

 |
 |
De gebroeders Hoppe
Stefan Brijs
Hoofdstuk I
Sommige inwoners van Wolfheim beweren nog altijd dat zij eerst het driestemmige
gehuil van de baby’s op de achterbank hadden gehoord en pas later
het motorgeluid van de auto zelf die het dorp binnenreed. Toen de auto,
een witte Fiat 125, voor het grote huis aan de Napoleonstrasse nummer
één halt hield, stopten de vrouwen prompt met het vegen
van de stoepen, kwamen de mannen met hun glas nog in de hand uit café
De Vier Streken gerend, staakten de meisjes hun hinkelspel en liet op
het dorpsplein lange Meekers zich de bal ontfutselen door de doof geboren
Gunther Weber, die hem voorbij de achteromkijkende Seppe van de bakker
in het doel schoot. Dat was op twaalf oktober 1985. Een zaterdagmiddag.
In de kerktoren luidde Jacob Weinstein op dat ogenblik de klok drie maal.
De chauffeur van de witte Fiat 125 stapte uit en wat iedereen meteen opviel,
waren zijn haren en zijn baard, niet zozeer de snit of de lengte ervan,
maar vooral de kleur: het rood van koper. De diepgelovige Bernadette Liebknecht
uit de Albertstrasse nummer veertien sloeg gelijk een kruisteken en lange
Meekers stootte de kleine Julius Rosenboom aan, bracht zijn mond vlakbij
diens oor en fluisterde: ‘Kijk Julius, de dokter heeft de haren
van de duivel.’
Drie dagen eerder waren de inwoners van het Belgische dorpje, dat vlakbij
het drielandenpunt al zijn hele bestaan knel zat tussen de stevige dijen
van het Nederlandse Vaals en het Duitse Aken, op de hoogte gebracht van
de komst van Doktor Hoppe. De magere klerk van notaris Renard uit Eupen
was toen het vergeelde bordje ‘ZU VERKAUFEN / VERMIETEN’ voor
de oude woning komen weghalen en had aan Irma Nüssbaum, die aan de
overkant woonde, verteld dat een arts uit Genève het huis had gehuurd,
ene Victor Hoppe, meer wist hij niet. Voor de inwoners van Wolfheim was
het een raadsel waarom de dokter een grote stad verliet om zich zevenhonderd
kilometer verder in een stil dorpje in een ander land te vestigen en er
werd dan ook met een zekere argwaan naar zijn komst uitgekeken. Met de
dag namen de roddels toe en vooral Irma Nüssbaum vertelde een aantal
sterke verhalen over haar onbekende nieuwe overbuurman, die zij in het
lang en het breed verkondigde als halve en zelfs hele waarheden. Maar
hoe ongebreideld haar fantasie ook was, dat Doktor Hoppe vader was van
een misvormde drieling van een paar weken oud had zelfs zij niet kunnen
of durven verzinnen.
Daar kwam lange Meekers achter toen de dokter het verroeste slot van het
toegangshek niet dadelijk open kreeg en, op zoek naar hulp, even van zijn
auto wegliep. Aangetrokken door het aanhoudende geschrei dat vanaf de
achterbank opsteeg, sloop lange Meekers naar de witte Fiat, wierp een
blik door het zijraampje en schrok toen zo hard dat hij ter plekke van
zijn stokje ging en daarmee op slag de eerste patiënt van Doktor
Hoppe werd, die de magere jongen met enkele klappen op zijn wang weer
bij bewustzijn bracht. Lange Meekers opende daarop knipperend de ogen,
keek in een flits van de dokter naar de auto, krabbelde snel overeind
en spurtte vervolgens zonder eenmaal om te kijken terug naar zijn speelkameraden.
Nog enigszins wankel sloeg hij aan de ene kant een arm om de brede schouders
van zijn klasgenoot Maurice Chevalier – zij zaten allebei in het
vijfde leerjaar – en legde aan de andere kant een hand op de linkerschouder
van Julius Rosenboom, die drie jaar jonger en evenveel koppen kleiner
was dan hijzelf.
