Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Onder de zon - zoals ik was (5)

Joris Note

De vader van Georges Perec - zie vorige aflevering - kwam om het leven in de eerste dagen van de tweede wereldoorlog, toen de zoon vier jaar oud was; in 1955 of 1956 bezocht Perec het soldatengraf van de man die hij nooit gekend had. De vader van Albert Camus kwam om het leven in de eerste dagen van de eerste wereldoorlog, toen de zoon elf maanden oud was; in 1947, kort na het verschijnen van zijn roman La peste, bezocht Camus het soldatengraf van de man die hij nooit gekend had. Beide schrijvers twijfelden aan de zin van hun tocht naar het kerkhof, maar ze vonden het toch nodig hem te maken.
    Toen Camus in 1960 in een auto-ongeval stierf, had hij het manuscript bij zich van een nieuw boek, Le premier homme. Pas in 1994 werd de tekst openbaar gemaakt, in een uitgave die bestaat uit een aantal uitgeschreven maar onaffe en ongepolijste hoofdstukken (plus kleine varianten en toevoegingen uit de marges), en een aanhangsel met losse notities - schema’s, invallen, probeersels.
     We weten niet hoe het voltooide werk er zou hebben uitgezien, maar het gaat beslist niet om een autobiografie, wel om een - in de derde persoon geschreven - roman, waarin de jeugd van de hoofdpersoon Jacques Cormery verbonden zou worden met de in 1954 begonnen Algerijnse opstand. Toch heeft Le premier homme een bescheiden plaatsje gekregen in een Franse studie over autobiografieën. Ten onrechte?
     Er zijn twee delen. Het eerste begint met een evocatie van Cormery’s geboorte, in 1913, in het Algerijnse dorp Mondovi, dat niet ver ligt van de stad Bône - het huidige Annaba, in de oudheid Hippo Regius (waar de autobiograaf Augustinus bisschop was). De volgende, in de jaren vijftig gesitueerde hoofdstukken tonen hoe Cormery als veertiger een zoektocht onderneemt naar zijn vader, die in 1914 bij de Marne gesneuveld is. Nadat hij in Saint-Brieuc bij het graf heeft gestaan bespreekt hij zijn queeste met een vroegere mentor; daarna gaat hij naar zijn moeder in Algiers, bezoekt de onderwijzer die ervoor gezorgd heeft dat hij kon voortleren, reist naar zijn geboorteplaats. Hij komt weinig te weten over zijn vader, maar herinnert zich uitvoerig zijn kinderjaren in Algiers, tot op het punt dat hij een beurs kreeg voor het lyceum; de eigenlijke zoektocht, het romaneske arrangement, lijkt bijna een voorwendsel voor de beschrijving van de jongenstijd en voor reflectie erover. In het tweede deel, dat vertelt over Jacques’ lyceumjaren en enkele ervaringen die hem op of over de drempel van de volwassenheid brachten, ontbreekt zelfs dat voorwendsel.
     Le premier homme mag of kan als een vermomde autobiografie beschouwd worden, gewoon omdat de gegevens over Cormery’s jeugd grosso modo overeenstemmen met bekende feiten uit het leven van Albert Camus. Daar komt nog bij dat er in de tekst een paar keer per vergissing ‘ik’ in plaats van ‘hij’ staat; en al hebben de figuren fictieve namen, de schrijver is soms verstrooid, of hij weifelt: Cormery’s moeder heet aanvankelijk Lucie maar naderhand Catherine (zoals Camus’ moeder), en één keer wordt ze ‘Wed[uwe] Camus’ genoemd; haar broer heet Ernest en soms Etienne (zoals Camus’ oom). Ook de onderwijzer die zich over Cormery ontfermt wordt een paar keer bij zijn ‘reële’ naam genoemd - en de editeurs van het manuscript doen er een schepje bovenop, door achterin een paar brieven van en aan die man op te nemen.
