

 |
 |
Bres en bretel - zoals ik was (4)
Joris Note
In 1969 ontvouwde Georges Perec tegenover Maurice Nadeau zijn plannen
voor de volgende twaalf jaar - eigenlijk een omvattend ‘totaalplan’
voor ‘een groot autobiografisch geheel dat zich toespitst op vier
boeken’; tot die vier behoorde de roman W, die Perec weldra als
feuilleton zou beginnen in La Quinzaine littéraire. Twaalf
jaar later had hij geen enkel van de projecten helemaal uitgevoerd, en
beschouwde hij het autobiografische nog slechts als één
van de ‘velden’ die hij cultiveerde; of hij op dat veld nog
veel geboerd zou hebben weten we niet, want in 1982 stierf hij, 46 jaar
oud. De autobiografische teksten die hij naliet vormen samen een stoutmoedige
en aangrijpende poging om op een niet-rechtlijnige en niet-naïeve
manier over het eigen leven te schrijven; ze verzetten zich krachtig ‘tegen
de modellen van verhalen (en van levens) die opgelegd worden door zowel
de literaire en schoolse traditie als door het spel van de media’
(Philippe Lejeune).
W ou le souvenir d’enfance (W
of de jeugdherinnering), uit 1975, is het toegankelijkste van Perecs
autobiografische werken. Het ziet er heel anders uit dan het W dat hem
in 1969 voor ogen stond.
PUNTJES
Er zijn twee reeksen alternerende hoofdstukken; de ene (cursief gezet:
I, III enz.) bevat fictie, namelijk de tekst van het eerder verschenen
feuilleton; de andere (in romein: II, IV enz.) handelt rechtstreeks over
Perecs kindertijd. Maar er zijn ook twee op elkaar volgende delen (I-XI
en XII-XXXVII). In feite hebben we dus vier reeksen:
1. In de fictieve hoofdstukken van het eerste deel (voortaan: Winckler-reeks)
vertelt een Franse deserteur hoe hij onder de valse naam Gaspard Winckler
in Duitsland woonde en gecontacteerd werd door een vreemde man, die hem
opdroeg de echte Gaspard Winckler terug te vinden: een doofstom, in zichzelf
opgesloten jongetje dat door zijn moeder was meegenomen voor een boottocht,
op zoek naar een plaats waar hij van zijn handicaps zou kunnen genezen;
de boot is vergaan bij Vuurland en alle opvarenden zijn omgekomen, behalve
de jongen zelf, die verdwenen is. Deserteur Winckler aanvaardt aarzelend
de opdracht.
2. De fictie van het tweede deel (W-reeks) rept niet meer over
de Wincklers. Ze beschrijft het leven op het Vuurlandse eilandje W, een
maatschappij waar letterlijk alles in het teken staat van de competitiesport;
eerst lijkt het een onschuldige fantasie, gaandeweg wordt het een moorddadige
totalitaire gruwel.
3. In de direct autobiografische hoofdstukken van het eerste deel (Parijs-reeks)
vernemen we dat Perec in 1936 in Parijs geboren werd als kind van Pools-joodse
ouders, met wie hij in de rue Vilin woonde; zijn vader ging als vrijwilliger
naar de oorlog en kwam in 1940 om het leven; de moeder liet Georges in
1942 vertrekken naar de zuidelijke Vrije Zone, waar hij bij familie terechtkon;
zelf werd de moeder in 1943 opgepakt en gedeporteerd; ook haar zus, vader
en schoonvader werden afgevoerd - niemand zou terugkeren. Deze reeks begint
met de zin ‘Ik heb geen herinneringen aan mijn kinderjaren’,
en als er dan toch herinneringen opduiken maakt Perec die met zorg ongeloofwaardig;
hij tracht vooral met foto’s en van-horen-zeggen iets van zijn vroegste
jaren te reconstrueren.
4. ‘Van nu af aan bestaan de herinneringen’, zegt het begin
van de tweede direct autobiografische reeks (Villard-reeks),
maar ‘ze worden door niets bijeengehouden’. We krijgen hier
een verbrokkeld beeld van Perecs verblijf in het dorp Villard-de-Lans
(Vercors), van 1942 tot de terugkeer naar Parijs in 1945.
Het gaat in dit boek om de verhouding tussen de fictiereeksen en de herinneringsreeksen.
