Het inktzwarte universum van Gust Gils I Gezien of niet de wereld, om het even: het is niets. Aan het einde van de jaren zestig en in de jaren zeventig gebruikte Gust
Gils in zijn poëzie zeer regelmatig beelden en ideeën die ontleend of
verwant zijn aan science fiction. In die tijd stond de ruimtevaart; met de
eerste bemande maanreis in 1969, sterk in de belangstelling, waarmee het
leven zelf zich leek uit te breiden in de richting van science fiction. Maar
Gils’ sciencefictiongedichten gaan slechts zeer gedeeltelijk over
ruimtereizen. Sciencefictionschrijvers als Ray Bradbury en Kurt Vonnegut,
die Gils graag las, vormden een bron voor ideeën, evenals schrijvers die
niet direct tot science fiction gerekend worden, maar wel verwante
onderwerpen kozen, zoals William Burroughs en H.P. Lovecraft. Omdat de
beelden waarmee Gils werkte enerzijds zeer archetypisch zijn en hij ze zich
anderzijds volledig toeeigende, heeft het weinig zin ze te herleiden tot hun
oorsprong. Dat is althans niet de bedoeling van dit essay. Ik wil nagaan wat
de functie van sciencefictionbeelden was binnen zijn specifieke poëtica,
waarom ze hem aantrokken en waarom ze enkele van zijn meest effectieve en
beklijvende gedichten hebben opgeleverd. DE SLINKSE RUIMTEVAARDERS De strijd om de ruimte, die voor de Verenigde Staten en de Sovjetunie epische proporties had, wordt hier teruggebracht tot een kleinzielige, achterbakse ruzie. Dankzij de gigantische patat en het labeur van de boer heeft het gedicht eerder een Vlaams karakter gekregen. De wolken aardappelstoom vormen een effectieve fade-out.
Gust Gils koesterde al vanaf het begin van zijn loopbaan, bij de oprichting van gard sivik, een diep wantrouwen tegen het algemeen aanvaarde beeld van de werkelijkheid. Hij heeft geschreven over gard siviks “weerbarstige instelling, een geestelijke houding die weigerde geïmponeerd te worden door het rasionele, logiese, vaststaande, kauzale, die er niet voor terugschrok het een en ander op losse schroeven te zetten, en eventueel wankelen graag op de koop toe nam”.5 Die houding gold bij uitstek voor Gils zelf.
Science fiction bevindt zich op een interessant kruispunt tussen onwerkelijkheid en de pretentie van geloofwaardigheid. Ze probeert de onwerkelijkheid met realistische middelen te beschrijven. De schrijvers besteden veel aandacht aan de wetenschappelijke fundering en rationele opbouw van hun verhalen. Gils gebruikt de clichés uit science fiction juist om duidelijk te maken dat elke pretentie van “naar het leven optekenen” volgens hem voos was. In ‘het reglement van inwendige wanorde’, één van Gils visioenen van de totalitaire staat, blijkt dit reglement een wezen dat zich op stelten heeft geparkeerd op een plek waar dat door de staat verboden is. De machten van de orde, “brandweer en milisie” proberen het wezen te doden, maar slagen daar niet in. Want “wat inwendig zó wanordelijk / op stelten staat” blijkt voor de orde onaantastbaar.7 Net zo hoopte Gils dat de fictie van zijn gedichten een verdedigingslinie was die hem zou beschermen tegen de ratio van wat men doorgaans als werkelijkheid aanneemt. Hij versterkte die linie met zoveel mogelijk stevig geconstrueerde wanorde. Gils blinkt uit in het oproepen van een gelaagd soort vervreemding. Hij gebruikt geen vervreemdingseffecten, hij stapelt vervreemding op vervreemding, hij vlecht de ene soort vervreemding