![]()


|
 |
De zelfmoordterroriste, haar geloof en haar techniek
Frank Adam
Klaas Verplancke (illustraties en cover)
De zelfmoordterroriste, haar geloof en haar techniek is de negende
confidentie uit de reeks Confidenties aan een ezelsoor die
maandelijks in De Standaard Magazine verschijnt. Frank Adam en
Klaas Verplancke laten daarin telkens een door zorgen gekweld personage
passeren langs de stal van een éénorige ezel.
De ezel was als pacifist geenszins onderlegd in de wetten van de
granaatkunde, maar had als doe-het-zelver voldoende notie van
elektriciteit om te vermoeden dat de vrouw die hem haar halfnaakte, met
explosieven gedrapeerde torso liet zien, geen vertegenwoordigster in
kerstverlichting was.
Toen zij ook nog een koordje tevoorschijn toverde, het uiteinde vaardig
en vlot om haar wijsvinger wond en het strak trok met de woorden ‘Je
krijgt dertig seconden de tijd om te antwoorden op de vraag!’,
evolueerde zijn vage vermoeden al vlug naar de stellige zekerheid dat
hij oog in oog stond met een professionele zelfmoordterroriste.
Prompt namen zijn emoties het commando over zijn lijf van zijn hersens
over, en met de snelheid van een reflex zaaiden zij angst en
ontreddering in zijn hele zijn.
‘Ik heb… de vraag niet helemaal begrepen,’ hakkelde hij.
‘De vraag is,’ riep de zelfmoordterroriste, ‘Geloof je of geloof je
niet?!’
‘Veronderstel,’ zei de ezel met een afwerend gebaar, ‘dat iemand daar
“nee” op antwoordt, wat gebeurt er dan?’
‘Dan arriveert hij vandaag nog in de hel!’
‘En wat als hij kiest voor “ja”?’
De zelfmoordterroriste knipperde met haar ogen en haalde haar schouders
op.
‘Niets.’
‘Wat?’
‘Dan gebeurt er niets.’
‘Is dat niet wat onbillijk?’ vroeg de ezel zich in alle ernst af. ‘De
slechten gestraft in de hel, daar valt iets voor te zeggen. Maar de
goeden, verdienen die niets béters dan… níets?’
‘Ik ken jouw soort,’ zei de zelfmoordterroriste hoofdschuddend. ‘Jij
bent weer zo’n verwaande intellectueel die tijd probeert te winnen. Maar
daar trap ik niet in. Jij behoort tot het slag dat zich overal buiten
waant. Jij bivakkeert op de rand van de dag. Jij leeft buiten het leven.
Jij bekijkt jezelf in de spiegel, terwijl je redevoeringen houdt over
het gat in de ozonlaag, over armoede in verre streken, over
overstromingsgevaar bij de beek in het veld om de hoek. Je geeft
interviews over jezelf en de wereld, waarin je uitlegt dat op de keper
beschouwd alles betrekkelijk is. Je begint over de dood, omdat dat in de
mode is, omdat je postmodernistisch bent, of omdat je kickt op rituelen.
Je neemt het woord dood in de mond als een snoepje, als een hapje op een
receptie, omdat je de dood nog nooit echt hebt geproefd, omdat je niet
weet wat dat is!’
‘U moet heel wat hebben meegemaakt,’ zei de ezel zacht. ‘Ik kan mij
voorstellen hoe u zich voelt.’
‘O ja?!’ riep de zelfmoordterroriste uit, ‘weet je dan hoe het wérkelijk
voélt, meneer de mannelijke intellectuele ezel, als ongelovige zwijnen
je verkrachten met een revolver in je keel. Zodat je kokhalst van
ellende. Terwijl je kind moet toezien en zwijgen, maar het toch niet kan
laten om het uit te schreeuwen. Dus als die revolver wijkt uit je mond,
dan doet hij dat enkel om zich te richten op je kind. Je kind dat ineens
je kind niet meer is. Want het leven, die miljarden gedachten die anders
zo speels weerkaatsen tegen de binnenkant van zijn kinderschedel, gulpt
nu naar buiten in een sierlijk fonteintje van bloed. Miljarden flarden
dode gedachten verdampen naast je man die daar ook ligt, geslacht. Alles
wat je een heel leven vurig hebt liefgehad, is in een paar minuten
herleid tot twee stapeltjes lauw vlees. Wat weet jij van voelen, meneer
de ezel?! Dus zeg mij nu eindelijk, voor eens en voor altijd, geloof je
of geloof je niet?! Je laatste dertig seconden gaan nu definitief in!’
