

 |
 |
Het is niet altijd zo geweest
Boris Todoroff
‘Het is niet altijd zo geweest’ zegt ze, ‘je weet wel.’
De vrouw die dat zegt, is mijn moeder. Ze zit tegenover me, in de zetel,
met haar rug naar het venster. Rechts van haar ligt mijn vader, met een
voedingsinfuus in zijn rechterschouder.
‘Als ik wegga, moet je die deur openzetten’, zegt ze, ‘je
weet maar nooit’.
Ze wijst naar de badkamerdeur. Het is omstreeks acht uur; het bezoekuur
is bijna om.
‘Je moet die deur openzetten’, herhaalt ze, ‘hij zou
plotseling naar het toilet kunnen gaan.’
Er zijn dingen die ik haar niet zeg : dat hij, sinds hij werd opgenomen,
nog nooit van dit bed is opgestaan, daartoe gewoon niet in staat is; dat
hij de tweede dag een bedpan kreeg maar vergeten is wat dat is en de lakens
onderplaste; dat de verpleegsters hem, sinds eergisteren, een pamper omdoen.
Maar dat weet ze niet. Ze wil het niet weten. Ze zit vlak bij hem, deze
namiddag nog zag ze hoe de verpleegsters zijn pamper verversten –
ze stond erbij; en ze zag het niet.
Hij ligt in bed, met opgehoogde kussens, zijn hoofd schuin naar rechts
hellend; zijn ogen zijn gesloten. In de loop van de namiddag is mijn moeder
een paar keer opgestaan; ze herschikte het laken op zijn borst, trok het
lichtjes op, alsof ze hem wilde toedekken.
‘Hij slaapt zo vredig’, zei ze, ‘zo vredig. Hij voelt
er niets van. Zou hij er iets van voelen?’
Het dringt niet tot haar door dat hij, sinds hij werd opgenomen, nooit
is wakker geworden toen zij in de kamer was. Dat doet hij pas wanneer
ze weg is. Dan schiet hij plotseling wakker, en begint te neuriën.
Zijn ogen schieten alle richtingen uit, en komen ten slotte bij mij uit
– maar hij herkent mij niet. Wanneer hij mij ziet, weet hij niet
wie ik ben. Dat is al langer zo. Hij ziet mij – en hij ziet mij
niet; hij begint nog luider te neuriën, strijdlustig, met opgeheven
vuisten, en haalt naar mij uit. Ik blijf uit de buurt; ik weet hoe hard
zo’n vuistslag aankomt. ‘Hou op!’, zeg ik, ‘Hou
op!’ En ik breng mijn hand naar mijn oog en begin te jammeren, alsof
hij mij een blauw oog heeft geslagen. Hij begint te jammeren, net zoals
ik, en barst daarna in lachen uit, en ik lach met hem mee, en hij begint
nog harder te lachen. Daarna houdt hij plotseling op – zijn handen
ontspannen, vallen neer, en zijn borst valt lichtjes in, en zijn hoofd
hangt weer schuin. Soms neuriet hij dan nog heel eventjes: en hij slaapt
weer in.
‘Het is niet altijd zo geweest’, zegt ze, ‘het is begonnen
met die hersenschudding, met dat subduraal hematoom, zo is het toch? Je
merkt er niets van. Je zet je gewone leven voort en plotseling loopt het
fout. Dat heet een fit – een terugval, zo heet dat. Dat zei de dokter.
Er was niks aan de hand. Vond je ook niet? Maar wat weet jij daarvan?
Dat ongeval, en dan, natuurlijk, dat hematoom, dat is de oorzaak, de enige
oorzaak. Je kunt erover discussiëren: was er eerst het ongeval –
en dan het hematoom? Maar dat is een zinloze discussie. De discussie over
de kip en het ei. Geloof me. Hadden we die bestuurder maar te pakken gekregen
die hem omvergereden heeft.’
Zo gaat dat maar door. En dan volgt het relaas van het ongeval, vijf jaar
geleden – het zoveelste relaas van altijd weer datzelfde ongeval.
‘We waren thuis, omstreeks vier uur ’s morgens. We waren van
dat feest teruggekomen. Hij kon niet slapen; hij was ongedurig. Ik zei:
‘Ga een eindje wandelen.’ ‘Ja’, zei hij. En hij
liep naar buiten langs de voordeur. Niet langs de achterdeur. Misschien
omdat hij zo mooi opgekleed was. Ja, hij wou pronken met zijn kleren –
ijdel is je vader altijd geweest. Hij liep op het grind van de oprit met
zijn molièreschoenen, hij had zijn vest uitgetrokken, het was warm
genoeg – hij liep naar de straat maar hij bleef staan op de stoep.
En een auto kwam eraan en reed opzettelijk op de rand van het voetpad.
Jonge kerels. Wilden wellicht een streek uithalen, of ze waren dronken.
Ze reden langs hem heen, in zo’n klein sportwagentje, vlak voor
zijn voeten. Ik heb ze nog horen lachen en jouwen. Hij ging de straat
op, hij kuierde rond in het midden van de straat – en ineens was
die wagen er weer, en die reed recht op hem in. Ik heb het zelf gezien
- maar hem kon ik niet horen. Ik bedoel: dat maakt niet zo’n lawaai,
hoor, als je tegen iemand rijdt. Het is een doffe, heel doffe klap. Maar
ik zag het. Ik weet wat ik heb gezien. Je vader vloog opzij, met zijn
hoofd op de grond, plat op de grond. Enkele seconden maar. Daarna krabbelde
hij overeind, alsof er niks aan de hand was. Hij liep naar binnen, pakte
een kam, een spiegeltje. Hij kamde zijn haren – stel je voor, en
hij zei: ‘Och, laat maar. Gun ze hun pleziertje.’ Hij wou
die kerels nog verontschuldigen. Hij ging in de zetel zitten…’
Terwijl ze haar verhaal vertelt, gedetailleerd, rustig, altijd maar weer
een vuist ballend naar die misdadige jonge chauffeur die de schuld is
van dit alles, zoek ik mijn geheugen af. Wat herinner ik mij? Wat herinner
ik mij van dat ongeval? Haar paniekerige telefoontje: ‘Er is iets
gebeurd.’ Dat intense, ononderbroken huilen van haar, alsof ze geschokt
was door het beeld van haar man die daar was omvergereden en één
of twee seconden bewegingsloos op de grond lag in het midden van de straat.
Het onmogelijke was gebeurd. Haar man was kwetsbaar, had enkele seconden,
terwijl ze door het venster van de zitkamer naar de straat keek, ‘voor
dood’ op straat gelegen (zo zei ze het: ‘Hij lag daar voor
dood’ – en dat bleef ze maar herhalen.)
‘Toen heb ik hem naar het ziekenhuis gebracht.’, zegt ze,
‘En de dokter onderzocht hem…’
Wat ik mij ervan herinner: terwijl we nog in de feestzaal zitten, waar
obers beginnen op te ruimen, en een aantal gasten naar de bar is getrokken
om er na te feesten, komt dat telefoontje van mijn moeder binnen. ‘Er
is iets gebeurd’. Haar intense gehuil. Ik had haar nog nooit horen
huilen. Ik versta: ‘Hij ligt daar voor dood’. Ik denk, hij
is dood – hij is dood ; ik bel de 100, geef het adres van mijn ouders
op. Ik rij als een gek de steenweg af, de dorpskom door, de oprit op.
Ze weende over een man die ‘voor dood’ lag – en die
nu gewoon, met een broek die tot aan zijn knieën is neergetrokken,
in de zetel zit en ons verwonderd, met grote kinderogen aankijkt. Liegt
ze weer? Nee, zijn kleren zijn opengescheurd – ik heb de remsporen
gezien, op straat, in het midden van de straat. De tranen rollen over
haar wangen; hij lag daar echt en werkelijk ‘voor dood’. Ik
ga op straat staan om de ambulance op te wachten; ik rij achter de ambulance
aan. Mijn moeder zit naast mij. Ze huilt, ik heb haar nog nooit zo erg
zien huilen. En toch zegt ze:
‘Je ziet toch zelf dat hij weer kan lopen! Het is net zijn geliefde
programma op teevee. Je overdrijft – waarom al die drukte? De hele
buurt weet nu dat er iets is voorgevallen.’
Schaamte. Bij haar wint schaamte het altijd van paniek, zelfs wanneer
haar man in levensgevaar is. Hij wordt op ‘intensieve zorgen’
opgenomen en onderzocht. Zo op het eerste gezicht heeft hij alleen wat
schaafwonden op de handen en kneuzingen op de benen.
‘Hij is kerngezond’, zegt mijn moeder, ‘zo sterk als
een beer. Zie je wel.’
