Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Can I shoot you outside?

René de Bok


Een oorlogsreporter is een merkwaardig specimen van de journalistieke beroepsgroep. Op de redactie wordt hij niet zelden beschouwd als iemand die niet helemaal goed bij zijn hoofd is. Hij trekt naar oorlogsgebieden waar hij –als het tegenzit- het risico loopt als een hond te worden afgeschoten. Zijn motivatie vloeit voort uit diverse bronnen, en nooit is duidelijk wat daarin overheerst: ijdelheid, het gevoel getuige te zijn van eigentijdse geschiedenis, sensatie? Het is een combinatie van drijfveren, volledig begrijpen zal hij het zelf ook niet. Van de keren dat ik op weg ging, herinner ik me het gevoel van spanning, de bijna koortsachtige nervositeit, een mengeling van weerzin en magnetische kracht, die toenam naarmate ik het oorlogsterrein dichter naderde. In de kist naar de uiteindelijke bestemming zaten maar een paar medereizigers, journalisten, fotografen en een handvol gehaaide businessmen die voordeel zagen in de oorlog. Als ik dan arriveerde op de luchthaven van een land in oorlog, zag ik horden mensen voor de balie vechten om de laatste tickets naar veiliger oorden. Door lege straten reed ik dan met een opvallend zwijgzame taxichauffeur naar het laatste functionerende hotel. Onderweg passeerden we roadblocks, bemand door soldaten met een onvriendelijke, in het beste geval onverschillige uitdrukking op hun gezicht. Het legergroen kleurde het straatbeeld. De confrontatie met de botte, niets en niemand ontziende macht die de oorlog stuurde, was nabij.

Ex-majoor Roberto d’Aubuisson, sleutelfiguur binnen de paramilitaire Salvadoraanse terreurgroep Orden en leider van de ultrarechtse Arenapartij, is begin jaren tachtig van de vorige eeuw het brein achter de doodseskaders die een schrikbewind voeren in El Salvador. In het holst van de nacht slepen ze mensen die ze van linkse sympathieën verdenken, uit hun huizen, brengen hen om, waarna de slachtoffers op vuilstortplaatsen worden gedumpt. Wie is deze Roberto d’Aubuisson? Elke vorm van begrip of tolerantie voor een afwijkend standpunt is hem vreemd. Hij dreigde ooit de gematigde christen-democratische president José Napoleon Duarte als ‘communistische verrader’ aan de hoogste boom te hangen. Als zoon van een Franse immigrant, afkomstig uit een milieu van middenstanders, volgde hij een opleiding aan de US Army School of the Americas, de leerschool van de grootste despoten uit de Latijns-Amerikaanse geschiedenis, zoals Manuel Noriega uit Panama, Hugo Banzer uit Bolivia en Haïti’s Raul Cedras. Hij maakt carrière als hoofd van de inlichtingendienst van de gevreesde Salvadoraanse Guardia Nacional. Zijn invloed achter de schermen groeit wanneer El Salvador verzeild raakt in een burgeroorlog tussen het regeringsleger en de marxistische FMLN (Farabundo Marti de la Liberacion Nacional). In die bloedige strijd sterven in tien jaar tijd bijna zeventigduizend mensen. Onder hen aartsbisschop Oscar Romero, die op 24 maart 1980 tijdens een mis in de kapel van de Goddelijke Voorzienigheid in de kathedraal van San Salvador wordt vermoord. De aartsbisschop had het gewaagd kritiek te leveren op de schendingen van mensenrechten door het leger. Insiders twijfelden niet aan de identiteit van de man achter de aanslag: Roberto d’Aubuisson. De voormalige VS-ambassadeur Robert White had hem al een ‘pathologische moordenaar’ genoemd, volgens de Salvadoraanse christen-democraat Rey Prendes was D’Aubuisson een volmaakte fascist, een man met een simpele visie die een onuitputtelijk geloof koesterde in de louterende werking van kogels, executies en moord.
In de aanloop naar de Salvadoraanse verkiezingen in maart 1982 heersen de terreur van het leger, de Fuerza Armada, en de contraterreur van het gewapende verzet. Vlak voor de verkiezingen zoek ik familieleden van vermisten en vermoorden thuis op. In een achtertuin sta ik voor een houten kruis op het graf van een man die door het leger is doodgeschoten. Ik zie de tranen van de overlevenden en hoor hen zwijgen.
