


|
 |
Zilch
Didi de Paris
“Iemand die dood en begraven is een brief schrijven, per adres het
kerkhof waar hij ligt- en op die brief nog antwoord krijgen, correct
gedateerd en in het onmiskenbare handschrift van de overledene: dàt zou ik
pas een overtuigd paranormaal verschijnsel noemen”. Dat schreef je ooit,
wel, Gust, dit soort communicatie komt dichter bij dan je denkt. De laatste
tien jaar van zijn leven slaagde de psychiater Konstantin Raudive er in,
bijgestaan door een team fysici en elektronicaexperten, om onder strikte
laboratorium-omstandigheden, tienduizenden stemmen van overledenen te
registreren. Het gebeurde in de dode uren, op de radiokanalen, wanneer er
geen uitzending was. Raudive ontdekte het EVP, eletronic voice phenomenon.
Zijn bevindingen publiceerde hij in ‘Breakthrough’. ‘Break Through In Grey
Room’ heet een CD van William S. Burroughs – jij was een van de eersten
binnen dit taalgebied die zijn genie zagen. De Amerikaanse auteur en zijn
vriend, de jonge, wiskundige Ian Sommerville, startten in 1959 met
taperecorder-experimenten. Surrealistische proefnemingen om de menselijke
geest mee af te tasten. Alsof er puisten op zaten. Een bandopname - dat weet
jij, Gust - kan veel bloot leggen. In 1967 maakte je in een studio in
Hilversum je eerste verbosonische montage. Zichtbaar maken wat aanvankelijk
niet gezien werd, daar ging het om. Het is als luisteren naar het ontstaan
van het heelal.
1
Het verdronken jongetje… Zo sta jij in mijn geest gegrift. Het is de titel
van één van je teksten - geen verhalen, gewoon korte en absurde teksten
waarvoor het leven zelf model heeft gestaan. Je noemde het “Paraproza”.
Waarvoor staat “para”? Voor “paranoia”? Burroughs omschreef de paranoïde als
iemand die goed geïnformeerd was. Twee andere jeugdhelden van jou, Willem
Frederik Hermans en Marquis de Sade, hadden het je ook al diets gemaakt: het
universum ís sadistisch. Of een beschuldigde op het moment van de moord zich
al dan niet op een totaal andere plaats bevindt is bijzaak. Freud had immers
ook de mond vol over Real Nichtigkeiten. En die kreeg toch ook kanker
aan zijn bek. Als dat geen bewijs is! In dit heelal kan men alles bewijzen
(of ontkennen). Van alle wetenschappelijke wetmatigheden binnen de constant
veranderende kosmos is logica nog het minst standvastig. Tractatus
Logico-Philosophicus is een boek waar men vandaag graag zijn gat mee
afveegt. Wittgenstein was een stom konijn. Ontsnapt uit Lewis Caroll. Het
heelal is een sprookje van Grimm: zinloos en wreed.
Het jongetje blijkt niet dood te zijn… Zelfs dat doet er niet toe! Laat ze
maar eens bewijzen, slachtoffer en dader, dat ze geen jongetjes zijn met
geheugenverlies, of waanzinnig, of zonder identiteit. Vergetelheid, gekte,
persoonlijkheidsverlies, het zijn constanten in je werk. Heel je oeuvre
draait om angst, zoals een kwaadaardige planeet rond zijn as.
2
Hallo, hallo? In mijn hand beeft de psychofoon. Hét apparaat voor een
verbeterde stemmenontvangst. Een zendertje voor het opwekken van energie
gecombineerd met een breedbandontvanger. Een mobieltje tussen het nu en het
eeuwige. Soms neem ik stemmen op met een microfoon die aangesloten is op een
bandrecorder. Ik laat de tape lopen, stel een vraag, wacht vijftien
seconden, stel de volgende vraag, enz.
Praat luider! Articuleren! Ik heb hier bijna geen ontvangst. Een beetje heen
en weer geroep tussen deze en gindse zijde. Mensen verstaan elkaar zo al
niet. Als beide partijen niet meer on speaking terms zijn - komt in
de beste families voor -, niet meer op dezelfde golflengte zitten, -
elkanders stoorzender zijn, - komt er kosmische taalstrijd van!
Zorgvuldig beluisteren, liefst met een koptelefoon. Soms zijn het duidelijke
spreekstemmen, meestal fluisterzachte microfoonstemmen of metaalachtig.