Dat zijn mijn herinneringen. En voor een stuk lopen ze gelijk met wat
zij vertelt, en voor een stuk weer niet. Wanneer ze haar verhaal vertelt,
speel ik er geen rol in; wanneer ik mijn eigen herinneringen ophaal, speel
ik er de sleutelrol in: zonder mij, zonder mijn geduld, mijn initiatieven,
mijn rust, zou mijn vader gewoon thuis zijn gebleven na die aanrijding,
en een van de volgende dagen plotseling zijn doodgegaan. Met zijn broek
aan of uit, gekleed of in zijn blootje – het maakt niet uit. Hij
zou nu dood zijn. Nu al. Maar dat weet ze niet. Dat wil ze niet geweten
hebben. Of ze is het moedwillig vergeten.
‘Ze vonden niets’ vervolgt ze, ‘en toen…’
Wat ik mij herinner. We zijn al een dag verder, en de dokter komt ’s
avonds langs, en zegt: ‘We vonden het raadzaam een hersenscan uit
te voeren. Kijkt u maar.’ En hij toont ons beelden van de scans,
beelden van doorsneden van mijn vaders hersenen; hij wijst een plek aan
die donker gekleurd is. ‘Een bloedvat is gesprongen’, zegt
hij, ‘tussen het buitenste en het binnenste hersenvlies. Het bloed
kan nergens heen en hoopt zich daar op. Als het stolt, kan het in de bloedbanen
terechtkomen en een trombose veroorzaken.’
En het enige wat mijn moeder vraagt is:
‘Wat heeft hij? Wat heeft hij?’
‘Een inwendige bloeding onder het bovenste hersenvlies.’
‘Hoe heet dat? Hoe noem je zoiets? ‘
‘Een subduraal hematoom. ‘ En ze herhaalt die term –
herkauwt hem, leert hem van buiten; het is intussen haar lievelingswoord
geworden: subduraal hematoom; en wanneer de dokter uitlegt dat die druk
op de hersenen, zeker op de plek waar de bloeding zich voordoet, de hersenfuncties
kan verstoren, het spreken, denken, de handelingen, maar vooral het gevoelsleven,
glimlacht ze. Opgelucht. Zichtbaar opgelucht, met een gezicht dat glimt
van gelukzaligheid. Nu weet ze het; nu verstaat ze wat haar jarenlang
overkomen is, wat er aan haar man scheelde. Ze stoot me aan.
‘Wist ik het niet’, zegt ze overtuigd, ‘daar ligt het
aan.’
‘Wat?’, vraag ik.
‘Je weet wel.’
‘Wat weet ik wel? Wat?’
‘Wel, die moeilijkheden die hij had.’
Dat is intussen haar verhaal geworden, hoe haar man, jarenlang al, iets
in zijn hersens had; maar niemand wist het. Die druk, weet je, die druk
op de hersenen. Dat bloed. Die bloedvaten. Niemand kon het weten. Hoe
hij op straat werd omvergereden; hoe men in het ziekenhuis dat subduraal
hematoom ontdekte – en het haar ineens duidelijk werd waarom hij
jarenlang zo gek had gedaan. De schuld van dat subduraal hematoom. En
natuurlijk: van die jonge chauffeur, want sinds dat ongeval is het alleen
maar verergerd.
Dat is de kern van het verhaal. De rest van het verhaal, hoe mooi en spannend
ook, heeft voor haar minder belang: hoe men haar, die tweede avond in
het ziekenhuis, de keuze liet: afwachten tot het bloed vanzelf oploste
en opnieuw opgenomen werd in de bloedvaten, of een klein gaatje in de
schedel boren waardoor men dat overtollige bloed kon draineren. De dokter
zelf stelt voor te wachten, het is ten slotte, gelukkig, een kleine bloedophoping.
Er is kans dat het vanzelf weggaat. Mijn vader blijft nog twee weken in
observatie – tot het bloed inderdaad weg is. Hij mag terug naar
huis.
‘Toen is het begonnen’, zegt ze, ‘of liever: toen wisten
we het. Er was iets met zijn hersenen; het was zijn schuld niet. Trek
niet zo’n gezicht. De dokter heeft het gezegd. Wat weet jij ervan?
Weet je het soms beter dan de specialist? Het is die druk op zijn hersenen
– die was er voordien al, maar we wisten het niet. Ja, daar ben
ik zeker van. En die is er sindsdien altijd geweest. Het is iets met zijn
hersenen. Je zou net zo kunnen worden als jou hetzelfde overkwam.’
Dat zegt die vrouw die in de zetel zit, met haar rug naar het venster.
Ze zegt niet: dat feestje dat toen aan de gang was, dat was je huwelijksfeest;
ze zegt niet: je was toen zwanger van Jeanine; ze zegt niet: ik was toen,
toen je vader in observatie lag, ongelukkig en van slag omdat ik het niet
kon hebben dat je met je man in een andere stad ging wonen; ze zegt niet:
je wilde een nieuw gezin stichten, elders, ver van huis; ze zegt niet:
ik heb van je geëist, als moeder, als vrouw van je vader, en omdat
je mijn dochter was, dat je een appartement vlakbij zou huren; ze zegt
niet: jij en Marc moesten vlakbij komen wonen; ze zegt niet: je hebt je
vader elke dag verzorgd, niet alleen die twee weken dat hij in het ziekenhuis
lag, maar vijf jaar lang; en ook niet: je hebt zelfs je werk opgegeven
om hem elke dag bij ons te komen opzoeken.
Dat alles zegt ze niet. En ik vermoed dat het voor haar niet eens zo belangrijk
is. Wat ze als vanzelfsprekend beschouwt, is in haar ogen niet belangrijk.
En het is vanzelfsprekend dat ik, die ten slotte de dochter van mijn vader
ben, voor mijn vader zorg. En wat het allemaal zo moeilijk en ergerlijk
maakt, is dat ik het zelf ook vanzelfsprekend heb gevonden, dat nog altijd
vind – maar het niet vanzelfsprekend vind dat ze dat allemaal verzwijgt,
alsof het niet eens zo geweest is.
Anita komt even de kamer binnen. Ze werkte op de afdeling intensieve zorgen
toen mijn vader er werd binnengebracht, vijf jaar geleden, en ze werkt
nu op de afdeling neurologie. Ze kent ons alle drie: mijn vader, mijn
moeder, mij. Ze weet dat ik hier de hele dag zit, samen met mijn moeder.
Net zoals vijf jaar geleden.
‘Alles goed?’ vraagt ze.
‘Ja’, zegt mijn moeder, en: ‘kan het zijn dat ik hem
heb zien bewegen?’
‘Natuurlijk; dat kan zeker. Mooi dat u dat opgemerkt heeft’,
zegt Anita.
‘Zorgt u ervoor dat de deur naar het toilet openblijft?’,
vraagt mijn moeder, ‘Patricia vergeet dat. Ze knikt wel, maar ze
doet niet altijd wat ik vraag. Ze was vroeger al een moeilijk kind. Niet
dat ze niet lief kon zijn, maar ze heeft ons flink wat last bezorgd. Niewaar,
Patricia? Het is waar hoor, ze ontkent het. Maar zo is het.’
Zulke dingen zegt mijn moeder, terwijl ik voor haar zit. Ik weet dat Anita
naar me kijkt – en dat ze weet dat mijn moeder bepaalde dingen niet
weet, en niet geweten wil hebben. Ik weet dat ik niets voorstel in de
ogen van mijn moeder. Toen iemand belde, onlangs, en ze met de telefoon
in de hand zat, in die zetel voor het venster, zei ze: ‘O, Patricia
zit hier. Ja, Patricia, mijn dochter, maar dat is niet belangrijk’.
Ze dacht er niet eens bij na. Dat soort dingen zegt ze.
‘Nou, natuurlijk. Die deur moet open’, zegt Anita, ‘Patricia
is dat beslist niet vergeten. Ze zal het doen. Maar ik zal zelf nog eens
komen checken.’
‘Prima’, zegt mijn moeder. En ze brengt even haar gezicht
in het licht, zet een dankbare, trieste glimlach op.
‘Nou, tot straks’, zegt Anita.
‘Waar blijft George?’, zegt de vrouw die in de zetel tegenover
me zit, ‘hij blijft toch wel behoorlijk lang weg. Weet hij dat hij
moet komen?’
‘Natuurlijk’, zeg ik.
‘Wat een drukte – was er dat ongeval niet geweest…’
Overdag hoor ik haar minder goed. Er wordt een nieuwe ziekenhuisvleugel
opgetrokken. Overdag kan ik, terwijl ze in die zetel voor me zit, door
het venster achter haar naar de kraanarmen kijken die in de lucht zwaaien;
en soms overstemt het geluid van de betonmolens, van de drilboren, hoezeer
het ook gedempt wordt door de dubbele beglazing, de zoveelste uiteenzetting
van mijn moeder.
