

 |
 |
Natuurlijke rust
Dennis Rijnvis
Meneer Delabar sloeg zijn boek dicht. ‘Uit!’, riep hij. Hij
keek onderzoekend naar zijn vrouw, die niet reageerde. Schouderophalend
zakte hij wat verder weg in zijn tuinstoel en nipte hij van zijn glas
limonade, dat naast hem op een tafeltje stond.
Even later mompelde hij iets in zichzelf dat klonk als ‘meestertuinier’.
Hij knikte goedkeurend naar zijn net gemaaide gazon en snoof diep om de
geur van het gras op te vangen. Zijn blik gleed vol bewondering verder,
over zijn kleine vijver met de goudkarpers die hij net gevoerd had en
daarna langs zijn rij aardbeienstruikjes die in volle bloei stonden. Zijn
ogen bleven hangen op een stel grote eiken die naast het huis stonden.
Een paar minuten lang staarde hij verwonderd naar de dikke bomen, alsof
hij ze voor het eerst zag.
‘Is het eigenlijk niet idioot?’, zei meneer Delabar toen tegen
zijn vrouw. ‘Is het eigenlijk niet van de zotten dat bomen veel
langer leven dan wij mensen.’
‘Mmmm’, zei mevrouw Delabar. Ze hield haar man vanuit haar
ooghoeken in de gaten, maar deed net alsof ze ook een boek las. Ze had
geen zin om aandacht aan hem te schenken.
‘Maar het is toch idioot?’, vroeg meneer Delabar weer, en
hij ging rechtop zitten. ‘Absurd gewoon’, riep hij uit. ‘Ik
bedenk net wat voor een slimme wezens wij mensen eigenlijk zijn. Wij hebben
allerlei nuttige dingen uitgevonden, zoals ziekenhuizen en medicijnen.
We doen van alles om gezond te blijven. Ik wandel iedere dag een rondje
door de wijk om en ik probeer niet te vet te eten. Maar die bomen, die
staan daar alleen een beetje te staan. Alles wat ze doen is soms heen
en weer zwiepen als er een windvlaagje aankomt. En toch worden ze ouder
dan wij.’
Mevrouw Delabar keek verstoord op uit haar kasteelroman. ‘Misschien
is dat het wel, schat’, zei ze. ‘Misschien worden ze zo oud
omdat ze niets anders hoeven te doen dan de hele dag staan.’ Daarna
verstopte ze haar hoofd weer achter het boek. Ze genoot. Zoals altijd
wanneer haar man zo hulpeloos naar haar keek.
Meneer Delabar streek met zijn hand langs zijn grijze snor. Hij leek na
te denken over de woorden van zijn vrouw, en graaide ondertussen zo geruisloos
mogelijk in een zakje stroopwafels dat naast hem stond. Maar voordat hij
er één kon pakken, had zijn vrouw hem in de gaten. ‘Nee
Henri, je hebt er net één op.’
Haar man trok zijn hand terug. Hij stond op uit zijn stoel en begon te
ijsberen over het tuinterras. Voordat hij naar binnen liep, wierp hij
nog een schalkse blik naar de eiken.
Zoals elke avond maakte mevrouw Delabar het avondeten klaar. In de pan
die voor haar op het fornuis stond, lagen twee karbonades te sudderen
in het vet. Met een vork prikte ze de twee lappen eruit en om ze vervolgens
op een grote schaal te leggen, naast een groene brei van gestampte groente.
Ze pakte het zoutvaatje uit een keukenkastje en strooide het spul kwistig
over een van de vleeslappen. Daarna liep ze met de schaal de huiskamer
binnen.
‘Schat. Het diner is klaar’, riep ze naar haar man, die nog
steeds in de tuin zat.
Even later kwam meneer Delabar op zijn gemak naar binnen sloffen. Mevrouw
Delabar zat al met haar armen over elkaar te wachten achter haar bord.
‘He fijn, karbonadelappen’, mompelde meneer Delabar.
Mevrouw Delabar trok haar mondhoeken omhoog. ‘Eet smakelijk, schat’,
zei ze. En het echtpaar luisterde een paar minuten naar het gerinkel van
elkaars bestek. Totdat meneer Delabar zei: ‘ik krijg weer een ontzettende
dorst.’