Het leger bezit de ongelimiteerde macht en laat slechts het opgepoetste decor van de democratie overeind. Onder het mom van de strijd tegen het marxistisch gevaar wordt iedereen met sympathie voor links op de afschotlijst geplaatst en uit de weg geruimd. Een van de favoriete dumpplaatsen is El Playon, vijftien kilometer ten westen van San Salvador. Ik dwaal er een week voor de verkiezingen een uur rond, zie de lijken die over de vuilstortplaats verspreid liggen. Tussen het huisvuil, eierdozen, gescheurd karton, ligt een half ontklede jonge vrouw, zonder twijfel verkracht voordat ze werd vermoord, en nog een paar meter verderop een karkas, ook van een vrouw, verminkt door honden die haar lichaam hebben aangevreten. Ik adem gejaagd, en toch vergelijk ik de doden, koel berekenend, wat is het meest schokkende beeld, volgens een macabere esthetica. Terwijl de lijkengeur misselijkmakend is en gieren boven de vlakte rondcirkelen. Als paranimfen van de dood.

Op zondag 21 maart reis ik vanuit San Salvador naar Berlin, een kleine provinciestad honderd kilometer oostwaarts van de hoofdstad. Al aan de rand van de stad zie ik dat Berlin in de ban van de extreem-nationalistische Arenapartij van Roberto d’Aubuisson verkeert. Op het podium waar de militaire kapel militaire marsen aan flarden blaast, staat de man die gouden bergen belooft. Roberto is de verlosser. Het volk juicht na elk slogan. Na afloop probeer ik door de menigte te dringen om de majoor te spreken te krijgen. Hij is in een goed humeur, de juichkreten strelen zijn trots. We gaan een partijkantoortje binnen. Een man met een stetson-hoed staat bij het interview vlak achter me, vinger aan de trekker van zijn junglekarabijn. Ik kijk naar Roberto d’Aubuisson en vraag me af wat ik precies voel op een meter afstand van de leider van de doodseskaders. Hij heeft een jong gezicht, zijn postuur is frêle. Is dit de man die majoor snijbrander wordt genoemd, omdat hij arrestanten met zo’n apparaat tot bekentenissen dwong? De blik in zijn ogen is onrustig, zoekend, wantrouwig. Ligt de waanzin in zijn ogen verscholen? Ik ben voorzichtig, op mijn hoede voor de man die een menigte met een paar woorden in een verscheurend dier kan veranderen, een man die ervan droomt de nieuwe caudillo van El Salvador te worden. Al snel begint hij uit te halen naar zijn politieke tegenstanders. Wie tegenwerkt, moet de gevolgen aanvaarden. “Vandaag bieden wij onze tegenstanders nog de uitgestoken hand aan. Wordt die niet aangenomen, dan zal diezelfde hand de vijand morgen met verwoestende kracht treffen.” Tevreden leunt D’Aubuisson achterover in zijn stoel. Als door een adder gebeten veert hij op als ik hem vraag wat er waar is van de beschuldigingen dat hij het brein is achter de moord op aartsbisschop Oscar Romero. “Ik heb daar niets mee te maken. Luister goed: van enige medeplichtigheid is totnogtoe geen enkel bewijs geleverd. Het is een verkiezingsstunt van de christen-democraten om deze zaak opnieuw aanhangig te maken. Ik daag Duarte en zijn handlangers uit: kom voor de rechtbank met je bewijzen. Dat lukt ze niet. Zelfs de familieleden van padre Romero hebben me hun verontschuldigingen aangeboden voor deze verdachtmakingen.”
Geërgerd door de vraag over Romero beëindigt D’Aubuisson het gesprek en laat zich opnieuw door zijn bewonderaars fêteren. De organisator van de Arena-bijeenkomst spoort me aan om iets te eten. Er zijn volop broodjes en koele dranken. Ik bedank ervoor. Ik denk aan de leuzen van de politici, ik denk aan het front op amper dertig kilometer van de hoofdstad, aan de tot de tanden gewapende kindsoldaten, aan de verloederde prostituees in de arme buurten van San Salvador, ik denk aan de collega-journalisten die net als ik verdwaasd door het oorlogsgebied trekken, op zoek naar bevestiging van hun politieke illusies, en even vaak vervuld van een verbijsterend cynisme. Ik denk aan het lijk op de weg naar de kustplaats El Libertad, waar ik gistermorgen in een taxi bijna overheen reed.