‘Wat heb je gezien, lange?’ vroeg Seppe van de bakker toen,
die met de lederen voetbal onder de arm schuin tegenover zijn makkers
stond en zijn gezicht naar de dove Gunther Weber wendde zodat ook hij
kon volgen wat er gezegd werd.
‘Ze…’ begon lange Meekers, maar hij ging niet verder
en trok weer bleek weg.
‘Stel je niet aan!’ reageerde Maurice Chevalier en hij gaf
Meekers een por met zijn schouder. ‘Wat bedoel je met ze? Is het
meer dan één baby?’
‘Drie. Het zijn er drie,’ antwoordde lange Meekers en hij
stak evenveel magere vingers op.
‘Dwie-mweis-jes?’ vroeg Gunther Weber met een vette grijns
bij het zien van de opgestoken vingers.
‘Dat heb ik niet kunnen zien,’ zei lange Meekers. ‘Maar
wat ik wel heb gezien…’
Hij bukte zich, keek even in de verte, waar Doktor Hoppe en zijn overbuurman
Wilfred Nüssbaum op dat ogenblik de twee helften van het schurende
toegangshek openden, en wenkte zijn vier makkers dichterbij. Zij staken
hun koppen bij elkaar en keken naar de dunne mond van lange Meekers, die
weldra het verschrikkelijke geheim zou uitspreken.
‘Hun hoofden,’ zei hij langzaam, ‘hun hoofden zijn gespleten.’
En met zijn gestrekte rechterhand trok hij in een snelle beweging een
verticale streep van zijn voorhoofd, recht over zijn neus, tot aan de
onderzijde van zijn kin. ‘Tsjak,’ zei hij daarbij.
Geschrokken deden Gunther Weber en Seppe van de bakker een stap naar achteren
en Maurice en Julius, die nog altijd als steun voor lange Meekers dienden,
hoewel dat niet meer nodig was, bleven naar zijn smalle hoofd kijken,
als zou ook dat elk ogenblik in tweeën scheuren.
‘Ik zweer het je. Je kon zo tot achter in hun keel kijken,’
ging lange Meekers verder. ‘En ook, echt waar, ook kon je hun blote
hersenen zien liggen.’
‘Hun-wá?’ vroeg Gunther Weber.
‘Hun-her-se-nen!’ herhaalde Lange Meekers en tikte met zijn
wijsvinger op het voorhoofd van Gunther Weber.
‘Bwèèèk!’ riep de dove jongen uit.
‘Hoe zagen ze eruit?’ vroeg Maurice Chevalier.
‘Als een walnoot. Maar dan veel groter. En slijmeriger.’
‘Jeetje,’ zei Julius, die een rilling over zijn rug voelde
lopen.
‘Als het raampje open was geweest,’ ging lange Meekers stoer
verder en hij stak zijn arm naar voren, ‘had ik ze zo met mijn hand
kunnen grijpen.’
De andere jongens volgden met open mond de beweging van Meekers’
hand, die tot een klauw werd gevormd. Het volgende ogenblik echter wees
hij met diezelfde hand naar voren en stuurde zo alle blikken naar de witte
Fiat, zowat dertig meter verderop, waarvan de dokter op dat moment het
achterste portier opende. Zijn overbuurman was toen al van de auto weggelopen
en stond zenuwachtig wiebelend naast zijn vrouw aan de overkant van de
straat. Ook zij zagen hoe Doktor Hoppe vervolgens half in de auto verdween
en enkele tellen later opnieuw te voorschijn kwam met een grote, donkerblauwe
reiswieg, waaruit nog altijd een ontzettend gehuil opsteeg. De dokter
zette de wieg even op de grond, keek nog eenmaal in het rond, zodat iedereen
op straat snel zijn blik afwendde, sloeg het portier dicht, tilde toen
de wieg aan de twee hengsels op en droeg hem over het tuinpad de woning
binnen.