Hierin kruipt het meeste tijd. Het is handig niet meer dan een minuut of
vijf per keer op te nemen. Let op, er is altijd een risico dat je een flard
van een reguliere radio-uitzending houdt voor iets bijzonders. De kans dat
een nieuwslezer je bij je naam noemt of reageert op je vraag of opmerking is
gelukkig een stuk kleiner.
Ghost-busters, ghostwriters, stemmenjagers - ik bedoel geen politici -
beschikken over een beperkt instrumentarium. Bijgeluiden heb je gauw, soms
hoor je meerdere stemmen door elkaar. Het is als het beluisteren van het
heelal. Laag na laag moet men analyseren, alleen de essentie overhouden. Het
is de kunst om je gehoor te focussen. Soms lukt het om een stem door
filtering wat naar voren te halen. Of men moet om het verstaanbaar te maken
alles vertragen.
3
Gust, ik ben één van die zeveraars die nog een paar boekskes van u hebben.
In “De vreemde wandelwijze” ervaart een aan wandelen verslaafde eenzaat de
buitenwereld als een dreigende aanwezigheid. Hij besluit alleen nog
binnenshuis te wandelen, tot ook het interieur als bedreigend ervaren wordt.
Volgens het principe van de communicerende vaten vloeien de kosmische en de
individuele eenzaamheid in elkaar over. Als ik zoiets lees maak ik meteen
een onzachte landing op “Solaris”.
Het is onverklaarbaar hoe plots uit het grote donkere niets een
verschrikkelijk beest opduikt - een Pack-man! - in razende vaart een boel
mensen opslokt, met haar en huid! Hoor hoe driedubbele rijen tanden de
beenderen kraken van Simon Vanloo, Freddy de Vree, Paul de Vree, Paul Snoek,
Remy C. Van de Kerckhove, René Gijsen, Jan Walraevens, Hugues C Pernath,
Adriaan de Roover, Walter Korun, Cor Vaandrager. Slechts enkele namen…
Toch was literatuur nooit zo spannend als vandaag. De vreemdste personages
duiken op. Onlangs, op een zonovergoten beursgenoteerde namiddag heeft APAX
- sommigen beweren dat het een financiële groep is, Gust, maar het is een
monster - Pers Combinatie Meulenhoff verslonden. In één hap. Al die kranten,
tijdschriften en uitgeverijen. Opgeslokt, zoals eens de zon zal doen met de
aarde.
Ja, deze tijd heeft een heel nieuwe poëzie. Over grenzen van taal en genre
heen is vandaag in elk boek de hoofdrol weggelegd voor dezelfde literaire
held: de aandeelhouder. Tussen twee bedrijven door meldt men dat de
success fee voor de overname van PCM 1% van de waarde van het bedrijf
bedroeg. T.t.z. 6 à 7 miljoen €. In literaire subsidies uitgedrukt:
voldoende om de eeuwigheid mee te sponsoren.
Geen boekverbrandingen, geen inquisitie, geen Fahrenheit 541. Alles gaat
gewoon ten onder aan een storende alomtegenwoordige aanwezigheid.
4
1936 bracht veel verandering. Als twaalfjarige verhuisde je van de rand naar
het hart van de stad. Je liep school in het atheneum aan het plein dat later
herdoopt zou worden tot de Rooseveltplaats. Een goeie leerschool.
Met de klasgenootjes klikte het niet zo. Jij was de enige die geen gek
hoedje droeg, er slingerden geen pijpenkrullen over je slapen, en als de
jongens onderling praatten verstond je er al helemaal geen jota van. Je werd
uitgesloten en soms gepest. Helemaal niet kosjer.
Op het atheneum was je lid van een flamingantistische studentenclub. Niet
van die andere groep, die zich gevormd had rond Carlo Tillemans. Zij hadden
het over het avondland, de joden, Dietschland, zuiverheid, eigenheid en
onafhankelijkheid. Zij praatten zeemzoet over Portugal, de nakende
overwinning in Spanje. Lyrisch bezongen ze capriolen van de Duce, en als het
woord “Duitsland” viel, waren ze het orgasme nabij.
Als dat soort volk het sprak, en het spuug in het rond vloog, voelden vele
leerlingen zich krimpen.