Een paar dagen later zie en hoor ik D’Aubuisson op de Salvadoraanse televisie. Schuimbekkend van woede reageert hij op de beschuldiging van Hollandse journalisten dat hij iets te maken zou hebben met de moord op Romero. Hij bezweert, ontkent, fulmineert. En op de achtergrond hoor ik de yells van Arena: “Patria si, communista no.”
Een tv-team van de Nederlandse omroep IKON dat onder leiding staat van Koos Koster, ondervindt het risico van het journalistiek bedrijf in een land als El Salvador. Een Amerikaanse journaliste waarschuwde me toen ik een week eerder incheckte in het hotel Camino Real in de hoofdstad: “Als je hier één verkeerde beweging maakt, ga je in een plastic zak terug naar Nederland.” In de tweede week van maart 1982 plaatst de regeringsgezinde krant Diario de Hoy op pagina drie een foto van de vier Nederlandse IKON-journalisten. In het bijschrift wordt vermeld dat de journalisten contacten onderhouden met de terroristen van het verzet. De journalisten beseffen dat ze vogelvrij zijn. Maar ze zetten hun pogingen om contact te maken met het verzet door. ‘s Avonds voor hun vertrek ontmoet ik Koos Koster in de bar van het Camino Real. Hij vraagt me of ik geen zin heb om mee te gaan naar de afspraak met het verzet nabij El Paraïso in de opstandige provincie Chalatenango. Ik voel er weinig voor, ik volg liever mijn eigen spoor dan mee te liften met het idee van een ander. Op 17 maart gaat het team op stap. De vier zijn nog maar nauwelijks in heuvelachtig terrein onder het prikkeldraad van een afrastering doorgekropen om de verzetsgroep te ontmoeten of er klinkt een salvo. Koos Koster en zijn team zijn in een hinderlaag terechtgekomen. Een dag later zijn ze heel even wereldnieuws. In een lijkenhuis in San Salvador zie ik hoe ze liggen opgebaard. Met gezwollen nekken. Fotografen storten zich op hen, als hyena’s op kadavers. Opnieuw fungeerden de boodschappers van het nieuws als doelwit. ’s Avonds sla ik met een paar buitenlandse collega’s veel drank achterover omdat de hallucinante werkelijkheid nuchter niet te verdragen valt. Roberto d’Aubuisson reageert niet op de moordpartij. Maar de Arena-partij is opgetogen. Niemand wordt in staat van beschuldiging gesteld, een onderzoek levert niets op. In mei 1984 wordt Roberto d’Aubuisson tot voorzitter van het Salvadoraanse parlement gekozen. In 1993 brengt een speciale commissie wel licht in de hangende moordzaak-Romero. Er is een sluitend en volledig bewijs geleverd dat Roberto d’Aubuisson het bevel gaf om de aartsbisschop uit de weg te ruimen. Hij gaf ook precieze instructies aan leden van de veiligheidsdienst om de moordaanslag uit te voeren. Roberto d’Aubuisson maakte zijn definitieve ontmaskering niet meer mee. Een jaar eerder, op 26 februari 1992 is hij in El Salvador aan kanker gestorven.
De ongerijmdheid van de burgeroorlog wordt levendig geïllustreerd door het surrealistische verhaal over een Amerikaanse filmploeg die op het platteland van de door FLMN-rebellen beheerste provincie Morazan bij mensen aanbelde met de vraag of ze opnamen van de familie mocht maken. Liefst buiten. Een lid van de filmcrew zei tegen de vrouw die de deur opende: “I wanna shoot your family outside.” Daarop smeet de vrouw in paniek de deur dicht, om met haar kinderen via de achtertuin de bergen in te vluchten. Ze had de boodschap iets te letterlijk genomen.



