


|
 |
'Een minnend paartje'
Johan Vandenbroucke
Op een avond in de herfst van 1996 kreeg ik in mijn toenmalig stulpje een
meisje op bezoek, en op een onbewaakt moment bemerkte ik dat ze haar
toiletspullen bij had. De volgende ochtend moest ik een schrijver
interviewen, aan wie zopas de driejaarlijkse prijs van de Vlaamse
Gemeenschap was toegekend ter bekroning van een schrijversloopbaan.
Gust Gils, geboren op 20 augustus 1924, zou dit jaar tachtig jaar zijn
geworden.
De avond en de nacht voor mijn vraaggesprek met Gils herinner ik me nog
goed. Het meisje was flexibel en deed niet flauw. Tot diep in de nacht lazen
we elkaar gedichten voor. Mijn plichtvergeten werk, zo heette de
recentste publicatie van Gils, een in 1994 door hemzelf samengestelde
bloemlezing van zijn poëzie.
Voor romantische verzen ontbrak me de tijd. Gils schreef geen gedichten voor
verleiders en verliefden. Optimistisch, zonnig of het leven toelachend was
zijn werk ook niet bepaald. In het gedicht ‘Valt nog mee’ schreef hij
bijvoorbeeld: “optimisme: nou / dŕŕr komt stom geluk bij kijken”.
Het meisje en ik lazen elkaar om beurten een gedicht voor. Soms veeleer
aforistische verzen, maar vaker ronduit absurdistische met een ontregelende
pointe. Zoals ook Gils’ zogeheten ‘paraproza’ bestaat uit grillige grotesken
van een totale onvoorspelbaarheid. (Gils tijdens het interview: “Dat het
gedicht verrast, de lezer op het verkeerde been zet, lijkt me een vereiste
voor alle poëzie die het zout in haar pap verdient.”)
Persoonlijke lyriek ontbreekt bijna geheel in zijn werk, zo staat te lezen
in een academische bespreking: “In plaats daarvan komt een
afstandelijk-cynische kijk op de samenleving”.
Toch had ik als zestienjarige en immer verliefde scholier ooit een gedicht
van Gils overgeschreven in een schoolschriftje, met vulpen en eindeloos
verlangen. ‘Een minnend paartje’ was de titel van het gedicht waarin een man
en een meisje – “identiteit onbekend / op een grijsgeregende morgen in een
van de plattelandssteden” – vreemd aan hun eind komen: “zij vloeien als twee
vlakken natte waterverf in elkaar”.
Vervolgens, benadrukt tussen twee witregels, stond de versregel: “liefde of
toeval niemand weet het”.
En het eindigde met: “stoffig en schraal als puin vindt men / de
bewijsstukken (hun silhoeëtten) later / veel later / op een onverhuurde
zolderkamer”.
Nee, Gils was geen lieflijk dichter, en belijdenisliteratuur schreef hij ook
niet. Al publiceerde hij op latere leeftijd wel nog een wrang en bitter
scheidingsgedicht, waarin volgende verzen: “dank voor je leugens en dode
mussen / pro forma hartstocht en pseudoliefde”. Het was, zo vertelde hij me
de volgende dag, inderdaad uitzonderlijk dat hij zo direct iets persoonlijks
beschreef.
Zijn poëzie bleek volkomen ongeschikt voor wat ons tijdens die nachtelijke
uren eigenlijk in gedachten stond. Ook voor onze gelegenheid was hij
allerminst de gewenste poëet. Jaren eerder had hij al geschreven: “ik ben/
gelegenheidsdichter / dat wil zeggen // als de gelegenheid / mij wat zegt /
helaas dat doet ze niet zo vaak // dus dicht ik meestal maar / ongelegen”.