‘Toen is het misgelopen’, zegt ze, ‘door dat subduraal
hematoom. O, daar is George’, zegt ze.
Ik kom overeind, draai me om.
‘Dag’, zeg ik.
‘Hallo’, zegt George, met een matte stem.
George blijft in de deuropening staan. Hij herinnert zich hoe mijn vader,
tijdens dat huwelijksfeest, vijf jaar geleden, naar hem liep, naar George,
zijn broer, zijn lievelingsbroer, en de inhoud van het bord dat voor hem
op tafel stond in zijn handen pakte en lachend over het gezicht van George
wreef. George is een uitzonderlijk iemand: hij bezit de gave der herinnering.
Hij herinnert zich wat mijn moeder is vergeten. Ze is vergeten hoe mijn
vader op datzelfde huwelijksfeest gulzig het ene glas wijn na het andere
leegdronk; hoe hij een luide boer liet terwijl André, Marcs vader,
die vlak naast hem zat, de openingsspeech hield. Hoe hij weigerde de openingsdans
– de dans van de bruid met haar vader – te dansen. Hij kon
het trouwens niet – hij was er te dronken voor. Ze vergeet gemakkelijk.
Dat is haar kracht. En ze vindt mij en George zwakkelingen omdat we niet
bereid zijn te vergeten.
‘Ik kom hier om je op te halen’, zegt George.
‘Ja, dat weet ik wel’, zegt ze korzelig.
Georges armen hangen slap langs zijn lichaam. Hij heeft nog nooit een
stap binnengezet in de kamer. Hij durft niet eens naar het ziekbed te
kijken waarop mijn vader ligt. Ik wou dat hij niet had aangeboden om elke
dag mijn moeder naar hier te brengen en weer op te halen. Telkens wanneer
ik hem zie, herinner ik me wat tijdens dat feest gebeurd is; hoe mijn
vader met gebogen rug aan tafel bleef zitten en het eten zo snel binnenschrokte
dat het half uit zijn mond hing en de wijn uit zijn mond sproeide. George
herinnert me aan het feit dat anderen zagen wat ik al langer zag, elke
dag had gezien – aan mijn woede toen ik merkte dat mijn moeder,
die naast mijn vader zat, deed alsof ze het niet zag. Ze bezat –
en bezit nog altijd en heeft altijd bezeten –: de gave der blindheid
en doofheid. Ik voelde woede en machteloosheid om het niet kunnen uitdrukken
van wat ik elke dag zag, dat had ik altijd al gehad; nu kwam er nog schaamte
bij.
‘Het is je vader’, zei mijn moeder, ‘vergeet dat niet.’
‘Het wordt tijd dat we weg zijn, elders gaan wonen, dat je daar
weg bent’, zei Marc. Ik was hem dankbaar voor die woorden; hij zei
ze tijdens de dans van bruid en bruidegom. Ik begreep eruit: Marc geeft
om mij. Hij wil me weghalen van die plek waar ik elke dag stilzwijgend,
machteloos mijn handen tot vuisten bal. Dat heeft hij toen gezegd. Lief,
begripvol, als een redder. En later, jaren later, herhaalde hij die woorden,
met een verbeten trekje om zijn mond – en ten slotte zei hij niets
meer.
Ze pakt het magazine, haar handtas, trekt haar jas aan, biedt me haar
wang aan. Ik druk een kus op die droge huid, vlak naast die mond. Ik heb
dromen gehad waarin ik toehapte, en een stuk van die wang losscheurde,
met mijn tanden, dat stukje vel als een trofee tussen mijn tanden geklemd
hield. Ik vraag me af: waarom ben ik zo woest op mijn moeder, en droom
ik nooit zulke dingen over mijn vader? Ten slotte is hij het die ons voor
de gek houdt. Ja, dat is waar, denk ik dan, maar het zou minder erg zijn
mocht ze er niet zo driftig overheen praten alsof wat ik gezien en meegemaakt
heb niet eens gebeurd is.
Ze spreekt. Ze zegt iets, met een totaal andere stem dan daarnet; zacht,
smekend, als een kind:
‘Je zorgt toch voor hem? Je houdt toch alles goed in het oog? De
dokter zei: verwittig ons onmiddellijk als je iets ziet. Onmiddellijk.
Zul je dat doen?’
Er is iets gebiedends in haar stem – de stem van een moeder die
haar dochter iets opdraagt, en het recht heeft te eisen dat de dochter
dat doet; en tegelijk spreekt ze met een bang, fijn, onderdanig kinderstemmetje.
Op diezelfde toon sprak ze toen ze me opbelde na dat huwelijksfeest, en
opnieuw toen ze vijf dagen geleden, net toen ik thuiskwam van mijn inkopen,
zonder aankloppen via de achterdeur binnenkwam, in de keuken stond, buiten
adem, en zei:
‘Hij ligt op de grond; hij is ineengestort – in de zitkamer;
hij zat in de zetel – hij is plotseling overeind gekomen, heeft
geschreeuwd, en is neergestort.’
En ze trok me aan mijn mouw en we liepen naar huis aan de overkant van
de straat, vijf huizen verder, (ik woon amper vijf huizen verder, daarom
was ze maar meteen tot bij me thuis gelopen), en ik liep opnieuw langs
de stoep waar hij vijf jaar eerder had gestaan, op die nacht van het ongeval,
en ik was het opnieuw die, al lopend, mijn gsm pakte en de 100 belde.
Hetzelfde scenario als vijf jaar geleden. Maar ditmaal zat mijn vader
niet doodgemoedereerd in de zetel. Hij lag op de grond, zijn linkerbeen
nog op de zetel, zijn hoofd net voor de marmeren plaat waarop de schouwmantel
rust. Het was twee uur in de namiddag, maar hij had zijn pyjama nog aan.
Hij lag op zijn buik – ik rolde hem op zijn rug. Zijn ogen waren
wijdopen gesperd – ik voelde zijn pols: ik voelde enkel een trage,
uiterst trage polsslag. En weer ging ik buiten staan, ditmaal op klaarlichte
dag, en wenkte de ambulanciers, en reed, met mijn moeder naast me, achter
de ambulance aan.
Het begon allemaal opnieuw. Alsof hij het opzettelijk deed. Alsof hij
voelde: mijn dochter komt niet langer elke dag twee à drie keer
langs, maar slechts een keer per dag; ze vraagt niet elke dag: ‘hoe
is het met hem?’’, maar loopt afwezig door het huis, loopt
naar de tuin; ze zit op het puntje van haar stoel, terwijl mijn vrouw
tergend traag koffie zet en uitgebreid vertelt over wat me overkomen is;
ze heeft voor me gekozen op die huwelijksnacht; dat heb ik goed voor elkaar
gekregen; maar nu dreigt ze weer voor zichzelf, haar man, haar dochter
te kiezen. Dat kan niet. Zonder haar aandacht, haar zorg ga ik dood.
Ik reed achter die ambulance aan; en ik dacht: mijn vader en moeder komen
roet in het eten gooien, opnieuw. Ze zeiden me: ‘Dacht je dat je
van ons af kon? Dat je gelukkig kon worden? We hebben ervoor gezorgd dat
je ongelukkig was zolang je bij ons was – dat zul je blijven. Wou
je trouwen? We verstoren je huwelijksfeest. Je houdt van je man? Kijk,
vader hier, je gekke, sluwe vader zorgt ervoor dat je je eerste huwelijksnacht
in het ziekenhuis doorbrengt. Je kent ons niet. We laten je niet los –
o, en nu wil je toch weg, vijf jaar later: het lukt je niet. Je zult het
verdomd moeilijk krijgen om je van ons los te worstelen. Reken maar.’
Ik had ervan gedroomd een nieuw gezin te stichten, een eigen gezin, een
gezin waarin de vader geen gekke, kwetsende dingen doet, waarin de moeder
niet ontkent wat voor haar eigen ogen gebeurt. Daar droomde ik van –
en er was niets van in huis gekomen – het zou me nooit lukken.
De dokter op de spoedafdeling ondervroeg me: ‘Heeft hij al eerder
zulke aanvallen gehad?’
Mijn moeder riep, als een schoolkind dat haar lesje heeft geleerd: ‘Subduraal
hematoom, dokter, hij heeft een subduraal hematoom gehad! Vijf jaar geleden’.
Er werd een CT-scan gemaakt om na te gaan of zich weer een bloedophoping
had voorgedaan op dezelfde plek; maar dat was niet zo; de dokter vroeg
of mijn vader een pacemaker had, ik zei: ‘Nee.’ Hij liet de
pupillen onderzoeken, tikte op zijn knieën met een hamertje, onderzocht
zijn ogen, zijn handen. Hij kwam tot het besluit dat mijn vader subcomateus
was.