Sommige oorlogen zijn geluidloos, ze braken geen hel en verdoemenis, maar vreten zich langzaam een weg door de ziel van een volk. Zoals in Zuid-Afrika toen de niet-blanke bevolking nog zuchtte onder het apartheidsregime. Toen ik in augustus 1985 naar Zuid-Afrika reisde, leek de Zuid-Afrikaanse president Pieter Willem Botha voor een historische beslissing te staan: zou hij het apartheidssysteem strikt handhaven of niet? Het land gold als een paria in de wereld. De onrust nam hand over hand toe, en de zwarte bevolking begon langzaam te beseffen dat het apartheidinstituut van de aartsconservatieve Hendrik Verwoerd serieus wankelde.
Ik breng in de laatste week van augustus twee dagen en nachten door in het zwarte getto Soweto. Illegaal, want het is blanken uitdrukkelijk verboden daar zonder waakhond van de regering rond te lopen. Officieel logeer ik in het Rosebank-hotel in Johannesburg; ik heb daar het vertrouwen gewonnen van Joe, een zwarte gerant die elke nacht na zijn dienst terugkeert naar zijn huis in Soweto. Hij nodigt me uit om een paar dagen op zijn adres door te brengen om de stemming te proeven onder het zwarte verzet in het getto. Het worden een paar zenuwslopende dagen en nachten, met emotioneel geladen nachtelijke gesprekken met Joe’s vrienden over de harde praktijk van de discriminatie, de frustraties, het geweld dat altijd op de loer ligt. En de hoop dat er ooit iets verandert, het vertrouwen in de integriteit van Nelson Mandela. De agressie huist ook in de clandestiene zwarte cafés, de shabeens, waar ik ‘s nachts onder bescherming word geduld. Joe zegt: “Hou je rustig, zeg niets, val niet op. Eén verkeerde beweging en de stemming kan omslaan, ze maken je af voor niks. Mensen hebben hier niets te verliezen, ze zijn radeloos. Maar in mijn buurt ben je veilig. Dat hoop ik tenminste voor je.” Ik vraag me af wat de toekomst voor dit menselijk wrakhout inhoudt, voor mensen die meer ellende hebben beleefd dan ik in al mijn nachtmerries bij elkaar kan dromen.

Een paar dagen later krijg ik een nieuw inzicht in de stille oorlog. Ik laat me afzetten in de buurt van het zwarte getto Alexandra, niet ver van Johannesburg. Vanuit de taxi zie ik een rookkolom en ik wil even kijken wat er aan de hand is. Als hij op de Pretoria Main Road links afslaat, zegt de taxichauffeur: “Ik zet je aan het eind van de straat af. Je zoekt het verder maar zelf uit. Ik wacht hier op je.” Ik stap uit en ga op de rook af. Via een parkje en de speelplaats van een gesloten school kom ik in een nauwe straat met geblakerde huizen. Wie kan hier leven, vraag ik me af. Verderop zie ik twee auto’s op hun kant liggen. Ze branden als fakkels. In het schijnsel van de vlammen zie ik jongens van dertien, veertien jaar, niet ouder. Ze schreeuwen als de auto’s exploderen. Een paar seconden later zien ze mij. En ineens keert de agressie zich tegen mij. Vanuit drie, vier verschillende holen word ik met stenen bekogeld. Ik draai me op en begin te rennen. Instinctief vind ik de straathoek terug waar de taxichauffeur me heeft afgezet. Maar hij is spoorloos verdwenen. Ik loop in paniek een zijstraat in. Dan stopt een witte Mercedes naast me. Een zwarte Zuid-Afrikaan in een duur kostuum draait zijn portierraampje open en zegt met meewarige glimlach: “Stap in, dat had je je kop kunnen kosten.”

Op een zondagmorgen zit ik op een koffiekransje van de dominee van de Nederduitse kerk in Kaapstad. De dominee sprak tijdens zijn preek bijbelse woorden over vrede en verdraagzaamheid. Maar bij de nazit in de smetteloze woonkamer van de dominee laten enkele dames uit zijn vriendenkring een ander geluid horen. Een van hen zegt: “Zwarten zijn wilde dieren. Ze moesten hen allemaal naar het Krugerpark sturen.” Een man in een krijtstreepjespak zegt: “Er is al zoveel veranderd. Als ik vroeger een zwarte tegenkwam op het trottoir, deed hij een stap opzij en ging van het trottoir af. Dat zie je niet meer.” Het wordt me na een tijdje te machtig en als ze me naar mijn mening over de Zuid-Afrikaanse toekomst vragen, laat ik mijn kans niet voorbijgaan en ik zeg: “Al is de blanke nog zo snel, de zwarte achterhaalt hem wel.” Het is een reactie op de hooghartige, discriminerende houding van de blanke minderheid tegenover de zwarte meerderheid, waarvan ik al weken getuige ben. Ik denk aan de blanke villa’s aan de kust en de krotten van Crossroads, de wanhoop en uitzichtloosheid waarmee het grootste deel van het Zuid-Afrikaanse volk dag in dag uit wordt geconfronteerd.