Geen van beide kan op zich bestaan, zegt Perec in de Franse flaptekst;
alleen hun ontmoeting (er zijn veel verbanden en verbandjes) kan reveleren
‘wat nooit helemaal gezegd wordt in de ene, nooit helemaal gezegd
in de andere, maar slechts in hun breekbare intersectie’. Die flaptekst
beklemtoont ook de scheiding tussen eerste en tweede deel: een ‘breuk’
of ‘barst’, gemarkeerd door een lege bladzijde met in het
midden het teken van een coupure: een beletselteken of gedachtepuntjes
tussen haakjes:
(...)
Dat zijn points de suspension, en Perec speelt met de dubbelzinnigheid
van suspension; er wordt iets opgeschort of verzwegen, waaraan tegelijk
alles is opgehangen.
De originele flaptekst is dus onvertaalbaar, en in de plaats ervan lezen
we op de Nederlandse uitgave onder meer dit: ‘Iemand die [...] ook
Gaspard Winckler heet gaat naar dat verdwenen jongetje op zoek. Het enige
spoor dat wordt gevonden leidt naar het mythische eiland W [...]. Maar
ook daar worden geen overlevenden van de schipbreuk aangetroffen. De draad
in het boek [...] blijkt steeds meer het verslag te zijn van een nachtmerrieachtige
jeugd tijdens en na de oorlog. Daarbij gaat het [...] om het beeld van
een voor altijd in de vroegste jeugd aangeslagen generatie.’ (Cursiveringen
van mij.)
Dat zijn misleidende zinnen. Ten eerste: Perec schrijft niet over iets
zo algemeens als een ‘generatie’: hij verwerpt het luie terugvallen
op de Grote Geschiedenis, dat hem zou ontslaan van onderzoek naar de eigen
beleving van de eigen geschiedenis. Hij zegt ook dat hij jarenlang dat
onderzoek vermeden heeft - en daarmee, denk ik, was hij zelf een deserteur
zoals Winckler.
Ten tweede: met ‘Het enige spoor leidt naar...’ wordt de breuk
tussen de twee delen van de fictie gelijmd. Ten onrechte, de lezer wéét
gewoon niet wat er in die breuk ‘gebeurt’; uit de eerste alinea’s
van het boek maak je wel op dat de deserteur Winckler W bezocht heeft
en de enige overlevende getuige is van W’s ondergang; maar of hij
daar het kind heeft aangetroffen, en hoe die ondergang er gekomen is?
De W-reeks is ook niet ‘geschreven’ door Winckler maar door
een anonieme verteller.
Het (...)-teken moet dus serieus genomen worden, het duidt een gat aan,
in de fictieteksten en in de directe autobiografie, en de lezer moet dat
niet te gauw willen opvullen. Misschien kan hij helemaal niets opvullen.
(In de vertaling van het boek zelf zitten vervelende slordigheden. W en
de KINDERherinnering zou trouwens een juistere titel zijn.)
GATEN
Al hebben de twee fictiereeksen verschillende vertellers, Perec verbergt
niet dat hij ze geschreven heeft, hij treedt in zijn boek op als auteur.
(Hoe belangrijk dat is zal nog blijken.) Volgens het begin van de Parijs-reeks
heeft hij rond zijn dertiende een verhaal geschreven en getekend dat hij
later vergat. Zeven jaar geleden herinnerde hij zich dat het verhaal W
heette, dat het over een sportmaatschappij op een Vuurlands eiland ging,
en ‘in zekere zin zo niet de geschiedenis dan toch een geschiedenis
van mijn kinderjaren was’. Hij verzon W dan opnieuw en publiceerde
het als feuilleton; nu geeft hij er een laatste bewerking aan.
Daarmee hebben we een verduidelijking van de dubbele titel W OU le souvenir
d’enfance. OF, dat betekent niet: de fictie W enerzijds en kinderherinneringen
anderzijds. W is in eerste instantie de (enige) kinderherinnering: die
welke Perec zeven jaar geleden kreeg. Maar wat zit er áchter die
herinnering?
Wat de ‘W’ zelf betreft, lezend in het Nederlands zie je makkelijk
over het hoofd dat het Frans die letter alleen kent in een handvol vreemde
woorden, en dat ze benoemd wordt als ‘double V’: de V van
rue Vilin en Villard wellicht, en vooral een verwijzing naar de dubbelheid
van het boek. De natie W zou gesticht zijn door een zekere Wilson - een
naam die aan Winckler doet denken, en aan het dubbelgangersverhaal ‘William
Wilson’ van Edgar Allan Poe.