‘Tsjonge, je hebt net een glas limonade op. Nee, volgens mij wel
twee.’
‘Ach, zeur toch niet zo.’
‘En vanmiddag bij de lunch had je het er ook al over dat je zo dorstig
was’.
Meneer Delabar was al naar de keuken gelopen.‘Wist je dat veel drinken
het eerste teken van suikerziekte kan zijn’, zei mevrouw Delabar
toen hij terugkwam met een groot glas water.”
‘Kan ik niet dan niet gewoon dorst hebben’, vroeg meneer Delabar.
Mevrouw Delabar schudde minzaam haar hoofd. Ze had haar mes en vork alweer
stevig beetgepakt. Meneer Delabar klokte zijn glas water achterover. Daarna
keek hij hoe zijn vrouw de vetrandjes zorgvuldig van haar karbonade afsneed.
Om haar kunstgebit te sparen, verdeelde ze de rest van het vlees in kleine
blokjes die ze in een keer kon doorslikken. Ze had er nog vier te gaan,
toen legde ze haar vork neer. ‘Moet je niet meer eten, schat’,
vroeg ze aan haar man.
‘Nee, ik heb genoeg aan het water.’
‘Maar dat is ontzettend ongezond, schat.’
‘Ach, je kunt best wel een tijd op alleen water leven’, zei
meneer Delabar. ‘Dat vlees is ook niet alles.’ Hij aarzelde
even. ‘…Nu ik erover nadenk, misschien kun je met alleen water
zelfs langer leven dan met al dat vlees en die groenten. Er zijn zoveel
organismen die het prima doen op water.’
Mevrouw Delabar keek hem even argwanend aan en schudde toen haar hoofd.
‘Je kraamt onzin uit, Henri. Dat weet je best.’ En ze begon
de tafel af te ruimen.
De volgende dag dronk meneer Delabar weer alleen water bij het avondeten.
Zijn vrouw deed haar best om hem te negeren en liep meteen nadat ze haar
geprakte zuurkool op had naar hun gezamenlijke slaapkamer.
Ze pakte haar damesroman en genoot van het geluid van tikkende regen op
het dak. Ze dacht niet meer aan haar echtgenoot. Pas toen ze om half-twaalf
het boek op haar nachtkastje legde en het licht wilde uitknippen, viel
het haar op dat haar man nog steeds niet naast haar lag. ‘Schat,
het is niet goed om zo lang op te blijven’, riep ze op volle kracht
naar de huiskamer. Ze glimlachte, ze wist dat hij er een hekel aan had
als mensen tegen hem schreeuwden.
Daarna liep ze naar het raam om de gordijnen te sluiten. Zorgvuldig begon
ze de touwtjes los te maken waarmee ze opgerold waren. Maar het tweede
gordijn zat vast met een lastige dubbele knoop. Haar kunstnagels kregen
er geen grip op. Ze wilde net naar de huiskamer roepen dat Meneer Delabar
nu ogenblikkelijk moest komen, toen haar aandacht werd getrokken door
een schaduw in de tuin. Ze hapte naar adem van verbazing. Want daar, tussen
de grote eiken in de achtertuin stond meneer Delabar, stokstijf met zijn
armen langs zijn lichaam en zijn ogen dicht. Hij leek zich innig te concentreren.
Zijn rode vest droop van de regen.
Een paar minuten lang staarde ze stomverbaasd naar haar man. Toen opende
ze het raam en riep: ,,Wat ben je in hemelsnaam aan het doen Henri?”
Meneer Delabar keek verschrikt op en zwaaide overdreven luchtig naar zijn
vrouw. Hij schraapte zijn keel. ,,Niets schat”, riep hij terug.
,,’s Nachts is de tuin gewoon op zijn mooist. Ik kijk net naar die
eiken en ik bedenk of we ruimte zouden hebben voor nog zo’n prachtige
boom. Wat denk jij?” Mevrouw Delabar verloor haar geduld. ,,Waar
heb je het over?”, blafte ze. ‘Kom naar binnen. Je vat kou
zo.’ Ze sloot het raam en ging in bed liggen. Even later ging de
deur open en kwam Meneer Delabar binnen. Met een schaapachtige glimlach
op zijn gezicht begon hij zich uit te kleden. Hij vouwde zijn vest en
broek op en hing de kledingstukken netjes over een stoel. Zijn vrouw staarde
hem argwanend aan. ‘Wat voerde je in je schild daarbuiten’,
vroeg ze.
