Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel
Het thema Gust Gils kwam tot stand in samenwerking met Antwerpen Boekenstad 2004

Zilch

Didi de Paris

“Iemand die dood en begraven is een brief schrijven, per adres het kerkhof waar hij ligt- en op die brief nog antwoord krijgen, correct gedateerd en in het onmiskenbare handschrift van de overledene: dàt zou ik pas een overtuigd paranormaal verschijnsel noemen”. Dat schreef je ooit, wel, Gust, dit soort communicatie komt dichter bij dan je denkt. De laatste tien jaar van zijn leven slaagde de psychiater Konstantin Raudive er in, bijgestaan door een team fysici en elektronicaexperten, om onder strikte laboratorium-omstandigheden, tienduizenden stemmen van overledenen te registreren. Het gebeurde in de dode uren, op de radiokanalen, wanneer er geen uitzending was. Raudive ontdekte het EVP, eletronic voice phenomenon. Zijn bevindingen publiceerde hij in ‘Breakthrough’. ‘Break Through In Grey Room’ heet een CD van William S. Burroughs – jij was een van de eersten binnen dit taalgebied die zijn genie zagen. De Amerikaanse auteur en zijn vriend, de jonge, wiskundige Ian Sommerville, startten in 1959 met taperecorder-experimenten. Surrealistische proefnemingen om de menselijke geest mee af te tasten. Alsof er puisten op zaten. Een bandopname - dat weet jij, Gust - kan veel bloot leggen. In 1967 maakte je in een studio in Hilversum je eerste verbosonische montage. Zichtbaar maken wat aanvankelijk niet gezien werd, daar ging het om. Het is als luisteren naar het ontstaan van het heelal.

1

Het verdronken jongetje… Zo sta jij in mijn geest gegrift. Het is de titel van één van je teksten - geen verhalen, gewoon korte en absurde teksten waarvoor het leven zelf model heeft gestaan. Je noemde het “Paraproza”. Waarvoor staat “para”? Voor “paranoia”? Burroughs omschreef de paranoïde als iemand die goed geïnformeerd was. Twee andere jeugdhelden van jou, Willem Frederik Hermans en Marquis de Sade, hadden het je ook al diets gemaakt: het universum ís sadistisch. Of een beschuldigde op het moment van de moord zich al dan niet op een totaal andere plaats bevindt is bijzaak. Freud had immers ook de mond vol over Real Nichtigkeiten. En die kreeg toch ook kanker aan zijn bek. Als dat geen bewijs is! In dit heelal kan men alles bewijzen (of ontkennen). Van alle wetenschappelijke wetmatigheden binnen de constant veranderende kosmos is logica nog het minst standvastig. Tractatus Logico-Philosophicus is een boek waar men vandaag graag zijn gat mee afveegt. Wittgenstein was een stom konijn. Ontsnapt uit Lewis Caroll. Het heelal is een sprookje van Grimm: zinloos en wreed.
Het jongetje blijkt niet dood te zijn… Zelfs dat doet er niet toe! Laat ze maar eens bewijzen, slachtoffer en dader, dat ze geen jongetjes zijn met geheugenverlies, of waanzinnig, of zonder identiteit. Vergetelheid, gekte, persoonlijkheidsverlies, het zijn constanten in je werk. Heel je oeuvre draait om angst, zoals een kwaadaardige planeet rond zijn as.

2

Hallo, hallo? In mijn hand beeft de psychofoon. Hét apparaat voor een verbeterde stemmenontvangst. Een zendertje voor het opwekken van energie gecombineerd met een breedbandontvanger. Een mobieltje tussen het nu en het eeuwige. Soms neem ik stemmen op met een microfoon die aangesloten is op een bandrecorder. Ik laat de tape lopen, stel een vraag, wacht vijftien seconden, stel de volgende vraag, enz.
Praat luider! Articuleren! Ik heb hier bijna geen ontvangst. Een beetje heen en weer geroep tussen deze en gindse zijde. Mensen verstaan elkaar zo al niet. Als beide partijen niet meer on speaking terms zijn - komt in de beste families voor -, niet meer op dezelfde golflengte zitten, - elkanders stoorzender zijn, - komt er kosmische taalstrijd van!
Zorgvuldig beluisteren, liefst met een koptelefoon. Soms zijn het duidelijke spreekstemmen, meestal fluisterzachte microfoonstemmen of metaalachtig. Hierin kruipt het meeste tijd. Het is handig niet meer dan een minuut of vijf per keer op te nemen. Let op, er is altijd een risico dat je een flard van een reguliere radio-uitzending houdt voor iets bijzonders. De kans dat een nieuwslezer je bij je naam noemt of reageert op je vraag of opmerking is gelukkig een stuk kleiner.
Ghost-busters, ghostwriters, stemmenjagers - ik bedoel geen politici - beschikken over een beperkt instrumentarium. Bijgeluiden heb je gauw, soms hoor je meerdere stemmen door elkaar. Het is als het beluisteren van het heelal. Laag na laag moet men analyseren, alleen de essentie overhouden. Het is de kunst om je gehoor te focussen. Soms lukt het om een stem door filtering wat naar voren te halen. Of men moet om het verstaanbaar te maken alles vertragen.