‘Subcomateus?’, herhaalde mijn moeder, opgetogen over dat
nieuwe woord dat ze van buiten kon leren en waarmee ze bij anderen kon
uitpakken.
Dat was vijf dagen geleden. Vier dagen geleden werd hij naar deze kamer
gebracht, op de afdeling neurologie; er volgden bloedafnames – de
resultaten van vorige bloedafnames kwamen binnen, en ze leverden niets
op; dat hij subcomateus was, stond vast, maar welke aandoening hij precies
had, dat wist men niet. Er volgde een onderzoek van de suikerspiegel,
een angiografie. De dokter zei dat men een andere piste moest onderzoeken:
epilepsie. Er werd een toestel binnengerold; op zijn hoofd plaatsten de
verpleegsters een netwerk van draden dat leek op een spinnenweb, dat verbonden
was met een printer die lijkt op die van een leugendetector. Het papier
golfde uit de printer – de armen die uit het toestel staken tekenden
grillige lijnen op het papier.
‘Wat doet u nu?’, vroeg mijn moeder.
‘We meten de alfa, bèta en gamma-golven.’
‘Schrijft u dat even op?’
De dokter scheurde een papiertje van zijn blocnote. Hij schreef het keurig
op; voluit, en in Griekse letters: de de?-,?-, en?-golven. Dat papiertje,
waar die raadselachtige tekens op staan houdt ze zorgvuldig bij. Ze toont
het, met het nodige pathos en treurnis in haar ogen, aan de bakker, de
kruidenier, de slager. Over een ziekte die een moeilijke naam heeft, en
die moeilijk te ontdekken is, hoef je niet beschaamd te zijn. Zo’n
ziekte neemt zelfs de schaamte weg over wat zo’n ziekte veroorzaakt.
Mijn moeder houdt van dokters, specialisten die het allemaal beter weten
– en ze weet niet eens of ze wil niet weten dat mijn vader, hoe
indrukwekkend zijn ziekte ook mag heten, met een pamper in bed ligt.
Nu is het wachten op de resultaten van het electro-encefalogram. De vijfde
dag in dit ziekenhuis.
Telkens opnieuw openbaren zich mogelijke, nieuwe ziekten, net wanneer
de vorige, veronderstelde ziekten zijn uitgesloten. Alsof het lichaam
verstoppertje speelt, en er een punt van eer van maakt zich te onttrekken
aan een sluitende diagnose. Voor mijn moeder komt dit goed uit; het verblijf
van haar man in dit ziekenhuis is, hoe tragisch het ook is, een spel,
een uitdaging, een spannend avontuur dat haar met bewondering en verbazing
vervult voor de verborgen, raadselachtige kanten van haar man. Tot nu
toe kon ze zich verbazen over zijn geestelijke stoornissen, veroorzaakt
door dat hematoom; nu verbaast ze zich over de vele manieren waarop men
dat lichaam van hem kan onderzoeken, en hoe zijn lichaam, in het bijzonder
zijn hersenen – altijd weer die hersenen van hem – een schatkamer
bevatten van steeds terugwijkende, onvindbare geheimen. Haar man is een
held – al ligt hij daar met een pamper in bed. Hij is een held;
hij is dat altijd geweest; maar pas nu komen ook anderen dat te weten.
En ze zit heel erg in met die held.
‘Als ze je iets laten weten, als er iets misloopt, – laat
het me weten. Onmiddellijk’, zegt ze met diezelfde kinderstem, ‘en
vergeet niet die deur open te zetten. Alsjeblieft.’
Ze kijkt naar hem om. Er komen tranen in haar ogen; ze pakt mijn rechterhand
vast, alsof die haar steun moet geven, overeind moet houden, en zegt:
‘Morgen prikken ze in zijn rug, niet? Weet je hoeveel pijn dat doet?
Al die onderzoeken. Kunnen ze het nou echt niet vinden?’.
Nee, denk ik, dat kunnen ze niet; ik wou dat ze het nooit vonden, zodat
je nooit meer de kans krijgt om te zeggen: ‘Het ligt aan die ziekte,
aan die aandoening die zus en zo heet. Dat heeft de dokter gezegd. Hij
was vroeger anders – maar toen werd hij ziek, begrijp je; het is
niet altijd zo geweest; het is zijn schuld niet.’
‘Doe ik’, zeg ik. Maar ze staat al bij George, die meteen
de deur dichttrekt.
Ik ga in de zetel zitten waar mijn moeder zat.
Tegen George, met wie ze nu door de gangen loopt, zegt ze: ‘Hij
heeft heel eventjes zijn ogen geopend – hij heeft naar me gekeken,
en geglimlacht.’ Ik weet zeker dat ze zoiets zegt. Precies zoals
ze, toen ik elke dag bij hen thuiskwam, vlak na mijn huwelijk, beweerde,
dat hij ’s nachts tegen haar praatte en, als dat niet kon, naar
zijn mond wees, als om zich te verontschuldigen dat hij niet kon praten,
en tegen haar aankroop en haar vastpakte. ‘Met zijn handen om mijn
heupen’, zei ze, ‘kijk, zoals hier, op de foto.’ Ze
wees naar de foto die op de commode van de zitkamer stond – een
huwelijksfoto. Hij lachte; zijn linkerhand rustte op haar heup; en ze
duwde haar hoofd tegen zijn gezicht, maar keek van hem weg, met een afwezige
blik. Ik kan me niet voorstellen dat ze toen gelukkig was. Dat zei ze:
‘Hij heeft me vastgepakt.’ Een vreemd woord; zij die nooit
iets gezegd had over aanrakingen. Zij die net als ik wist, dat hij nooit
sprak, nooit omhelsde, gewelddadig en niet teder was, onzin en vieze woorden
uitkraamde, de afstandsbediening van de televisie nam en tot laat in de
nacht naar sekskanalen keek. Toen al. Al sinds lange tijd. Lang voor dat
ongeval gebeurde, voor er ook maar sprake was van welk hematoom ook.
En toch – als ik haar moet geloven – lag het aan dat hematoom.
Een hematoom met terugwerkende kracht. Het was er al; maar niemand die
het wist. Het was al werkzaam – nog voor het er was. En meteen is
er niks meer aan de hand; is wat erg is, minder erg, wat vernederend,
hemeltergend, gewelddadig is begrijpelijk en wordt het verontschuldigd.
De kracht van de ziekte: het maakt alles aanvaardbaar, zelfs wat onaanvaardbaar
is.
Ik zit in de zetel waar ze zat. Een verpleegster komt binnen. Het is Anita.
‘Ze is weg’, zeg ik.
‘Ja, ik heb haar de gang zien uitlopen.’
‘Moet ik nog iets brengen?’, vraagt ze, ‘Wilt u iets
halen? Ik ben hier toch nog even.’
‘Nee, dat hoeft niet. Ik heb al wat ik nodig heb.’
En ze loopt op het bed van mijn vader toe, trekt de lakens weg, wast zijn
benen en buik en pakt een grote pamper die ze om zijn billen windt en
dichtplakt met velcrobanden. Om dat te doen heeft ze hem over en weer
gerold in het bed, op zijn ene zij, dan zijn andere; ze heeft de kussens
weggehaald en op de stangen onderaan het bed getrapt zodat het bed volledig
horizontaal komt te liggen. Het ziekenwagentje staat op de gang; linksboven
zie ik zwarte mappen (de dossiers van de patiënten), aan een stang
hangen bandages en twee infuuszakjes, uit een van de onderste vakjes steekt
een doorzichtige rubberen slang.
Anita stopt hem onder, hoogt het hoofdeind weer op, gaat naar het wagentje,
trekt de onderste lade open waarin, in kleine, doorzichtige doosjes, de
pillen en ampullen met medicatie liggen. Ze loopt naar het voedselinfuus
naast het bed, met een spuit in de hand, en spuit de medicatie in het
infuus. Ze trekt zijn hemdje op, en geeft hem een spuitje in de buik.
Dat is tegen flebitis. Dat heeft Anita me toen uitgelegd – vijf
jaar geleden – en dat heeft ze me nu, toen we hier net aankwamen,
allemaal opnieuw verteld.
Het is tien over negen wanneer Anita de kamer verlaat. Ze was op haar
eerste nachtronde: er komt nog een ronde omstreeks middernacht, nog eentje
rond vier uur ’s morgens, en dan neemt de ploeg van de dagverpleging
het over. Ook dat tijdschema is identiek gebleven aan de vorige keer.