‘Niets’, zei Meneer Delabar en hij ontweek haar blik.
‘Je bent soms net een kind Henri.’, zei zijn vrouw. ‘Zonder
mij zou je er een potje van maken.’ Toen draaide ze zich om en sloot
haar ogen.
Een week later stond er nog maar een bord met stamppot op tafel bij het
echtpaar Delabar. Zonder iets te zeggen, hapte mevrouw Delabar de oranje
brei van peen en uien van haar vork. Met haar mes tikte ze zenuwachtig
op het tafelhout. Meneer Delabar roerde met een rietje in een grote kan
met water en keek door het raam naar zijn tuin. De zon scheen.
,,Ze staan er mooi bij, mijn planten”, zei meneer Delabar tevreden.
,,Ik zie ze bijna genieten van het water dat ik net heb gesproeid.
‘Mmmm’, zei zijn vrouw.
Ze schraapte haar bord uit, legde haar bestek erop en stond op om naar
de keuken te lopen.
‘Vergis je niet schat’, zei meneer Delabar. ‘Water is
van groot belang voor planten. Het beste is regenwater, daar zit veel
meer in dan in dat klinische schone leidingwater dat uit de kraan komt.’
‘Wil jij nog een toetje, Henri. Ik heb pudding met bessensaus, je
lievelingskostje.’
‘Nee dank je, schat’, zei haar man. Hij boog zijn hoofd voorover
en plaatste zijn rietje in de hoek van de waterkan om het laatste restje
eruit te zuigen.
Het viel mevrouw Delabar op dat er een vreemd, hard stukje huid in de
nek van haar man zat. Het was diep donkergroen, bijna bruin. ‘Je
moet je wassen als je weer in die tuin bezig bent geweest. Je nek is vies.
Bah!’
Meneer Delabar keek verstoord naar zijn vrouw. Met een ongemakkelijk gezicht
wreef hij over zijn nek. Daarna stond hij houterig op en liep naar buiten,
de tuin in.
Die nacht lag mevrouw Delabar te woelen in haar bed. De kant van haar
man was leeg. Hij was weer tot laat in de tuin bezig. Het gebeurde steeds
vaker dat hij maar een paar uurtjes, of zelfs helemaal niet sliep. Ze
begon zich vreemde gedachten in haar hoofd te halen. Die avond was ze
langs de regenton in de tuin gelopen. Er had maar een bodempje in gestaan,
en dat terwijl het de afgelopen dagen onophoudelijk geregend had. Ze had
het belachelijke idee dat… ‘Stop, riep ze hardop. ‘Dit
is onzin.’ Daarna herhaalde ze dat laatste woord nog een paar keer
langzaam voor zichzelf en probeerde de slaap te vatten.
Een paar minuten later opende ze haar ogen weer, tenminste voor haar gevoel.
Ze keek op de klok, die 3:10 uur aangaf. Weifelend stond ze op en spiekte
door de gordijnen. Het was nog donker. De schaduw van haar man was vaag,
maar hij was er wel. Af en toe werden de contouren van zijn lichaam duidelijk
zichtbaar in het fletse licht van de auto’s, die op de snelweg,
ruim een kilometer verderop, voorbij reden.
Ook de volgende ochtend was meneer Delabar’s kant van het tweepersoonsbed
leeg. Maar de lakens waren warm en mevrouw Delabar hoorde gerommel in
de badkamer. Ze stond op om zich aan te kleden en zag toen dat er blaadjes
op het matras van haar man lagen. Het waren geen volgroeide bladeren,
die gewoonlijk van een boom of struik afvallen, maar jonge groene blaadjes.
Een stuk of zes, zeven. Mevrouw Delabar beet op haar lip en schudde ontkennend
haar hoofd. ‘Henri?’, riep ze op haar vriendelijkste toon.
