I. - het lange haar in een paardenstaart, samengebonden met een rubberen band - en scheen maar één shirt te hebben, een groen leger T-shirt dat hij meestal droeg in combinatie met een afgesneden jeans. Als hij geen foto’s gaan nemen was - waarbij hij risico nam, wat verwondingen betreft had hij een palmares - zat hij fronsend en stuurs kijkend bij de pool weed te roken. Volgens Leslie was hij zo ongeveer altijd stoned: “zo iemand had ik nog nooit gezien”.
De joints gingen rond aan het zwembad, zo gewoontjes alsof het sigaretten waren. Een van de suites was omgebouwd tot het permanente A.P.-kantoor, waar op de centrale tafel een goedgevulde pot marihuana prominent in het zicht stond.
Na een bezoek schreef de meestal vanuit Laos opererende Richard Pyle dat in Le Royal het prikkelende aroma van marihuana - “Rode Cambodjaanse of Khmer rouge, zo werd het onvermijdelijk genoemd” - door de bungalows en rond het zwembad dreef. De meer avontuurlijke correspondenten, zo voegde hij eraan toe, bezochten ook madame Chhums of Chantals, de lokale opiumkits waar sommigen al naar verwezen als de Foreign Correspondent Club of Phnom Penh.

4.

In een hoek van Swains studio in het hotel stond een rugzak en een camera-bag. “Ze stonden daar al een tijd, unclaimed, schijnbaar vergeten”. Bij navraag vernam hij dat ze toebehoorden aan Claude Arpin, een Franse freelance fotograaf die enkele dagen voor zijn aankomst vermist was in Oost-Cambodja. Hij was een van de velen die verdwenen in de chaotische eerste weken van de oorlog, toen er nog helemaal geen duidelijke frontlijn was.
Alleen al in 1970 stierven 25 journalisten in de Cambodjaanse oorlog. Behalve een enkele uitzondering werden ze niet gedood in een vuurgevecht, maar door de Khmer Rouge gevangen genomen en geëxecuteerd. Vermist betekende: waarschijnlijk opgepakt door de Rode Khmer. En dus vermoord. [De enige vermisten die terugkeerden waren in handen van de Vietcong gevallen.]
De bekendste onder de verdwenen journalisten waren Sean Flynn en Dana Stone, die vrolijk rijdend op hun Honda motorfietsen voor het laatst waren gezien op 6 april, dezelfde dag waarop Arpin verdween. Ze zijn nooit teruggekeerd, hoewel aanvankelijk iedereen in het hotel geloofde dat ze dat wel zouden doen. Louise, de vriendin van Stone, ging zelfs zover dat ze uitnodigingen voor etentjes weigerde voor het geval hij opeens weer zou verschijnen. Op 31 mei werd ook tevergeefs gewacht op de terugkomst van de CBS-crew, collega’s van Kurt Volkert, en een NBC-correspondent, die hen wellicht gevolgd was in de hoop dat ze achter een primeur aan zaten.
Voor de merendeels linkse journalisten moet de rücksichtlosheit van de Khmer Rouge verwarrend zijn geweest. Ze waren naar Cambodja gekomen met gevoelens van sympathie voor en solidariteit met de strijd van de guerrilla tegen het Amerikaanse imperialisme. Ook bij de Franse expats waren er manifeste supporters van de communistische overwinning. Aan het zwembad werd er dus nogal wat afgepraat over de revolutie en de ware aard van de Khmer Rouge, mede aangewakkerd door de binnensijpelende berichten over de hardvochtige politiek in de ‘bevrijde zones’. Waren de Cambodjaanse communisten dan geen broertjes van de Vietnamezen, en waarom kon prins Sihanouk, de nominale leider van het verzet, zijn bondgenoten niet in toom houden?

In de zomer van 1973 kwam de jonge Engelse dichter James Fenton toe. Achteraf zou hij schrijven: “Ik wilde een oorlog zien, en een communistische overwinning, waarvan ik aannam dat ze onvermijdelijk was. Ik wilde de val van een stad zien. Over Cambodja wist ik nagenoeg niets. Het was zeer veel in het nieuws, indertijd: de Amerikanen waren gestopt met de bombardementen in augustus, naderhand was er het beleg geweest van Kompong Cham. De correspondenten schreven alsof het regime van Lon Nol nog maar een paar dagen te gaan had en ik weet nog dat ik me afvroeg of ik op tijd zou aankomen in Phnom Penh, mijn eerste aanlegplaats, voordat de hele boel zou instorten.”
Hij beschouwde zichzelf als een revolutionaire socialist, hoewel niet naïef of zelotisch: “Ik bewonderde de Vietcong en zodoende ook de Rode Khmer, maar ik hield er een filosofie op na die zich groot hield met een koele, kritische blik op de bevrijdingsbewegingen van de Derde Wereld.” Hij moest al vlug vaststellen dat hij zich in de Cambodjaanse communistische ‘broeders’ had vergist.
Hoe dichter hun overwinning kwam, hoe vaker de ‘bloedbadtheorie’ ter sprake kwam. Swain schrijft dat die theorie Fenton inspireerde tot een liedje dat ze soms zongen rond het zwembad: “Will there be an awful bloodbath when the Khmer Rouge come to town, zo ging het, op de melodie van She was poor but she was honest.
William Shawcross meent te weten dat weinige journalisten wilden geloven in de bloedbadtheorie, precies omdat ze vaak gebruikt werd door V.S.-ambtenaren ter verdediging van hun politiek. Volgens Shawcross vond Martin Woollacot van The Guardian het pijnlijk dat sommige journalisten dat liedje zongen. Overigens had Woollacot het over een lichtjes andere tekst: Aye, there’ll be a dreadful bloodbath when the Khmer Rouge come to town.

Kort na Fenton kwam ook Jacques Leslie toe. Hij vond het hotel verfomfaaid vergeleken met zijn bezoek in 1968. Gezien de nieuwe naam waren ook de bloemen in het parkje voor de ingang verwijderd die de oude naam hadden gevormd, maar het woord Royal was nog vaag zichtbaar in het gras.
Toen hij arriveerde was de sfeer onder de journalisten feestelijk, een vreugde die de hoop op een journalistieke scoop verried. Het kleurrijke en bizarre gedoe rond het zwembad leek op de set van een film van Fellini. In het zwembad durfden alleen de moedigen of de verslaafden nog duiken. De Australische Tony Clifton merkte op dat het water zo dik werd dat er alleen nog croutons nodig waren om er een vette Franse soep van te maken.
Leslie logeerde in kamer 25, die permanent gehuurd werd door The Times voor vijf dollar per dag. Er was geen airco, wat de spotprijs verklaarde. In de kamer trof hij spullen aan van voorgangers, bijvoorbeeld een pak vergeelde enveloppen met daarop: ‘Committee for the Safety of Foreing Correspondents in Cambodia’. Arthur Dommen, in 1970 correspondent van The Times, had dat comité opgericht tijdens de eerste maanden van de oorlog, maar intussen was het ook een stille dood gestorven.
Voor Sydney Schanberg van de New York Times had Leslie groot ontzag. Schanberg was de enige die weigerde zijn informatie te bespreken voor zijn artikel gepubliceerd was, en die erop uittrok zonder gezelschap van collega’s. Met Denis Cameron als goede tweede, bleef Leslie Rockoff de grootste weirdo vinden. Als die al eens zijn mond opendeed was het om te protesteren of te beschuldigen. Hij was er bijvoorbeeld van overtuigd dat de obers hem continu bedrogen en maakte altijd stennis over de restaurantrekeningen. Leslie vond hem paranoïde op het gevaarlijke af.
Tot grote ongerustheid van Monsieur Lu bewaarde Rockoff een granaat in zijn kamer. Toen de directeur hem vroeg die te verwijderen, gaf hij geen antwoord. Enkele dagen later schreef Monsieur Lu hem een brief. Rockoff stond daar zo perplex van dat hij de missive aan iedereen liet zien. In een keurig handschrift stond er: “Dear Mr. Rockoff, I have asked the room boy about the hand grenade en he said it is still in your room. Will you please remove it als quickly as possible? It’s dangerous!”
Toen Rockoff weer niet reageerde besloot de hotelmanager tot actie over te gaan. Enkele dagen na de brief zag Beth Becker twee kamerjongens behoedzaam de granaat de trappen afdragen, door de lobby en weg uit het hotel.

