


|
 |
Róman López Velarde, Aarstengel van de Mexicaanse poëzie
Stefaan van den Bremt
De poëtische revolutie waardoor Spaanstalig Amerika zijn literaire
onafhankelijkheid verovert, begint in 1888, het jaar waarin de Nicaraguaan
Rubén Darío zijn verzenbundel Azul (Blauw) publiceert. Latere
dichters, zoals de Argentijn Leopoldo Lugones (1874-1938) en de jong
gestorven Mexicaan Ramón López Velarde (1888-1921), laten – in tegenstelling
tot het vooral op Europa en in mindere mate op een mythisch Oosten gerichte
kosmopolitisme van Darío – hun poëtische taal opnieuw wortel schieten in hun
streek en hun provincie, terwijl hun thematiek net als die van hun
voorgangers universeel blijft en vaak cirkelt rond het conflict tussen het
verlangen naar een of andere vorm van transcendentie en de onverbiddelijke
voortgang van de tijd. Met hen doet het mundonovismo (afgeleid van ‘Mundo
Nuevo’, Nieuwe Wereld) zijn intrede in de Spaans-Amerikaanse letteren. ‘We tellen dichters met weidsere horizont en krachtiger begaafdheid,’
noteert Xavier Villaurrutia, ‘maar geen van hen is intiemer, mysterieuzer en
geheimer dan Ramón López Velarde.’ En Pablo Neruda noemde hem ‘de
uiteindelijke aartsengel van het modernismo’, degene die ‘aan de
[Spaans-]Amerikaanse poëzie een smaak en een geur schonk die zal
voortduren’. De provincie van López Velarde is het noordoostelijke deel van Centraal
Mexico, de streek waar zich de oude zilvermijnen bevonden en waar, dankzij
die minerale rijkdom, enkele van de mooiste koloniale steden uit de grond
zijn gerezen, met parels als Zacatecas en het nabijgelegen stadje Jerez waar
López Velarde geboren werd en waarover hij steevast spreekt als een ‘pueblo’
(dorp). In het gedicht ‘Iets kuis en kleins wezen’ spreekt hij zijn
geboorteplaats aan als een verpersoonlijking van de Liefde en fluistert haar
koesterend toe:
Aanhalerig in de welriekende
nabijheid van je schouders en in de heldere
goede geur van je armen, zou ik
je zeggen dat ik van je houd tot voorbij
de tweelingtorens.
Deze tweelingtorens zijn die van de hoofdkerk uit Jerez, waarin zich het
beeld van de ‘Virgen de la Soledad’ (Maagd der Eenzaamheid) bevindt – een
beeld waar de dichter steeds een grote devotie voor bewaard heeft.
Ramón López Velarde debuteert op het hoogtepunt van de Mexicaanse revolutie,
in 1916, met La sangre devota (Het vrome bloed). Een tweede poëziebundel,
getiteld Zozobra (Rusteloosheid), verschijnt in 1919, wanneer de
revolutionaire strijd op zijn laatste beentjes loopt. De postume bundel
El son del corazón (De klank van het hart) besluit dit onvoltooide oeuvre en
ziet pas in 1932, elf jaar na het overlijden van de dichter, het licht. De paradoxale krachten die erin schuilgaan, werden al in 1945 in kaart
gebracht door de reeds geciteerde Xavier Villaurrutia, prominent
vertegenwoordiger van de dichtersgroep Contemporáneos (Tijdgenoten) die in
Mexico even vernieuwend en invloedrijk was als de generatie van 1927 in
Spanje. Zijn inleidende essay bij El León y la Virgen, een spraakmakende
anthologie uit López Velarde’s poëzie, besluit met deze vaststelling: ‘In de
Mexicaanse poëzie is het werk van Ramón López Velarde tot nog toe de meest
intense, de meest gedurfde poging om de verborgen ziel van een mens te
onthullen, om de meest verzonken en ongrijpbare angsten naar de oppervlakte
te halen, om de felste kwellingen en de heimelijkste onrust van de geest ten
overstaan van de roep van erotiek, religiositeit en dood tot uitdrukking te
brengen.’
|
|