In hoofdstuk XV (Iks-Vee) herinnert Perec zich hoe een man in Villard
hout zaagde op een schraag die uit een dwarsbalk en twee X’en of
andreaskruisen bestond en die als geheel een X genoemd werd. Hij herinnert
zich minder dat tafereel dan dat ‘woord’, hij weidt uit over
wat de X nog zoal kan aanduiden (de wiskundige onbekende!), en vooral
over ‘een waangeometrie waarvan de gehalveerde X [in feite: V dédoublé]
de basisfiguur is’: twee V’s met de punten tegen elkaar vormen
een X; die valt te verbouwen tot een hakenkruis, en dat weer tot een SS-embleem;
twee omgekeerd over elkaar geplaatste V’s vormen een teken waarvan
makkelijk een davidster te maken is.
Met de dubbele V worden dus ideologisch ‘tegengestelde’ symbolen
gebouwd: wil Perec zo de nabijheid of verwisselbaarheid van slachtoffer
en beul suggereren? Dat is te simpel, maar toch. Overigens moeten we het
spel wat aanvullen: omkering van de W of dubbele V geeft de M van mère.
En de X, het Croix de Saint-André, staat voor Perecs vader Icek,
die soms André genoemd werd (en de zoon dacht lange tijd dat dat
zijn echte naam was).
Nog een ander schriftteken krijgt een aparte bespreking. Perecs oudste
herinnering was dat hij als driejarige in een Jiddische krant een letter
herkende, tot verrukking van de volwassen familieleden: ‘het teken
zou de vorm van een vierkant gehad hebben met een opening in de linker
benedenhoek [...] en de naam ervan zou gammeth of gammel geweest zijn’.
In twee voetnoten wordt die herinnering vervolgens onderuitgehaald: Perec
heeft zijn eerste letters in Franse kranten ontcijferd; bovendien bestaat
er geen Hebreeuwse letter ‘gammeth of gammel’, wel is er een
‘gimmel’ - ‘waarvan ik graag geloof dat hij de beginletter
van mijn voornaam zou kunnen zijn; hij lijkt absoluut niet op het letterteken
dat ik geschetst heb en dat desnoods voor een ‘mem’ of ‘M’
zou kunnen doorgaan’. We zien dus deze serie: gammeth/gammel, wat
weer lijkt op croix gammée (hakenkruis); gimmel, de G van Georges;
mem, de M van mère.
Bij de zogenaamde herkenning van de letter voelde Perec zich volledig
door de ‘familiekring’ omsloten: dat gevoel ging echter ‘geenszins
gepaard met het gevoel verpletterd of bedreigd te worden; integendeel,
voor mij betekent het juist warme beschutting en liefde: de hele familie,
de totale, integrale familie is er, bijeen rond het [...] kind [...],
als een onneembare vestingmuur.’ Als lezer kijk je daar vreemd bij
op, je had immers hoegenaamd niet verwacht dat de familiekring bedreigend
zou zijn! Waarom krijgt die warme omslotenheid zoveel nadruk? Waarschijnlijk
omdat de familieleden later géén beschutting hebben geboden,
ze zijn verdwenen, hun kring is kapotgeslagen, ze hebben het kind in de
steek gelaten. De volkomenheid van de ‘kring’ contrasteert
met de opening in de fantasieletter en in de G van de voornaam Georges
- en met het gat in de herinneringen en in de geschiedenis, het gat in
het boek.
De opening staat ook in verband met de achternaam. ‘De naam van
mijn familie luidt Peretz. Hij komt in de bijbel voor. In het Hebreeuws
betekent het ‘gat’ [trou], [...] in het Hongaars [...] worden
er zogeheten ‘Bretzel’ mee aangeduid. ([...] zo niet in het
Hebreeuws dan toch in het Arabisch, zijn B en P één en dezelfde
letter.) [...] Een van de centrale figuren in de familie is de Pools-Jiddische
schrijver Isak Leibuch Peretz, met wie iedere zichzelf respecterende Peretz
verwant is’. De bijbelplaats waarop hier gealludeerd wordt is Genesis
38:29, dat de opening noemt waardoor een kind ter wereld komt; in Franse
bijbelvertalingen wordt het veelal een brèche. Dus: via zijn twéé
namen identificeert Georges Perec zich met de bres, de breuk, de barst,
de scheur, het gat. Hij legt verder moeizaam uit dat ‘Perec’
de Poolse schrijfwijze van Peretz is, en daardoor geen accent op de eerste
lettergreep heeft: zijn Pools-joodse naam onderscheidt zich in het Frans
door iets dat ontbreekt, opnieuw een gat. En vaak wordt die naam dan verkeerd
geschreven, meer conform aan de uitspraak (Pérec, Perrec).
