

 |
 |
A propos Véronique Pittolo
Jan H. Mysjkin
‘Ik heb altijd films willen maken’ - met die regel begint
Montage (1992), de debuutbundel van Véronique
Pittolo. Achteraf blijkt die wens als een programma te hebben gewerkt,
want ook de bundels Exploration (Exploratie, 1994), Héros
(Helden, 1998) en Je dors, je mange (Ik slaap, ik eet, werk
in uitvoering) nemen de filmwereld als referentiekader.
Véronique Pittolo, op 7 juli 1960 geboren te Douai, in het noorden
van Frankrijk, lijkt alles te hebben gedaan om de vervulling van haar
wens dwars te zitten. Althans, in plaats van film te studeren, ging zij
kunstgeschiedenis volgen aan de Sorbonne. In de lijn van haar studie organiseerde
zij vervolgens tentoonstellingen, en werkte als kunstcritica voor diverse
bladen. Na de publicatie van haar debuutbundel verschoof haar werkterrein
geleidelijk aan van de plastische kunsten naar de literatuur. Sinds 1995
leidt zij workshops voor creatief schrijven, en is daarnaast actief als
literatuurrecensent en als lectrice voor een uitgeverij.
De literatuur is ook het domein waarbinnen zij haar wens om aan film te
doen heeft gerealiseerd. Over Montage zegt Pittolo: ‘Ik
heb een boek willen schrijven dat men zou waarnemen als een film die men
zowel kan lezen, zien als horen’. In de bundel levert een verteller
commentaar op zijn leven, dat op een montagetafel voorbij trekt, vooral
opnamen van familiescènes uit de kindertijd in een provinciestad.
Het verhaal is georganiseerd rond brokstukken uit het geheugen, die in
botsing komen met lacunes of uit het niets opduikende herinneringen. Zoals
bij het monteren van een film kunnen buitenbeelden (gezichten,
landschappen, ruimtes) worden stop-gezet, versneld of teruggespoeld; maar
daarnaast stelt het gebruik van het woord de auteur in staat om hetzelfde
te doen met binnenbeelden (herinneringen, verlangens, angsten).
Het verhaal krijgt soms het karakter van een interview, waarbij een anonieme
commentaarstem zich via een bandrecorder richt tot de verteller.
Als filmmodellen voor Montage noemt Pittolo de cineasten Jean-Luc
Godard, Michelangelo Antonioni en Yasujiro Ozu; de eerste voor de dialogen
die niet bij de situatie passen, meer bepaald in liefdesscènes;
de tweede voor de stilte tussen de personages en de sfeer van onbegrip;
de laatste voor het gebruik van onopgeloste momenten en slowmotion-effecten.
Bij de bundel Héros veranderen de modellen. De helden
JEFF en MURIEL treden op als citaten van personages uit televisie-feuilletons
(stijl Mission impossible) en detectivefilms uit de jaren veertig
en vijftig, met Alfred Hitchcock als grootmeester.
Héros werd niet aan de montagetafel gemaakt, maar verkeert
in het stadium van het draaiboek, waarin de handelingen van de personages
zijn opgetekend, aangevuld met scenische aanduidingen over bijvoorbeeld
klank of licht. Héros lijkt op een lang scenariogedicht
dat werd opgedeeld in tekst-sequenties, waarin hedendaagse archetypen
van helden, zoals de ‘femme fatale’ en de ‘detective’,
een ontwikkeling doormaken in situaties van suspense of gevaar. Héros
ziet er zelfs enigszins uit als een storyboard in ‘t klein, door
de foto’s die tussen de tekstsequenties zijn opgenomen. Overeenkomstig
het gestandaardiseerde karakter van de narratieve bouw-elementen (personages,
decors, beeldwerk) zijn ook de woordenschat en de zinsbouw eenvoudig gehouden
- van eenzelfde eenvoud waaraan clichés hun duurzaamheid ontlenen.
Door de nadrukkelijkheid waarmee zij in een precieze maar vlak gehouden
toon personages opvoert middels stereotiepe, dus anonieme beelden, replieken
en situaties lijkt Pittolo de vraag te stellen naar onze identiteit, of
liever: naar de manier waarop die identiteit wordt geconstrueerd.
Door haar werkwijze beweegt Pittolo zich binnen de ongedefinieerde doorsnede
van cinematografisch beeld en literair woord. ‘Ik beschouw de zin
als een ‘gemonteerd beeld’, als een ultieme verankering in
de werkelijkheid, en dus als een verkenning buiten het domein van het
geschreven woord’, legt Pittolo uit. ‘In zijn geheel genomen
is de vorm nogal ‘hybridisch’, doordat ze aanleunt bij verschillende
genres, zonder echt op te gaan in één ervan.’ Het
resultaat is een mengvorm, niet helemaal proza en evenmin helemaal poëzie.
Bekeken vanuit het proza gaat de découpage van de vertelling in
de richting van de poëzie; maar bekeken vanuit de poëzie ontplooien
zich de verzen in die mate dat men geen vers meer leest, maar een zin
- en wie in zinnen leest, leest proza. Pittolo ervaart deze tussenvorm
als een bevrijding: verzen worden zinnen, strofen worden alinea’s,
het gedicht valt samen met een meer of minder gevulde bladzijde, waardoor
de metrische regels wegvallen. Desondanks zijn Montage, Exploration
en Héros toch in poëziereeksen terechtgekomen, wat
erop wijst dat de poëzie als genre blijkbaar ontvankelijker is voor
onconventionele teksten dan het proza.
|
|