Journalisten kwamen en gingen, sommige bleven, anderen keerden telkens weer terug.
In 1974 kwam ook de Nederlandse Dieudonnée ten Berge toe. Tijdens een reisje in Laos was ze verliefd geworden - un coup de foudre - op Jean-Jacques Cazeaux van AFP. Korte tijd later kwam ze hem in Phnom Penh opzoeken. Hij was er niet en ze werd opgevangen door een van zijn vrienden, op wie ze vervolgens verliefd werd. [In Een affaire met Indo-China geeft ze die geliefde als enige een schuilnaam, terwijl uit andere verslagen duidelijk is dat het om de Amerikaanse fotograaf Cameron gaat. Hoewel hij meestal ter sprake komt in andere getuigenissen, wordt ten Berge nooit vernoemd.]
Ze maakt de gebruikelijke observaties: “De meeste tafeltjes onder de met clematis overwoekerde pergola zijn bezet. Ik zie dat Sydney Schanberg van de New York Times er ook zit.” En: “We hangen onderuitgezakt in luie stoelen op het grasveld rond het zwembad. Obers in witte katoenen pakken brengen gin-tonics rond met ijsblokjes die zacht tegen het glas tikken.”

Met het einde van de oorlog in zicht komen er weer meer journalisten afgezakt. De correspondenten die er permanent zitten, reageren daarop nogal gereserveerd, schrijft ten Berge: “Al Rockoff kijkt kritisch naar al die camera’s op het gras, de extra toeloop van tolken en chauffeurs die in een groepje op hun hurken onder de bomen zitten, en de drukte op het terras. ‘Tourist season is in full swing again’”
Rockoff zelf is er ook een tijdje niet geweest. Tijdens een tocht langs Route 5 werd hij nog maar eens geraakt, deze keer ernstig. Hij overleefde het alleen maar, zoals dat gaat met legenden, omdat er toevallig een Zweeds medisch team in de buurt was. Hij werd geëvacueerd naar de Filippijnen om te herstellen. Maar gek zoals hij was, aldus Leslie, keerde hij zo vlug als hij kon terug, hijgend en piepend door longbeschadiging..
Nu, tijdens de eindfase, wil hij opnieuw gaan fotograferen langs Route 5. Iemand verklaart hem gek, zegt dat het gevaarlijk is en hij gemakkelijk kan worden gedood. Hij antwoordt: “Het zou de eerste keer niet zijn”.

5.

April is de heetste maand, net voor het regenseizoen begint..
Alle wegen naar de hoofdstad waren afgeblokt, dus moest de bevoorrading van rijst en wapens per schip over de Mekong gebeuren. Op 1 april veroveren de Khmers Rouges het stadje Neak Luong, de toegangspoort tot Phnom Penh via de rivier.

Veel journalisten zijn speciaal teruggekomen. Ook Leslie. In het hotel zag hij Schanberg terug, en Rockoff en Cameron en Davis en Fenton, nog precies zoals hij ze verlaten had, meer dan een jaar eerder. “Ze begroetten me zonder verbazing, alsof ze het verwacht hadden: de val van Phnom Penh was onze reünie.”
Ook ten Berge merkt op dat het iets heeft van “een reünie aan de rand van een graf.” Daarnaast ziet ze ook veel nieuwe gezichten in Le Phnom: “Louche uitziende zakenmannen met dollartekens in de ogen, die aan tafeltjes rond het zwembad in samenzweerderig gesprek gewikkeld zijn met hoge Cambodjaanse militairen. Er zijn mannen die oude vliegtuigen opkopen om snel even een hoop geld te verdienen aan de rice lift, die Unicef is begonnen om de hongerende bevolking tenminste van een minimum hoeveelheid rijst per dag te voorzien. Contractpiloten die aan de drank zijn.” Verder ook medewerkers van hulporganisaties en een nieuw soort, zich als journalist uitgevende supporters, vertegenwoordigers van linkse bewegingen.
Swain komt uit Saigon met de laatste reguliere vlucht. In het vliegtuig ontmoet hij een Oost-Duitse diplomaat die er verheugd naar uitziet om de rode Khmerbroeders te begroeten.

De oorlog bepaalt nu ook het hotelleven. In de kamers zijn de telefoons weggenomen, de elektriciteit is beperkt tot een paar uur per dag. Water is ook gerantsoeneerd. Om een bad te kunnen nemen, terugkomend van de stoffige wegen in de namiddag, moet Leslie bij het vertrek ’s ochtends de kranen opendraaien en de kamerjongens verwittigen dat ze die weer moeten dichtdraaien nadat het water ’s middags begint te lopen.
Leslie’s nieuwe kamer ligt op de bovenste verdieping, maar al vlug vraagt hij een andere. Ook Swain meldt dat de stad nu zo intensief wordt gebombardeerd dat journalisten hun kamers op het hoogste verlaten in ruil voor een lager gelegen. Monsieur Loup biedt de hoogste kamers aan voor vijf dollar, maar zelfs aan deze knock-down prijs heeft hij weinig succes.
[De prijs blijkt correct. Meer dan twintig jaar later zal Alex Maccormick schrijven over een recent bezoek: “Mijn vroegere kamer op de bovenste verdieping van Le Royal, dat $5 per nacht kostte in 1975, toen hij gevoelig was voor raketaanvallen, kost nu $115.”]