NAAMSVERWARRING
Autobiografieën houden doorgaans een queeste naar identiteit in,
en identiteit begint in zekere zin bij de naam. In déze autobiografie
is de namenkwestie essentieel, in alle hoofdstukreeksen. Deserteur Winckler
heeft nooit stilgestaan bij zijn valse naam, tot hem gemeld wordt dat
hij op zoek moet naar zijn verdwenen naamgever - wat vrijwel direct tot
een crisis leidt: ‘Heette ik nog Gaspard Winckler? Of zou ik hem
aan de andere kant van de wereld moeten gaan zoeken?’ Je zou dat
kunnen parafraseren als, ongeveer: ik moet op zoek naar het kind dat ik
geweest ben en dat er niet meer is. Maar dat klinkt te conventioneel;
in deze fictie wordt de zoektocht zelf afgebroken, het kind verdwijnt
opnieuw, samen met zijn naamgenoot, nu in het gat van het boek.
In de maatschappij uit de W-reeks heerst een totaal gebrek aan intimiteit
en individualiteit, wat zich onder meer hierin uit dat seks en voortplanting
alleen plaatsvinden door verkrachting van anonieme, opgejaagde vrouwen.
De atleten-bewoners kennen geen familieverband en geen eigen naam: ze
krijgen, als ze overwinningen behalen, de nooit definitieve namen die
aan hun prestaties gebonden zijn. Een dergelijke veranderlijkheid lijkt
een echo van de verminkingen die ‘Peretz’ en andere joodse
namen ondergingen in de wisselvalligheden van emigratie en nazitijd. En,
heel interessant, Perec vestigt onze aandacht erop dat hij zelf in een
oude tekst de meisjesnaam van zijn moeder verminkte, met drie spelfouten
tegelijk.
Veranderlijkheid of afwezigheid van namen, dat is een aspect van een onzekere,
onsamenhangende wereld. Perec zegt over zijn periode in Villard dat ze
vooral gekenmerkt werd door ‘het ontbreken van bakens’, absence
de repères. Zijn vader was toen al dood; zijn moeder niet, zij
was slechts weg, verdwenen. Vooral dáárdoor allicht kon
het kind zich niet oriënteren, en - kun je interpreteren - raakte
het ook zichzelf kwijt. Het frappantste van de Villard-reeks is dat er
bijna niets in staat over de afwezige moeder, ze wordt verzwegen. Kennelijk
werd er ook toen over haar niet gesproken. Misschien dacht het kind zelfs
niet aan haar? Of dacht hij dat ze hem verlaten had? En zou dat dan de
kern kunnen zijn van het schuldgevoel achteraf: het vergeten of miskennen
van de verdwenen moeder?
(Het thema van de onstabiele naam vinden we ook in de roman La vie mode
d’emploi (1978); en de ‘held’ van Quel petit vélo
à guidon chromé au fond de la cour? (1966) heeft tientallen
op elkaar lijkende namen, we weten niet wat de echte is. In Récits
d’Ellis Island (1980), de tekst van een film die Perec met Robert
Bober maakte, is sprake van de ontelbare naamswijzigingen die op het New
Yorkse doorgangseiland plaatsvonden.
Alleen in laatstgenoemd boek wijdt Perec een beschouwing aan zijn ervaring
van joodsheid; een kortere versie daarvan staat in de recent vertaalde
bundel Ik ben geboren. Ik had zowat overal mijn wieg kunnen hebben, zegt
hij, maar het was me ontzegd in het land van mijn voorouders geboren te
worden ‘en er op te groeien in het duurzame verband van een traditie,
een taal en een thuis.’ Hij heeft het gevoel dat hij ‘anders’
is, ‘maar niet zozeer anders dan de ‘anderen’ als wel
anders dan de ‘mijnen’: ik spreek niet de taal die mijn ouders
spraken, ik deel in geen van de herinneringen die zij gehad kunnen hebben.’