Ik zal straks inslapen op een zetelbed, in de kamer van mijn vader. Er
is maar één dergelijke zetel op de hele afdeling, en men
laat bezoekers niet graag inslapen; maar net zoals vorige keer heb ik
de hoofdneuroloog gezegd dat ik onmisbaar ben, niet zozeer voor mijn vader
maar wel voor mijn moeder. Ik neem haar taken over, ze kan nu rustig gaan
slapen, met de zekerheid dat ik haar wel verwittig als er iets misloopt.
Ik ga aan het klaptafeltje zitten dat zich tegen de muur tegenover het
bed bevindt, en eet een slaatje. Ik heb het uit de winkelautomaat op de
eerste verdieping gehaald. Hetzelfde soort slaatje als vijf jaar geleden;
dezelfde verpakking, die ik net zo open. Dat behoort tot de routine: ik
wacht tot George heeft aangeklopt, tot mijn moeder in de zetel zit, en
ga rond tien uur ’s morgens naar de eerste verdieping om er het
nodige te halen uit de winkelautomaat: water, brood, toespijs –
vooral veel water; en ’s avonds dit slaatje. Ik kan op weinig leven,
dat is altijd zo geweest. Ik zet heel even de televisie aan, zonder geluid
– en kijk naar het nieuws op teletekst. Ik zet de televisie weer
uit, gooi het plastic kommetje in de vuilnisbak en ga weer in de zetel
zitten voor het venster.
Hij roept, minstens een keer per nacht, reeksen woorden die steeds met
dezelfde letter beginnen; en ik tob me af om te achterhalen wat ze betekenen;
zijn ogen zijn plotseling geopend en op mij gericht: felle, woeste ogen,
gloeiend van kwaadheid, die plotseling beginnen te lachen in een gezicht
dat verder onbeweeglijk blijft. Hij slaat zijn rechterarm uit, en maakt
sierlijke bewegingen met die arm, en aan het einde van zijn pols die onverwacht
soepel is voor zijn leeftijd, beweegt zijn hand; zijn vingers tasten de
lucht af; alsof zijn arm, zijn hand, een lange, elegante vleugel vormen;
ik mag niet naar hem toe lopen of die hand balt zich – en een vuist
haalt naar me uit.
Er zijn restjes geheugen in hem gebleven, afzonderlijke bestanden die
met niets anders in hem verbonden zijn, ook niet met zijn omgeving, en
die plotseling in werking treden, hem gebaren opleggen, woorden inspreken,
hem beelden voorhouden waar hij wild glimlachend of woest op reageert.
Zoals hij daar ligt, in dat hoge bed, met de beschermingsstaven opgeklapt
(hij zou uit bed kunnen rollen), heb ik de indruk dat hij mij als een
roofdier bespiedt. Zijn gedrag dat vroeger choqueerde, dat me opstandig
maakte en van een mateloos medelijden vervulde met mijn moeder, wordt
nu bedreigend, beangstigend.
Ik neem het zetelbed dat Anita heeft binnengerold, en spreid het uit naast
het ziekbed, dwars op dat bed. Het noodlampje brandt boven zijn bed –
en ik zie, als ik me uitstrek in dat zetelbed, enkel dat hoofd van hem;
af en toe hoor ik gebrom, geneurie. Hij begint heftig te slikken, alsof
hij een pad in de keel heeft zitten. Hij begint een tijdje moeilijk te
ademen – tot hij, beetje bij beetje, weer regelmatig ademhaalt.
Hij woelt, minutenlang, en schreeuwt, angstig, smekend, zegt woordenreeksen
op, zwijgt. Iemand leeft in een andere, ontoegankelijke wereld; in een
andere ruimte, waar de dag de nacht is en omgekeerd, een wereld van terreur
en verschrikking. Ik haat de nacht waarin ik ben, want het is de nacht
die zich uitspreidt over vroeger, toen ik thuis in bed lag zoals ik nu
in dit zetelbed lig: met in mijn onmiddellijke omgeving iemand die mij
na is, die mij het meest nabij is, uit wiens zaad ik geboren ben maar
die mij, ’s nachts, wanneer ik niets meer heb om me af te leiden,
zelfs de woorden van mijn moeder niet, in zijn duistere wereld trekt,
mij met zijn duisternis belaagt en ermee spot dat ik er ben, dat ik bang
voor hem ben.
Ik lig hier, afgezonderd van de rest van de wereld, van mijn eigen gezin.
Ik lig naast iemand die me niet meer kent.
Vanmiddag, toen ik naar Marc belde, hoorde ik Jeanine op de achtergrond
juichen, met haar heldere stem. ‘We gaan frietjes bakken!’
We, dat zijn: zij en Marc. En ik zweeg. Ze wonen in dat appartement in
dezelfde straat als mijn ouders, vijf huizen verder, maar het is mijn
thuis niet meer.
Marc vraagt niet meer of hij mij moet opzoeken. Vroeger wilde ik het niet,
ik wilde hem niet belasten met wat mijn vader overkwam. Ik schaamde me
toen nog dat ik thuis wegbleef, en meteen in het ziekenhuis kwam overnachten.
Hij zei: ‘Ik zou hetzelfde doen; echt.’ Maar toen we naar
ons huidige appartement verhuisden, en ik vaker bij mijn ouders was dan
bij hem, mijn werk had opgegeven en altijd over mijn vader sprak, hoe
zijn situatie verslechterde en mijn moeder dat koppig bleef ontkennen,
zei hij: ‘Ik begrijp je – maar ik ben hier niet gelukkig mee.’
En toen, op een dag: ‘We moeten elders gaan wonen. Weg van hier.’
– zoals op ons huwelijksfeest, net dezelfde heerlijke, rustgevende
woorden. En toen: stilte. Ik vermoed dat hij toen met Jeanine een verbond
heeft gesloten: ‘Wij tweeën, je papa en jij tegen je moeder.’
Ik hoor die woorden, alsof ze vlakbij mijn oor worden uitgesproken.
Hij is de tweede dag, ‘s morgens vroeg, een baal met kleren en mijn
tandenborstel aan de receptie komen afgeven. Hij is niet eens naar boven
gekomen. Mijn moeder zegt dat ze vanmorgen bij hem is gaan aankloppen
aan de achterdeur, net voor George haar kwam ophalen, en dat hij de rolluiken
neerliet, een seconde nadat zij had aangeklopt. Zoiets kan ze niet verzinnen;
en ook niet dat ze hem, met Jeanine, door het keukenvenster aan tafel
zag zitten. Zij, met z’n tweetjes. En het volgende zinnetje van
mijn moeder vervult me met een immens verdriet nu ik op dit zetelbed lig
uitgestrekt in deze donkere, trieste kamer, naast die vreemde die mijn
vader is: ‘De rolluiken gingen neer. Had ik mijn hand niet instinctmatig
teruggetrokken, hij was tussen de deur en het rolluik blijven zitten.
Stel je voor! Wat voor een man heb jij?’
Jeanine en Marc zitten in dat gebarricadeerde huis, achter neergelaten
rolluiken, ik lig naast iemand die me niet kent. Mijn moeder was haar
hand bijna kwijt. Ik kan nergens heen.
Spelletjes in het donker: spelen met getallen: drie, twee een. Wat kan
ik doen behalve de lakens die ik over me heen leg telkens opnieuw rechttrekken,
het kussen verleggen, spelen met cijfers? Altijd weer diezelfde getallen.
We waren met drie thuis; zelf heb ik een gezinnetje van drie personen.
Ik ging bij mijn ouders weg: ze waren met drie, ze bleven met twee over;
ik leefde meer bij mijn ouders dan bij Marc en Jeanine: mijn gezin viel
terug op twee. Mijn ouders, die me kwijt waren, wonnen me terug: twee
werd weer drie.
Een: de langstlevende echtgenoot (wie wordt het: vader of moeder?); enig
kind zijn (ik, Jeanine); een blik, een woord dat ik van mijn vader verlang;
een mensenleven; een droom, en wat er van overblijft – niets. Drie
en drie maken zes; er is geen vier, tenzij bij Marc thuis (vader, moeder,
Marc en diens broer Leonard). Ze waren met zessen bij mijn vader: de ouders,
drie broers en een zus. Zijn ouders zijn gestorven: het gezin viel terug
op vier. Een broer en een zus vallen weg: rest: twee, George en mijn vader.
George valt weg: rest één. Wanneer ook mijn vader wegvalt:
nul.
Getallen. Ik heb iets met getallen. Getallen geven me rust, scheppen orde
in wat rond me instort, in de chaos die zich langzamerhand in mij is gaan
nestelen, als een gif, een ziekte.
Drie dus, waar waren we gebleven? Nee, zes. Zes. Het getal zes.