De deur van de badkamer zwaaide open en meneer Delabar kwam naar buiten.
‘Wat is er schat?’
Meteen viel het mevrouw Delabar op hoe stijf hij zich bewoog. Zonder zijn
armen of nek te bewegen liep haar echtgenoot door de kamer. Het was bijna
waggelen, wat hij deed. Toen zag ze zijn gezicht. De huid was donkergroen
aan het worden met op sommige plekken weer die harde bruine stukjes. Ze
zweerde dat er stukjes boomschors op groeiden, maar besefte tegelijkertijd
dat zoiets onmogelijk was.
Ze had moeite om te slikken. ,,Voel je je wel goed Henri”, was alles
wat ze uit kon brengen.
‘Ik voel me beter dan ooit’, zei haar man. ‘Het is de
eerste dag van de lente vandaag. Dit is het juiste moment om te gaan planten.
Ik ga naar het tuincentrum. Ik heb vruchtbare aarde nodig.’ En hij
verliet de kamer.
Mevrouw Delabar bleef met een angstaanjagend gevoel achter. Ze probeerde
zichzelf gerust te stellen. Hij moest gewoon zijn vergeten om zich te
wassen. En ze moest die laatste zin verkeerd hebben opgevat.
Die middag zat mevrouw Delabar alleen aan tafel. Na iedere hap van het
pasteitje dat ze had gemaakt, keek ze achterom door het grote raam. Ze
was ongerust. Haar man bleef nooit zo lang weg. Hij was die ochtend om
negen uur naar het tuincentrum gefietst en het liep al tegen tweeën.
De huiskamer leek ijzingwekkend groot nu Henri niet tegenover haar zat.
Ze at haar lunch voor de helft op, en ging op de bank zitten. Ze sloeg
haar kasteelroman open en legde het boek op haar schoot. Maar door vreemde
gedachten die de laatste dagen door haar hoofd spookten, dansten de letters
voor haar ogen. Steeds dwaalde haar blik af naar de klok. Het werd halfdrie…kwart
voor drie…halfvier…vier uur… vijf uur en nog steeds
was Henri niet thuisgekomen.
Met trillende benen stond mevrouw Delabar om halfzes op om het avondeten
klaar te maken. Er lag stoofkool klaar op het aanrecht. Toen ze de plastic
zak voorzichtig openmaakte om de groenten niet te beschadigen en ondertussen
automatisch even naar buiten keek, begon haar hart als een bezetene te
kloppen. Ze deed haar best om rustig te blijven ademhalen, maar dat ging
niet meer. Ze voelde alle kracht uit haar lichaam wegtrekken. Schuin voor
het keukenraam, op de plek waar Henri ‘s nachts zo vaak had zien
staan, stond nu een jonge boom.
Op de achtergrond zag ze de andere eiken, waarvan de toppen rustig heen
en weer wiegden in de wind. Maar de nieuwe boom was een stuk kleiner.
Hij was nog geen twee meter lang, waardoor hij niet meegaf. Het enige
dat danste op het ritme van de wind, was het rode vest dat om de stam
heen hing. Uit de mouwen staken twee takken. Minutenlang staarde mevrouw
Delabar naar de boom. En hoe haar verstand ook tegenstribbelde, ze begon
na verloop van tijd ook een gelaat met een snor te herkennen in de kringen
die in de bast van de stam stonden.
Ze wreef in haar ogen en liep verdwaasd terug naar de huiskamer. Ze liet
zich op de bank vallen en begon ontkennend met haar hoofd te schudden.
In het volgende uur liep ze talloze keren heen en weer naar de keuken
om daar ongelovig uit het raam te turen. Daarna bleef ze met haar hoofd
in haar handen op de bank zitten. Ze keek om zich heen en voelde de muren
op zich afkomen. Toen begon ze te snikken. Eerst binnensmonds en wanhopig.
Steeds als ze een geluidje van buiten hoorde, keek ze hoopvol naar de
deur.