Een leegte, een discontinuïteit. Dat Perec de taal van zijn ouders
niet kende, vindt in de scène met de Hebreeuwse letter een verwrongen
uitbeelding: die valse herinnering toont het verlangen naar herinnering,
het verlangen naar continuïteit.
Met de formulering absence de repères greep Perec heel bewust terug
op L’espèce humaine (De menselijke soort), Robert Antelmes
magistrale boek over de concentratiekampen; en in het slothoofdstuk gebruikt
hij een lang citaat uit L’univers concentrationnaire van David Rousset.
Antelme en Rousset hadden als politieke gevangenen de kampen meegemaakt
en waren geen joden; dat Perec juist hen aanhaalt heeft sommigen verbaasd.
We moeten dat in verband brengen met de allerlaatste regels van het boek,
die verwijzen naar de kampen van ‘de fascisten van Pinochet’.
In de politieke visie van Perec waren joodsheid en jodenvervolging uiteindelijk
geen hoofdzaak.)
BRETELS
Een béétje houvast moest Perec wel hebben in Villard, en
hij zocht dat vaak in kennis; zo vult hij twee bladzijden met wetenswaardigheden
over ski’s - met veel nadruk op de ‘bevestigingssystemen’.
Minstens zo belangrijk was, direct na de bevrijding, zijn eerste ervaring
met boeken, waaraan hij als volwassene een lof van het herlezen vasthangt:
‘een bron van een onuitputtelijk geheugen, van een eindeloze herhaling,
van een zekerheid: de woorden stonden op hun plaats [...]; je kon [de
boeken] herlezen en onder het herlezen de indruk die ze in eerste instantie
op je hadden gemaakt wéér ervaren, maar nu vergroot door
de zekerheid dat je ze zou terugvinden; [...] ik herlees de boeken waarvan
ik houd en ik houd van de boeken die ik herlees [...]: het genoegen van
een saamhorigheidsgevoel, van een gevoel van verstandhouding, of meer
dan dit nog, van een eindelijk hervonden verwantschap’. Eindelijk
een familie die je nooit in de steek laat! W ou le souvenir d’enfance
eindigt niet met zo’n jubel, er volgt nog ontgoocheling en ontreddering;
de terugkeer naar Parijs is bijzonder schrijnend, en de laatste herinnering
betreft een tentoonstelling over de kampen. Maar de speciale waarde van
het geschrevene-gelezene valt niet te betwijfelen; het feit dat Perec
zoveel allusies maakt op andere literatuur, krijgt daardoor een soort
verklaring. En er is meer.
Het moment waarop zijn moeder hem in 1942 naar het station brengt kun
je als de rampzalige scharnier in Perecs kindertijd beschouwen: het afscheid
- definitief, maar ongeweten definitief, en dus niet als bijzonder ervaren
en dus nauwelijks herinnerd, al doet hij zijn best er beelden aan te hechten.
Moeder gaf hem een blaadje met op het omslag Charlie Chaplin die een parachutesprong
maakt: ‘De parachute zat aan Charlie vast met de bretels van zijn
broek.’ Hij herinnert zich zogenaamd ook dat hij zijn arm in een
doek droeg; dat blijkt onjuist, maar hij merkt op dat parachute en doek
te maken hebben ‘met ophanging [suspension], ondersteuning, bijna
met prothese. Om te bestaan de behoefte aan steun.’ Een wat latere
herinnering over een gebroken schouderblad, dat moest genezen met een
fixatiesysteem, blijkt even vals, maar: ‘die denkbeeldige [...]
therapieën, deze ophangpunten of gedachtepuntjes [points de suspension],
duidden noembare pijnen aan en kwamen op het juiste moment om de liefkozingen
te rechtvaardigen waarvoor de werkelijke redenen slechts fluisterend werden
gegeven’. De lichamelijke trauma’s vervangen de andere, duidelijk
genoeg.