Het dameskransje is sprakeloos na mijn oververhitte oneliner. En dat bevalt me een stuk beter. De blanke dominee Trevor Graham die zich het lot van de zwarten aantrekt, zegt tegen me: “Tien jaar geleden kon de politie hier in Crossroads nog het getto binnentrekken en een paar mensen doodschieten, dan was het weer rustig. Nu zijn de mensen echt bereid om zware offers te brengen om hun kinderen een beter leven te geven dan zij hebben gehad.”
De zaterdag daarop wordt een achttienjarige jongen begraven in Guguletu, een township nabij Kaapstad. Hij is bij een demonstratie door een politiekogel om het leven gekomen. Als ik de weg naar Guguletu insla, zie ik dat de doorgang naar het township met pantserwagens is gebarricadeerd. Soldaten staan ernaast met kille gelaatsuitdrukking. Een groep zwarte dominees nadert de afzetting, met opengeslagen bijbel in de hand. De commandant van de ordetroepen heft zijn arm en houdt de groep tegen. “Als u verdergaat, overtreedt u de wet. Op gezag van hogerhand zeg ik u dat u geen toegang hebt tot Guguletu.” De dominees wandelen onder aanvoering van Allan Boesak, de 38-jarige zwarte leider, onverstoorbaar verder. Als een cordon militairen hun opmars stuit, knielen en bidden ze. Maar ook dat nederige protest wordt niet getolereerd. De hele groep wordt opgepakt en afgevoerd naar een politiebureau in de buurt. Nog diezelfde dag worden ze vrijgelaten na betaling van een borgsom. Een week later komt de zaak voor. Als ik Allan Boesak bij die gelegenheid aanschiet, zegt hij: “We beleven de nadagen van de apartheid. Natuurlijk is een systeem dat zo rot is, ten dode opgeschreven. In de slotakte van het drama komt de ware aard naar boven. Met alles dat in hun vermogen ligt, klampt de blanke elite zich vast aan de macht. Snel zal blijken dat een stelletje misdadigers indertijd aan de macht is gekomen. De politiemannen die ons hebben gearresteerd, hebben bloed aan hun handen.”
De raciale moorden die in die periode overal in Zuid-Afrika worden gepleegd, tonen aan dat de geest van de apartheid niet zomaar verdwijnt. Ik ben begin september 1985 aanwezig bij een rechtszitting in het Zuid-Afrikaanse Krugerdorp, een plattelandsgemeente waar de raciale scheiding nog onverminderd geldig is. Vier blanke jongens van nog geen twintig staan er terecht omdat ze een zwarte man en vrouw in een auto hebben overvallen. Ze hebben de jongen zwaar verwond, het meisje verkracht en de auto in brand gestoken. Het meisje kwam in het vuur om. Haar vriend bracht het er levend vanaf en is op de zitting aanwezig. Ik ben verbijsterd over wat ik zie en hoor. De verdachten leunen gemakkelijk achterover in de verdachtenbank, kauwgum kauwend; ze maken grappen en wisselen verhalen uit met hun familieleden. De vragen van de rechter beantwoorden ze niet of met arrogante desinteresse. De vriend van het vermoorde meisje wordt als een verdachte behandeld. Zijn verklaringen worden door de verdachten op hoongelach ontvangen. De rechter laat dit alles toe, ik maak me geen illusies over de strafmaat. Het zegt iets over het diepingewortelde karakter van de apartheid. Ik heb begrip voor de stille oorlog die de zwarten tegen de blanke suprematie voeren. We hebben als journalisten veel uit te leggen, er staan veel woorden tot onze beschikking, maar er is een schrijnend tekort aan betekenissen.