Een paar dagen na Leslie keert ook Sarah Webb Burrel terug - het allemansliefje in 1973. Het duurt niet lang voor ze begrijpt dat het geen goed idee was. Enkele uren na haar aankomst ziet Leslie - immer mededeelzaam over dat soort kwesties - haar zitten op de trappen achterin, somber starend naar het vuile water in het zwembad, alsof ze zich zopas realiseerdee
dat naakt dartelen daarin ongepast is geworden. Ze zegt: “It’s not going to be fun this time, is it?” Het is een statement, geen vraag, noteert Leslie.
Swain vermeldt dat er aan het zwembad nog occasionele momenten van uitbundigheid zijn en paardspelletjes plaatsvinden. Het ongefilterde water verhindert een fotografe niet om de liefde te bedrijven met twee mannen tijdens dezelfde avond, een keer in het diepe, een keer in het ondiepe, met applaus van de toeschouwers..
De bonte journalistenbende van Le Phnom doet mee aan een inderhaast georganiseerde solidariteitsactie, bijna allemaal gaan ze bloed geven in het ziekenhuis Monivong.
Schanberg schrijft over die dagen: “In de stad zelf dringt de werkelijkheid die zo dichtbij is op de een of andere vreemde manier niet door. Enkele Fransen die zijn achtergebleven in het vertrouwen dat zij als oudgedienden en relikwieën van het koloniale verleden hun leventje ongestoord voort zullen kunnen zetten, spelen een spelletje schaak bij het zwembad in het hotel.”
Alleen de Fransen gedragen zich alsof er niets was veranderd, merkt ook Leslie op, op zondag komen ze nog altijd vrolijk samen bij het zwembad. Terwijl hij de Franse zonnebaders aanschouwt, allemaal keurig uitgedost en met verzorgde nagels, treft het hem hoe deftig ze zijn en, zo oordeelt hij, hoe bespottelijk.

In het restaurant wordt nu ook de schaarste aan voedsel merkbaar. Ten Berge: “De obers leggen weliswaar iedere dag pontificaal de menukaart op tafel, maar het aantal kruisjes voor de gerechten die niet meer te krijgen zijn, wordt steeds groter.”
Leslie: “En voor een of andere reden werd het ontbijt niet langer bij het zwembad geserveerd.”
Het drama viel niet meer tegen te houden aan de hotelpoort. Een prostituee die gewoonlijk alleen ’s nachts naar het hotel afzakte, kwam nu overdag met haar ondervoede baby, en verzocht een Amerikaanse cameraman om voor haar en het kind een geldinzameling te organiseren. Tussen de cameraman en een reporter van hetzelfde tv-netwerk kwam het zelfs tot een luide discussie, omdat de laatste weigerde een bijdrage te doen.
De discussies aan het zwembad gingen vooral over de nakende Amerikaanse evacuatie. En over wie zal vertrekken en wie blijft?
“Natuurlijk moet je blijven,” zei Cameron aan Leslie tijdens de lunch, “als je het niet erg vindt niet alleen gedood te worden maar ook nog in stukken gescheurd.” [Cameron bleef, Leslie vertrok.]

Op een ochtend kreeg Lew Simons van The Washington Post een telex waarin stond: “Verlaat Phnom Penh onmiddellijk en neem Fenton mee als je kan. Reuters zegt dat communistische troepen zijn binnengedrongen en Thaise premier zegt dat de stad is gevallen. God be with you.
Dat was een vergissing van Reuters en de Thais, meldde Simons telefonisch aan zijn krant. In de stad waren nog geen Khmers Rouges te bespeuren. In dat geval mocht hij blijven, vond de krant. Toen hij aan het zwembad het telexbericht liet zien moest iedereen lachen. Het bevestigde de mening dat bureauredacteurs weinig wisten. Alleen Fenton was verstoord door het bericht, in het bijzonder door de woordjes: If you can

De evacuatie was voorzien op 12 april.
In de nacht van tien op elf april waren de gevechten voor het eerst zo dicht bij het hotel dat Leslie de elkaar beschietende soldaten kon horen schreeuwen. Plotseling vermoedde hij iemand op het balkon. Hij sloop naar het raam en zag dat het een van de kamerjongens was die in het donker een sigaret zat te roken. De jongen zag hem en zei zachtjes: “J’ai peur”. Vervolgens, alsof hij zijn opmerking als een lapsus beschouwde, vroeg hij of de journalist wakker was geworden door de muggen en bood hij aan muggenspray te spuiten in de kamer.
Om paniek bij de Cambodjanen te vermijden vertelde men dat de buitenlanders om zeven uur in de eetzaal van Le Phnom zouden samenkomen voor een belangrijke verklaring. Leslie kon de dag ervoor alleen maar denken aan zo vlug mogelijk wegwezen: . “Ik had er genoeg van, niet alleen van Phnom Penh, maar ook van de oorlog en de journalistiek.” Die avond betaalde hij zijn hotelrekening, dat wekte geen argwaan omdat hij geregeld zijn rekening up to date hield. [Later zou blijken dat zijn cheque nooit werd geïnd.]
De volgende ochtend vormde zich een lange rij aan de desk. De receptionisten realiseerden zich opeens geschokt wat er stond te gebeuren..

Van de Amerikanen stond vast dat er twee bleven: Rockoff - die naar eigen zeggen bezig was met het zesde van zijn negen levens - en Schanberg. [Denis Cameron zou ook blijven, anders dan hij had aangekondigd en wellicht omdat hij zich verantwoordelijk voelde voor enkele adoptieprojecten.]
“Wat Sydney betreft is de consensus dat hij blijft, omdat hij de Pulitzer-prijs wil winnen,” aldus Ten Berge, die zelf met het laatste vliegtuig vertrekt en enkele dagen later het nieuws van de val van Phnom Penh bij haar ouders thuis in Amersfoort zal vernemen.
Volgens Swain, die ook bleef, had Schanberg de krant gemeld dat hij om persoonlijke redenen beslist had te blijven. Het antwoord dat hij terugkreeg, eindigde met de woorden: “We love You”.
Er bleven ongeveer een dozijn westerse journalisten, onder wie enkelen die de evacuatie domweg gemist hadden. De meerderheid van de resterende buitenlanders waren Fransen, die hun nationaliteit beschouwden als een soort bescherming, hoewel Frankrijk pas enkele dagen eerder de verzetscoalitie had erkend..
De volgende dag begon het Cambodjaans nieuwjaar. Het jaar van de tijger was voorbij, dat van de haas was begonnen.

Swain: “Het hotel, dat al zonder brood en verse eieren zat, ontbeert nu ook ijs. Monsieur Loup verontschuldigde zich daarvoor uitgebreid: “Het is oorlog”, zegt hij handenwringend, alsof niet iedereen dat al weet.”.
Schanberg: “Een Amerikaanse hotelgast beklaagt zich omdat het hotel geen ijs meer heeft en hij zijn Pepsi niet warm lust.”
Tad Bartimus: “Opeens is er geen ijs meer, maar nog genoeg gin. En verse citroenen die groeien in de buurt van het zwembad. In het water groeien algen, maar als je je neus dichtknijpt als je erin duikt, heb je er niet veel last van.”