Maar Philippe Lejeune ontdekte dat de bretels van Chaplin evenzeer een
verzinsel zijn als het armdoek - en dan ligt het voor de hand om ze, naast
de bres en de bretzels (zoute krakelingen), als een variant op de naam
Perec te zien. Duidt die naam dan zelf op steun? Dat lijkt wel zo, als
we hem meteen opvatten als naam van de schrijver: het schrijven zal steun
en beschutting geven, zoals het lezen. Men kan nu opnieuw terugdenken
aan de idylle van de Hebreeuwse letter, met de hele familie verzameld
rond het geletterde kind, en aan de gezochte verwantschap met de auteur
I.L. Peretz. Cruciaal is ook Perecs relaas over een bezoek aan zijn vaders
graf, waarbij hij iets voelt van ‘een verborgen sereniteit, verbonden
met de verankering in de ruimte, en de vermelding op het kruis, van deze
dood die eindelijk niet langer abstract was’. In het Frans komt
de eenheid beter tot zijn recht, verANKERing en verINKTing: ‘l’ancrage
dans l’espace’ en ‘l’encrage sur la croix’.
En daartegenover, enkele pagina’s verder: ‘Mijn moeder heeft
geen graf’. Voor haar dus geen ancrage/encrage: dat wordt een opdracht
voor de schrijver.
Bijna onmiddellijk daarna komt een kapitale passage over het schrijven
zelf. Ik citeer de slotzinnen (met een wijziging in de bestaande vertaling):
‘Ik schrijf: ik schrijf omdat we samen geleefd hebben, omdat ik
een van hen ben geweest, een schim te midden van hun schimmen, een lichaam
nabij hun lichamen; ik schrijf omdat zij een onuitwisbaar stempel op mij
hebben gedrukt en het spoor ervan de schriftuur is: hun herinnering is
dood voor de schriftuur; de schriftuur is de herinnering aan hun dood
en de bevestiging van mijn leven.’ Er kunnen geen herinneringen
van/aan de doden opgeschreven worden. Maar het schrijven zelf is de herinnering,
het is hun spoor in mij, het spoor dat ik trek, het spoor dat zij via
mij nalaten. Het schrijven krijgt zo een reddende functie, voor hun leven
en voor het mijne.
MACHINE
Nog een woord over het wrede land W. Er bestaat daar geen andere moraal
dan die van de overwinning, maar er is geen zekere weg om de overwinning
te behalen of te behouden. Iedereen strijdt tegen iedereen. Complexe reglementen
en willekeur gaan samen. ‘De Wet is onverbiddelijk, maar de Wet
is onvoorspelbaar. Iedereen wordt verondersteld haar te kennen maar niemand
kan haar kennen.’
De W-reeks is een anti-utopie, met trekken die aan Sade herinneren. Het
is een satire, op de sportcultus zelf en op competitiemaatschappijen.
Het is een groteske, enigszins verwant met verhalen van Van Ostaijen waarin
een idee tot in het absurde doorgedreven wordt.
W doet denken aan de nazi-sportcultus (en aan de Olympische Spelen van
Berlijn, in Perecs geboortejaar 1936), en geleidelijk aan verwijst het
steeds onmiskenbaarder naar de nazikampen, uiteindelijk wordt die vergelijking
zelfs expliciet: de lezer heeft het dus gemakkelijk. Of niet? Naast die
historische interpretatie is een meer militante-politieke mogelijk: de
tekst impliceert een oproep aan de onderdrukten om hun onderdrukkers te
herkennen en te bevechten; over de mensen van W heet het dat ze niet weten
waar hun echte vijanden zitten, en over zijn moeder schrijft Perec: ‘Ze
stierf zonder iets begrepen te hebben.’ Je moet ook biografisch
lezen: W verbeeldt de houvastloze Villard-periode, en Perecs ervaring
met pensionaten.
En je kunt een (nog) meer psychologische richting uit: W gaat over Perecs
beleving van de verdwijning van zijn familie - met zijn niet-verwerking
ervan. Met het feit dat hij ook na de oorlog niet kon rouwen, met de verwijten
die hij zijn ouders maakte, met zijn gebrek aan medeleven, met zijn schuldgevoelens
daarover. En met zijn eigen kinderlijke gedweep met topsport.
De W-reeks is echt nare lectuur, ze stemt je zuur en agressief, ook tegen
de auteur die haar verzon met alle smerige details, en die er dus, zoals
Lejeune opmerkt, verantwoordelijk voor is: de schrijver is (ook) de beul.