Zes : de optelsom van de familie die mijn vader heeft gesticht (drie);
de familie die ik sticht (drie); en die twee drieën vormen een zes
die vroeg of laat een nul zal worden. En terwijl op de ene plek de getallen
slinken en families verdwijnen, nemen de getallen elders toe en ontstaan
nieuwe families die groeien, uitbreiden en weer zullen verdwijnen. Hoeveel
gezinnen ken ik uit onze familie? Benieuwd hoeveel – en plotseling
neem ik geen genoegen meer met die spelletjes, die ik, vijf jaar geleden,
net zo vaak, zo lang heb gespeeld tot ik er gek van werd en op een dag
minutenlang voor die winkelautomaat stond, starend naar het vakje met
de cijfercodes, zoekend naar geheime verbanden tussen de cijfers die er
stonden afgebeeld. Ik dacht: nul – nul is het mooiste cijfer. Je
kijkt er mooi doorheen. Alle cijfers komen eruit voort, en toch is er
niets in. Het cijfer nul was een lus – een lus in de tijd –
een strop, een reddingsboei.
Ik sta op, steek de grote lichten aan, ga in de zetel bij het venster
zitten, met mijn voeten op het zetelbed, onder het hoofdkussen. Ik klem
een fles mineraalwater naast me vast in de zetel; het is hier snikheet.
Hier hangt een droge lucht. Ik moet regelmatig wat drinken. Dat heeft
Anita me gezegd.
Het is niet altijd zo geweest. Dat zei die ene vrouw die hier de hele
dag gezeten heeft, met haar rug naar het venster. Dat ene zinnetje, dat
ene enkele zinnetje is de grootste leugen die ze maar kon vertellen.
Er is een tijd geweest dat hij bij al wat hij deed, aan het neuriën
was. Wanneer hij door de gang liep, een deur opende, in de winkel bij
de kassa stond aan te schuiven: hij neuriede. Opgewekte melodietjes, die
de indruk wekten dat hij welgezind was, het leven mooi inzag. Zo begon
het: met opgewekt geneurie.
Het begon ermee dat hij neuriede toen mijn moeder tegen hem sprak –
hoe luider zij sprak, hoe luider hij neuriede; het begon op een zondag,
toen haar ouders op bezoek waren: hij zat aan tafel, neuriënd, hij
stond op, nam zijn jas, pakte de autosleutel, stapte in de auto, en reed
weg. Toen hij terugkwam, de volgende ochtend, hoorde ik vanuit mijn slaapkamer
zijn voetstappen op het grind – en ik hoorde hem neuriën. Het
is toen begonnen, vermoed ik. Maar de man die daar, rechts van me, met
gesloten ogen in het ziekbed ligt en beginnen brommen is, met dat starre,
onbeweeglijke gezicht, heeft er nooit wat over gezegd.
Het begon toen hij zijn bord met het avondeten wegschoof, de auto nam,
een pak friet ging halen met karbonaden. Hij legde het kartonnen kuipje
met de frieten boven op haar avondeten, pal erbovenop. Het papier plakte
vast aan het eten onderaan, hij dronk een blikje bier leeg in drie, vier
slokken en het bier druppelde van zijn kin op de frieten, de karbonaden
zakten weg, over het papier, tussen de boontjes en kroketten en de kotelet.
Het was een magisch, huiveringwekkend gezicht; en mijn moeder stuurde
me naar bed omdat ik giechelde toen hij een nieuw blikje bier opende en
de inhoud ervan aandachtig bekijkend, met een brede glimlach over het
eten uitgoot.
Ik leg mijn linker- over mijn rechterbeen; ik leg mijn rechter- over mijn
linkerbeen; wanneer ik voel dat mijn benen beginnen te slapen, strek ik
ze, en beweeg ze lichtjes op en neer. Ik haal mijn voeten van onder het
hoofdkussen en steek ze de lucht in, buig ze naar beneden, naar boven.
Dat heb ik gelezen in een magazine van mijn moeder: hoe je de gevaren
van een zittend leven voorkomt (ik zit hier de hele dag, op die ene keer
na dat ik naar de winkelautomaat ga). Ik schuif mijn voeten weer onder
het hoofdkussen. En terwijl ik blijf zitten, span ik mijn bilspieren op,
de linker en dan de rechter. Almaar sneller. Dat is goed voor de bloeddoorstroming,
het verstevigt de bloedvaten en de spieren, zodat de billen niet verslappen
en gaan afhangen, iets waar mannen – zo stond het in dat magazine
– gevoelig voor zijn. Mannen houden van stevige billen. Marc houdt
niet van mijn billen. Misschien wel. Ik weet het niet. Ik kan me niet
meer herinneren wanneer hij ze laatst gezien, laat staan gestreeld heeft.
Ik sta op en ijsbeer door de kamer, en loop, voorzichtig, op de tippen
van mijn tenen, van de gangdeur naar het venster, naar de linkerzijkant
van zijn bed, dan terug naar de gangdeur en naar de rechterzijkant van
zijn bed. Gangdeur, venster, linkerzijkant, rechterzijkant van zijn ziekbed.
Altijd weer diezelfde weg aflopen. Dat kan ik uren volhouden. Bewegen
– almaar bewegen, en vreemd genoeg, hoe langer ik loop, hoe rustiger
ik word, alsof alles wat in me is opgehoopt, mijn verdriet, mijn woede,
mijn herinneringen, uit me stromen. Ik zal nog lang moeten rondlopen;
er is zoveel in me dat nooit uit me is gestroomd.
Het begon met geneurie. En toen? Toen - om zes uur, net wanneer mijn moeder
het eten heeft klaargemaakt, neemt hij zijn autosleutels, stapt in de
wagen. Hij begint te neuriën zodra hij de voordeur heeft geopend.
Hij staat neuriënd op het terrasje, stapt neuriënd in de wagen,
rijdt neuriënd (zijn raam staat altijd open) over het grind. Hij
komt de volgende morgen rond halfzeven terug. Ik hoor hem neuriën
wanneer hij de sleutel in de voordeur omdraait en zachtjes, almaar stiller
neuriënd sluipt hij de trap op. En dan: stilte. Nooit heb ik mijn
moeder iets horen zeggen.
Op een zomeravond stapt hij alweer in de wagen, maar ditmaal met een reistas.
En hij komt niet terug. Hij is bij een andere vrouw gaan wonen, in een
verkaveling aan de rand van het dorp. Een groot, breed huis met een tuin
achterin, daarachter een wei met paarden. Wanneer ik er na school langsloop,
op het paadje dat tussen de tuin en de wei loopt, kan ik, van op de plek
waar ik sta, de manshoge ramen aan de achterkant van het huis zien; ik
zie twee figuren staan: een man en een vrouw. Ze kijken mijn richting
uit. Mijn vader, denk ik, daar staat mijn vader. Ik weet zeker dat hij
me ziet, het kan niet anders. Ik sta vlak voor hen, een goeie twintig
meter ver. Ik steek mijn hand op, om te zeggen: ‘Kijk, hier ben
ik.’ Het kan niet zijn dat hij mij niet ziet. Daar staat hij, samen
met die vrouw. Ze lopen heen en weer voor dat raam; ze steken het licht
aan; ze trekken de gordijnen dicht. Het is intussen al avond geworden.
Ik loop terug langs dat pad, en wanneer ik langs de haag loop die de voorkant
van het huis en de oprit afzoomt, weet ik: ik kan gaan aanbellen. Hij
zal me begroeten, en binnenlaten; ja, dat zal hij zeker doen; maar die
vrouw wil dat wellicht niet, en mijn moeder heeft het me verboden. Ik
zie mezelf voor dat huis staan – mijn hand vlakbij de bel; ik denk:
ik ga schreeuwen, ik zal zeggen: ‘Hé, hier ben ik’
- en ik zie mezelf zwijgen en naar huis terugkeren. Een enkele vraag die
bij me opkomt, nu, jaren later, nu pas: waarom heeft hij me toen niet,
heel even, een enkele keer, een teken gegeven, opgebeld, een briefje geschreven?
Hij kwam terug, met dezelfde reistas in de hand. Ik hoorde hem ’s
morgens de sleutel in het slot steken, de trap oplopen; hij neuriede niet
meer. Hij plantte bloemen. Die vrouw had hem een passie voor bloemen bijgebracht;
hij trok er in het weekend op uit, naar de tuincentra in de buurt, kocht
bloemen en planten die hij in potten op het terras zette. Ik liep de keuken
in. Ik zei: ‘Papa.’ Ik zocht een woord waarmee ik hem kon
bereiken, een woord dat hem zou raken; maar hij keek niet op, trok zijn
schouders op, plantte zijn ellebogen op tafel en nam een slok van een
bierblikje. Ik liep de tuin in, daar stond mijn moeder die me zei: ‘Doe
geen moeite. Je vader houdt van twee dingen: bier en bloemen.’