5
1980. De gemoederen waren verhit. Er hing een koortsachtige sfeer in de
zaal. Rook. Geklingel, geroezemoes. Op de houten vloer lag glas, ook buiten
in de straten. Scherven fonkelden als nepjuwelen in heel de stad. Nog niet
alles wat opgeruimd. De stad likte haar wonden nog. Een paar dagen voordien,
bij de kroning van alweer een nieuwe koningin, werd de stad het toneel van
nooit eerder geziene rellen, 30 april was een dag vol schermutselingen
zeggen sommigen, anderen spraken van “oorlog”. Gehelmden, traangas, stillen,
voetzoekers, straatstenen vlogen door de lucht, de ballistiek van een
baksteen, een knikker in en katapult, een knikker tussen het wegdek en
hoefijzers, paardenstront, traangas. Een wonder dat er geen doden vielen.
Pantserwagens reden in op de relschoppers.
De Paradijsvogel werd dringend op het podium gevraagd, zei een man in de
micro. De vogel hoorde het wel, maar hij had zijn handen vol met een
knokpartij. In de seconde waarin hij naar het podium gekeken had, had een
linkervuist zijn rechterkoon aanzienlijk geschaafd. Paradijs wurmde zich
richting podium. Die zondagavond in Paradiso was De Paradijsvogel
straalbezopen. Hij hees zich op de bühne. Nog opgefokt door de dreun begon
hij in zijn platste en gemeenste Vlaams te schelden, te roepen, te tieren.
Telkens hij stopte, om een slok te nemen, volgde uitzinnig applaus. “Ik heb
gehoord dat jullie allemaal erg braaf geweest zijn op Koninginnedag, daarom
nodig ik jullie uit om deze zomer samen met mij 150 jaar België te komen
vieren.” Het laatste wat hij wist uit te brengen. Toen viel hij van het
podium. Drie dagen later mankte hij nog. Hij had niet één gedicht gezegd.
6
Al te makkelijk en voorbarig konden liefhebbers van ontaarde kunst verkeerde
conclusies trekken als ze oog in oog stonden met Carlo Tillemans. Eén oog
stond op gekte, het andere was gericht op wreedheid. Hij leek op een
Afrikaans masker. Was hij ontsnapt uit een tentoonstelling zoals die toen in
Duitsland werden gehouden? Naast het propaganderen van volkorenbrood en
mineraalwater wilden de leiders ook de innerlijke mens opvoeden. Was Carlo
ontsnapt uit Guernica, het schilderij dat in die dagen, op de
Wereldtentoonstelling in Parijs, voor het eerst geëxposeerd werd. Het doek
was een parallel universum, monochroom, tot de nok gevuld met monsters: half
kruip-, half mensdier. Mythologische kubistische gezichten. Een briesend
paard, een moeder met een dood kind, een afgehakte arm, een losliggend
hoofd, een dolle stier, armen ten hemel heffen… Goya en Viëtnam? De beelden
waren fata morgana’s uit het verleden en uit de toekomst. Men wou de bommen
afwenden. In elk gezicht werd het verschil tussen profiel en vooraanzicht
uitgevaagd. Zo’n kop had Carlo Tillemans.
7
Ik, marconist van de dood, seismograaf steek mijn kosmische voelsprieten
uit. Een opname met een SSB-ontvanger. De “Black Box” is klein, kan worden
aangesloten op een actieve antenne of op een geïsoleerde achterstag voor nog
betere ontvangst…
De Paradijsvogel zette zijn opmars verder. Stentorstem. Pure kamikaze. Luid
en smerig. Baldadig. Een nieuwe mongool, stoer als de SS die teruggekeerd
was, Ardennenoffensief, de Blijde comeback van Attila de Hun. Messen
slijpen. Scheppend, schoppend nihilisme. Hoog in het vaandel authenticiteit
en intensiteit. Gul trakteerde hij de wereld op vette porties haat. In
verschrikkelijke intonaties ratelde, rochelde hij ruwe klanken no wave, de
amper bedwongen hysterie aan het begin van de rede van Adolf Hitler, de
hoogmissen van Antonin Artaud, les Litanies de Satan, en de vlijmscherpe
uitspraak van Paus Pius XII. Aangevuurd door boe-geroep, opgezweept door
verhitte gemoederen. Tientallen groepen voor hem schreven de partituur uit,
geen noot muziek kenden zij en toch toverden zij uit hun instrumenten nooit
eerder gehoorde klanken te voorschijn. Een eigen koers varen, zonder kompas,
zonder bagage, een dodenschip. De zwarte vlag zwaaien, de trom roffelen.