‘Maar… ik heb niets gedaan?!’ riep de ezel uit.
‘Daar gaat het precies om!’ krijste de zelfmoordterroriste, ‘dat je
niets doét! Iemand die gelooft - in Iets Hogers, of Iets Anders, of Iets
Beters - kan niet lijdzaam toezien. Kan niet verdragen dat het Kwaad
altijd en overal zomaar kan doen wat het doet! Twintig seconden!’
‘Goed, goed, ik geloof!’ riep de ezel.
‘Dat is niet genoeg! In wie of in wat geloof je dan? Vijftien seconden!’
‘Eu-eur… is zoveel. Kunt u niet een paar voorbeelden geven?’
‘Tien!…’
‘Ik kan zo niet denken,’ jammerde de ezel, ‘als u zo telt!’
‘Je moet niet denken, maar geloven! Vijf!’
‘Het komt!’ riep de ezel. ‘Wacht!’
‘Drie!’
‘Ik geloof in… in…!’
‘Te laat!’
Eén ogenblik voelde de ezel echt lijfelijk hoe zijn kop zich losscheurde
van zijn romp en als een komeet in een baan om de stal werd gebracht,
maar toen hij even later zijn ogen opende en zag hoe de
zelfmoordterroriste vruchteloos aan haar touwtje bleef snokken, stelde
hij vast dat alles aan zijn lijf nog altijd op de oorspronkelijke plaats
zat.
‘Is er een probleem?’ informeerde hij.
‘Wat?’
‘Een defect of zo?’
‘Blijf waar je bent!’ riep de zelfmoordterroriste.
‘Als u mij het eens laat bekijken,’ stelde de ezel voor. ‘Ik heb mijn
hele stal van elektrische leidingen voorzien.’
De zelfmoordterroriste aarzelde, maar hield haar hand achterdochtig voor
zich uit.
‘Volgens mij,’ zei de ezel, terwijl hij voorzichtig naar de voering van
haar mantel wees, ‘zijn er twee circuits verkeerd verbonden. Rood, zie
je, hoort in elektriciteit normaal gezien bij rood, en blauw bij blauw.
In techniek hoef je echt aan niks te twijfelen. Gelooft u me, of gelooft
u me niet?’
De zelfmoordterroriste knipperde met haar ogen. Tientallen variaties van
onzekerheid flitsten voorbij in haar blik.
 ©
klaas verplancke
‘Jouw techniek is míjn techniek niet! ?!’ schreeuwde ze tenslotte, toen
haar ogen op woede sprongen. De hooghartige grijns die daarop volgde,
liet zien dat ze haar oude zelfvertrouwen inmiddels terug had gevonden:
‘Dat zou je wel willen, hè?! Dat ik mezelf door jouw leugens de lucht in
blaas?!’
En even snel als ze haar bovenlichaam aan de ezel had ontbloot, sloeg ze
haar mantel weer dicht en beende weg.
Een week later prijkte de zelfmoordterroriste met haar foto op de
voorpagina van de krant. Ze zag eruit als een vredig, gezellig
marktplein dat door een mysterieuze explosie zonet was veranderd in een
bloederig non-figuratief schilderij.
Bij het bekijken van de foto herinnerde de ezel zich een ogenschijnlijk
onbeduidend voorval van de dag voordien, waarvan de diepere zin hem nu
pas duidelijk werd. Hij had thee ingeschonken en een paar minuten
mijmerend in zijn kopje gestaard toen er zich ineens, als vanuit het
niets, enkele concentrische cirkels aftekenden in het dampende
rimpelloze oppervlak van de thee. Het schoteltje eronder had ook even
getrild, en vanuit het dorp verderop had een doffe knal weerklonken,
alsof iemand daar een reusachtige kastanje pofte op een Bengaals vuur.
‘Ja, ik geloof,’ dacht de ezel, terwijl hij de foto uitknipte en
zorgvuldig in zijn gastenboek plakte. ‘Ik geloof in geloof.’
|
|