3

Gust, ik ben één van die zeveraars die nog een paar boekskes van u hebben.
In “De vreemde wandelwijze” ervaart een aan wandelen verslaafde eenzaat de buitenwereld als een dreigende aanwezigheid. Hij besluit alleen nog binnenshuis te wandelen, tot ook het interieur als bedreigend ervaren wordt. Volgens het principe van de communicerende vaten vloeien de kosmische en de individuele eenzaamheid in elkaar over. Als ik zoiets lees maak ik meteen een onzachte landing op “Solaris”.
Het is onverklaarbaar hoe plots uit het grote donkere niets een verschrikkelijk beest opduikt - een Pack-man! - in razende vaart een boel mensen opslokt, met haar en huid! Hoor hoe driedubbele rijen tanden de beenderen kraken van Simon Vanloo, Freddy de Vree, Paul de Vree, Paul Snoek, Remy C. Van de Kerckhove, René Gijsen, Jan Walraevens, Hugues C Pernath, Adriaan de Roover, Walter Korun, Cor Vaandrager. Slechts enkele namen…
Toch was literatuur nooit zo spannend als vandaag. De vreemdste personages duiken op. Onlangs, op een zonovergoten beursgenoteerde namiddag heeft APAX - sommigen beweren dat het een financiële groep is, Gust, maar het is een monster - Pers Combinatie Meulenhoff verslonden. In één hap. Al die kranten, tijdschriften en uitgeverijen. Opgeslokt, zoals eens de zon zal doen met de aarde.
Ja, deze tijd heeft een heel nieuwe poëzie. Over grenzen van taal en genre heen is vandaag in elk boek de hoofdrol weggelegd voor dezelfde literaire held: de aandeelhouder. Tussen twee bedrijven door meldt men dat de success fee voor de overname van PCM 1% van de waarde van het bedrijf bedroeg. T.t.z. 6 à 7 miljoen €. In literaire subsidies uitgedrukt: voldoende om de eeuwigheid mee te sponsoren.
Geen boekverbrandingen, geen inquisitie, geen Fahrenheit 541. Alles gaat gewoon ten onder aan een storende alomtegenwoordige aanwezigheid.

4

1936 bracht veel verandering. Als twaalfjarige verhuisde je van de rand naar het hart van de stad. Je liep school in het atheneum aan het plein dat later herdoopt zou worden tot de Rooseveltplaats. Een goeie leerschool.
Met de klasgenootjes klikte het niet zo. Jij was de enige die geen gek hoedje droeg, er slingerden geen pijpenkrullen over je slapen, en als de jongens onderling praatten verstond je er al helemaal geen jota van. Je werd uitgesloten en soms gepest. Helemaal niet kosjer.
Op het atheneum was je lid van een flamingantistische studentenclub. Niet van die andere groep, die zich gevormd had rond Carlo Tillemans. Zij hadden het over het avondland, de joden, Dietschland, zuiverheid, eigenheid en onafhankelijkheid. Zij praatten zeemzoet over Portugal, de nakende overwinning in Spanje. Lyrisch bezongen ze capriolen van de Duce, en als het woord “Duitsland” viel, waren ze het orgasme nabij.
Als dat soort volk het sprak, en het spuug in het rond vloog, voelden vele leerlingen zich krimpen.