     De charme van Le premier homme - wat mij betreft een overweldigende charme - zit in de herinneringshoofdstukken (terwijl de zoektocht-passages soms wat houterig uitvallen); die hoofdstukken voelen ook aan als autobiografisch, en de lezer verlangt niet naar verzonnen verwikkelingen en actuele gebeurtenissen: de jeugdautobiografie lijkt min of meer af. (De voornaamste lacune is dat Jacques’ vier jaar oudere broer volstrekt schimmig blijft.) ‘Pour toute l’enfance d’Albert Camus, voir Le premier homme,’ schrijft biograaf Olivier Todd in een noot. Dat klinkt wel wat al te simpel; wie naar werkelijkheid en waarheid zoekt moet het boek omzichtig en wantrouwend benaderen - maar dat geldt uiteindelijk evenzeer voor ‘echte’ autobiografieën. Ook dat zijn verhalen.
     Wat heeft dít verhaal voor opmerkelijks te bieden? Jacques Cormery ontsnapt via de school aan een zeer armoedig milieu; zulke dingen zijn wel vaker beschreven, en het feit dat hij als volwassene trouw wil blijven aan zijn herkomst leidt ook niet per se tot iets origineels of diepgaands - integendeel, juist bij zo’n houding liggen de gevaren van sentimentaliteit en clichématigheid op de loer, en Camus ontsnapt er niet geheel aan. Een groot deel van het boek kan trouwens, met plezier, op een anekdotisch niveau gelezen worden. Maar het bijzondere zit in de poging - de niet afgeronde poging - van Cormery/Camus om te doorgronden wat er bijzonder was aan de armoede die hem voortbracht, en op welke bijzondere manier ze hem getekend heeft.

Het gezin waarin Jacques en zijn broer opgroeien telt drie volwassenen: hun grootmoeder, haar zoon Ernest en haar dochter Catherine, de moeder van de jongens. Ze wonen met zijn vijven in een volkswijk in Algiers (Belcourt), op een kleine flat zonder enig comfort en met amper voldoende slaapplaats. Ernest werkt als kuiper, Catherine als huishoudster. Grootmoeder leidt het huis met ijzeren hand; ze is daar autoritair en ruw genoeg voor, en wie zou het anders doen? Haar dove en half-stomme zoon kan zich nauwelijks verbaal uiten; haar dochter is half-doof en intellectueel heel beperkt, spreekt moeilijk: vandaag zou ze wel ‘licht mentaal gehandicapt’ heten. Grootmoeder zelf is niet invalide maar evenals de anderen ongeletterd en onontwikkeld. Soms gaat de kleine Jacques met haar naar de bioscoop; dan moet hij haar tot zijn wanhoop de tussenteksten van de stomme films voorlezen, en die teksten bevatten ‘ondanks hun uiterste eenvoud, veel woorden die voor grootmoeder ongewoon en soms zelfs totaal vreemd waren.’ Zit haar Spaanse afkomst er voor iets tussen?
     Zeker, ze zijn arm, deze mensen, maar het geldgebrek weegt minder zwaar door dan het gebrek aan taal, zeker bij de twee gehandicapten. Al heeft het ene ook verband met het andere: in de povere woning met weinig voorwerpen kent men weinig woorden voor voorwerpen, alleen soortnamen, geen eigennamen.
     De lagere school en a fortiori het lyceum vertegenwoordigen alles wat het gezin mist. De volwassenen ‘waren noch in contact gekomen met het beeld, noch met het geschreven woord, noch met gesproken informatie, noch met de oppervlakkige cultuur die ontstaat uit het alledaagse gesprek. Wat Jacques van het lyceum meebracht was niet in te passen in dit huis [...] waar alleen dingen voor direct gebruik waren, [...] en zo groeide tussen hem en zijn familie de stilte.’ Van een begrip als ‘vaderland’ hebben ze in dit milieu nog nooit gehoord. Het gaat in wezen niet om een klassenverschil: ‘de afstand onstond [...] doordat hij zijn familie onmogelijk in verband kon brengen met traditionele waarden en stereotypen.’ Dit milieu is radicaal anders.