Maar toen mevrouw Delabar om tien uur nog steeds alleen in de huiskamer
zat, was het snikken overgegaan in een onbedaarlijk gejammer. De kreten
die ze uitsloeg, werden steeds venijniger. Het liep tegen halfelf toen
ze opstond en naar de salonkast liep. Ze griste de grote waterkan van
een plank en smeet hem op de grond in stukken. ‘Slappeling’,
riep ze. ‘Verrader!’.
Met zelfverzekerde passen beende ze verder naar de aan het huis grenzende
garage. Toen ze terugkwam, droeg ze iets dat verpakt was in een grote
hoes. Er sleepte een snoer met een stekker achteraan. Met het apparaat
onder haar ene arm, haalde Mevrouw Delabar een ook een verlengsnoer onder
een lamp vandaan. Daarmee liep ze naar door de achterdeur naar de tuin.
Ze legde haar bagage in het gras naast de jonge boom. Ze twijfelde nu
geen moment meer over de oorsprong van de stek, en sloeg haar armen over
elkaar. Ze glimlachte, want ze meende te zien dat de wind opeens wel vat
kreeg op de kleine eik. Het was alsof de stam begon te trillen.
‘Nee Henri’, zei mevrouw Delabar. ‘Nu is het te laat
om als een klein kind te gaan staan bibberen’. Ze draaide zich om
en liep naar de garage om de stekker in het stopcontact te steken. ‘Je
kunt me na al die jaren niet zomaar in de steek laten’, siste ze
toen ze terugkwam.
Zorgvuldig begon ze de hoes van het apparaat te verwijderen. Met een troostende
glimlach wreef ze voorzichtig over de scherpe tanden van de motorzaag
die tevoorschijn kwam. Ze wachtte nog even en bekeek de jonge boom nog
eens goed. Toen trok ze aan de startkabel. Gelijk met het oorverdovende
geronk dat begon, verscheen er een uitdrukking van opluchting op haar
gezicht.
Voor iemand zo klein van stuk als mevrouw Delabar was het geen gemakkelijke
opgave om het in de lucht op en neer dansende apparaat stevig beet te
houden. Het lukte haar wonderwel uitstekend. Ze was in een soort roes
beland. Met een vastberaden blik duwde ze de zaag tegen de stam van de
kleine boom aan. En langzaam maar zeker aten de tanden van het apparaat
zich een weg door het jonge hout, begeleid door een opgewonden gejoel
van mevrouw Delabar. Minutenlang stond ze daar zo. Haar hele lichaam trilde
mee op de bewegingen die de zaag maakte. De eik begon vervaarlijk over
te hellen naar rechts, toen ze de zaag even stopzette. De stam van de
boom kraakte en piepte zo hevig, dat het geluid bijna menselijk klonk.
‘Hoor ik dat goed’, riep mevrouw Delabar vals. ‘Begin
je nu te kermen Henri. Daar is het te laat voor. Dat had je eerder moeten
bedenken.’
Met een verbeten blik startte ze de zaag weer. En zonder blikken of blozen
spleet ze het laatste stuk stam in tweeën, dwars door de stof van
het rode vest dat er omheen hing. Toen de boom met een luid gekraak van
takken en een laatste harde plof op de grond terechtkwam, sloeg mevrouw
Delabar een voldane kreet uit.
Ze liep terug naar binnen, meteen door naar de garage, Met vereende krachten
sjouwde ze een blik olie naar buiten. Ze was door het dolle heen. ‘Er
blijft geen splinter meer van je over Henri’, schreeuwde ze, terwijl
ze vloeistof over de gevallen stam goot. Even later bekeek ze het resultaat
met een duivelse glimlach, om vervolgens een aansteker uit haar zak te
halen. Toen de boom vlam vatte, begon mevrouw Delabar te schoppen tegen
brandende hout. ‘Dit is je verdiende loon. Je kunt me niet zomaar
in de steek laten. Jij slappeling! Hoe durf je?’ Ze sprong woedend
op en neer naast de vlammenzee.
De volgende ochtend fietste meneer Delabar met soepele tred zijn achtertuin
in. Hij sprong van het zadel en wandelde naar zijn voordeur. Heel even
bleef zijn blik rusten op de uitgebrande boom die op de grond lag, maar
hij liep zonder zijn gezicht te vertrekken door naar binnen.