Het internationale Rode Kruis had het hotel uitgeroepen tot neutrale zone. De voorgevel werd bedekt met gigantische witte vlagen en rode kruisen, het terrein omringd door barricades van prikkeldraad.
Iedereen krijgt een lijst waarin regels stonden waaraan zich te houden. Daarin stond onder meer dat het verboden was nog in het zwembad te zwemmen. Bij een langdurige belegering zou het verwaarloosde zwembadwater - intussen nog papperiger - misschien moeten worden gefilterd om het als drinkwater te gebruiken.
Aangetrokken door de vlaggen en Rode Kruis-tekens stroomt een massa vluchtelingen het hotel binnen, in de veronderstelling dat het een hulpcentrum is. De gewonden worden op het volleybalplein opgevangen, al vlug zijn de dokters en verplegers bezig met meer dan 700 gevallen. Enkele van de Franse colons verdragen niet dat hun exclusieve hangout wordt omgebouwd tot een vluchtelingenkamp en doen daarover hun beklag.
De Rode Kruis-medewerkers die de opvang doen, zoeken eerst de lichamen en plunjes van de vluchtelingen af, op zoek naar wapens. Swain stelt met verbazing vast wat een ongelooflijk arsenaal wapens er te voorschijn komt: geweren, revolvers, pistolen, messen, ketens, en zelfs een boksbeugel. Binnen de compound, in de tuin, naast het zwembad spreiden de vluchtelingen kleine slaapmatten uit. Een groen plastiek lint scheidt hen van een groepje Westerlingen dat in het open restaurant La Sirène zit te eten. Enkele Fransen protesteren steeds harder, tot André Pasquier, de chef van het Rode Kruis, zijn geduld verliest en ziedend van woede schreeuwt dat ze hun mond moeten houden..

“De nacht was verschrikkelijk geweest,” schrijft François Ponchaud, een katholieke pater die al jaren in Cambodja woont en vloeiend Khmer spreekt, over die 17de april: “Met regelmatige intervallen verscheurde het lugubere suizen van de raketten van 107 mm en de obussen van 105 de stilte en vochtigheid van deze nacht aan het eind van het droge seizoen. Ongeveer vijfhonderd projectielen hadden over onze hoofden gegierd om kletterend te ontploffen, ergens, in het overbevolkte Phnom Penh. Heel de nacht waren mijn collega’s en ikzelf opgebleven om als vertalers te helpen met de ploeg van het internationale Rode Kruis dat de inwoners van de stad bescherming wilde bieden in een haastig geïnstalleerde ‘vluchtelingenzone’ in hotel Le Phnom.”
“Bij zonsopgang stroomden vele tienduizenden vluchtelingen toe van de faubourgs ten noorden van de stad naar het centrum, hun kleine schatten in schamele bundels met zich meesjouwend, het gezicht getrokken en vermoeid, de ogen verschrikt: Ze zijn aan kilometer zes!’. ‘Ze zijn aan kilometer 4!’. Ze, dat zijn de Khmers Rouges, van wie de renommée de troepen voorafging.”

De voornamelijk erg jonge soldaten marcheren zwijgend en grimmig de stad binnen. Schandberg, Swain en Rockoff trekken naar het Prah Keth Meala ziekenhuis om zicht te krijgen op het aantal slachtoffers. Als ze er onthutst weer buiten komen, stoten ze op een patrouille van de Rode Khmer. Ze worden opgepakt en met de dood bedreigd. Schanbergs tolk, Dith Pran, redt ze het leven, zoals aangrijpend verfilmd werd in The Killing Fields.
Nauwelijks van de schrik bekomen, bereiken ze het hotel. Volgens Schanberg is het precies twintig over vijf: “Het is uitgestorven. Vanuit een vrachtwagen voor het hek houden communistische soldaten hun raketwerpers dreigend op het gebouw gericht. Ik ren op de enige buitenlander af die er te zien is, een Zweedse medewerker van het Rode Kruis.”
De Zweed vertelt dat de Khmer Rouge de neutrale zone niet erkent en dat het hotel in een half uur moet worden ontruimd. Swain beschrijft de paniek. Enkele hotelbedienden grijpen de journalisten bij de arm en smeken hen niet in de steek te laten. [Swain, jaren later: “Hun woorden komen vaak terug in me op en achtervolgen me, want de meesten van hen zijn dood.”]
De buitenlanders zoeken hun toevlucht in de Franse ambassade. In enkele dagen tijd ontruimen de Khmers Rouges de stad met meer dan twee miljoen inwoners. Vanuit de ambassade zien de buitenlanders de chaos van de exodus aan.
De Khmer Rouge erkent ook de ambassade niet als diplomatiek onschendbaar. Eerst moeten alle Cambodjanen de compound verlaten, en later worden alle buitenlanders - ook de sympathisanten en diplomaten uit communistische landen - in trucks naar de grens met Thailand gereden.

Wat volgt, is stilte. Het jaar nul is begonnen, de nieuwe tijdrekening van de Khmer Rouge. Cambodja wordt bijna volkomen afgesloten van de buitenwereld.

6.

In de periode 1975-’78 was Phnom Penh een spookstad, waar alleen enkele communistische kaders en militairen verbleven. Wat er met het hotel gebeurde is onduidelijk. Eén bron - de hoteljournaliste Caroline Major - beweert dat het tijdens het Pol Pot-tijdperk een guesthouse was voor bezoekers uit de communistische bevriende landen. Er zijn me daarover geen getuigenissen bekend, terwijl er wel verslagen zijn van de overigens schaarse bezoeken.

Eind 1978 - toen het regime al wankelde na interne zuiveringen en er al een oorlog met Vietnam dreigde - begon de Khmer Rouge met een diplomatiek charme-offensief. Ze nodigden ook drie Westerse verslaggevers uit: twee journalisten, Richard Dudman en Elizabeth Becker, en een Britse professor-activist, Malcolm Caldwell, die sympathiek stond tegenover de Khmer-revolutie. [Tijdens dat bezoek zou Caldwell om onduidelijke redenen vermoord worden.]
De drie arriveerden in Phnom Penh op 9 december 1978. Ze logeerden in een guesthouse in de Monivong Boulevard. De eerste avond maakten ze een korte wandeling door de grotendeels verlaten stad, tot ze onderschept werden door de Rode Khmer-verantwoordelijke. Vrij rondwandelen was niet de bedoeling. Ondanks dat verbod sloop Becker de volgende ochtend toch even het huis uit en wandelde in de richting van Le Royal of Le Phnom, waar kamer 27 zolang de hare was geweest. Voor ze de straat overstak keek ze naar links: twee koeien graasden in een leeg veld waar de Franse kathedraal had gestaan.
Het hotel leek haar op het eerste gezicht in een betere toestand dan tijdens de oorlog. De gronden aan de ingang waren geëgaliseerd. “Eens voorbij de oprit en in de lobby besefte ik dat het hotel de rest van de stad weerspiegelde - de façade was mooi, het interieur vervallen.” De oude reisposters sierden nog steeds de inkomhal, en ook verder leek weinig veranderd. “Instinctmatig ging ik naar de desk. Er waren geen sleutels.” Toen verscheen er opeens een man die haar aansprak in het Khmer. Ze verstond hem niet en hij wees haar met gestrekte arm de deur.