5

1980. De gemoederen waren verhit. Er hing een koortsachtige sfeer in de zaal. Rook. Geklingel, geroezemoes. Op de houten vloer lag glas, ook buiten in de straten. Scherven fonkelden als nepjuwelen in heel de stad. Nog niet alles wat opgeruimd. De stad likte haar wonden nog. Een paar dagen voordien, bij de kroning van alweer een nieuwe koningin, werd de stad het toneel van nooit eerder geziene rellen, 30 april was een dag vol schermutselingen zeggen sommigen, anderen spraken van “oorlog”. Gehelmden, traangas, stillen, voetzoekers, straatstenen vlogen door de lucht, de ballistiek van een baksteen, een knikker in en katapult, een knikker tussen het wegdek en hoefijzers, paardenstront, traangas. Een wonder dat er geen doden vielen. Pantserwagens reden in op de relschoppers.
De Paradijsvogel werd dringend op het podium gevraagd, zei een man in de micro. De vogel hoorde het wel, maar hij had zijn handen vol met een knokpartij. In de seconde waarin hij naar het podium gekeken had, had een linkervuist zijn rechterkoon aanzienlijk geschaafd. Paradijs wurmde zich richting podium. Die zondagavond in Paradiso was De Paradijsvogel straalbezopen. Hij hees zich op de bühne. Nog opgefokt door de dreun begon hij in zijn platste en gemeenste Vlaams te schelden, te roepen, te tieren. Telkens hij stopte, om een slok te nemen, volgde uitzinnig applaus. “Ik heb gehoord dat jullie allemaal erg braaf geweest zijn op Koninginnedag, daarom nodig ik jullie uit om deze zomer samen met mij 150 jaar België te komen vieren.” Het laatste wat hij wist uit te brengen. Toen viel hij van het podium. Drie dagen later mankte hij nog. Hij had niet één gedicht gezegd.

6

Al te makkelijk en voorbarig konden liefhebbers van ontaarde kunst verkeerde conclusies trekken als ze oog in oog stonden met Carlo Tillemans. Eén oog stond op gekte, het andere was gericht op wreedheid. Hij leek op een Afrikaans masker. Was hij ontsnapt uit een tentoonstelling zoals die toen in Duitsland werden gehouden? Naast het propaganderen van volkorenbrood en mineraalwater wilden de leiders ook de innerlijke mens opvoeden. Was Carlo ontsnapt uit Guernica, het schilderij dat in die dagen, op de Wereldtentoonstelling in Parijs, voor het eerst geëxposeerd werd. Het doek was een parallel universum, monochroom, tot de nok gevuld met monsters: half kruip-, half mensdier. Mythologische kubistische gezichten. Een briesend paard, een moeder met een dood kind, een afgehakte arm, een losliggend hoofd, een dolle stier, armen ten hemel heffen… Goya en Viëtnam? De beelden waren fata morgana’s uit het verleden en uit de toekomst. Men wou de bommen afwenden. In elk gezicht werd het verschil tussen profiel en vooraanzicht uitgevaagd. Zo’n kop had Carlo Tillemans.

7

Ik, marconist van de dood, seismograaf steek mijn kosmische voelsprieten uit. Een opname met een SSB-ontvanger. De “Black Box” is klein, kan worden aangesloten op een actieve antenne of op een geïsoleerde achterstag voor nog betere ontvangst…

De Paradijsvogel zette zijn opmars verder. Stentorstem. Pure kamikaze. Luid en smerig. Baldadig. Een nieuwe mongool, stoer als de SS die teruggekeerd was, Ardennenoffensief, de Blijde comeback van Attila de Hun. Messen slijpen. Scheppend, schoppend nihilisme. Hoog in het vaandel authenticiteit en intensiteit. Gul trakteerde hij de wereld op vette porties haat. In verschrikkelijke intonaties ratelde, rochelde hij ruwe klanken no wave, de amper bedwongen hysterie aan het begin van de rede van Adolf Hitler, de hoogmissen van Antonin Artaud, les Litanies de Satan, en de vlijmscherpe uitspraak van Paus Pius XII. Aangevuurd door boe-geroep, opgezweept door verhitte gemoederen. Tientallen groepen voor hem schreven de partituur uit, geen noot muziek kenden zij en toch toverden zij uit hun instrumenten nooit eerder gehoorde klanken te voorschijn. Een eigen koers varen, zonder kompas, zonder bagage, een dodenschip. De zwarte vlag zwaaien, de trom roffelen. Door de aders gierde Sint-elmsvuur.