In De Vier Streken gaf Jacques Meekers de volgende uren meermaals een
beschrijving van wat zijn zoon die middag had gezien en ook Wilfred Nüssbaum
voerde de rest van de dag en een stuk van de nacht het hoge woord. Hij
wist te vertellen dat de dokter eveneens een afwijking in zijn gezicht
had, waarvan hij het litteken tevergeefs achter zijn snor probeerde te
verbergen, en dat hij bovendien door zijn neus praatte, waardoor hij slecht
verstaanbaar was – zijn Duits dat vergiftigd was met een Zwitsers
accent was sowieso al moeilijk te begrijpen, voegde hij eraan toe. Dat
hijzelf steeds meer met een dubbele tong begon te praten was zijn imitaties
alleen maar ten goede gekomen en hoe later het die avond was geworden,
hoe gruwelijker ook de beschrijvingen uit de mond van Jacques Meekers
hadden geklonken, waardoor vele inwoners die nacht maar moeilijk de slaap
konden vatten.
Met de komst van de dokter en zijn kinderen steeg het bevolkingscijfer
van Wolfheim, dat met zijn bescheiden driehonderdvierenveertig hectaren
oppervlakte de kleinste gemeente van de Duitstalige gemeenschap in België
was, in één klap van tweehonderdvijftig naar tweehonderdvierenvijftig
inwoners. Sommige inwoners spraken van een onheilspellende bevolkingsexplosie
en refereerden daarmee naar de grote immigratiegolf die het dorp twee
eeuwen eerder had overspoeld, toen in het zuidoosten van Wolfheim, aan
de voet van de Altenberg, het metaal galmei werd ontdekt. Om dat te ontginnen
en te verwerken tot het veel duurdere zink hadden de hebberige Fransen
op de vindplek een grote mijn opgericht en lokten ze overal vandaan vele
arbeiders, die zich op den duur in Wolfheim vestigden en zo het inwonersaantal
lieten stijgen van een paar honderd naar meer dan tweeduizend. De volgende
decennia haalden de Duitsers en de Nederlanders, die na de val van Napoleon
de concessie kregen toegewezen, aan een razend tempo het galmei uit de
bodem, zodat aan het begin van de twintigste eeuw de zinkmijn helemaal
uitgeput was en gesloten werd. Daarop verlieten vele immigranten het dorp
om in een andere streek hun geluk te beproeven. De zinkfabriek met de
hoge schoorstenen werd gesloopt en de uitgeputte Altenberg werd door de
paters franciscanen van het buurdorpje La Chapelle opgekocht en verbouwd
tot een calvarieberg met veertien staties in evenveel grotten.
De stokoude en aan een oog blinde Josef Zimmermann had als jongeman het
verval van zijn dorp nog van dichtbij meegemaakt en daags na de aankomst
van Doktor Hoppe begon hij dan ook, terwijl hij aan een slakkengang met
zijn elektrische driewieler onophoudelijk door de vijf straten van het
dorp reed, de andere inwoners te waarschuwen: ‘Fremde Leute bringen
fremde Leiden mit! Fremde Leute bringen fremde Leiden mit!’
Iedereen wist wat hij daarmee bedoelde, want zodra de fransozen de zware
metalen uit de bodem waren begonnen te halen, had er een opvallende stijging
van het aantal miskramen en geboorteafwijkingen plaatsgevonden. De oorspronkelijke
bewoners gaven de immigranten, die vast vele vreemde ziekten hadden meegebracht,
de schuld, maar in werkelijkheid waren door de ontginning van het galmei
vele giftige stoffen vrijgekomen die via de lucht en zelfgekweekte groenten
in het bloed van de inwoners waren beland. Dat gif had zich jaar na jaar
opgestapeld en was via de navelstreng en met de moedermelk onafgebroken
doorgegeven, waardoor er in Wolfheim generaties lang kinderen met afwijkingen
waren geboren, een ramp waar ook de jongste generatie niet aan ontsnapte.