Eind december, viel Vietnam, geholpen door een groep dissidente Khmers, Cambodja binnen en verdreef de Khmer Rouge tot aan de grens met Thailand. Op 9 januari 1979 werd Phnom Penh opnieuw bevrijd.
Korte tijd later bezocht de Sovjet-diplomaat Igor Rogachev de stad, als specialist Zuidoost-Azië. Hij werd ondergebracht in het enige hotel dat operatief was, het oude Le Royal, nu herdoopt in Samaki, solidariteit. Aan Elizabeth Becker vertelde hij later dat er bij zonsondergang ter zijner ere een diner werd gegeven in de tuin van het hotel. Na zijn eerste dag in het door honger en ziekte getroffen land had hij niet meteen een banket verwacht. Dat werd het ook niet, Rogachev kwam tot weinig meer dan staren naar de gebarsten eetkommen en naar het voedsel zelf dat bedekt was met “duizenden en duizenden vliegen”. Aan het einde van de tafel zat zijn gastheer, de nieuwe, jonge minster van buitenlandse zaken, Hun Sen.
Het was het begin van een bijzondere relatie. Hun Sen was compleet onervaren, maar hij leerde snel. Hij zou de nieuwe sterke man van Cambodja worden.

7.

Ik werd volwassen met Pol Pot.
Ik was achttien toen de wereld in 1979 pas goed besefte wat zich de voorbije jaren had afgespeeld in Cambodja. Er waren wel al eerder berichten geweest over terreur en volkerenmoord, maar die werden veelal genegeerd zoniet afgedaan als anti-linkse stemmingmakerij. Nu, in uitgesteld relais als het ware, wilde de wereld het geweten hebben. Cambodja was veel in het nieuws, zelfs in de jeugdclub deden we sarcastisch over Pol Pot. Voor de media had Cambodja in die dagen alles, zoals een hulpverlener opmerkte aan William Shawcross: “tempels, stervende bruine baby's en een Aziatische Hitler. Het was zoiets als seks op een tijgervel.”.

De eerste Westerse hulp kwam pas toe in Phnom Penh in augustus 1979, acht maanden nadat de stad van de Khmer Rouge bevrijd was. François Bugnion van het internationale Rode Kruis en Jacques Beaumont van UNICEF waren meegekomen met het eerste konvooi en kregen van de regering het oude hotel Le Phnom, zopas heropend als Samaki, als logement toegewezen.
Enkele weken eerder waren ze ook twee dagen in de stad geweest, om het hulpprogramma te bespreken, maar toen verbleven ze in een anoniem gasthuis. Hun eerste indruk was overdonderend geweest. De straten lagen bezaaid met vuiligheid en autowrakken, winkels en huizen waren leeg en leken geplunderd. En er was schaarste aan voedsel. De hen toegewezen tolken van het ministerie van Buitenlandse Zaken leken hen door voedselgebrek zo verzwakt dat ze nauwelijks konden werken. Phnom Penh had wel al hulp gekregen van Vietnam en de communistische bondgenoten, maar er was méér nodig om een wijdverspreide hongersnood te voorkomen.
Die avond, in zijn kale hotelkamer, schrijft Beaumont bij het licht van een kaars aan zijn opdrachtgevers. “In het begin zal iedere ploeg moeten voorzien in zijn eigen generator”, meldt hij: “wij hadden geen elektriciteit voor 22 uur”. Communicatie met de hotelverantwoordelijke lukt ook niet goed; als Beaumont een nieuwe kaars vraagt, krijgt hij een glas warm water.

In dezelfde periode bezocht de Australische John Pilger als een van de eerste journalisten de stad na de tragedie. “Terugkeren naar Phnom Penh is een nare droom,” zo begint zijn verslag. Hij was er in de jaren zestig nog geweest en herinnerde zich “de stralende charme” van de stad: “Op zondag was wandelen op de Monivong Boulevard een vreugde: parasols, met jasmijnen getooide meisjes op Honda’s, saffraankleurige gewaden, groepjes weldoorvoede families, ijskarretjes, venters. Je werd wakker in het Hotel Royale, zette je radio aan en hoorde, vermoedelijk, de snerpende, primadonna-achtige stem van prins Sihanouk []
Nu leek het alsof de stad ontwaakte na een nucleair cataclysme..
In het oude hotel lag de tuin er verwilderd bij, de volière was leeg en door onkruid overwoekerd; en het zwembad, waar hij nog had gezwommen, leek op “een beerput”.
’s Avonds werkte hij bij kaarslicht in zijn kamer. De moessonregens waren die dag zo krachtig geweest dat regen door de ventilatie-latjes van de Franse deuren was binnengesijpeld. Twee ratten renden heen en weer door de plassen die waren gevormd op de vloer.
“Ik staarde naar ze,” schrijft hij, “en voelde mijn moed zakken”. Hij was bezig met een lijst op te stellen van dringende zaken - melk, vitaminen, antibiotica - die hij wilde overhandigen aan de Australische ambassade in Bangkok.
In het Samaki interviewde hij de hulpverleners Beaumont en Bugnion, en ontmoette ook de pas toegekomen Jim Howard van Oxfam. Die schreef in zijn eerste bericht naar het thuisfront over de “verschrikkelijke werkelijkheid” en vervolgde in telexstijl: “100 tonnen melk per week nodig voor volgende twee maanden, te beginnen: nu, ik herhaal: nu.”
Het was het begin van de grootste en meest doortastende hulporganisatie ooit, schrijft Pilger. Daar droeg hij zelf ook aan bij. Zijn artikels en documentaire Cambodia, Year Zero beroerden de publieke opinie en deden de giften toestromen.
Tegen het einde van het jaar waren er ongeveer dertig buitenlandse hulporganisaties gevestigd in Hotel Samaki..

Toen Pilger een klein jaar later terugkwam, merkte hij dat er nu al meer internationale hulpverleners in Phnom Penh waren dan medewerkers van het ministerie van Gezondheid. De frustratie van sommige medewerkers van de hulpindustrie groeide en uitte zich in kritiek op de nieuwe bureaucratie en de rigide regering.
In Hotel Samaki leidde dat tijdens middagen met slagregens wel eens tot “kloosterachtige claustrofobie en een zekere paranoia”, schrijft Pilger. En onder de onregelmatig wiekende ventilatoren van de oud-koloniale hotelkamers kon een maand soms een jaar lijken voor de vaak jonge en onervaren hulpverleners. Die sleur werd alleen maar doorbroken als er een nieuwe collega van de luchthaven kwam, beladen met geschenken en luxegoederen die in Phnom Penh niet te krijgen waren. Of door de Cambodjaanse soldaten die na de regenbui hun automatische geweren leegschoten op de kikvorsen in het zwembad. Kikvorsen, zo wil het volksgeloof, zijn immers schuldig aan het stelen van de maan.
Met die grootscheepse hongersnood viel het overigens al bij al nog mee. Toen enkele hulpverleners na een eerste toer door het platteland terugkeerden met de eerlijke mededeling dat ze in de provincies wel veel noden vastgesteld hadden, maar eigenlijk geen honger, wilden de collega’s in het Samaki het niet geloven. Dat kan niet, zei er een: ik ben hier precies gekomen om de honger te bestrijden.