8

1940 gaf de mensen wat ze vroegen: oorlog-oorlog-oorlog!.
Jij was zestien en zazou: één van die snuiters in hun kachelpijpen, bobbing shoes, korte leren jekkers met brede schouders, de haren naar achter, tot over de hemdsboord. De eerste jongerensubcultuur.
De per definitie anglofiele “zazous” kickten op bigbands. Benny Goodman, Count Basie, Duke Ellington. Orkesten van twaalf of meer muzikanten. In nazi-Duitsland had je toen Swingjugend en Edelweisspiraten. Duizenden jongeren, meestal arbeiderskinderen, gingen op de vuist met die slapjanussen van de Hitler-Jugend.
Hier te lande maakte de oorlog Carlo en zijn vrienden onaanraakbaar. In rijen van vier marcheerden zij over de speelplaats, Carlo voorop. Kaarsrecht, fier als een pauw. Iedereen in korte donkere ribfluwelen broek, stevige stapschoenen. Bruine hemden, de haren kort. De trommel slaat. Het vendel zwaait.
Nu en dan voerden Carlo Caudillo en zijn maats schijncharges uit naar groepjes joodse jongens.
Wat hadden ze een lol!

9

Het huis maakt geluiden. Vooral ’s nachts. Alles ligt er doodstil bij. In de oorlog gebeurde er tenminste nog iets. Alleen kon niemand toen precies zeggen wat. Jouw klas was heel bijzonder. Almaar meer leerlingen verdwenen. Soms was je opgelucht. Regelrechte klootzakken waren het. En toch... Na elk verdwijnen voelde je een koortsige gloed. Fantoompijn. Wie geloofde dat je die gasten miste? Goe van af! Je hoorde er niet bij. Gij se jood, ge droeg niet eens een ster! Het gemis knaagde, houtworm in de schedel. Wat is het ergst, het dagdagelijkse gekibbel, of dit onbestemde verdwijnen? Jij zat altijd tussen twee stoelen. Het was een epidemie. De namen van de afwezigen klonken luider dan ieder ander. Altijd hetzelfde: een bank bleef onbezet, vriend en vijand sprong bij, men nam notities, vulde de schriften aan. Dat doet men een dag, enkele dagen, een week, enkele weken, daarna... Steeds meer kale plekken in het klaslandschap. Waren ze ondergedoken, de smeerlapkes? Opgepakt? Vannacht aan de Statie? Naar de Nationalestraat gesleept? Gendarmes, rijkswacht, of gewone Gestapo? Verklikt, verlinkt, verminkt? Of overdag - van de tram geplukt. Twee heren in regenjas. Waarheen? Mechelen? Of verder oostwaarts? Om op boerderijen te werken. Dagen, weken, maanden bleef iedereen, leerlingen en directie, zonder nieuws.
Was het zoals vanochtend in Blankenberge, Gust? Een administratief incident. Een meisje van 14, en haar broer van 12, onderweg naar school… Kinderen mag men niet langer van de schoolbanken plukken. Dus moet men creatief zijn.

10

Do-re-mi-fa-sol! Jazz kon knap gevaarlijk zijn.
Na ’41/’42 verdween zazou uit het straatbeeld. Too hot to handle, baby. Zeker met gasten als Carlo in de buurt. Die zeië meteen dat je stiekem BBC zat te luisteren. Een valse noot om te laten voelen wie baas was. De wet van de sterkste op muziek gezet.
Ook hield men op dat moment in heel het Derde Rijk lenteschoonmaak. Met Edelweisspiraten, Swingjugend en ander onkruid werd komaf gemaakt. Wie niet horen wil moet maar voelen. Geef ze eens ongelijk! Jazz was muziek van de negers! Het nieuwe Duitsland hield de mens het schone en het hogere voor. Daarom kwamen tal van jonge jazz-fanaten aan lantarenpalen te bungelen. Het individu wou men behoeden voor de nefaste invloed van de joodse negroïde klanken. Nazi-Duitsland wilde een gezonde samenleving. Muzikale meningsverschillen zorgden ervoor dat tienduizenden jazzplaten en tientallen van hun bewonderaars publiekelijk vernietigd werden. Bebop-spuglok hing over het gelaat, tong uit de mond. Niet zelden aan een pianosnaar.
Pas jaren later, toen het allemaal achter de rug was, kreeg het kind een naam. Zo gaat dat. Als een windhoos giert een jongerencultuur – beeldenstormers - door het land. Elke orkaan krijgt een naam. De laatste keer sprak men over “punk”, de eerste keer over “zazou”.