Gunther Weber, die al bij de geboorte doof bleek, was daar een voorbeeld
van, maar ook lange Meekers, die van kindsbeen af een groeistoornis had
en op zijn elfde één meter tachtig mat. Verder leed Julius
Rosenboom aan suikerziekte en was de vier jaar oude George Bayer al hoestend
ter wereld gekomen en daar nooit mee opgehouden. Bij de jongste kinderen
van het dorp was Boris Croiset uit de Albertstrasse een paar maanden eerder
met een klompvoet geboren en ook de onwettige tweelingbroers Michel en
Marcel Moresnet waren niet zonder afwijking uit de baarmoeder gehaald.
Zij bleken met respectievelijk de linker- en de rechterhand aan elkaar
gegroeid en moesten chirurgisch van elkaar gescheiden worden, wat hun
allebei een pink had gekost.
Het incident met lange Meekers en de waarschuwingen van Josef Zimmermann
deden de vrees voor nieuwe onbekende kwalen bij de van oudsher goedgelovige
dorpsbewoners zozeer toenemen dat de meesten al gauw het besluit namen
dat ze zich nooit bij Doktor Hoppe zouden laten onderzoeken. Liever nog
zworen ze bij de beproefde huis-, tuin- en keukenmiddeltjes of reden ze
bij erge ziekte naar een arts in het twaalf kilometer verder gelegen dorp
La Chapelle dan dat ze één voet in het huis aan de Napoleonstrasse
nummer één zouden zetten. Doktor Hoppe zelf scheen zich
evenwel van geen boycot bewust, want als hij, immer gehaast, door de straten
van Wolfheim liep om naar het kruidenierswinkeltje van Martha Bollen of
naar het postkantoortje in de Kirchstrasse te gaan, knikte hij altijd
naar de voorbijgangers, ook al waren die enkele ogenblikken eerder van
hun pad afgeweken om hem in een brede boog te kunnen passeren. Zowel Martha
Bollen als postbediende Louis Denis vertelden dat Doktor Hoppe een man
van weinig woorden was – ‘Guten Tag’, ‘Danke schön’
en ‘Auf Wiedersehen’ klonk het steeds vriendelijk –
maar dat daarin onmiskenbaar zijn spraakstoornis en zijn Zwitserse accent
te horen was. Hij was altijd sober gekleed in een eenvoudige bruine of
zwarte broek en een hemd met daarover soms een trui, die misschien iets
te wijd om zijn magere lichaam zat. Zijn rode haren waren stijf en dik
en werden waarschijnlijk met een tondeuse, die op een centimeter of twee
was ingesteld, kort gehouden.
Op de vaak gestelde vraag wat de dokter zoal kocht antwoordde Martha steeds:
‘De gewone dingen. Luiers, babyvoeding, melk, Bambix, waspoeder,
tandpasta en meer van dat.’ Daarna boog ze ver over de toonbank
naar voren, bracht haar hand half voor haar mond en ging op fluistertoon
verder: ‘Maar ook iedere keer twee filmcassettes voor een polaroidcamera.
Wie maakt er nu zo veel foto’s van zulke kinderen?’ De klanten
in haar winkel reageerden meestal vol onbegrip en daarvan maakte Martha
gebruik om ze nog dichterbij te wenken. Op een toon alsof het een vreselijke
misdaad betrof besloot ze: ‘En hij betaalt elke keer met briefjes
van duizend frank.’ Over de herkomst van die biljetten wist Louis
Denis dan weer te vertellen dat de dokter af en toe bij hem een postcheque
in Zwitserse valuta kwam omwisselen voor Belgisch geld. Vaak had hij dan
ook brieven bij zich die zonder uitzondering naar Genève moesten
of kwam met touw omwikkelde pakjes halen die van daaruit verstuurd waren.