     Het leren zal dus ambivalent zijn. Het houdt behalve emancipatie ook ontworteling en vervreemding in, Jacques wordt erdoor ‘losgescheurd van de onschuldige, warmbloedige wereld van de armen, een in zichzelf besloten wereld, een soort eiland in de samenleving’. Die dubbelheid uit zich bijvoorbeeld in de dubbele schaamte die het kind soms overvalt, schaamte om zijn onwetende en haast onnoemelijke familie en tegelijk schaamte om die schaamte.
     Camus heeft het over een pauvreté chaleureuse - maar steekt er werkelijk iets positiefs in, iets dat nostalgie kan rechtvaardigen? Hoofdzaak is dat de armoede ten dele beleefd wordt in omstandigheden die haar draaglijk maken of tijdelijk doen vergeten: in de wind, in de zee, in het spel, en bovenal in de zon. Armoede in Algiers schijnt voor Camus een stuk minder erg dan armoede in Parijs. Hier, de zwemmende jongens: ‘De zee was kalm, lauw, er scheen nu een milde zon op hun natte hoofden, en in het glorieuze licht genoten deze jonge lichamen zo hevig dat ze aan een stuk door schreeuwden. Ze heersten over het leven en over de zee, en het prachtigste dat de wereld te bieden heeft ontvingen en gebruikten zij onbeperkt, als hoge heren die geen moment twijfelen aan hun onvervangbare rijkdommen.’ En hier, de voetballende Jacques: ‘als hij met de bal aan de voet onstuimig voortrende, om na elkaar een boom en een tegenstander te omspelen, voelde hij zich de koning van het plein en van het leven.’ Glorieus, heersen, rijkdom, heren, koning... Het zijn steeds terugkerende momenten van lichamelijk genot, en het zijn steeds terugkerende momenten van transfiguratie, waarop de verschoppeling zich als een vorst ontpopt. Het woord koning valt niet per ongeluk, Camus is de schrijver van L’exil et le royaume (1957); in een novelle uit die bundel, ‘La femme adultère’, ondergaat een door sleur en onbehagen bevangen vrouw een extatisch ogenblik wanneer ze in de woestijn een kamp van nomaden ziet, ze lijkt hen te benijden: ‘Van oudsher liepen er op de dorre, tot op het bot afgeschraapte aarde van dit reusachtige land onophoudelijk een handvol mensen rond die niets bezaten maar ook niemand dienden, doodarme en vrije heren van een vreemd koninkrijk.’ Op zich geen denderend beeld, maar hoe dicht staat het bij de kinderervaring van Cormery/Camus!
     Wanneer Jacques als dertien-veertienjarige tijdens de vakantie bediende wordt in een ijzerwinkel, ontdekt hij een ander aspect van de armoede, de grauwe dingen die men doen moet om te overleven. Hij kijkt in de tram beklemd naar de volwassenen die dit regime doorstaan: ‘Tot dusver had hij alleen de rijkdommen en pleziertjes van de armoe gekend. Maar nu werd in de hitte, de verveling en de vermoeidheid duidelijk welke vloek erop rustte, de vloek van het werk dat om te huilen zo dom is’. Je zou nog denken dat er bij de jongen thuis louter zaligheid heerst... Het geestdodende werk waarvoor hij huivert steekt inderdaad mager af tegen het kuiperswerk van oom Ernest (die iets maakt dat je kunt bekijken - zoals een schrijver?); maar het allesbehalve boeiende huishoudsterswerk van de moeder wordt gemakshalve even vergeten.