Door de aders gierde Sint-elmsvuur.
8
1940 gaf de mensen wat ze vroegen: oorlog-oorlog-oorlog!.
Jij was zestien en zazou: één van die snuiters in hun kachelpijpen, bobbing
shoes, korte leren jekkers met brede schouders, de haren naar achter, tot
over de hemdsboord. De eerste jongerensubcultuur.
De per definitie anglofiele “zazous” kickten op bigbands. Benny Goodman,
Count Basie, Duke Ellington. Orkesten van twaalf of meer muzikanten. In
nazi-Duitsland had je toen Swingjugend en Edelweisspiraten. Duizenden
jongeren, meestal arbeiderskinderen, gingen op de vuist met die slapjanussen
van de Hitler-Jugend.
Hier te lande maakte de oorlog Carlo en zijn vrienden onaanraakbaar. In
rijen van vier marcheerden zij over de speelplaats, Carlo voorop.
Kaarsrecht, fier als een pauw. Iedereen in korte donkere ribfluwelen broek,
stevige stapschoenen. Bruine hemden, de haren kort. De trommel slaat. Het
vendel zwaait.
Nu en dan voerden Carlo Caudillo en zijn maats schijncharges uit naar
groepjes joodse jongens.
Wat hadden ze een lol!
9
Het huis maakt geluiden. Vooral ’s nachts. Alles ligt er doodstil bij. In de
oorlog gebeurde er tenminste nog iets. Alleen kon niemand toen precies
zeggen wat. Jouw klas was heel bijzonder. Almaar meer leerlingen verdwenen.
Soms was je opgelucht. Regelrechte klootzakken waren het. En toch... Na elk
verdwijnen voelde je een koortsige gloed. Fantoompijn. Wie geloofde dat je
die gasten miste? Goe van af! Je hoorde er niet bij. Gij se jood, ge droeg
niet eens een ster! Het gemis knaagde, houtworm in de schedel. Wat is het
ergst, het dagdagelijkse gekibbel, of dit onbestemde verdwijnen? Jij zat
altijd tussen twee stoelen. Het was een epidemie. De namen van de afwezigen
klonken luider dan ieder ander. Altijd hetzelfde: een bank bleef onbezet,
vriend en vijand sprong bij, men nam notities, vulde de schriften aan. Dat
doet men een dag, enkele dagen, een week, enkele weken, daarna... Steeds
meer kale plekken in het klaslandschap. Waren ze ondergedoken, de
smeerlapkes? Opgepakt? Vannacht aan de Statie? Naar de Nationalestraat
gesleept? Gendarmes, rijkswacht, of gewone Gestapo? Verklikt, verlinkt,
verminkt? Of overdag - van de tram geplukt. Twee heren in regenjas.
Waarheen? Mechelen? Of verder oostwaarts? Om op boerderijen te werken.
Dagen, weken, maanden bleef iedereen, leerlingen en directie, zonder nieuws.
Was het zoals vanochtend in Blankenberge, Gust? Een administratief incident.
Een meisje van 14, en haar broer van 12, onderweg naar school… Kinderen mag
men niet langer van de schoolbanken plukken. Dus moet men creatief zijn.
10
Do-re-mi-fa-sol! Jazz kon knap gevaarlijk zijn.
Na ’41/’42 verdween zazou uit het straatbeeld. Too hot to handle, baby.
Zeker met gasten als Carlo in de buurt. Die zeië meteen dat je stiekem BBC
zat te luisteren. Een valse noot om te laten voelen wie baas was. De wet van
de sterkste op muziek gezet.
Ook hield men op dat moment in heel het Derde Rijk lenteschoonmaak. Met
Edelweisspiraten, Swingjugend en ander onkruid werd komaf gemaakt. Wie niet
horen wil moet maar voelen. Geef ze eens ongelijk! Jazz was muziek van de
negers! Het nieuwe Duitsland hield de mens het schone en het hogere voor.
Daarom kwamen tal van jonge jazz-fanaten aan lantarenpalen te bungelen. Het
individu wou men behoeden voor de nefaste invloed van de joodse negroïde
klanken. Nazi-Duitsland wilde een gezonde samenleving. Muzikale
meningsverschillen zorgden ervoor dat tienduizenden jazzplaten en tientallen
van hun bewonderaars publiekelijk vernietigd werden. Bebop-spuglok hing over
het gelaat, tong uit de mond. Niet zelden aan een pianosnaar.