Het onbehagen van de lezer spruit voort uit het wat én het hoe:
de beschrijver van W hanteert een clichématige, toeristische, soms
enthousiaste taal - pas aan het eind verandert zijn toon, lijkt hij de
gruwel te begrijpen. (Of is dat Perec zelf, die eindelijk zijn domme zegsman
opzij schuift?) Op de koop toe, en dat is nog het pijnlijkste, doet de
totalitaire, machine-achtige W-organisatie met haar regels en onderverdelingen
mij naar de vorm ook denken aan de machine-achtige organisatie die ten
grondslag ligt aan sommige werken van Perec. Het is niet leuk om dat in
te zien.
INZET
Lijkt W ou le souvenir d’enfance op het eerste gezicht een vrij
eenvoudig boek, elke nieuwe benadering maakt het gecompliceerder en raadsel-achtiger.
Wie zorgvuldig leest heeft daar niet per se andermans uitleg bij nodig,
al tref je in de secundaire literatuur veel moois aan; en zeker moet je
het beeld completeren via Perecs overige werk. Zo bevat het reeds genoemde
Ik ben geboren nogal wat teksten die direct of indirect iets zeggen over
W. Bijvoorbeeld: in de programmatische brief aan Nadeau zegt Perec dat
het ‘oorspronkelijke’ W-verhaal ontstond tijdens zijn eerste
psychotherapie (rond 1950), en in ‘De plaatsen van een list’
evoceert hij scherpzinnig de psychoanalyse waarmee hij bezig was toen
hij het boek voltooide; ‘De plaatsen van een ontsnapping’
vertelt een belangrijk voorval uit zijn naoorlogse kindertijd; ‘Robert
Antelme en de waarheid van de literatuur’ is een artikel over L’espèce
humaine.
Ook in de Perecs niet-autobiografische boeken heeft zijn eigen leven een
plaats, en voor wie dat wenst fungeert W dan als sleuteltekst: het verschaft
de biografische gegevens die elders meer versluierd aanwezig zijn. Perec
doet in die boeken soms hetzelfde als hij in de fictiereeksen van W doet:
zijn eigen geschiedenis schrijven terwijl hij een andere geschiedenis
schrijft.
Toen Manet van Montfrans onlangs een (goede) inleiding tot Perec publiceerde,
mopperde de recensente van De Standaard dat ze overdreven had ingezoomd
op ‘de ernstige kant’ en het autobiografische: ‘Ook
het thema van de joodse identiteit wordt flink uitgemolken [...]. Omdat
het spelelement, dat volgens Perec onontbeerlijk was, onderbelicht wordt,
bestaat het risico dat de auteur gereduceerd wordt tot een zielig weesje,
dat zijn leven lang om zijn moeder is blijven roepen. Een mens zou haast
vergeten dat hij in de eerste plaats een levensgenieter was [...].’
Die opmerkingen getuigen van fors onbegrip: spel en plezier staan bij
Perec niet naast of tegenover het ernstige en autobiografische, er zijn
geen goed onderscheidbare ‘kanten’. Hij speelt met een hoge
persoonlijke inzet, en door die inzet krijgt het spel zijn kracht, wordt
het tot iets dat u en mij aangaat. Wordt het tot wezenlijke, inderdaad
ernstige, literatuur, die zich niet in een paar plezante vrije uurtjes
vrijblijvend consumeren laat.
Aantekening
Georges Perec, W ou le souvenir d’enfance, Gallimard. Perec-vertalingen
zijn verschenen bij De Arbeiderspers, Amsterdam: o.m. W of de jeugdherinnering
(vert. Edu Borger, 1991, uitverkocht), Wat voor brommertje met verchroomd
stuur achter op de binnenplaats? (vert. Leo van Maris e.a., 1993), Het
leven een gebruiksaanwijzing (vert. Borger, 1995) en Ik ben geboren (vert.
Rokus Hofstede, 2003). Bij dezelfde uitgever: Manet van Montfrans, Georges
Perec, een gebruiksaanwijzing, 2003, met een goede bibliografie. Verder:
G.P., Récits d’Ellis Island, P.O.L., Paris, 1994; Philippe
Lejeune, La mémoire et l’oblique. G.P. autobiographe, P.O.L.,
1991; Marijke Arijs, ‘Het eeuwig ontbrekende puzzelstukje’
(De Standaard, SdL, 25-9-2003).
|
|