     De armoede van Jacques’ kindertijd ontleent haar glans ook aan zijn gevoelens voor de drie volwassenen. Grootmoeder is een harde, gevreesde bazin, maar ze wordt bewonderd en gerespecteerd: ‘onverzettelijk en onwetend, had in elk geval zíj nooit berusting gekend.’ Oom Ernest staat voor een warm zintuiglijk leven en een ‘adamische onschuld’ (een verwijzing naar de ‘eerste mens’), hij is erg sterk, gaat met Jacques zwemmen en neemt hem mee bij formidabele jachtpartijen, geeft blijk van een ‘haast dierlijke gehechtheid’ aan zijn familie. En dan de moeder, ach, de moeder.

‘Voor jou die dit boek nooit zult kunnen lezen’: aan de moeder is Le premier homme opgedragen, en ze speelt er de vrouwelijke hoofdrol in. Zwijgend, duldend, berustend; ‘zachtmoedig, beleefd, toegeeflijk, passief zelfs en toch nooit veroverd door iets of door iemand, geïsoleerd in haar hardhorendheid en haar taalproblemen’. Een mooie vrouw, en tot op hoge leeftijd jeugdig ogend. Met, in tegenstelling tot de grootmoeder, geen spoor van geweld in haar gedrag en haar houding - maar van liefkozingen is evenmin veel sprake.
     In het gezin wordt bijna niet aan godsdienst gedaan; de moeder echter ‘was de enige wier mildheid [douceur] associaties met het geloof kon oproepen, maar haar geloof bestond juist uit die mildheid.’ Van in het begin lijkt ze een beetje een heilige; in de losse notities staat, radicaal, dat ze Christus is, en ze wordt ook vergeleken met De idioot van Dostojewski: ‘een soort onwetende Mysjkin’. Veelzeggend vind ik deze regels: ‘het dagelijkse mysterie van de discrete glimlach en het zwijgen van zijn moeder als hij ‘s avonds de eetkamer binnenkwam en zij, alleen thuis, door de petroleumlamp niet aan te steken de duisternis stilaan de kamer liet binnendringen, zijzelf als een nog donkerder, massiever gedaante die peinzend door het raam zat te kijken naar de levendige, maar voor haar geluidloze drukte op straat, en dan bleef de jongen op de drempel staan, beklemd, vol van een radeloze liefde voor zijn moeder en voor dat deel van zijn moeder dat niet of niet meer behoorde tot de wereld en tot de banaliteit van het dagelijks bestaan.’
     Het radicale van de moederfiguur (en van Jacques’ verhouding tot haar) is nauw verbonden met het radicale van de armoede. Het radicale is het hart van het boek.

Als de zoektocht naar de vader, dus naar het verleden van vóór Jacques’ geboorte, niet tot noemenswaardige resultaten leidt, dan komt dat in de eerste plaats door de armoede zelf - aangezien het gebrek aan traditie een essentieel kenmerk van die armoede vormt. Jacques ondervindt dat al als leerling op het lyceum, wanneer hij zich vergelijkt met Didier, een vriend die toegang heeft tot ‘een zolder vol oude koffers, waarin de brieven van de familie, souvenirs en foto’s werden bewaard’, en die aan zijn voorouders lessen voor het leven ontleent. Helemaal onbekend is dat soort erfenis overigens niet voor Jacques, want de paar ‘herinneringen’ die hij via anderen aan zijn vader heeft behelzen ook iets voorbeeldigs: afschuw en angst voor oorlogsmisdaden en de doodstraf.
     Jacques ondervindt de schraalheid van het verleden opnieuw wanneer hij in het heden zijn moeder en zijn oom ontmoet: zij hebben zijn vader en hun andere doden bijna vergeten, en niet uit harteloosheid. Het geheugen van de behoeftigen is slecht ‘doorvoed’, ze beschikken over te weinig vaste punten in hun eenvormige leven, en voor deze twee invaliden geldt dat nog meer. Met een in het oog springende allusie: ‘De verloren tijd wordt alleen teruggevonden bij de rijken en markeert bij de armen de weg naar de dood maar met vage sporen.’ Voor de moeder verandert de tijd nooit, of het nu oorlog is of niet - het hele leven bestaat uit ellende: ‘Voor haar was het nog steeds dezelfde tijd waaruit het onheil elk moment onverhoeds kon opduiken.’