11

Met parapsychologie op zoek naar het paraproza. Het is als contact leggen met de doden, het registreren van klopgeesten: een mens krijgt ervan een slechte smaak in de mond. Hevig gebonk in mijn strottenhoofd, de muren, de straat, het huis trilt. Ik denk aan “Hevig lawaai”, van Franz Kafka.

De Paradijsvogel had één groot voorbeeld: James Chance. De in Milwaukee als James Siegfried geborene, kwam New York binnen met een koffer vol schuilnamen. Eerst vormde hij Teenage Jesus and The Jerks, daarna Pill Factory, en de bands James Chance & The Contortions en James White and The Blacks. Albumtitels logen er niet om. ‘BUY’, ‘Off White’, ‘White Cannibal’, ‘Sax Maniac’. Absolute hits waren ‘Throw Me AWAY’, ‘I DON’T WANT TO BE HAPPY’ en bovenal ‘Contort Yourself’. Wie beweerde dat jazz muziek voor ouwe lullen was, was eraan voor de moeite. Een retro gevoel dat terugging tot de film noir, in kruisbestuiving met de vastberadenheid onvoorwaardelijk modern te zijn.
Apestoned ging hij tekeer, met de spasticiteit van James Brown, bezeten van Ornette Coleman, produceerde aan de lopende band agressieve stoten en kreten die uit de diepste diepten van een mens kwamen en zo lang mogelijk gerekt werden. Keer op keer werd door het rietje van de sax een storm geblazen. Stomende stuwende, honkende bonkende ritmes. Nooit eerder had ADHD-pokkeherrie zo aanstekelijk geklonken. Vuil, sleaz & mean. Elke klank had de ruwheid van de betonnen grootstad. De New Yorkse No Wave sien bestond uit niets anders dan een reeks gevaarlijke mutaties. De rauwste punk, jazz in zijn meest vrije vorm, soul en funk waren de ingrediënten, en ten alle tijden was de cocktail dodelijk.
Gevaar met een vuig trompetje bij. James die hield wel van robbertje. Nadat hij nog eens zijn kuif had gekamd, polaroids van het publiek had genomen, kwam hij vervaarlijk klauwend en graaiend af op de eerste rij kijklustigen. Ja, James, die ging er voor, was, zoals De Paradijsvogel, een vechter.

12

Oorverdovend werd het lawaai. Het podium was van iedereen. Het was een flow. Koenraed de Waele. James Bordello. Gretchen Ozon, Ton Lebbink, Casper van den Berg - one-night-knights - Johnny ‘The selfkicker’ van Doorn. Elvis Peeters, Jana Vandume… Engeland kreeg een flinke beurt van The Ranting Poets, opgejut door The Sex Pistols. Een razende rode lijn gierde door het frigide eiland. Linton Kwesi Johnson, Little Anny, John Cooper Clarck, Anny Anxiety, Seething Wells. Als Messerschmidts belaagden ze Westminster. Tatcher, de Babylonische bitch van het Westelijk halfrond werd het vuur aan de schenen gelegd. Joolz, Attila the Stockbroker, Eddy Steady Go, Kief Stingel, Patrick Fitgerald, TV Smith, etc, etc. Allen goten eau de cologne in de wonden. Hun poëzie zocht het publiek op. Poëzie en muziek werden ongehoorzaam. Zelfs in de Trage Landen bij de Noordzee werden er in die dagen tekenen van leven gesignaleerd. Hurray, hurray! We Killed Bambi! Deelder, Chabot, ze werden dronken, werden zot, raakten vergeten, versleten, gingen kapot. Sommigen raakten onmiddellijk eeuwig beroemd, anderen gingen gewoon op in rook. Terwijl het straatstenen regende en de lucht zwanger was van traangas boorden tovenaars en alchemisten nieuwe geluidsbronnen aan, gigantische velden. Zaten onder het continent, gasbellen. Jaap Blonk. Eddie Kagie. Overal doken ze op. Dodelijk onkruid. Barbaren vergrepen zich aan de wondere wereld der bellettrie. De verklanking van de poëzie. De verklanking van de verbeelding. Johan Joos sloeg tot bloedens toe de microfoon tegen zijn voorhoofd, waarna Madame d’Amsterdam liefdevol life rapporteerde vanuit de goot, om uiteindelijk het woord te geven aan De Paradijsvogel.