Drie jaar eerder, op 5 juni 1982, vallen Israëlische troepen langs een gesloten front Libanon binnen. De operatie Vrede voor Galilea zal, zo vertelt premier Menachem Begin, het noordelijke Israëlische gebied dat aan Libanon grenst in het vervolg ‘vrijwaren van nachtelijke raids en bombardementen van Palestijnse terroristen’. De strateeg van Begins offensief is een man die zich tot een van de meest gevreesde tegenstanders van de Palestijnen heeft ontwikkeld: Ariël (Arik) Sharon. De gelauwerde held van de Zesdaagse Oorlog en het armageddon van de Yom Kippoer-oorlog, die hem het imago van pantservuist hebben bezorgd. Hij woonde jaren in Oost-Jeruzalem, dat een overwegend Arabische populatie heeft. De confrontatie met zijn gezworen vijand schrikt hem niet af. Integendeel. Steeds verder rukt Sharons leger op naar het noorden. Het kabinet-Begin lijkt eerder apathisch toe te zien dan te handelen. De generaal heeft het heft in eigen handen genomen. In juli 1982 vallen zelfs de meest goedgelovigen de schellen van de ogen. Sharon is met zijn definitieve afrekening begonnen. Hij wil de PLO eens en voor altijd van de aardbodem laten verdwijnen. Eind juli zijn de Palestijnen teruggedrongen tot West-Beiroet, tot in hun laatste wijkplaatsen in kampen als Bourj’ el Barajneh, Bir Hassan, Sabra en Chatila. Er is nog maar een optie: een vertrek van de PLO-strijders uit Beiroet.

Om een reportage te maken over de Palestijnse uittocht vertrek ik in de laatste week van augustus 1982 in alle vroegte met een huurauto uit Tel Aviv naar Beiroet. Onder aandrang van de Israëlische persdienst in Beit Sokolov word ik vergezeld door een Israëlische reserve-officier die zich in het militair hoofdkwartier in Ba’abda in Beiroet moet melden voor de actieve dienst. Mosje Levi is een man van een jaar of veertig, kalend, met gladgeschoren kaken, een gezinshoofd in Tel Aviv. Hij is gewapend met een uzi die ons in geval van nood enige veiligheid biedt. We rijden op donderdag 26 augustus Tel Aviv uit in noordelijke richting. In het grensgebied tussen Israël en Libanon assisteren VN-soldaten bij de controle, maar de Israëliërs delen er de lakens uit. Soms rijden we in colonne met Israëlische militaire trucks, soms urenlang alleen. Om de stemming erin te houden vertelt Mosje me op welke plaatsen nietsvermoedende automobilisten in een hinderlaag terechtkwamen en van de weg werden geschoten.
Tegen halfzes in de vooravond bereiken we Beiroet. De metropool die ooit door luxe en frivoliteit werd gekenmerkt, ligt aan scherven. Rue Hamra, ooit een drukke winkelstraat, is met vergrendelde winkeldeuren en gesloten luiken nog maar een schim van vroeger. Ik meld me bij het militair perscentrum in Ba’abda in Oost-Beiroet. Ik heb een verblijf van drie tot vier dagen gepland. In Beiroet-centrum is geen hotelkamer meer te krijgen. Het Commodore-hotel waar ik in eerdere jaren een onderkomen vond, is al wekenlang volgeboekt. Dus ben ik afgezakt naar het Maronietenkwartier in Oost-Beiroet. “Maar let wel op de sluipschutters”, waarschuwt de Israëlische persvoorlichter. Een advies waar je weinig voor koopt, want het hinderlijke van sluipschutters is dat je ze niet ziet, zeker niet als je in een auto rondrijdt. Een Israëlische huurauto is wel een ideale schietschijf in Beiroet, maar ik heb weinig keus.
Mosje, de reserve-officier, komt me bij Ba’abda ophalen. Hij stelt voor om naar Junieh te gaan, langs de kust naar het noorden. Junieh is een bekend uitgaanscentrum, waar je in betere tijden in goede restaurants met uitzicht op zee kon eten. De beste Libanese rode wijnen kwamen dan op tafel, zoals de Musar uit de Beka-vallei.