     Een van de paradoxen van dit boek is dat Cormery/Camus trouw blijft aan die trouweloze wereld van de armoede, juister: dat hij ernaar terugkeert nadat hij eruit weggegaan is. Hij voelt zich verbonden met moeder en oom, ‘niet in staat hun iets te zeggen en nog steeds aan hen verknocht’, en door herinneringen op te halen bewaart hij hun tot verdwijnen gedoemde wereld. De opdracht - ik schrijf voor wie niet kan lezen! - is misschien wel de mooiste uitdrukking van de paradox.
     Terecht contrasteert Jacques Lecarme Le premier homme met Les mots van Sartre, dat ongeveer gelijktijdig tot stand kwam en dat afstand neemt van een rijke kindertijd: ‘[Sartre] rekent af met een grootvader die een model van de burgerlijke cultuur was, [Camus] schrijft een liefdesbrief aan een beminde moeder, een ongeletterde werkster’.

Paradoxaal is ook dat de herinneringen aan de armoedige wereld vaak heel gedetailleerd en uitvoerig zijn, en dus allesbehalve (taal)armoedig. In de marge noteert Camus ergens: ‘het boek zou veel gewicht aan voorwerpen en lichamelijkheid moeten torsen’, en ja, de bladzijden zitten tjokvol met waarnemingen. Zo wordt ‘de machtige poëzie van de school’ gevoed ‘door de lakgeur van de liniaals en pennenkokers, door de heerlijke smaak van de schouderriem van zijn schooltas waar hij eindeloos op kauwde terwijl hij op zijn werk zat te zwoegen, door de bittere, wrange geur van de paarse inkt, vooral als het zijn beurt was de inktpotten te vullen uit een reusachtige, donkere fles met een gebogen glazen buis in de kurk - en Jacques vond het zalig aan de opening van de buis te ruiken - door het zachte contact met het gladde, glanzende papier van bepaalde boeken, waaruit ook een heerlijke geur opsteeg van drukinkt en lijm, en ten slotte, op regendagen, door de geur van natte wol die opsteeg uit de wollen regenjassen achter in het lokaal’.
     Wat het meest opvalt zijn de talloze geuren die Jacques opsnuift, het hele boek door. Het ruiken wordt ook even tot thema van de tekst, in enkele alinea’s over oom Ernest, die een buitengewoon ontwikkelde reukzin heeft, waaraan hij zowel plezier als ongemak dankt. Maar er is een - schijnbare - uitzondering: ‘Je moest niet tegen Ernest zeggen dat zijn hond, die zelden werd gewassen, erg stonk, vooral als het geregend had. ‘Hij? zei hij, stinkt niet’, en hij snoof liefdevol [amoureusement] aan de binnenkant van de grote, trillende oren van de hond.’ Zowel de reukzin als de oververtrouwdheid met de hond accentueren Ernests animale kant. Gaat het te ver om te zeggen dat Jacques door zijn eigen ruiken nauw verwant is of wil zijn met de oom?
     Ik denk het niet. In het laatste hoofdstuk blikt de veertiger Jacques terug op zijn verhaal: hij beaamt dat het zó was en zegt tevens dat er nog iets anders was, een ‘duisternis in zijn binnenste’; dat duistere heeft met ang-sten en begeerten te maken, en met ‘hevige, onbeschrijflijke sensaties’: en dan noemt hij, in een ademloze lange zin, een rij uiteenlopende geuren, en zijn levenslange ‘liefde voor lichamen’, en ten slotte: ‘het verlangen, ja, om nog veel meer te leven, om op te gaan in het warmste van de aarde, wat hij zonder het te weten verwachtte van zijn moeder en niet kreeg of misschien niet durfde te krijgen, en wat hij wel vond bij Brillant, de hond, als hij in de zon tegen hem aan ging liggen en de sterke geur van zijn vacht opsnoof, of in de sterkste, dierlijkste geuren waarin ondanks alles voor hem de vreselijke warmte van het leven was blijven hangen’. We krijgen hier een bevestiging van de lichamelijke liefde voor de moeder, wier beeld al eerder een ‘duistere angst’ had opgeroepen; maar ook: een identificatie met haar primitieve broer - want het lijdt geen twijfel, op zijn beurt ontkent Jacques nu dat de hond stinkt.