Jon Swain kwam in 1980 terug en stelde vast dat heel het hotel bezet was door de hulporganisaties. Het gebouw was verwaarloosd, schrijft hij, het onkruid overwoekerde de tuin en het water in het zwembad was “onfris”. In zijn vroegere studio, waar nu een Zwitserse hulpverlener woonde, keek hij rond “als in een soort verdoving”.
Hij dronk een biertje in de bar, geserveerd door een mooi meisje dat Frans sprak. Aan het plafond een als vanouds rustig draaiende fan en aan de muur hingen nog dezelfde vervaagde foto’s van de Angkor-tempels. Door het getinkel van een gamelan rustig geworden, leek het eventjes alsof hij nooit was weggeweest. Maar dan vertelde het meisje wat ze meegemaakt had na de exodus uit Phnom Penh, en even later kwamen enkele mannen binnen van de vroegere hotelstaf die het overleefd hadden: “met grijze haren en starre ogen - ouder, dunner, droeviger”. Verrast schudden ze hem een na een de hand, en hij, evenzeer verrast, wist niets te zeggen, hij kon alleen hun handen vasthouden, hen even omarmen en hen dan onbeholpen wat geld in de hand stoppen. Ze wilden allemaal weten wat er gebeurd was met Monsieur Loup, maar hij wist het ook niet.

Ook de Vlaamse journalist Sus van Elzen bezocht Phnom Penh in de jaren tachtig. Hij schreef erover in Knack en tevens in een verhaal over twee oud-revolutionaire journalisten. Een van hen beschrijft de angst in Phnom Penh - en de vuiligheid, het oud roest waarmee de stad was bezaaid, de dode ratten, “de lijken in de waterputten”. Als het donker werd, vertelde hij, zag je er slechts twee lichtjes branden, aan de ene kant Hotel Samaki - “statig tropisch in zijn tuin” - en op de hoek aan het eind, voorbij het plein met de vuurtjes onder de soepketels, Hotel Monorom.
“Als je ‘s avonds,” zei hij, “in het donker door de laan tussen die twee lichtjes liep, van Hotel Samaki waar je had zitten kletsen naar Hotel Monorom waar je ging eten, dan kon je het bos horen groeien. [] We hielden ons in het donker aan elkaar vast, om niet te vallen als we over een wortel of een paar bakstenen struikelden, of als we in een gat stapten. En achter elke boom vermoedden we een polpotist.”

Sydney Schanberg kwam terug in 1989, toen The Killing Fields voor het eerst in Phnom Penh werd vertoond. Ook hij ging kijken naar het hotel en werd er aangesproken door een bediende die vroeg: “You New York Times?” De vroegere kamerjongen, die Schanberg eerst niet had herkend, was nooit vergeten dat de journalist hem ooit een Bic had geschonken.
In Schanbergs oude suite was nu de hulporganisatie World Vision gevestigd..
De Nederlandse Diny van Bruggen werkte toen voor die Amerikaanse, evangelisch geïnspireerde organisatie en vermeldt het bezoek in haar dagboek. “Hij bekeek het Samaki-hotel, ons kantoor was zijn vroegere kamer. Hij herkende het hotel amper meer en de meeste mensen van toen zijn nu dood.”

Van 1989 tot ’91 werkt Van Bruggen als kinderarts in het ziekenhuis van World Vision, en zoals de meeste hulpverleners woonde ze in het hotel. Pas aangekomen, schrijft ze: “In hotel Samaki heb ik een kamer op de tweede verdieping. Op het eerste gezicht luxe en royaal, met een airco, een plafond-fan en een grote badkamer met wc en ligbad. Bij nadere kennismaking valt het tegen: het handvat van de deur valt er meteen al uit, de vloertegels liggen los en de bureaustoel valt in elkaar als ik hem wil verzetten. De elektriciteit is een gevaarlijke janboel, overal draden langs de muren, stekkers, overloopstukken, gloeipeertjes en doorgebrande stukken snoer. De knopjes doen heel soms wat ik ervan verwacht, meestal niet.”
Ook water is een probleem: “Soms lukt het me een dun straaltje drabbig water tevoorschijn te toveren.” En de lift doet het nog steeds niet: “De trap naar de eerste verdieping telt maar liefst 38 treden, en naar de tweede verdieping is het nog eens 26 treden.”
De elektriciteitsaanvoer is soms urenlang onderbroken en de airco in haar kamer begeeft het al vlug: “De nieuwe geeft echter weer andere problemen. Steeds meer elektrische draden in de muur branden door. Soms slaan de stoppen door en wordt de muur zo heet dat die met de fan gekoeld moet worden. Gelukkig heeft een bezoeker de hele boel nu vernieuwd.”
Tegenover haar kamer ontdekt ze een kapotte dienstlift. “Daar weer achter is een loze ruimte, die ooit een trappenhuis is geweest. Dat is nu verlaten en wordt als vuilnisbelt gebruikt. Er zijn veel katten en ik zie uitwerpselen van ratten. Het vuil ligt daar al weken of nog langer.”
Ook de tuin is verwilderd: “Achter het hotel ligt ook het zwembad, dat momenteel niet te gebruiken is. Het ziet er vies en groen uit, is vroeger wel schitterend geweest. Om het zwembad staan enkele ooit fraaie bungalows. Nu zijn ze in slechte staat van onderhoud. Bij een regenbui woei het dak van zo’n huisje af.”

Van Bruggen woonde er nog toen ik in de bar mijn eerste gin-tonic dronk, al merk ik in haar dagboek dat ze uitgerekend die maand op verlof was naar Bangkok. Rest and Recreation, nog een overblijfsel uit de Vietnamoorlog.
Mei 1990. Na pas een dag in Cambodja ben ik nog wat confuus van mijn eerste indrukken. Ik staar naar op elkaar gestapelde dozen met luxegoederen - sigaretten, drank, televisies - en verneem dat deze uit Thailand gesmokkeld zijn. Dan zegt iemand dat ik mijn gin-tonic niet warm mag laten worden. Straks begint the curfew, de avondklok. Het personeel in het Samaki is een handeltje in smokkelwaar begonnen, wordt openlijk gezegd, maar ik mag het niet schrijven van mijn vrienden-ontwikkelingswerkers.
Het dagboek van de overigens, zoals het hoort bij World Vision, nogal tuttig gelovige Van Bruggen heeft het over grote partijen whisky, bier, en Westerse sigaretten. “De regering beheert ons hotel Samaki, daar worden de luxe spullen aangevoerd en gedistribueerd. Samaki betekent ‘solidariteit’. Dat woord krijgt zo een wrange bijklank. De spullen worden doorverkocht naar de vrije markt.”
[Als ik in 1991 terug in Phnom Penh ben, gaat het gerucht dat de vroegere directeur van Samaki opgepakt is, beschuldigd van corruptie.]
Vaak vergeet je iets op te schrijven, noteert Van Bruggen later, haar dagboek herlezend: “Zoals heel gewone dingen: in het tweede jaar hier kreeg ik een douche met warm water.””
In augustus 1991 vindt ze veranderingen in Phnom Penh ongelooflijk snel gaan: Huizen opgeknapt, overal bouwactiviteit, nieuwe hotels.

8.

