


|  |
Ramón López Velarde
(vertaling: Stefaan van den Bremt)
Ik breng je hulde in afgrijzen
Omdat je stem me baden laat in klamme stoom,
en jij mijn ogen, die Hein met de zeis tot loon
strekken, de doodskist onbedekt laat gadeslaan,
omdat je rode mantel me genot bereidt
dat blauwbekt en gehuld in paars ornaat wil gaan
voor met de weerhaan het postume ontij schreit,
omdat door jou zich nog tegen de Dood verzet
de energieke nek van ’t dappere skelet,
nochtans het ijzer van de wurgpaal voorbestemd,
breng ik je hulde in afgrijzen voor ’t wulpse bed
van toverkol, dat jouw gezicht uitzinnig plet
op ’t scheenbeen dat jij nog als hoofdkussen omklemt;
en ook, Geliefde, omdat mijn bloed jou uitverkoren
heeft, nu het leven, stuiptrekkend als nooit tevoren,
over de afgrond nog een loopbrug werpt voor twee,
bedek ik je met hete zoenen die in vrome
rijen een liederlijk doodskoppenkleed afzomen,
als in erotisch domino een loopse steen.
|