     Ik zie nog een andere vereenzelviging met de oom. In het buurtcafé blijkt die talig gehandicapte man met zijn geluiden en gebaren graag ‘het hoogste woord’ te voeren, en na de jachtpartij kan niemand beter dan hij alles beschrijven: le grand aède heet hij dan terloops, ‘de grote dichter-zanger’! Een niet blinde maar wel doofstomme Homerus. Een verteller.

Le premier homme werd vertaald als De eerste man; ik denk dat ik De eerste mens zou verkiezen. De titel slaat op de traditieloosheid van de armen, en de eerste man of mens is Jacques Cormery zelf: hij heeft het alleen moeten rooien, zonder vader, maar met precies op de juiste tijd een vervangingsvader (de onderwijzer) - ‘en zo kwam hij vooruit via de mensen en [...] de kennis die voor hem openstond om voor zichzelf iets dat leek op een gedrag te creëren [...] en om zijn eigen traditie te scheppen.’ Her en der wordt Jacques ook een monster genoemd; helemaal klaar wordt de betekenis van dat straffe woord me voorlopig niet, maar het houdt zeker verband met de titel en met het losstaan-van. Gebrek aan traditie kan immers ook een gebrek aan conventionele gevoelens en aan moraal inhouden - er bestonden in Jacques’ kindertijd wel verboden, maar in feite heeft niemand hem ooit geleerd wat goed en kwaad is.
     De betekenis van de titel reikt nog verder. Het boek evoceert de arme Parijzenaars (soms ouderloze vondelingen!) die na 1848 in afgrijselijke omstandigheden de streek van Mondovi koloniseerden, die er weinig blijvends tot stand brachten, die stierven en vergeten werden, en van wie de kinderen dan weer opnieuw begonnen. Jacques’ vader, zelf een wees, wordt met die eerste kolonisten geïdentificeerd, niet alleen omdat hij op dezelfde grond heeft gewerkt zonder sporen achter te laten, maar ook wegens zijn dood in de oorlog, zijn vermaling door de geschiedenis: ‘uiteindelijk was er alleen het mysterie van de armoede, die mensen zonder naam en zonder verleden maakt en hen laat opgaan in de immense drom naamloze doden die de wereld hebben gemaakt door voor eens en voor al tot ontbinding over te gaan.’ Jacques hoort bij hen.
     Het eerste-mens-zijn heeft dus ook te maken met het land Algerije, en, zo blijkt hier en daar, met de spanningen tussen ‘inheemse’ bewoners en Fransen. De niet-Europese bevolking komt in Le premier homme overigens nauwelijks in beeld; vermoedelijk zou dat veranderd zijn bij de verdere uitwerking, maar Camus voelde zich toch vooral met de kleine blanken solidair.

Het had iets van een mirakel, toen er vierendertig jaar na Camus’ dood een nieuw boek van hem verscheen. In feite ontstond dat boek natuurlijk slechts weinige jaren na zijn overige werk, en het is er nauw mee verbonden. Ik geef daar nog een paar voorbeelden van.