Geen curfew meer. Er zijn cafés bijgekomen, restaurants, vertiermogelijkheden. ’s Nachts behoorden de straten niet langer louter aan de ratten en loslopende honden. De veranderingen vallen me ook op als ik in 1991 opnieuw in Cambodja ben.
Diny van Bruggen: “De vuilophaaldienst in de stad begint te functioneren. De straten zijn nu vol auto’s en motoren. De disco’s draaien op volle toeren. Ook in de zijvleugel van het hotel is, net onder mijn raam, een grote disco met bijhorend werk voor de prostituees gekomen: alle avonden is het er stampvol.” Ze werd niet meer wakker van de intussen bij stroomuitval automatisch startende generator, maar wel “van luidruchtige discogangers, die in glanzende auto’s met ronkende motoren heel laat vertrekken. Vergeleken met twee jaren geleden is de situatie haast onherkenbaar geworden.”
Nu de koude oorlog voorbij is, hebben de grootmachten, en hun pionnen op het Cambodjaanse slagveld, gemeend dat vrede een kans mag krijgen.

In die tijd moet reisauteur Carsten Jensen er ook zijn geweest. Hij logeerde in Le Royal, “eens een paleis en het middelpunt van het sociale gewoel in de hoofdstad, nu een door de oorlog getekend, vervallen monument uit de belle époque van prins Sihanouk.”
Jensen overdrijft natuurlijk - typisch voor dat soort backpackers-reisjournalistiek - maar beseft tegelijkertijd niet hoe de situatie twee jaar eerder was: “De armzalig verlichte gangen waren wijd genoeg om een tank door te laten. ’s Avonds fladderden vleermuizen er snel en kennelijk rusteloos heen en weer in het duister onder de hoge plafonds.”
Geen twee kamers in het hotel waren dezelfde, aldus nog Jensen, en slechts enkele hadden de gebruikelijke vier hoeken van een standaard hotelkamer. Hoewel er geen verschil in prijs was, waren sommige kamers sober als een monnikenkluis, terwijl andere overvloedig bemeubeld waren met salontafels en makkelijke armstoelen. Sommige leken op claustrofobische sigarendozen, andere op balzalen. Overal afbladderende verf, in één kamer waren de muren van onbezet cement. Slechts enkele deuren hadden aan de binnenkant een klink - die onveranderd scheef hing - en bepaalde deuren konden alleen gesloten worden gehouden door stenen of zware planken die daar blijkbaar voor neergelegd waren. De elektrische schakelaars zonden, als je ze omgedraaid had, een flauw gezoem uit en dan, met een schok, kwam het licht in golven, eerst sterk en dan zwak. Een of twee keer per nacht was er een elektriciteitspanne, dan werden de gangen verlicht door op generatoren werkende noodlampen. En dan fladderden de vleermuizen verschrikt naar andere donkere hoeken.

Reizigers ontdekten Phnom Penh. Eerst de backpackers, avonturiers en reisboekenschrijvers. Herbert Paulzen, bijvoorbeeld, in 1991. “Honderden bonte lichtjes zwierden tussen de bomen en parasols. Uit de disco naast Le Royal kwamen de klanken van sentimentele Thaise popmuziek en westerse rock uit de jaren zestig. Jongelui stroomden naar binnen, de jongens in jeans en T-shirt, de meisjes zwaar opgemaakt, in mini of strakke jeans, mooi, elegant, gracieus. Phnom Penh 1991. De verschrikkingen leken vergeten.”
Eind 1991 ga ik er met een Cambodjaanse vriend iets drinken. Hij was er nog nooit geweest. Door de locatie komt ons gesprek op The Killing Fields. Toen hij de film zag, wist hij dat die niet door een Khmer gemaakt kon zijn. Als ik een sigaret wil opsteken, biedt hij me vuur aan met de aansteker die ik hem vorig jaar gaf. Terwijl het ijs in onze gin smelt, vertelt hij over zijn vlucht naar Vietnam en het verblijf in het vluchtelingenkamp.
Vanaf de jaren negentig verschenen weer reisgidsen over Cambodja. De eerste editie van de Lonely Planet, 1991, vermeldt dat in Hotel Samaki de kamers - met airco en badkamer - 12 tot 17 $ kosten. 30 $ voor een drie-kamerbungalow. [De editie van 2000 schrijft dat het weer Phnom Penh’s finest hotel is, en dat de kamers - vanaf 120/130 $ - niet zo duur zijn als je op het eerste zicht zou denken, “gelet op de weelde”. The Elephant Bar is best een bezoek waard, meldt de gids nog.]

Oorlogsfotograaf Tim Page kwam naar Cambodja om na te gaan hoe zijn vrienden Sean Flynn en Dana Stone vermoord werden. In de tuin van Le Royal bedacht hij dat ze van “onder deze schaduwrijke bomen vertrokken voor hun laatste motorrit”..
Het hotel zelf vond hij maar niks: geen functionerende elektriciteit, het water vol muggen en uitwerpselen van ratten. Heel de plaats stonk naar verdorven lucht en schimmel. Het zwembad, “destijds de verzamelplaats van de lunchtime society”, bevatte allerlei levends dat wachtte op biologisch onderzoek
Ook CBS-verslaggever Kurt Volkert kwam terug om te achterhalen wat er in 1970 precies gebeurd was met zijn omgekomen collega’s. In mei 1992, tweeëntwintig jaar later, neemt hij opnieuw zijn intrek in het hotel waar ook “alle schimmen” van zijn Cambodjaans verleden huizen: “Hier zag ik onze crew voor het laatst, toen ze vertrokken voor hun tocht naar de hel op 31 mei 1970, omstreeks 9 uur.””
Weinig is er veranderd. “Ik glijd makkelijk terug in de tijd. Ieder ogenblik verwacht ik dat onze mensen terug zullen verschijnen, al weet ik dat ze dat niet zullen doen.” Hij gaat zwemmen in het zwembad en denkt aan de collega’s die hier rondhingen, “drankjes in de hand”, nadat ze terugkeerden van de gevechten. “We waren een onbesuisde bende, we leefden hard en hevig. [] Alcohol, ambitie en het gevoel deel uit te maken van een groep verslaggevers met een gevaarlijke maar belangrijke opdracht dreven ons voort.”
Het restaurant is nu ingericht als een kantoor van de Verenigde Naties [die er de verkiezingen van 1993 voorbereiden]. De U.N.-medewerkers hebben hun eigen bar naast het zwembad, stelt hij vast, alleen voor hen.
“Het zwemmen is verfrissend, de zonsondergang spectaculair, een rijk tropisch geel, diep en warm. Palmtakken waaien lieflijk, op het dak van het hotel springen drie apen van het ene torentje naar het andere. Discomuziek vermengt zich met de droevig makende geluiden van tropische dieren, gekko’s, vogels en cicaden.””
De idyllische sfeer verdwijnt als hij nadien gaat eten in The Royal Beer Garden. Hij ergert er zich aan de luide discomuziek en het zit er vol prostituees, wachtend op buitenlandse klanten: “De meest van hen waren waarschijnlijk niet eens geboren toen ik hier de laatste keer was.”

