Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

HELD/FRAGMENTEN

Véronique Pittolo
(vertaling: Jan H. Mysjkin)

Eerste tijd: de reis van de geliefden.
Rond de Held is, zijns ondanks, een liefdesgeschiedenis mogelijk zoals de lucht of de hardheid van de grond.

Zijn lichaam drukt iets uit.
Van dichtbij voelt u zijn begripsvermogen, in de bioscoop is zijn einde spectaculair.
Hij zwemt, bestrijdt tegenstanders, tuurt de horizon af, valt niet volkomen, samen met zijn auteur.
Van Madrid tot New York, van Londen tot Parijs, komt men hem in allerlei gedaanten tegen met uitzonderlijke vrouwen.
In de armen van een heldin, voelt men hoe lichtgelovig hij is.
Zijn houding en zijn stilzwijgen waren het onderwerp van holle commentaren.
(Evenals zijn onschuld en zijn neiging om te mislukken.)
De Held is er niet om een slot in het vooruitzicht te stellen, maar om de dode momenten te vullen.

    JEFF,
Men valt hem in de rede.
    U bent moeilijk…

In avondkleding voor een spiegel, terwijl hij zijn das knoopt.

Er wordt gebeld. Hij draait zich om en loopt het gezichts-veld uit.

In liefdesgeschiedenissen staat de telefoon voor verzekerde continuïteit. Men valt elkaar in de rede, men vult de stiltes.
MURIELS ademhaling: aanhoudende hartkloppingen.
JEFFs verzuchtingen: een rustige ademtocht.
De man legt zijn met initialen gegraveerde aansteker neer.

Ze zien elkaar terug in een badplaats aan zee, hoewel MURIEL de voorkeur geeft aan meren.
Het hotel is een halvemaan die de lijn van de baai volgt. Er is wind. Er zijn bomen, slenterende wandelaars. Zeilboten, ramen, weerspiegelingen in plaats van schaduwen.
Het rendez-vous heeft een voorlopige waarde.
De man wacht op de vrouw of omgekeerd.
Men doet z’n best om als laatste aan te komen.

De zee, stil als een meer.

MURIEL heeft de hoorn weer opgehangen. Haar emotie blijft onaangetast.
JEFF zal een nieuw hemd dragen.
Hij bekijkt zich in de spiegel, verandert van gezicht, zijn sigaret brandt langzaam op in een te grote asbak.

Uitgestorven dijk.
Alles is er: het water, de daken en het azuur, de heldin met zwarte ogen, zittend voor een ondoorzichtig glas.
Ogen verborgen achter een enorme bril.
Op haar gelaatstrekken, een glimp van onbehagen, een ongegronde twijfel.

‘Aan de rand van het water’ betekent dat men het kader verplaatst naar de grenzen van een beschrijving.
Men verwacht iets, maar is niet voorbereid op de monotonie van het landschap dat samengaat met de ontmoeting.
Onze personages benutten de ruimte maximaal: weg, hemel, lichamen in de greep van gewoontehandelingen.
De leegte vormt een bedreiging, het ontbreken van replieken.

JEFF schift zijn gedachten, roept de barkeeper en bestelt een ‘dubbel iets’ dat galmt in de zoelte van de lucht.

(De helden zijn onderworpen aan een klankruimte, waardoor ze helemaal zijn omgeven.)
Het water stolt.
Daarop valt de zee samen met een meer en een uitgestorven parking.

In de bioscoop komen en gaan de personages, waarbij de beloften zich opstapelen.
Hun waarheid is een rode richtingaanwijzer, een lichtje dat na het woord EINDE voortknippert in droefgeestige straten. Hoe verder, hoe verleidelijker; men onderscheidt het gezicht van de actrice nog even voor ze verdwijnt.

Gezichten zijn problematische begrippen:
MURIEL neemt de gelaatstrekken van een andere vrouw over, vermomt haar natuur als laag-bij-de-grondse elegantie.
Onder haar make-up is de verveling van iedereen te zien, het isolement, de stilte.
De heldin van vlees en bloed stapelt valse liefheden en overbodige woorden op, gaat over in een gedwongen glimlach. In een roman aarzelt zij tussen de taal van de rede en door het hart ingegeven woorden.
MURIELS gezicht had even geheimzinnig kunnen zijn als haar lichaam.