Een uur later zitten we in zo’n restaurant aan zee. Maar het is er stil. Een paar Libanezen zitten in een hoek, ze fluisteren. Op zeker moment hoor ik rumoer. Een paar legervrienden van Mosje zijn binnengekomen. Ze voegen zich bij ons aan tafel. Na een paar flessen bier en nogal wat stuitende anti-Arabische grappen vragen ze een lift naar hun kazerne bij Ba’abda. Even later zit ik met drie Israëlische militairen, soldaten van Sharon, opgezadeld. Ze houden hun wapens tussen de knieën geklemd. Een van hen heeft een tic, continu spant en ontspant hij zijn wapen, brengt zijn patroonhouder aan en haalt hem er weer af. Het is om gek van te worden. Ik zeg niets. Zelden heb ik me in het gezelschap van militairen zo onveilig gevoeld. Langs een uitvalsweg richting Beiroet staat een meisje te liften. Ze heeft kort haar en is zeker geen hoerig type. Maar de soldaten joelen en roepen tegen me dat ik moet stoppen om haar mee te nemen. Ze vraagt of ik naar Beiroet-centrum rijd. Ik zeg: “Ba’abda”, ze stapt in. Even later houden we halt bij een wegcafé voor een laatste drink. Het meisje is zwijgzaam, ze zegt dat ze Raimunde heet en van Jemenitische origine is. Ze reageert niet op de provocaties van de soldaten. Weer in de auto vervolg ik de weg naar Beiroet, het is nog maar een kilometer of tien, en ik zal blij zijn als ik mijn lading heb gelost. Voordat we de buitenwijken van Beiroet binnenrijden, geeft het meisje mij een teken om te stoppen. Ze is misselijk geworden van die paar glazen wijn en moet overgeven. Ik stop bij een bosje. Ze stapt uit de auto en ik wacht. Op dat ogenblik springen twee soldaten uit de auto en ik hoor het spannen van de wapens. De reservist voegt zich bij hen. Ook ik spring uit de auto en bijt de reservist toe: “Wat gebeurt er in hemelsnaam?!” ”We’ll finish her off”, zegt hij gejaagd. En sist tussen zijn tanden door: “Je kunt geen risico’s nemen; het is een bekende truc. Ze gaat die bosjes in, pakt een handgranaat uit haar handtasje en gooit die in onze auto. Dan gaan we d’r allemaal aan. We maken haar gewoon kapot”. Dat alles gebeurt in enkele seconden tijd. Ik ben verbijsterd. Door mijn geschreeuw en wilde gebaren raken de soldaten even in verwarring. Het meisje komt terug, ze heeft overgegeven en gaat weer in de auto zitten. Ze zegt niets, alsof het niet is gebeurd. Terwijl het haar niet ontgaan kan zijn wat de soldaten van plan waren. Ik ben nog altijd geshockeerd door het voorval. Hier telt een mensenleven minder dan de prijs van een kogel. En ik besef weer eens dat wij in het Westen een ongekend luxebestaan leiden. Al onze dagelijkse zorgen zijn klein bier vergeleken met het bestaan in een land waar de dood als een schaduw volgt.
Nadat het meisje in Beiroet is uitgestapt en uit het zicht is verdwenen, zegt de reserve-officier, met het cynisme van de oorlogsveteraan. “Als jij er niet tussen was gekomen, was ze nu kapot geweest. That’s life in war. Wat betekent één mensenleven meer of minder als het om je eigen leven gaat?” Ik hoor een van de soldaten achter in de auto iets in het Hebreeuws mompelen. Ik versta het niet. Later vraag ik Mosje wat hij heeft gezegd. “Niet veel”, zegt hij, alleen: “fucking journalist”. Het is mijn eerste directe ervaring met de soldaten van Sharon. Ze spiegelen zich aan de generaal die over lijken gaat. Het maakt me nieuwsgierig naar de inspirator van deze oorlogsmentaliteit.

Na weken van onderhandelingen heeft de Amerikaanse onderhandelaar Philip Habib een evacuatieplan voor de in het nauw gedrongen PLO opgesteld waarmee zowel Israël als de Palestijnen akkoord gaan. D-Day, departure day, is vastgesteld op zondag 29 augustus. Ik zwerf die dag door het havengebied van Beiroet, tussen de massa vertrekkende PLO-strijders. Ze maken er een demonstratie van, schieten in de lucht en zwaaien wild met hun machinegeweren. Zo heeft de Palestijnse aftocht eerder iets van een triomf dan van een vernedering.