In de huiskamer keek hij onderzoekend om zich heen. Hij stak zijn hoofd
om de hoek van de keuken en trok zijn wenkbrauwen op toen hij de scherven
van zijn waterkan op de grond zag liggen. Sluipend op zijn voorvoeten
liep hij door hij naar de slaapkamer. De deur zat dicht. Zachtjes legde
meneer Delabar zijn oor tegen het hout. Een paar seconden bleef hij zo
staan, toen bewoog hij de klink zachtjes naar beneden en duwde hij de
deur open. Hij knikte instemmend toen hij het lege bed zag en ging terug
naar de huiskamer. Daar viel zijn oog op het knipperende lampje van het
antwoordapparaat. Even bleef hij als gehypnotiseerd naar het rode lichtje
kijken, toen greep hij de draagbare telefoon om het bericht af te luisteren.
Zijn ogen lichtten een klein beetje op toen hij de boodschap hoorde, onmiddellijk
daarna toetste hij een nummer in.
‘Goedemorgen, u spreekt met Henri Delabar. Er is mij verzocht om
terug te bellen naar dit nummer’, zei hij. ‘Ik spreek toch
met de het verzorgingstehuis De Zwaan?’
Aan de andere kant van de lijn begon een stem op ernstige toon te spreken.‘Wat
zegt u?’, reageerde meneer Delabar op verbaasde toon. ‘…Dat
meent u niet? De buren hebben de politie gebeld, maar waarom? Ze wonen
een kilometer verderop…. … En hoe is mijn vrouw dan bij u
terecht gekomen?’
Ondertussen wandelde hij met de telefoon de achterdeur uit. ‘Dementie
denkt u…Werkelijk? Maar wat is er precies gebeurd?’ Hij liep
recht op de eiken af, die schuin naast het huis stonden.
‘On-ge-loof-lijk’, stotterde hij ondertussen, maar zijn lippen
stonden nog steeds als twee neutrale lijnen in zijn gezicht. ‘Och
ja, ze vergat wel eens dingen. Maar dit… dit komt als een volledige
verrassing…. Ze verwarde me met een boom?’
Terwijl hij op trieste toon bleef doorpraten, knielde hij voor de dikste
eik. Met zijn linkerhand reikte hij in een holte die onderin de stam zat.
Er kwamen twee flesjes uit de boom tevoorschijn.‘Harde bruingroene
verf’, stond er op de eerste verpakking. Het tweede was een klein
flesje superlijm.
‘U heeft gelijk’, antwoordde meneer Delabar, terwijl hij de
telefoon in zijn nek klemde, zodat hij met zijn rechterhand in zijn broekzak
kon voelen. Hij trok er een paar stukjes afgescheurd boomschors uit en
gooide vervolgens eerst de flesjes en daarna de stukjes schors met een
fraaie boog in een prullenbak die op het terras stond.
‘Je hoort dit soort verhalen over dementie wel eens, maar je hoopt
toch dat het je bespaard blijft… Nee, we hadden geen ruzie….
…. Wat zegt u? Met een motorzaag… En ze zegt dat ik niet meer
eet en alleen water drink… U heeft gelijk, dit is te erg. Ik sta
te trillen op mijn benen. Ik vind het verschrikkelijk om te zeggen, maar
misschien is ze in zo’n tehuis inderdaad beter af.’
Met zijn vrije hand graaide meneer Delabar intussen nog dieper in de holte.
Nu haalde hij een halflege zak brood en een pak stroopwafels tevoorschijn.
‘De bezoekuren…Oh ja natuurlijk, ik noteer het meteen…
Maar ik moet nog even zien wanneer ik in staat ben om te komen. Want dit
is een klap, begrijpt u? Ik moet denk ik gaan ophangen, want ik krijg
het te kwaad…Goed, dank u.
’Meneer Delabar klikte de telefoon uit. Hij nam plaats op zijn tuinstoel
en frommelde een stroopkoek uit de zak met wafels. Zachtjes zette hij
zijn tanden erin. De zak brood zette hij naast zich op het tafeltje. ‘Heerlijk’,
mompelde hij. ‘Wat een rust.’
Daarna begon hij zachtjes te grinniken.
|
|