L’étranger, Camus’ eerste (1942) en beste roman, bevat veel geuren, en veel zon en veel moeder: de hoofdfiguur Meursault vermoordt een Arabier, kort na zijn moeders dood, onder invloed van de zon. In Le premier homme wordt, zijdelings, een kapper genoemd die, gek van de hitte, een klant de keel doorsnijdt: de zon werkt bepaald niet altijd weldadig. Aan zijn vader heeft Meursault geen herinneringen, maar hij kent een anekdote die hem verteld is: dat zijn vader eens naar een terechtstelling was gaan kijken en daarna had moeten braken; Jacques Cormery beschikt over datzelfde vaderverhaal (al beleeft hij het anders). Essentiëler is dat Meursault door de officier van justitie als een ‘zedelijk monster’ gezien wordt, iemand die ‘niets te maken had met een samenleving wier waarachtigste verordeningen [hij] verloochende’: op zijn manier iemand zonder traditie.
     In zekere zin is de protagonist van L’étranger dus een donkerder versie van die van Le premier homme - een minder autobiografische versie, nemen we aan, of zit Camus toch evenzeer in Meursault als in Cormery? Elk van de twee boeken werpt een nieuw licht op het andere; niet dat ze elkaar verduidelijken, ze compliceren elkaar juist, wijzen op elkaars verborgen dimensies. En de titels kunnen we gerust als synoniem beschouwen: de eerste mens is een vreemdeling en vice versa.
     Al in Camus’ allereerste prozabundeltje, L’envers et l’endroit (1937), kwamen jeugdervaringen boven water; de tekst ‘Entre oui et non’ doet aan als een voorstudie van Le premier homme. In het voorwoord dat hij twintig jaar later toevoegde zegt Camus dat zich in het debuutboekje, ‘in die wereld van armoede en licht’, de bron bevindt die zijn werk gevoed heeft. ‘Om een natuurlijke onverschilligheid te corrigeren werd ik halfweg tussen de armoede en de zon geplaatst. De armoede verhinderde me te geloven dat alles goed is onder de zon en in de geschiedenis; de zon leerde me dat de geschiedenis niet alles is.’ Ellende en licht, daar hoeft geen uitleg bij, maar nota bene ook de onverschilligheid - het ongevoelige, monsterlijke.
     Aan het eind van dat voorwoord drukt Camus de hoop uit om ooit L’envers et l’endroit te ‘herschrijven’ - als hij dat niet kan zal hij niets bereikt hebben: ‘In elk geval belet niets me om te dromen dat ik daarin zal slagen, en dat ik in het centrum van dat werk weer de bewonderenswaardige stilte van een moeder zal plaatsen, en de inspanning van een man om een gerechtigheid of een liefde te vinden die een tegenwicht vormt voor die stilte.’ Ik wou dat ik met woorden kon uitdrukken wat mijn moeder al zwijgend kon uitdrukken! Het is niet vermetel om Le premier homme te zien als die poging tot herschrijving van L’envers et l’endroit.

Albert Camus ontving al in 1957 de Nobelprijs, toen hij pas vierenveertig jaar was. Moesten zijn beste boeken nog komen? Le premier homme blijft de eeuwige belofte van een meesterwerk, de worsteling voor de juiste expressie was nog bezig. Maar, in zoverre het niet echt een roman is, kon het misschien nooit meesterlijker of prachtiger worden dan nu. De lezer van autobiografieën immers heeft doorgaans minder behoefte aan een afgeronde constructie dan aan authenticiteit, en het onaffe maakt nu eenmaal gemakkelijker een authentieke indruk. De lezer van autobiografieën is een tikje naïef.


Aantekening
Albert Camus, Le premier homme, Gallimard, 1994. Nederlands: De eerste man (vert. Jan Pieter van der Sterre), De Bezige Bij, Amsterdam, 1995. Bij dezelfde uitgeverij verscheen Adriaan Morriëns vertaling van De vreemdeling. L’étranger, L’exil et le royaume en L’envers et l’endroit zijn beschikbaar in de reeks Folio. Biografie van Camus: Olivier Todd, Albert Camus - une vie, Gallimard, 1996, eveneens in Folio, vertaling eveneens bij De Bezige Bij. Verder: Jacques Lecarme en Eliane Lecarme-Tabone, L’autobiographie, Armand Colin, Paris, 1997.

© Joris Note