Als de zon ondergaat en de Palestijnen met de St Georgios en de Atlantis richting Athene zijn vertrokken, sterft het rumoer in Beiroet langzaam weg. Het mitrailleurvuur stopt, het artilleriegeschut zwijgt. In het hoofdgebouw van elektriciteitscentrale in Beiroet staat Ariël Sharon enkele journalisten te woord. Ik heb hem al eens eerder gezien, maar nu hij voor me staat, word ik getroffen door de massieve gestalte en de forse kin. Ik vermoed dat de generaal je een hand geeft die je nooit meer vergeet, maar dat valt tegen. Eigenlijk geeft hij maar een slap handje. Dat contrasteert met de martiale blik en de spijkerharde taal. Hij zegt, terwijl hij me strak aankijkt: “Het vertrek van de PLO uit Beiroet is een grote overwinning op het internationale terrorisme. D-Day in Beiroet is een dag die men zich later zal herinneren als een vernietigende klap voor de Palestijnen.” Ik zeg tegen hem: “Hoe moet het nu verder met Libanon? Beiroet heeft zwaar geleden onder de Israëlische operatie. Het burgerlijk bestuur heeft geen gezag meer in eigen land. Als u straks vertrekt, laat u een puinhoop achter.” En dan blaft hij me toe: “Acht jaar zeg ik u, acht jaar is Libanon een staat geweest die door terreur werd geregeerd. U hebt zich als media nooit verzet tegen de misdaden van de PLO en tegen de misdaden van de Syrische legers. Wie zei er ooit iets over de moordpartijen en de verkrachtingen? Wie zei er ooit iets over het terrorisme dat duizenden doden heeft gekost? ! Wie hielp ons? Niemand. Wij hebben het zelf opgeknapt. Omdat er een eind aan de terreur moest komen. Wij weten wat het betekent omringd te worden door moordenaars!!!”
Ik raak steeds meer in het twistgesprek met Sharon verstrikt en zeg: “Uw aartsvijand Arafat is vandaag uit Beiroet vertrokken. De Arafat die ik ken, zal niet rusten voordat hij zijn idealen heeft verwezenlijkt.”
Sharon antwoordt op hoge toon: “De ambities van Arafat zijn vandaag de bodem ingeslagen. Hij is machteloos. En denk niet dat wij hem met rust zullen laten. We zullen hem tot de uithoeken van de wereld achtervolgen. Hij zal nooit meer één rustig uur hebben.” Ik repliceer: ”Ik denk dat Arafat of zijn opvolger ooit zijn ideaal zal realiseren: de vestiging van een Palestijnse staat.” Waarop Sharon mij, bijna schreeuwend, laat weten: “Reken daar niet op. Zolang ik leef zal ik dat verhinderen.”
Het fanatieke gezicht van de oorlog. Ariël Sharon staat op. Het korte gesprek heeft naar zijn zin al te lang geduurd. Kort daarna verlaat hij het elektriciteitsgebouw, omringd door zwaarbewapende militairen en vierkante bodyguards. Zo zeker zijn de Israëliërs niet van hun zaak in Beiroet, denk ik. De volgende morgen vertrek ik uit deze voormalige parel van de Levant. Ik laat de stad achter me en kijk naar de gehavende skyline. Een colonne Israëlische tanks tekent zich als een dreigend silhouet tegen de horizon af.
De operatie Vrede voor Galilea heeft een boemerangeffect gehad. Zowel in Israël als in de westerse wereld is de indruk ontstaan dat Sharon in Beiroet zijn doel is voorbijgeschoten. Maar de nasleep zal nog slechter voor Sharon uitpakken. Nog geen maand na de evacuatie van de PLO-strijders dringen falangistische milities met stilzwijgende toestemming van het Israëlische gezag de Palestijnse kampen Sabra en Chatila binnen en richten er een bloedbad aan onder een kleine duizend weerloze Palestijnen, vooral vrouwen en kinderen. Generaal Ariël Sharon wordt verantwoordelijk gesteld voor de slachting.

En waar bevindt de oorlogsreporter zich? Hij observeert, staat machteloos terzijde en ziet toe hoe de geschiedenis een loopje met hem neemt, niet alleen met zijn van God gegeven informatieplicht maar vooral met zijn kleine, fragiele illusies.

 

© René de Bok