Pas jaren later, toen het allemaal achter de rug was, kreeg het kind een
naam. Zo gaat dat. Als een windhoos giert een jongerencultuur –
beeldenstormers - door het land. Elke orkaan krijgt een naam. De laatste
keer sprak men over “punk”, de eerste keer over “zazou”.
11
Met parapsychologie op zoek naar het paraproza. Het is als contact leggen
met de doden, het registreren van klopgeesten: een mens krijgt ervan een
slechte smaak in de mond. Hevig gebonk in mijn strottenhoofd, de muren, de
straat, het huis trilt. Ik denk aan “Hevig lawaai”, van Franz Kafka.
De Paradijsvogel had één groot voorbeeld: James Chance. De in Milwaukee als
James Siegfried geborene, kwam New York binnen met een koffer vol
schuilnamen. Eerst vormde hij Teenage Jesus and The Jerks, daarna Pill
Factory, en de bands James Chance & The Contortions en James White and The
Blacks. Albumtitels logen er niet om. ‘BUY’, ‘Off White’, ‘White Cannibal’,
‘Sax Maniac’. Absolute hits waren ‘Throw Me AWAY’, ‘I DON’T WANT TO BE
HAPPY’ en bovenal ‘Contort Yourself’. Wie beweerde dat jazz muziek voor ouwe
lullen was, was eraan voor de moeite. Een retro gevoel dat terugging tot de
film noir, in kruisbestuiving met de vastberadenheid onvoorwaardelijk modern
te zijn.
Apestoned ging hij tekeer, met de spasticiteit van James Brown, bezeten van
Ornette Coleman, produceerde aan de lopende band agressieve stoten en kreten
die uit de diepste diepten van een mens kwamen en zo lang mogelijk gerekt
werden. Keer op keer werd door het rietje van de sax een storm geblazen.
Stomende stuwende, honkende bonkende ritmes. Nooit eerder had
ADHD-pokkeherrie zo aanstekelijk geklonken. Vuil, sleaz & mean. Elke klank
had de ruwheid van de betonnen grootstad. De New Yorkse No Wave sien bestond
uit niets anders dan een reeks gevaarlijke mutaties. De rauwste punk, jazz
in zijn meest vrije vorm, soul en funk waren de ingrediënten, en ten alle
tijden was de cocktail dodelijk.
Gevaar met een vuig trompetje bij. James die hield wel van robbertje. Nadat
hij nog eens zijn kuif had gekamd, polaroids van het publiek had genomen,
kwam hij vervaarlijk klauwend en graaiend af op de eerste rij kijklustigen.
Ja, James, die ging er voor, was, zoals De Paradijsvogel, een vechter.
12
Oorverdovend werd het lawaai. Het podium was van iedereen. Het was een flow.
Koenraed de Waele. James Bordello. Gretchen Ozon, Ton Lebbink, Casper van
den Berg - one-night-knights - Johnny ‘The selfkicker’ van Doorn. Elvis
Peeters, Jana Vandume… Engeland kreeg een flinke beurt van The Ranting
Poets, opgejut door The Sex Pistols. Een razende rode lijn gierde door het
frigide eiland. Linton Kwesi Johnson, Little Anny, John Cooper Clarck, Anny
Anxiety, Seething Wells. Als Messerschmidts belaagden ze Westminster.
Tatcher, de Babylonische bitch van het Westelijk halfrond werd het vuur aan
de schenen gelegd. Joolz, Attila the Stockbroker, Eddy Steady Go, Kief
Stingel, Patrick Fitgerald, TV Smith, etc, etc. Allen goten eau de cologne
in de wonden. Hun poëzie zocht het publiek op. Poëzie en muziek werden
ongehoorzaam. Zelfs in de Trage Landen bij de Noordzee werden er in die
dagen tekenen van leven gesignaleerd. Hurray, hurray! We Killed Bambi!
Deelder, Chabot, ze werden dronken, werden zot, raakten vergeten, versleten,
gingen kapot. Sommigen raakten onmiddellijk eeuwig beroemd, anderen gingen
gewoon op in rook. Terwijl het straatstenen regende en de lucht zwanger was
van traangas boorden tovenaars en alchemisten nieuwe geluidsbronnen aan,
gigantische velden. Zaten onder het continent, gasbellen. Jaap Blonk. Eddie
Kagie. Overal doken ze op. Dodelijk onkruid. Barbaren vergrepen zich aan de
wondere wereld der bellettrie. De verklanking van de poëzie. De verklanking
van de verbeelding. Johan Joos sloeg tot bloedens toe de microfoon tegen
zijn voorhoofd, waarna Madame d’Amsterdam liefdevol life rapporteerde vanuit
de goot, om uiteindelijk het woord te geven aan De Paradijsvogel.