13

Voorwaar, voorwaar, ik tapdanser van de dood… intermediair. Intergalactisch collectioneur van dode zielen... ik zeg u: ‘Bevrijding’ is een linke term. In 1944 was je twintig, je speelde bas - jazz. In het laatste jaar van de oorlog was er veel gelegenheid voor kleinere combo’s om te spelen in cafés. Er kwam voldoende publiek naar luisteren, voor de kroeghouders was het financieel haalbaar. Pas daarna maakte je muziek met de pen.
Muziek charmeert soms door zangerigheid, andere bezweert door ritme of structuur, terwijl het geluid eerder aan de harde kant is, zelfs dissonant. Jouw poëzie valt in de laatstgenoemde categorie. Je bent geen lyrisch dichter, wel zeer muzikaal. Je eerste bundel heette ‘Partituur voor vlinderbloemigen’ en de eerste afdeling daarin ‘Suite voor spreekstem’.
Jouw muziek was honky tonk & hotsy totsy. Rammen, zoals op de piano’s in de hoerenkasten in Storyville, het zwarte deel van de hoerenbuurt in New Orleans, rond 1900.

14

Dit is geen suite maar een slide-show. Een PowerPoint presentatie recht in de mensen hun brein. De beste resultaten boek ik met een middengolfontvanger en een microfoon aangesloten op een cassettedeck via een mengpaneel. Na het stellen van een vraag gaat de microfoon dicht. De radio wordt afgestemd op een stukje middengolf waar meerdere zenders door elkaar te horen zijn... Ik zie duidelijk hoe het was... De oorlog was voorbij. Men haalde weer opgelucht adem. Ook Carlo Tillemans. Hij zou het ver schoppen, schoppen zoals zijn soort op straat schopte naar wie hen voor de voeten liep, schoppen zoals zij mensen de trein op schopten. Onmiddellijk na de oorlog liet hij geen gelegenheid onbetuigd om te zeggen dat het er zeker geen zes miljoen waren die daar door de boze heks de oven in waren geschopt, in elk geval beduidend minder dan het aantal dat omkwam in de bombardementen op Bremen, misschien had hier en daar wel een gaskamer gestaan, maar zo die al bestaan hadden, dan werden die vast en zeker bediend door communisten. Na de oorlog richtte hij mee de Vlaamse Concentratie op. Hij vertaalde een boek waarin gezegd werd dat alle kampen na de oorlog waren gebouwd, het waren decors van Walt Disney. Zijn hele leven lang had Carlo Tillemans de schoonheid van een gifslang. Voor Carlo loopt het op zijn laatste beentjes. Hij kan rustig inslapen. Vandaag houden zijn politieke soortgenoten het land in een wurggreep.

15

Tijd is de grondsubstantie van het heelal - time is money. De jaren lijken op elkaar, koeken aan elkaar… Het is zoals met televisie-uitzendingen. Alles wat ooit werd uitgezonden, zet eeuwig zijn weg verder het heelal in… En dan is de ontvangst perfect. Het is zaterdag 13 september 1980 als De Paradijsvogel, lang na de gebroeders Wright, ontdekte dat hij kon vliegen. De zwaartekracht overwonnen had. De zaal stond op zijn kop. Rood aangelopen gezichten. Het is een film. Het geluid is uitgevallen. Ze schreeuwen. Of het zijn vissen in een aquarium. Ze verkeren in ademnood. Sommigen schreeuwden de longen uit hun lijf. Boeee. Ongepast voor poëzieliefhebbers. Wat dat varken daar uithaalt. Een kleine minderheid, analfabeten en nozems, is laaiend enthousiast. Allen schreeuwen… Daar genoot hij van, De Paradijsvogel, terwijl hij tussen hemel en aarde, in zijn lange grijze jas, als een voorhistorische vogel, met zo traag mogelijke vleugelslagen, de albatros van Baudelaire… Tot hij helemaal achteraan de lange smalle zaal landde, bij het enige deel dat verlicht was : de bar. Uit het donker klonk een scherpe stem: “Proficiat, ga zaa nen echte.”