Wat ik me herinner : hij zit op zijn knieën, met zijn handen in de
grote plastic zak vol potaarde; zijn blote armen zijn geschaafd: er zijn
kleine, roze streepjes op te zien. Hij heeft zonet de braamstruiken gesnoeid;
naast hem, gerijd op de grond, liggen de potscherven die hij op de bodem
van de bloempot legt, en waarover hij de potaarde uitstrooit. Wanneer
de pot driekwart gevuld is, maakt hij een kuiltje in het midden van de
aarde en giet er een bodempje water in dat snel wegtrekt. Hij haalt de
plantjes uit hun plastic omhulsel, legt de wortels voorzichtig in dat
kuiltje, en duwt de plant aan met de potaarde die hij geduldig, met kleine
hoeveelheden, van de plastic zak naar de bloempot overbrengt. De terrastegels
raken bedekt met slierten droge, donkerbruine kruimels potaarde. Ik kijk
naar zijn handen die in de grond woelen, naar die ontzettend witte armen
met die bleekroze streepjes, naar zijn gezicht. ‘Papa’, zeg
ik, ‘hoe loopt het?’ Ik vraag: ‘Hoe heet zo’n
plant?’ Hij houdt een fractie van een seconde op. Ik zoek een woord,
het magische woord dat hem naar mij zal doen kijken; maar hij gaat door
met het aanduwen van de potaarde, alsof hij mij niet gehoord heeft.
Ik neem een slok water. Altijd hetzelfde parcours, rond dat bed waar hij
ligt. Rondjes draaien. Zoals mijn hele leven is. Ja, ik begin het te begrijpen.
Ik zie dingen in – het werd tijd dat ik ze inzag. Die bloemen, die
planten. Daar is het mee begonnen.
Op een of andere dag interesseerden die planten hem niet meer. Hij begoot
ze niet meer, snoeide ze niet meer. In de winter sleurde hij de grote
bloempotten naar de kelder, om zijn exotische planten tegen de vorst te
beschermen; maar ook dat deed hij niet meer. We hoorden een luid gedonder
aan de zijkant van het huis, hij reed met een kleine aanhangwagen tot
in de bloemperken; hij rukte de planten, de struiken uit, gooide ze in
de aanhangwagen. Hij tilde de bloempotten op die op het terras stonden
een na een op; ze vielen aan scherven, op de metalen bodem van de aanhangwagen.
Hij liep naar het moestuintje dat hij naast het terras had aangelegd.
En met een grote schaar knipte hij alles weg; wat hij niet met de schaar
aankon, trapte hij omver. De reusachtige pompoenen, de bonenstaken, de
braamstruiken, de hosta’s, de fuchsia’s, de vlinderboom –
dat alles belandde, kriskras door elkaar, als oud vuil, tussen de potscherven
en potaarde in de aanhangwagen.
‘Zo is het begonnen’, zeg ik tegen mijn moeder, ‘hij
was ongelukkig; hij leefde bij ons, dat was zijn thuis, maar hij voelde
zich niet thuis bij ons, hij hoorde elders, en elders voelde hij zich
ook niet thuis. Hij was nergens thuis. Zo is het begonnen, zo en niet
anders.’
Dat zeg ik in gedachten. Ik zal het nooit luidop zeggen. Ik zal er nooit
de kans toe krijgen. Ik wil eraan toevoegen: en ook ik hoor nergens thuis.
Indien ze dat soort kleine dingen, die gebeurtenissen, die voorvallen
erkende, ik zou er vrede mee nemen. Het geneurie, die vrouw met dat huis.
De bloemen, de planten. Zijn stilte. Zijn blik die nooit op mij rustte.
Maar dat wil ze niet, of ze kan het niet.
Toen ik ging studeren, en van mijn kot thuiskwam in het weekend, lag hij
in de zetel, voor de televisie; hij zat aan de tafel, en at en dronk.
‘Hij is moe’, zei ze, ‘hij heeft zijn hele leven hard
gewerkt. Het wordt tijd dat hij met pensioen kan.’ Dat hij onze
verjaardagen vergat, geen woord zei, dat hij toen al een voorliefde begon
te krijgen voor seksmagazines die hij op toilet, op de salontafel liet
rondslingeren, dat hij af en toe als een dier begon te schreeuwen, de
weg naar huis vergat – dat beeld ik me in. Dat kan niet.
‘Het is begonnen met dat ongeval’, zegt ze, ‘met dat
subduraal hematoom.’
Zou hij in dat andere huis, bij die andere vrouw, gelukkiger zijn geweest?
Had hij nog andere kinderen gewenst – met mijn moeder, of met die
andere vrouw? Vanaf wanneer trok hij steeds zijn broek uit? Een onhebbelijke
gewoonte – meer niet, volgens mijn moeder; een beschamende gewoonte
toen hij dat ook deed wanneer er bezoek kwam (dat na een tijdje, bang
voor wat mijn vader deed, niet meer kwam). Ik doe het grote licht weer
uit – en in het zwakke schijnsel van de noodlamp ga ik terug op
het zetelbed liggen.
Ik had een droom: een huis, een man, een kind; het was niet eens mijn
eigen droom; het was de droom van mijn moeder; ik wil een woord, een gebaar,
een teken van erkenning, van mijn vader en mijn moeder; en dat wil ik
zo heel erg dat precies het uitblijven van die erkenning me er almaar
heviger doet naar hengelen; ik weet van geen opgeven. Obsessioneel ben
ik – net zoals ik obsessioneel overal cijfers in wil vinden, rekenkundige
eenheden, verhoudingen. Ik ben verblind door wat ik verlang en kan me
zo levendig voorstellen wat het zal zijn wanneer ik dat krijg, dat ik
het op de duur zonder de vervulling van dat verlangen kan stellen. En
daar berust ik in. Ik wil die ontkenning, die verlatenheid; ik wil hier,
op dit zetelbed liggen, als een nomade van mijn huis naar het huis van
mijn ouders reizen, heen en weer, telkens opnieuw, nergens werkelijk thuis;
ik wil in deze ziekenkamer hokken, als een armlastige bij een andere armlastige,
om bij elkaar te kruipen, mijn vader en ik, en samen verlaten en ontworteld
zijn.
Het is tragisch en grappig een droom na te jagen die onmogelijk is –
tot dat besef is mijn vader gekomen, jaren geleden al. Je kunt lachen
met dat soort dromen, je kunt er afstand van nemen, je kunt ze laten schieten,
alsof ze nooit bestaan hebben – en je kunt eraan ten onder gaan.
Je kunt er ook lachend aan ten onder gaan: dat is de keuze die hij gemaakt
heeft. Dat was de keuze van mijn vader. Hij ging ten onder aan de droom
die hij niet tot vervulling kon brengen – en hij lachte erom, en
hij lachte met ons, die hem zagen ten onder gaan. De lach die je dan laat
horen is bitter, en de grappen die je uithaalt zijn grimmig. Inzicht in
de nutteloosheid, de tragiek en de belachelijkheid van mijn dromen. Dat
inzicht heb ik nu.
Ik schiet overeind. Er is een geluid in de kamer, dat ineens ophoudt.
Wanneer ik naar hem kijk, zijn gezicht, merk ik dat zijn lippen glanzen,
alsof ze vochtig zijn. Ik sta rechtop, met mijn voeten op dat zetelbed,
ik kijk naar hem. Er vormen zich kleine donkergrijze, daarna donkerpaarse
belletjes op zijn lippen. Het lijkt me zo onwaarschijnlijk, wat ik zie
is zo onwerkelijk dat ik blijf kijken alsof niet ik daar sta, maar een
ander naar wie ik kijk en alsof ik samen met die ander wil achterhalen
wat er precies aan de hand is. Ik knip het grote licht aan, en nu zie
ik pas goed dat er zich belletjes hebben gevormd op zijn lippen; de noodlamp
vervormde de kleuren; ik zie roomwitte en felrode blaasjes die op zijn
onderlip oplossen; ineens gaat zijn borst op en neer, en ik hoor een snorkend
geluid, schuim komt uit zijn mond opborrelen. Zijn linkerarm schiet uit,
door die bruuske beweging schommelt het infuus; ik vlucht weg, ik pak
de deurklink en in mijn verwarring pak ik de verkeerde deur en sta in
de badkamer, voor de hoge spiegel boven de wasbak.
Links is het toilet – het toilet waar mijn vader nooit op zal zitten;
hij is trouwens nog nooit in deze badkamer geweest.
De dokter had me gezegd: ‘Verwittig me zodra er iets ernstigs is.’