13
Voorwaar, voorwaar, ik tapdanser van de dood… intermediair. Intergalactisch
collectioneur van dode zielen... ik zeg u: ‘Bevrijding’ is een linke term.
In 1944 was je twintig, je speelde bas - jazz. In het laatste jaar van de
oorlog was er veel gelegenheid voor kleinere combo’s om te spelen in cafés.
Er kwam voldoende publiek naar luisteren, voor de kroeghouders was het
financieel haalbaar. Pas daarna maakte je muziek met de pen.
Muziek charmeert soms door zangerigheid, andere bezweert door ritme of
structuur, terwijl het geluid eerder aan de harde kant is, zelfs dissonant.
Jouw poëzie valt in de laatstgenoemde categorie. Je bent geen lyrisch
dichter, wel zeer muzikaal. Je eerste bundel heette ‘Partituur voor
vlinderbloemigen’ en de eerste afdeling daarin ‘Suite voor spreekstem’.
Jouw muziek was honky tonk & hotsy totsy. Rammen, zoals op de piano’s in de
hoerenkasten in Storyville, het zwarte deel van de hoerenbuurt in New
Orleans, rond 1900.
14
Dit is geen suite maar een slide-show. Een PowerPoint presentatie recht in
de mensen hun brein. De beste resultaten boek ik met een middengolfontvanger
en een microfoon aangesloten op een cassettedeck via een mengpaneel. Na het
stellen van een vraag gaat de microfoon dicht. De radio wordt afgestemd op
een stukje middengolf waar meerdere zenders door elkaar te horen zijn... Ik
zie duidelijk hoe het was... De oorlog was voorbij. Men haalde weer
opgelucht adem. Ook Carlo Tillemans. Hij zou het ver schoppen, schoppen
zoals zijn soort op straat schopte naar wie hen voor de voeten liep,
schoppen zoals zij mensen de trein op schopten. Onmiddellijk na de oorlog
liet hij geen gelegenheid onbetuigd om te zeggen dat het er zeker geen zes
miljoen waren die daar door de boze heks de oven in waren geschopt, in elk
geval beduidend minder dan het aantal dat omkwam in de bombardementen op
Bremen, misschien had hier en daar wel een gaskamer gestaan, maar zo die al
bestaan hadden, dan werden die vast en zeker bediend door communisten. Na de
oorlog richtte hij mee de Vlaamse Concentratie op. Hij vertaalde een boek
waarin gezegd werd dat alle kampen na de oorlog waren gebouwd, het waren
decors van Walt Disney. Zijn hele leven lang had Carlo Tillemans de
schoonheid van een gifslang. Voor Carlo loopt het op zijn laatste beentjes.
Hij kan rustig inslapen. Vandaag houden zijn politieke soortgenoten het land
in een wurggreep.
15
Tijd is de grondsubstantie van het heelal - time is money. De jaren lijken
op elkaar, koeken aan elkaar… Het is zoals met televisie-uitzendingen. Alles
wat ooit werd uitgezonden, zet eeuwig zijn weg verder het heelal in… En dan
is de ontvangst perfect. Het is zaterdag 13 september 1980 als De
Paradijsvogel, lang na de gebroeders Wright, ontdekte dat hij kon vliegen.
De zwaartekracht overwonnen had. De zaal stond op zijn kop. Rood aangelopen
gezichten. Het is een film. Het geluid is uitgevallen. Ze schreeuwen. Of het
zijn vissen in een aquarium. Ze verkeren in ademnood. Sommigen schreeuwden
de longen uit hun lijf. Boeee. Ongepast voor poëzieliefhebbers. Wat dat
varken daar uithaalt. Een kleine minderheid, analfabeten en nozems, is
laaiend enthousiast. Allen schreeuwen… Daar genoot hij van, De
Paradijsvogel, terwijl hij tussen hemel en aarde, in zijn lange grijze jas,
als een voorhistorische vogel, met zo traag mogelijke vleugelslagen, de
albatros van Baudelaire… Tot hij helemaal achteraan de lange smalle zaal
landde, bij het enige deel dat verlicht was : de bar. Uit het donker klonk
een scherpe stem: “Proficiat, ga zaa nen echte.”