16

“As kik nen echte zen, haalt mij dan ma vijf pinten” snauwde De Paradijsvogel het duister toe. Enkele tellen later kolkten vijf pilsjes door zijn keelgat. Het was een aangename kennismaking. De Paradijsvogel was graag ongelukkig. Overtuigd autist. Principieel alcoholist. Alles wat anderen beangstigde, plezierde hem. Pas als iedereen down was, werd hij gelukkig. Hij haatte poëzie. Elke letter moest lawaai maken, een schreeuw zijn, wanklanken die steen en been kloegen.
De Paradijsvogel was jouw spiegelbeeld. Hij ging er prat op dat hij geen geheugen had. Hij zag zich als een vleesgeworden black-out. Jij was altijd obsessioneel met je geheugen bezig. In “Acute amnesie” schreef je “Ik verlies mijn geheugen. Erger, ik denk dat ik valse herinneringen krijg.” Elders in een gedicht heeft een goudvis het zwemmen verleerd omdat zijn geheugen zoek is. Je schreef dat geen falend geheugen je kon beletten je je zuster te herinneren. Elders luidt het “Op wiens lichaam hoorde het oospronkelijk thuis? Dat is het hoofd glad vergeten. Elke herinnering aan zijn vroegere identiteit is uitgewist. Geheugenverlies, te wijten aan die hersenschudding.” In een andere tekst kan de held zich niet herinneren op welk Grieks eiland hij met vakantie was. Of je verhaalt over iemand die zijn schitterende literaire invallen niet kan noteren omdat hij zijn notitieboekje niet bij zich heeft.
Je hebt netjes afgesloten. Je stopte met schrijven. Je hoofd werd een schudbol. Binnenin sneeuw. Elke dag meer. Voor elke afspraak reed je verloren. Er waren alleen nog je pretoogjes en je lachje. Alles raakte ondergesneeuwd. Je veranderde in paraproza. Geen seconde heb ik er spijt van dat ik je nu opzoek in wat volgens sommigen je laatste, maar dat jij - eeuwige dwarsligger - ziet als je eerste rustplaats.


17

Ik kijk door het raam.
Registreren. Klanken borrelen op, worden geboren uit stilte, ruis op de radiokanalen klit bij elkaar tot taal. Dood doet leven. De dood is de humus voor het leven. Zoals de polen om de zoveel duizend jaar van plaats veranderen zijn het vandaag de doden die ons beluisteren. Jullie maken jacht op ons. Is er leven voor de dood? De doden, gedragen ze zich zo een beetje? Kunnen doden een stijve krijgen? Ze zijn stijf.
Je schreef dat het individu de bewegingen van het spiegelbeeld naaapt. Een mens zou er zijn hoofd bij verliezen. De wereld is een luchtspiegeling, een trompe l’oeuil. Wij imiteren de doden. Vandaar al de rottigheid. De stank. Verbaast het iemand dat alles hier zo dood is als een pier?
In de permanent gecontroleerde zone zijn camera’s en opnameapparatuur voortdurend in de weer om geesten te vangen, spoken.
Zelden was de onvangst zo klaar. Klank, beeld, interactie. Alles is er. Ik zit weer naast jou, Gust! Day after day, alone on the hill. We speuren het universum af, vinden steeds minder poëzie… En daar… Across the universe… Opstijgend. ‘2001: - gemengde koren. Ligeti - ‘A Space Odyssey’. Explosies. Chaos. Cacafonie. Stemmen. Uitbarstingen. Meteorieten. Partikels “Requiem für einen jungen Dichter”. Bernd Zimmermann. Revolution nr. 9 - nr.9 - nr. 9... Uit het vinyl bevrijd door een kort: ’K-9 Was in Close Combat with the Alien Mind-Screens’. Een stem reciteert frenetiek ‘I’M SITTING IN THE COSMOS’, en dan klinkt de grote Ooote-oote-oote Uhrsonate! De storm gaat liggen, en het orkest speelt Strauss, de planeten walsen, en de laatste schipbreukelingen proberen dit alles te vatten in woorden om aan het einde van een zin weg te zinken in iets zonder dimensies: een punt.

 

© Didi de Paris