Ik heb beloofd mijn moeder op de hoogte te houden. Maar ik pak een stuk
zeep, draai de kraan open, laat het water over mijn handen lopen en begin
methodisch mijn handen in te zepen. Ik zeep mijn handen in, spoel ze af,
telkens opnieuw. Dat geeft me rust. Het is onmogelijk dat hij doodgaat.
George gaat dood, mijn moeder gaat dood, ik ga dood, ik ga levend dood
– en verder gaat niemand dood.
Of zou ik me dat inbeelden? Misschien wil ik werkelijk dat er zich schuim
op zijn lippen vormt – dat hij eindelijk doodgaat.
Ik breng mijn hoofd dichter naar de spiegel, wankel achteruit. Ik zie
een vrouw van vijfendertig jaar, een niet onaantrekkelijke vrouw, met
een bol gezicht. Een vrouw. En na de paniekerige reactie die me deze kamer
injoeg, ervaar ik een grote kalmte en bewondering voor die vrouw die daar
voor me staat, die al die jaren heeft standgehouden en niet ten onder
is gegaan en wanneer ik de deur open en de ziekenkamer binnenstap, schiet
een vastberaden zinnetje door mijn hoofd: ‘Ditmaal lap je ’t
mij niet meer.’ Het is hij of ik; voor de eerste keer in mijn leven
zie ik die keuze: hij of ik.
Vanuit de hoek van de kamer, bij de deur, waarvan ik de klink nog in de
hand hou, en met rechts de zetel waarin mijn moeder heeft gezeten, kijk
ik naar hem. Het kost me moeite te blijven kijken; het geluid van die
snorkende adem is ondraaglijk; telkens opnieuw moet hij naar adem happen,
is het alsof zich in zijn keelpijp en longen vocht heeft opgehoopt dat
samen met zijn adem een uitweg zoekt. Het is alarmerend, beangstigend,
het is misdadig dat ik toekijk zonder in te grijpen. Zijn mond is overdekt
met schuim dat maar blijft opborrelen. Onder dat schuim en ondanks dat
schuim, tekent zich een grimas af, een grimas van pijn en leedvermaak.
Hij wil lachen; hij wil het tragische lachwekkend maken; hij lacht en
verwacht dat ik met hem meelach; of wil hij werkelijk spreken, nu, nu
het te laat is, nu zijn woorden, als hij ze uit zijn keel perst, oplossen
tot schuim? Nee, dat geloof ik niet. Hij toont me, schuimbekkend van woede,
hoe zinloos zijn leven is geweest en hoe weinig ik daarin betekend heb.
Ik loop de kamer uit en loop tegen Anita aan, die me vraagt:
‘Is er wat? Is er iets?’
‘Nee, helemaal niets. Het is er zo droog, zo heet, ik moet frisse
lucht hebben.’
Ik loop haar voorbij, en plotseling komt een diepe, allesoverheersende
rust in mij op. Ik kijk op mijn polshorloge, het is iets voor twaalf;
ik draai me om.
‘Anita. Wacht even’, zeg ik, ‘je bent aan je tweede
ronde begonnen, niet?’
‘Ja.’
‘Anita, je kunt hem beter met rust laten. Hij is rustig nu. Er kan
niets gebeuren. Je zou hem alleen maar doen opschrikken en bizarre reacties
uitlokken als je de deur opent; het licht van de gang alleen al kan hem
gek maken.’
Ik draai me om en loop de gang van de afdeling uit, ik neem de lift. Ja,
ze zal hem wel met rust laten. Ze zal, tijdens haar ronde, mijn vader
ongemoeid laten. Ik heb mijn rol van voorbeeldige dochter, die vertrouwen
inboezemt en over de rust en het welzijn van haar vader waakt uitstekend
gespeeld; en het grappige is dat ik die rol deze keer bewust heb gespeeld.
De rust van mijn vader kan me geen barst meer schelen.
Terwijl ik in de lift sta, die zacht en geruisloos naar beneden gaat,
zoek ik een spiegel. Ik wil mezelf zien. De vrouw die ik ben. Er zijn
geen spiegels – zieke mensen zien zichzelf niet graag in de ogen.
Ik kijk naar mezelf in de eerste glazen ramen die ik tegenkom op de begane
grond. Ik heb nu ook een grimas op mijn gezicht; maar het is mijn gezicht
niet, het is zijn grimas die op mijn gezicht ligt. Daardoor lijkt mijn
gezicht verwrongen van de pijn. Maar wanneer ik blijf kijken, geduldig
blijf kijken, merk ik hoe de grimas verzacht, milder wordt, hoe mijn gezicht
een diepe vrede uitstraalt. En met diezelfde vrede, met een gemoedsrust
die me verwondert en vederlicht maakt, met dat gezicht waar zijn grimas
uit weggegleden is, eindelijk, zoals vuilnis dat uit het water wordt opgeschept
en eindelijk het heldere water laat zien dat onder dat vuilnis verscholen
lag, verlaat ik het ziekenhuis, neem de wagen en rij de autosnelweg op.
Ik rij van Leuven naar Hasselt en terug, van Leuven naar Bergen en terug.
Ik rij naar Antwerpen en over Hasselt rij ik terug naar Leuven. Ik rijd
maar. Urenlang. Ik stap uit bij elk tankstation, eet wat fruit, een sandwich,
een taartje, een pakje chips, chocola, waar ik maar zin in heb, na elkaar,
door elkaar, ik drink koffie, warme chocola, fruitsap, water, bier –
nooit veel, maar altijd precies waar ik op dat moment zin in heb, en stap
weer de auto in. Terwijl ik langs de autosnelwegen rij, spoken de beelden
van vroeger nog eenmaal door mijn hoofd, maar ze kwetsen me niet meer.
Anita komt naar me toegelopen. Ontdaan is ze, aangeslagen zegt ze:
‘Er is slecht nieuws. Ik moet het zeggen, ik vind de woorden niet.
Hij is overleden. Plotseling. Ik heb hem gevonden, bij mijn laatste ronde,
rond halfvijf.’
Ik hoef niets te zeggen, geen enkele rol te spelen; Anita is zo verslagen,
voelt zo erg mee met de voorbeeldige dochter dat ze niet eens merkt dat
ik glimlach.
‘We weten niet goed wat het is. De dokter vermoedt embolie. Longembolie.
Dat kan heel snel gaan. De longen – het kan niet lang geduurd hebben.’
En ze kijkt naar de grond, en zegt: ‘U hoeft zich niet schuldig
te voelen.’
Dat meent ze; ik hoef me niet schuldig te voelen dat ik uren ben weggebleven
en mijn vader in de steek heb gelaten; maar ze bedoelt ook: beschuldigt
u mij er alstublieft niet van dat ik hem bij mijn ronde van middernacht
links heb laten liggen – dat had u me ten slotte gevraagd.
Ze weet, net zoals ik: het kan kort geduurd hebben, het kan urenlang geduurd
hebben. Het heeft, dat weet ik, urenlang geduurd. Vier uur, vijf uur lang,
sinds ik vertrokken ben tot wanneer ze hem gevonden heeft. Ik knik. Ze
zit met me in; en ik heb met haar te doen. Dan stel ik heel helder en
sereen de vraag:
‘Dus het heeft niks te maken met de hersenaandoening, met wat in
zijn hoofd omging – wat het ook mag zijn?’
‘Nee’, zegt ze, ‘zeker niet.’
Dat moet ik onthouden, denk ik, dat zal ik tegen mijn moeder zeggen –
dat hij in feite zomaar is doodgegaan; zomaar; zoals zij ooit zal doodgaan,
en haar leugens, samen met haar, zullen verdwijnen. Ik loop naar de deur
van zijn kamer, wil ze opendoen. Anita houdt me tegen.
‘Niet doen’, zegt ze, ‘niet doen.’
De deur zwaait open op een lege kamer; de lakens zijn al opgehaald, een
verpleegster die met haar rug naar me toe staat, haalt het voedingsinfuus
van de standaard. De nieuwe lakens liggen al klaar, schuin over het bed
gegooid.
‘We hebben de kamer al vrijgemaakt’, zegt Anita, ‘er
is een nieuwe patiënt, die we naar hier moeten overbrengen.’
Dat hij dood zou zijn – dat had ik voorzien; maar niet dat ik me
schuldig en verweesd zou voelen. Schuldig en verweesd; en het doet meer
pijn dan ik me ooit heb kunnen voorstellen. Ik begin onbedaarlijk te huilen,
met mijn voorhoofd tegen de deur. Anita legt haar hand op mijn schouder,
heel lichtjes, bang om mij op de verkeerde manier aan te raken, en zegt,
onbeholpen: ‘Ja, Mevrouw Troch. Ja. Ja, Mevrouw Troch.’
|
|