16
“As kik nen echte zen, haalt mij dan ma vijf pinten” snauwde De
Paradijsvogel het duister toe. Enkele tellen later kolkten vijf pilsjes door
zijn keelgat. Het was een aangename kennismaking. De Paradijsvogel was graag
ongelukkig. Overtuigd autist. Principieel alcoholist. Alles wat anderen
beangstigde, plezierde hem. Pas als iedereen down was, werd hij gelukkig.
Hij haatte poëzie. Elke letter moest lawaai maken, een schreeuw zijn,
wanklanken die steen en been kloegen.
De Paradijsvogel was jouw spiegelbeeld. Hij ging er prat op dat hij geen
geheugen had. Hij zag zich als een vleesgeworden black-out. Jij was altijd
obsessioneel met je geheugen bezig. In “Acute amnesie” schreef je “Ik
verlies mijn geheugen. Erger, ik denk dat ik valse herinneringen krijg.”
Elders in een gedicht heeft een goudvis het zwemmen verleerd omdat zijn
geheugen zoek is. Je schreef dat geen falend geheugen je kon beletten je je
zuster te herinneren. Elders luidt het “Op wiens lichaam hoorde het
oospronkelijk thuis? Dat is het hoofd glad vergeten. Elke herinnering aan
zijn vroegere identiteit is uitgewist. Geheugenverlies, te wijten aan die
hersenschudding.” In een andere tekst kan de held zich niet herinneren op
welk Grieks eiland hij met vakantie was. Of je verhaalt over iemand die zijn
schitterende literaire invallen niet kan noteren omdat hij zijn
notitieboekje niet bij zich heeft.
Je hebt netjes afgesloten. Je stopte met schrijven. Je hoofd werd een
schudbol. Binnenin sneeuw. Elke dag meer. Voor elke afspraak reed je
verloren. Er waren alleen nog je pretoogjes en je lachje. Alles raakte
ondergesneeuwd. Je veranderde in paraproza. Geen seconde heb ik er spijt van
dat ik je nu opzoek in wat volgens sommigen je laatste, maar dat jij -
eeuwige dwarsligger - ziet als je eerste rustplaats.
17
Ik kijk door het raam.
Registreren. Klanken borrelen op, worden geboren uit stilte, ruis op de
radiokanalen klit bij elkaar tot taal. Dood doet leven. De dood is de humus
voor het leven. Zoals de polen om de zoveel duizend jaar van plaats
veranderen zijn het vandaag de doden die ons beluisteren. Jullie maken jacht
op ons. Is er leven voor de dood? De doden, gedragen ze zich zo een beetje?
Kunnen doden een stijve krijgen? Ze zijn stijf.
Je schreef dat het individu de bewegingen van het spiegelbeeld naaapt. Een
mens zou er zijn hoofd bij verliezen. De wereld is een luchtspiegeling, een
trompe l’oeuil. Wij imiteren de doden. Vandaar al de rottigheid. De stank.
Verbaast het iemand dat alles hier zo dood is als een pier?
In de permanent gecontroleerde zone zijn camera’s en opnameapparatuur
voortdurend in de weer om geesten te vangen, spoken.
Zelden was de onvangst zo klaar. Klank, beeld, interactie. Alles is er. Ik
zit weer naast jou, Gust! Day after day, alone on the hill. We
speuren het universum af, vinden steeds minder poëzie… En daar… Across
the universe… Opstijgend. ‘2001: - gemengde koren. Ligeti - ‘A Space
Odyssey’. Explosies. Chaos. Cacafonie. Stemmen. Uitbarstingen. Meteorieten.
Partikels “Requiem für einen jungen Dichter”. Bernd Zimmermann.
Revolution nr. 9 - nr.9 - nr. 9... Uit het vinyl bevrijd door een kort: ’K-9
Was in Close Combat with the Alien Mind-Screens’. Een stem reciteert
frenetiek ‘I’M SITTING IN THE COSMOS’, en dan klinkt de grote
Ooote-oote-oote Uhrsonate! De storm gaat liggen, en het orkest speelt
Strauss, de planeten walsen, en de laatste schipbreukelingen proberen dit
alles te vatten in woorden om aan het einde van een zin weg te zinken in
iets zonder dimensies: een punt.
|
|