Meestal komt de heldin tot zelfstandigheid in tragische scènes:
MURIEL tijdens een vechtpartij, ANNA KARENINA onder de trein, of anders het naamloze schepsel dat men door uitgestorven parkings ziet lopen.

In bars, in luchthavens, op bruggen, ‘s morgens of ‘s avonds, alleen, vergezeld, blond of bruin, opgejaagd, stom en sterfelijk.
Voor sommige vrouwen wordt het leven een strijd, voor anderen een opeenstapeling van rendez-vous en nachtelijke uitstapjes.

Ze zijn er om dreigend gevaar aan te wijzen. De bloemen, de trein, het zwembad zijn herkenningstekens. Het water is altijd ondoorzichtig en de bloemen verspreiden altijd een te sterke geur.

MURIEL wacht op het teken dat haar in een schepsel zal veranderen.
Zij brengt de tijd door met zoeken naar de emotie.

(Als haar medespeler nou niet méér was dan een lege huls? Een figuur in windsels en een zwarte bril?)

Verlangens zijn als gezichten, onbestendig.

De gelaatstrekken wisselen al naar gelang de belichting, de stem en de gelaatsuitdrukking veranderen van situatie tot situatie, de neus is over het algemeen perfect. Wankel evenwicht tussen voorhoofd en mond.

Op foto’s ziet de huid er zuiverder uit.
Je begrijpt op slag de rol van de uiterlijke indruk.

Met een hand aan het stuur neemt JEFF een vastbesloten houding aan. De knuppel gaat omhoog.

(Ineenzakken van de Held.)

Waggelend staat hij weer op, wrijft over zijn voorhoofd.

De vrouw grijpt in als waarborg van evenwicht; bij de aanraking ziet de Held er menselijker uit.

Zowel in leven als vertellingen geeft men rendez-vous. De één arriveert te vroeg en de ander vindt een excuus.

In theorie wordt men terzelfder tijd verliefd.
Niets bijzonders, de liefde welt op uit een spontane geestdrift.
Men herkent elkaar in de beproeving van het lawaai, de chaos, de menigte.
Het identificatieproces spoort de toekomstige geliefden aan om een eerbiedige stilte aan te houden.

Op zichzelf wekt de Held intense heimwee op.

Als men MURIEL aan het eind van een film op de rug bekijkt, zal men zoiets gewaarworden als een ramp, een dwaas gemis. Ziet zij de hoofdrolspeler daarentegen terug, dan zal men de indruk hebben van een gedeeld en overvol iets.

Lange tijd dacht men dat helden zich tot een vast kader beperkten.

Leefkader, televisiescherm, open of gesloten raam.
Hoe staan hun voeten op de grond?
Het geluid van een voetstap haalt ze uit hun eenzaamheid, en op slag balt de tijd zich samen aan het oppervlak van hun gelaatstrekken.
Dan beginnen de onmogelijke opdrachten en de gevaarlijke reizen, de gecodeerde gesprekken.
Stilstaande treinen, loopbruggen en glinsterende straten.

De weg die MURIEL aflegt kan men volgen door het galmen van haar hakken op het asfalt.

Men herinnert zich de tijd dat zij op JEFF wachtte op het dek van een schip, en ook toen zij van de trein stapte met haar zwarte handtas.

De tijd dat een uiterst galante JEFF het portier voor haar open hield.
Dat zijn lichaam in een ongenaakbare substantie was gehuld. Dat de gebaren amper gespannen waren.

Wanneer de personages uit de auto stappen, is er de voor helden typische ruk in de schouders, een stille elegantie. Ver weg van de wereld doet de fatale scène zich vlakbij een met zwarte bomen afgezette zone voor. De hemel wordt helemaal rood, de schimmen nemen plaats.

Het slachtoffer valt nog niet.

De wereld beeft, men hoort het geluid van een motor.
Het ogenblik is een hangend geluid van remmen.
Ze valt nog altijd niet.
Een eerste schim verplaatst zich.
Klap van een portier.

De bomen beginnen te trillen, alles wat vast is lost op. In een seconde veranderen MURIELs gelaatstrekken. Ze heeft geen houvast meer, richt zich te gronde, stevent op de mislukking af.

Wanneer de dood snel is, heeft men geen tijd om zijn leven terug te zien.

©Véronique Pittolo, © vert. Jan H. Mysjkin