door de andere, met een nuchterheid die toch voortdurend het alledaagse suggereert. Het is bijzonder moeilijk de vinger te leggen op het moment van vervreemding. Meestal ligt dat al vóór het gedicht. Als Gils begint met schrijven is de werkelijkheid al onherroepelijk vervormd. Misschien is het de reden dat hij schrijft. Aan de andere kant is vervreemding zo’n onlosmakelijk onderdeel van Gils’ wereld dat het de vraag is of hij die op alle niveaus bewust toepaste. Waarschijnlijk gunde hij vervreemding een rechtmatige plaats in zijn poëzie, net als het onderbewuste, het irrationele, het absurde. Waar science fiction de lezer meestal prikkelt met de spanning van het nieuwe, gebruikt Gils de verwarring van het vreemde. VAN DRIE ZWEREN Een absurd kleine planeet waarop leven voorkomt. Een sciencefictionverhaal dat verteld wordt als een sprookje. Grote helderheid in combinatie met volslagen onzin. Buitenaardse wezens die heel herkenbaar zijn. Zelfstandig opererende, logisch redenerende, zelfs intelligente zweren. En natuurlijk: logica die rechtstreeks naar de ondergang leidt. Een van de meest diepgaande, ondoorgrondelijke vervreemdingen is die van het lichaam, of die tussen lichaam en geest, een thema dat bij Gils vaak terugkomt. In science fiction krijgt dit soort vervreemding vorm in de figuur van de cyborg, de met hardware en soms zelfs software verrijkte mens die langzaam zijn menszijn opgeeft in ruil voor technologische perfectie. Bij Gils is de cyborg niet in zuivere vorm terug te vinden. Hij heeft slechts enkele pogingen beschreven om de mensheid te verbeteren. Hij lijkt het geen nastrevenswaardig project te vinden. In ‘zonder indiscreet te lijken’ verzegelen “sommige mensen (we noemen geen namen)” hun anus “met een glazen schroefstop / voorzien van een gloeilamp die gaat branden / als het donker wordt”. Gils waarschuwt ze voor de gevolgen als ze zouden willen gaan zitten.9 Subtieler en indringender is de dreiging in de ‘elegie van de levende gebitten’. Gils vertelt ons dat “de gouden eeuw van hun triomf” voorbij is, terwijl wij haar niet eens kennen. Ze moet dus ver in de toekomst liggen. Het suggestieve, gruwelijke beeld van “een mond zonder tong, een mond zonder kop” is voor hem slechts reden tot weemoed. ELEGIE VAN DE LEVENDE GEBITTEN Deze uiteenlopende manieren om de ratio aan te tasten hadden vanzelfsprekend consequenties voor zijn manier van dichten. Omgekeerd kan zijn manier van naar de wereld kijken ook een gevolg zijn geweest van zijn dichterlijke praktijk. Hij stelde dat, in vergelijking met proza, waarbij “het denken het doen vooraf” gaat, bij poëzie “de volgorde van nature omgekeerd is”. Gils was geen dichter die van tevoren wist waar zijn gedichten hem heen zouden voeren. Hij werkte vanuit het onverwachte inzicht, de plotselinge vonk, een beeld, een zin, een idee, en schreef tot het gedicht af was. Hij vond: “voor de dichter valt inspiratie prakties samen met uitvoering”. Dat gold voor hemzelf waarschijnlijk meer dan voor andere dichters. Zo kon hij de rationele controle over zijn gedichten gedeeltelijk loslaten. Zijn gedichten lijken nog het meest op jazzsolo’s op papier, organisch en direct, waarbij hij logica en retorica gebruikt zoals een jazzsolist de harmonie, als regels om te breken, als uitgangspunten om op te variëren. Gils volgt het idee net zolang tot het een natuurlijke afronding vindt.