De voortuin was begin 1993 veranderd in een groot, met gekleurde lampen verlicht terras. Ik zat er met mijn Cambodjaanse vriend te drinken. Binnen was er een schreeuwerige disco en mijn vriend waarschuwde mij voor de opgetutte meisjes die hij taxi-girls noemde.
Prostituees aan Le Royal. In The Morning After heeft een Amerikaanse journalist het over “zwermen van Vietnamese prostituees” en speculeert hij dat de Vietnamese door hun lichtere huid meer succes hebben dan de Cambodjaanse. Volgens mij waren er - vergeleken met 1990, toen de Cambodjaanse prostitutie inderdaad voornamelijk een Vietnamese kwestie was - veel Khmer meisjes bijgekomen. In mijn reisschriftje noteerde ik: “dat zal wel ontwikkeling zijn, zeker?”
De bende bedelaars, verminkten en geamputeerden die zich voor het hotel ophielden, werden door de smetteloos uitgedoste obers weggejaagd als ze het terrein durfden te betreden..

De grootse renovatie en uitbreiding werd voltooid in 1997. Kort daarop leek Phnom Penh opeens weer een belegerde stad. Soldaten en tanks verschenen opnieuw in de straten toen de strijd tussen Hun Sen en Ranariddh - die na de verkiezingen van 1993 vreemd genoeg allebei premier werden - militair werd uitgevochten. Ook enkele maanden later, na de verkiezingsoverwinning van Hun Sen in 1998, vonden er zware rellen plaats. Toen was Al - “I was already death” - Rockoff er ook weer bij, - met zijn vrouw Vicky verblijft hij geregeld voor enkele maanden in Cambodja.
Rockoff was voor de jongere perscollega’s een legende. Met zijn grijze haren en baard leek hij in hun gezelschap op God de Vader, schrijft James Eckhardt. De Japanse journalisten noemden hem eerbiedig sensei, meester. [Later hoor ik vertellen dat Rockoff, camera in de aanslag, met lange, wapperende haren tussen de schietende partijen rende en dat de militairen van beide kanten elkaar toeschreeuwden: ‘Don’t shoot the white man!’]

Voor de Raffles International Hotel Company kwamen de rellen hoogst ongelegen. Uitgerekend op het moment dat de werken van miljoenen dollars voltooid waren, trok de Cambodjaanse regering ten oorlog tegen zichzelf, zo schrijft de ‘reisauteur’ Scott Carrier. Toeristen konden niet vlug genoeg weer het land uit zijn. Sindsdien beperkt het toerisme in Cambodja zich weer tot jonge backpackers met te weinig geld voor een Raffles-hotel, aldus hoteljournalist Carrier die zijn verblijf gesponsord kreeg van de firma. Samen met vier andere ‘reisschrijvers’ was hij uitgenodigd door Raffles om met lovende artikels weer kapitaalkrachtige klandizie te lokken. Hij mocht logeren in de suite Charles de Gaulle, temidden prachtige hardhouten meubels, een écht Perzisch tapijt en in de badkamer marmer van muur tot muur..

Met dit verleden, aldus hoteljournaliste Caroline Major, is het een wonder dat zoveel originele uitrustingen en installaties werden behouden. “Als je er vandaag komt,” schrijft ze nog, “waan je je makkelijk in een verhaal van Somerset Maughan, lanterfanten op de veranda in de middaghitte, je voorbereiden op een avontuurlijke tocht door de jungle - natuurlijk zul je genoeg gin en tonic meenemen om de verdomde muggen te bestrijden - terwijl koelies met materiaal heen en weer lopen en intussen schelden op de van het overhangende dak springende apen.”

Nadat ik er jaren niet was geweest, kwam ik in 2002 opnieuw in Phnom Penh. Eindelijk behoort de stad weer tot de wereld, dacht ik ontroerd. Naast kleurrijk verlichte supermarkten zag ik dat er inmiddels zelfs een dierenkliniek was gevestigd.
Zoals gewoonlijk stonden enkele cyclo-rijders voor hotel Le Royal. Een van hen sprak me aan. Ik wees op het protserig vernieuwde hotel, pralerig badend in het licht en zei: O Samaki, O Le Phnom. Hij moest lachen, hartelijk en spontaan. Een ingewijde in de geschiedenis.


Er werd gebruikt gemaakt - soms citerend, soms parafraserend - van volgende boeken en bronnen. De vertalingen zijn van mezelf, tenzij er een (hieronder vermelde) Nederlandse vertaling verscheen:


Jon Swain, River of Time, Minerva, 1996.
Dieudonnée ten Berge, Een affaire met Indo-China, BZZTôH, 1993.
Jacques Leslie, The Mark. A War Correspondent’s Memoir of Vietnam and Cambodia, Four Walls, 1995
Geraldine Cox, Home is where the heart is, Pan Macmillan, 2000.
Peter Scholl-Latour, Death in the Ricefileds [Der Tod im Reisfeld], Orbis, 1981 (1979).
Charles Meyer, Derrière le sourire Khmer, Plon, 1971.
Robert Sam Anson, War News, Simon and Schuster, 1989.
Tim Bowden, One Crowded Hour - Neil Davis Combat Cameraman 1934-1985, Collins, 1987.
Elizabeth Becker, When the War was over - Cambodia and the Khmer Rouge Revolution, PublicAffairs, 1998.
Diverse auteurs [o.m. T.D. Allman], Reporting Vietnam: American Journalism 1959 - 1975, Library of Amerika, 1998.
Diverse auteurs [o.m. Laura Palmer, Tad Bartimus] War Torn: Stories of War from the Women Reporters Who Covered Vietnam, Random House, 2002.
Richard Pyle & Horst Faas, Lost over Laos, Da Capo Press, 2003.
James Fenton, In het verre Oosten [All the wrong places], Veen, 1990 (1988).
William Shawcross, The Quality of Mercy, Simon & Schuster, 1984.
Sydney Schanberg, Mijn speurtocht naar Dith Pran [The Death and Life of Dith Pran], Vrij Nederland, 1985.
Alex Maccormick,The Mammoth Book of Man-Eaters, Carroll & Graf, 1993.
François Ponchaud, Cambodge année zéro, Julliard, 1977.
John Pilger, Heroes, Jonathan Cape, 1986
Sus van Elzen, Hoog boven de blauwe stad, Kritak, 1989.
Diny van Bruggen, De rivier stroomt heen en terug, Kok, 1991
Carsten Jensen, I Have Seen the World Begin: Travels through China, Cambodia, and Vietnam, Harcourt, 2000
Kurt Volkert & T. Jeff Williams, A Cambodian Odyssey and the deaths of 25 journalists, Writer's Showcase Press, 2001
Herbert Paulzen, De Mekong - Een stroom van goud en bloed, BZZTôH 1999
Tim Page, Derailed in Uncle Ho’s Victory Garden , Touchstone 1995
Cynthia Enloe, The Morning After: Sexual Politics at the End of the Cold War, Univ. of California Press, 1993
Nick Ray, Cambodia, Lonely Planet Publications, 2000
James Eckardt, The Year of Living Stupidly - Boom, Bust and Cambodia, Asia Books 2001
Scott Carrier, Running After Antelope, Counterpoint Press 2001
http://www.travelintelligende.com - ‘Hotel Le Royal Phnom Penh’,Caroline Major