Omdat Doktor Hoppe voorts geen moeite deed om patiënten te ronselen
of om reclame voor zijn praktijk te maken – er kwam geen bordje
met spreekuren aan het hek te hangen en evenmin dook zijn naam op in de
lijst van dokters met weekenddienst die eens per week in de streekkrant
werd gepubliceerd – besloten de inwoners dat hij vooralsnog kon
leven van inkomsten die hij in het verleden had vergaard en zich volledig
concentreerde op de opvoeding van zijn kinderen, als van zulke wezens
al wat te maken viel.
Het leek er in elk geval wel op dat hij de bedoeling had om op een dag
zijn beroep in het dorp uit te oefenen, want in de weken na zijn aankomst
in Wolfheim was er minstens vijf maal een witte vrachtwagen uit Zwitserland
voor zijn woning gestopt om medische apparatuur af te leveren. In het
huis aan de overkant had Irma Nüssbaum, half verscholen achter de
violette gordijnen van het keukenraam, iedere keer het kenteken en het
tijdstip genoteerd en aantekeningen gemaakt over de geleverde vracht.
Sommige zaken had ze meteen herkend, zoals een onderzoektafel, een grote
weegschaal en infuusstandaards, maar de meeste blankhouten kisten hielden
hun breekbare inhoud verborgen en die vulde ze daarom in haar verbeelding
maar zelf met monitoren, microscopen, spiegels, maatbekers en proefbuizen.
Na elke levering bracht ze uitvoerig verslag uit bij andere vrouwen van
het dorp en toen ze op een bitter koude ochtend ergens begin januari haar
buurman in een witte doktersjas en met een stethoscoop om de hals de post
uit de brievenbus zag halen, waarna hij omzichtig de straat aftuurde,
verkondigde ze overal dat de praktijk van Doktor Hoppe geopend was en
dat hij vol ongeduld op zijn eerste patiënten wachtte.
Enkele dappere inwoners lieten zich toen ontvallen dat ze van plan waren
om toch eens op consultatie te gaan, al was het dan louter met de bedoeling
een glimp van de kinderen van de dokter te kunnen opvangen, die al die
weken onzichtbaar waren gebleven en intussen waren uitgegroeid tot een
mysterie groter dan de Heilige Drievuldigheid. Een preek van pastoor Cremer
had echter tijdens de eerstvolgende zondagsmis zelfs de laatste twijfelaars
angst aangejaagd.
‘Hoedt U, gelovigen, hoedt u!’ had hij met geheven vinger
vanaf de kansel geroepen, nadat hij had vastgesteld dat de nieuwe inwoner
weer niet was komen opdagen in zijn kerk, ondanks het feit dat hij enkele
weken eerder de laatste drie nummers van het parochieblad in zijn brievenbus
had gestopt. ‘Hoedt U, want de grote draak is geworpen, de oude
slang, welke genaamd wordt duivel en satan, die de gehele wereld verleidt!
Hij is, zeg ik u, hij is geworpen op de aarde, en zijn engelen zijn met
hem geworpen!’
Daarna had de herder van het dorp een korte pauze ingelast, waarin hij
zijn blik over zijn meer dan tweehonderd parochianen had laten gaan, en
had toen, wijzend naar de eerste rij, waar in hun keurigste pak en met
gekamde haren de jongens van het dorp naast elkaar zaten, met luide stem
gewaarschuwd: ‘Waakt, gij allen! Waakt, want de duivel gaat om als
een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden!’
En alle aanwezigen hadden gezien hoe tijdens die laatste woorden de trillende
wijsvinger van pastoor Cremer bij lange Meekers was blijven hangen, die
bleek was weggetrokken en zich de volgende dagen niet meer op het dorpsplein
had vertoond.
|
|