Zijn afwijzen van de ratio, het omarmen van de wetten van de verbeelding en het onderbewuste, deelde Gils met de surrealisten. Maar de surrealisten hadden een positief programma. Ze waren ervan overtuigd dat de wereld beter kon worden. Niet voor niets hebben ze zich verbonden met de twee belangrijkste messiaanse groeperingen van de twintigste eeuw, de marxisten en de freudianen. De meeste sciencefictionschrijvers waren al even bevlogen wereldverbeteraars, die met hun boeken wilden waarschuwen of voorspellen. Velen geloofden in de reddende kracht van de wetenschap. Gils niet. Hij geloofde nergens in. Elke keer als Gils een gedicht schreef, hoe kort dat ook duurde, vond hij een tijdelijke schuilplaats tegen een werkelijkheid die hij als bijzonder bedreigend ervoer. Elke keer als hij zich overgaf aan de wetten van zijn fictie, de wetten van het schrijven, was hij veilig. Hoe concreet de verschrikking in zijn poëzie vaak ook is, hij verkoos haar altijd boven de werkelijkheid. Ondanks het ontbreken van persoonlijke hartenkreten en verzuchtingen, van elke vorm van melodrama in zijn schrijven, was Gils’ schrijverschap daarmee zeer existentieel: “een gedicht / beoogt / hetzelfde effekt: / als een vloek. // maar met meer omhaal / van woorden”. 12
De afkeer van realisme waarvan Gils in essays en interviews blijk geeft loopt parallel met de afkeer van de werkelijkheid zelf die Gils’ schrijverspersonage in de gedichten steeds uitdrukt. Dat schrijverspersonage is een door de gedichten heen verrassend constante stem. Het doet er niet toe of het de stem van Gils als persoon is, of het zijn meningen verkondigt, of dat het een constructie is. Het is de Gils met wie we te maken hebben. En deze Gils verhult nergens, niet met zijn laconieke toon, niet met de potsierlijke beelden of grillige wendingen dat hij geen uitzicht kan of wil bieden. Overal en altijd komt de lezer de volstrekte willekeur en zinloosheid van het bestaan tegemoet. ik draag een zwarte bril Gils’ schrijverspersonage erkent weliswaar dat hij een zwarte bril opheeft, maar hij weet ook dat het afzetten daarvan niets aan de werkelijkheid zal veranderen. Voor wie werkelijk om zich heen kijkt, zo stelt ‘verkeerd keelgat’, is het “kokhalzen geblazen”. Maar “zulk kijken leg je niet meer stil. / niet door je ogen te sluiten. / door blind worden minst van al.” “voor nooit geboren worden / is het te laat.”15 “niemand ontloopt zijn mislukking” heet het in ‘gedicht voor twee ruziemakende muzikanten’, maar ook “mislukking wordt je beweegreden. / wanneer je / ontevreden met je lot bent dan alleen / weet je nog werkelijk / dat je leeft.” 16
Gils schrijft niet om de zinloosheid te bestrijden. Die is niet te bestrijden. Vrijwel nergens in zijn gedichten is ook maar een spoor te vinden van melancholie of heimwee naar een oplossing. Nergens psychologiseert hij, want de problemen zijn existentieel en onoplosbaar, niet persoonlijk. Nergens biedt hij troost. Gils dicht niet omdat hij iets te zeggen heeft, omdat het zin zou hebben iets te zeggen, hij dicht ondanks de zinloosheid. Voorbij de zinloosheid. Dat verklaart tegelijk zijn speelsheid, zijn ongebondenheid. Gils experimenteert in elk gedicht, aan elk gedicht begint hij zonder te weten waar hij uit zal komen. Hij kijkt zomaar wat er gebeurt. En meestal gebeurt er iets verschrikkelijks.
Het sciencefictionidee van de technologische vervanging van mens en natuur is hier tot zijn essentie teruggebracht. Kunstmatige intelligentie is niet nodig, een fotokopie volstaat. Het schijnbaar vrijblijvende gedachtespel van de eerste drie strofen bereidt de genadeloze conclusie voor, die door de eenvoud en rechtlijnigheid van het gedicht extra hard aankomt. Het gedicht biedt ook een korte, kernachtige samenvatting van de apocalyps, waarbij slechts de fotokopieën het Nieuwe Jeruzalem binnenmogen. Gils gebruikte de apocalyps vaak, als beeld, als verhaallijn, als vanzelfsprekendheid. Hij voelde zich zo’n apocalypsspecialist dat hij in ‘de laatste boodschap’ precies kan vertellen hoe die het best vertolkt kan worden: door “een heerlijk histeriese sopraan”, “bij voorkeur in het spaans”, hoewel “een doodgewone hoestbui / niet eens van onbedaarlijke aard” eveneens “een geldig apokalipties sinjaal” kon zijn. De “kreten van sportieve bijval” uit het volgende gedicht zouden wel eens van Gils zelf afkomstig kunnen zijn.