Toch moesten we nu en dan hardop lachen, het meisje en ik. Zo had ik Gils
ook leren kennen; als een vaak grappige dichter die tijdens poëzienachten
ervoor zorgde dat er ook al eens kon worden gelachen. Niet toevallig kan hij
worden beschouwd als de Vlaamse peetvader van de performing poets. Hij hield
ervan de door poëten zo gekoesterde ernst te relativeren. Humor, zo vertelde
hij tijdens ons gesprek, zelfs zwarte humor beschouwde hij als een uiting
van weerbaarheid. Toen ik hem vroeg of er geen gevaar bestond dat de
lezer/luisteraar zich alleen nog de woordgrapjes herinnert, antwoordde hij:
“Ik vind dat humor in poëzie niet misplaatst is. Zoals ook Van Ostaijen al
wist en in de praktijk bracht.”
De verwijzing is niet toevallig. In het proefschrift Van Ostaijen tot
heden (Uitgeverij Vantilt) omschrijft Geert Buelens Gust Gils als “een
van de enige Vlaamse auteurs die bijna zijn hele leven de poëticale erfenis
van Van Ostaijen op een inventieve en intelligente manier had belegd.”
Buelens verwijst in zijn overzichtswerk ook naar mijn interview met Gils –
tot mijn voldoening: het is niet onopgemerkt gebleven – daarbij opmerkend
dat Van Ostaijen “een rode draad in het gesprek” vormde. Zo ook toen Gils
verklaarde waarom hij uit ‘prinsiepe’ een eigenzinnige, ietwat fonetische
spelling bleef hanteren, daarbij steunend op de spelling Kollewijn: “Van
Ostaijen zei al: Kollewijn is misschien wel een vervelende man, maar zijn
spelling is bruikbaar. Ook voor hem was het niet een kwestie van
vooruitstrevenheid maar van bruikbaarheid.”
Voor mij verliep het interview in een haast onwezenlijke sfeer. Ik kan de
gepubliceerde tekst nu wel nalezen – en die blijkt best lezenswaardig te
zijn - maar vreemd genoeg en anders dan gewoonlijk herinner ik me van het
hele gesprek inhoudelijk vrijwel niets.
Ik weet wel nog dat ik zijn adres in Brasschaat moest zoeken en ik zie me
nog lopen door de woeste tuin waar middenin een huis stond. Ik herinner me
verder dat het vrij lang duurde vooraleer de schrijver kwam opendoen en dat
hij een sloffige indruk maakte. Tijdens het gesprek, dat weet ik ook nog,
zaten we aan een houten eettafel die tegen een raam geschoven stond in het
wat onderkomen lijkend huis.
Wat me van onze ontmoeting echter vooral bijbleef, waren de stiltes en de
almaar onwezenlijke, haast surrealistische sfeer, waarbij ik voortdurend de
indruk had dat ik niet werkelijk aanwezig was. Ik stelde een vraag en
secondenlang leek het alsof ik niks gezegd had. Gils staarde in het ijle –
alsof de vraag niet tot hem was doorgedrongen, alsof hij hoedanook geen zin
had ook maar iets te zeggen - en pas na een mij tergende stilte, begon hij
te mompelen. Traag en bedachtzaam. Ik weet nog dat ik verbaasd was over de
inhoudelijk coherente antwoorden, en tijdens het uittikken van de
opnamebandjes later ook over zijn welgebouwde zinnen. Over zijn manier van
schrijven zei hij bijvoorbeeld: “Je kan iets onverwachts zeggen door een
gebruikelijke zegswijze heel licht te wijzigen, waardoor het clichématige
ontwricht wordt en je hopelijk iets origineels produceert.”
Heel het gesprek leek zich buiten mij om af te spelen. Ik herinner me niet
dat er een echt contact tussen ons was, en was de cassetterecorder er niet
geweest, ik had er wellicht geen jota van kunnen reproduceren.
Wel herinner ik me nog bijzonder goed dat ik nadien thuiskwam en dat het
meisje er nog was. Ze is gebleven. Meer dan zes jaar later, intussen een al
enkele maanden zwangere vrouw, verkocht ze wenskaarten voor de
11.11.11-actie, toevallig op de dag dat Gust Gils overleed, 11 november
2002.
|
|