Het kan altijd nog erger, en daar zal het ook vast van komen, wil Gils maar zeggen. Spijt klinkt zelden door in deze gedichten. Alleen als Gils het in ‘vers in mineur en sciencefictiontrant’ over “de laatste vogel” heeft lijkt hij ongebruikelijk aangedaan: “o, op de laatste vogel te gelijken / zo opeens verdroogd in steen en been / marmer schiet daarbij tekort.”19 De mens speelt in dit gedicht slechts een bijrol als waarnemer van de vogel. Ook in ‘geen utopie’ is het lot van de vogels belangrijker dan dat van mensen: “geweren groeien aan de bomen / en schieten spontaan / op de enkele nog resterende vogels.” 20 De science fiction reikte Gils nog een ander kader aan dat hij goed kon gebruiken om zijn wantrouwen vorm te geven: dat van de totalitaire staat. Keer op keer schetst Gils de dreiging van toenemende, steeds strakker wordende bureaucratie. De gevolgen van rationele, doelbewuste ordening zijn altijd gruwelijk:
Niet alleen zijn gedachten niet meer vrij, ook de mogelijkheden om niet te denken of niet nuttig te denken die in de hoofden zijn overgebleven worden door de staat opgeëist. De ongebruikte of onjuist gebruikte hersenen worden ingezet tot het nut van het algemeen. De kazerneringsblokken en de mierenmeesters geven een kernachtig beeld van de maatschappij waarin zich dit afspeelt. Ongeveer het omgekeerde is het geval in het volgende gedicht: hier dreigt de dichter gestraft te worden vanwege bewustzijn.
Een buitengewoon bewogen scenario in tien regels: de “biochemies telegeleide innerlijke brigade” doet denken aan de film Fantastic Voyage, waarin een groep wetenschappers met onderzeeër verkleind wordt om in het lichaam van een patiënt een trombose op te lossen, maar van goede bedoelingen is bij Gils geen sprake: de brigade controleert, niet met huis- maar met hersenzoeking, op bewustzijnsmisdrijf. De hersenpan is niet alleen de zetel van het bewustzijn maar ook het decor voor een achtervolgingsscène. En als de dichter weet te ontsnappen, wil dat dan niet ook zeggen dat hij dood is? En die “sibernetiese heren van het seksvrije geweld”, zijn dat de machthebbers of de lezers? Of allebei? Science fiction bood Gils de middelen voor zijn altijd grillige strategieën, middelen die hij uitstekend wist te manipuleren en uit te buiten. Met de beelden en ideeën kon hij, even geraffineerd als intuïtief, verwachtingen oproepen, herkenning losmaken, die hij vervolgens kon ombuigen of op zichzelf terug kon laten slaan. Gils gebruikte alles voor zijn eigen grillige doeleinden. Hij maakte alles wat hij vond onderdeel van zijn eigen inktzwarte universum. Vanaf het eind van de jaren zeventig verdwenen de sciencefictionbeelden weer uit zijn poëzie. Misschien had de science fiction voor hem zijn charme verloren. Misschien pasten de beelden niet meer in zijn werkwijze. Hij ging nog helderder, nog eenvoudiger schrijven. Hij hanteerde dezelfde strategieën, maar misschien hadden ze, met dezelfde middelen, niet meer gewerkt. De verdedigingslinies die hij steeds tegen de werkelijkheid opwierp, moesten steeds anders worden geconstrueerd. Noten 1 Vertaling door J.H. Leopold 2 Uit: Een handvol ingewanden, Amsterdam, 1977 3 Uit: Manuskript gevonden tijdens achtervolging, Amsterdam 1967 4 www.tygersofwrath.com/bradbury2.htm 5 ‘René Gijsen en de poëzie’, in Komma. 6 Uit: Onzachte landing, Amsterdam, 1979 7 Uit Vingerknip, Amsterdam, 1983 8 Uit Vingerknip, Amsterdam, 1983 9 Uit: Onzachte landing, Amsterdam, 1979 10 Uit: Een plaats onder de maan, Amsterdam 1965 11 Uit: Afschuwelijke roze yogurtman, Amsterdam, 1972 12 Uit: Een handvol ingewanden, Amsterdam, 1977 13 Beginregel van ‘de mooie vakantie’, uit Manuskript gevonden tijdens achtervolging, Amsterdam 1967 14 Uit ‘onbegonnen werk, uit Onzachte landing, Amsterdam, 1979 15 Uit: Onzachte landing, Amsterdam, 1979 16 Uit: Onzachte landing, Amsterdam, 1979 17 Uit: Onzachte landing, Amsterdam, 1979 18 Uit: Een handvol ingewanden, Amsterdam, 1977 19 Uit: Manuskript gevonden tijdens achtervolging, Amsterdam 1967 20 Uit: Manuskript gevonden tijdens achtervolging, Amsterdam 1967 21 Uit: Afschuwelijke roze yogurtman, Amsterdam, 1972 22 Uit: Afschuwelijke roze yogurtman, Amsterdam, 1972 23 ‘Prière impromptue 1’ uit Feesten van Angst en Pijn
|
|||||||||||