

 |
 |
Bone Deus!
Karel De Sadeleer & Arne De Winde
Geachte Brakke Hond-redactie,
Het drama-essay Bone Deus is het resultaat van
een opdracht voor het vak 'Psychologische Literatuurstudie' dat
wordt gedoceerd aan de KU-Leuven door Prof. Dirk De Geest en Anneleen
Masschelein. De opdracht bestond erin per twee een essay te schrijven
over de Franse semiotica en psychoanaliste, Julia Kristeva. De studenten
waren vrij in de keuze van het specifieke onderwerp en in de vorm van
de tekst. Ondergetekenden waren er al snel uit wat het specifieke onderwerp
zou worden van hun essay, namelijk de [begijnen]mystiek en het Hooglied
van Salomo. Snel onderzoek naar de aard van het Hooglied wees uit dat
die bijbeltekst door vele interpretatoren wordt opgevat als een dramatische
evocatie van het huwelijk tussen God en Zijn Kerk. Verder onderzoek naar
primaire bronnen bracht aan het licht dat Bernardus van Clairvaux de lijm
is tussen mystiek en Hooglied.
Vervolgens legden we de vorm van de tekst vast:
het zou een toneelstuk worden dat de ideeën van Kristeva over mystiek,
het Hooglied en Bernardus samenbrengt. Omdat het Hooglied is opgedeeld
in acht hoofdstukken, namen wij die vorm over. De plot hebben we zo ontwikkeld
dat wij op een voor ons overzichtelijke manier ons licht konden laten
schijnen op de ideeën van Kristeva in verband met het gekozen onderwerp,
die zij heeft neergeschreven in enkele van haar belangrijkste werken.
Het is noodzakelijk dat we er de nadruk op leggen
dat deze tekst zich bevindt op het grensgebied tussen het puur literaire
en het rein wetenschappelijke. Fictionaliteit en waarheidsgetrouwheid
haken met de vingers in elkaar. Zo is bijvoorbeeld het personage van Bernardus
gebaseerd op de historische mysticus en kerkvader, Bernardus van Clairvaux,
maar zijn relevante eigenschappen zijn natuurlijk uitvergroot ten dienste
van de tekst.
De voltooiing van het werk schonk ons veel voldoening,
en of de quotering navenant het werk zou zijn, werd bijna irrelevant -
bij wijze van spreken. Tijdens de mondelinge evaluatie van ons essay waren
beide docenten echter zo lovend dat zij ons hebben aangeraden het werkstuk
te publiceren, wat wij terdege overwogen hebben en uiteindelijk ook besloten
te doen. De tekst zoals u die ontvangen hebt is dezelfde als die welke
onze docenten geëvalueerd hebben, met dien verstande dat wij enkele minieme
verbeteringen hebben aangebracht die ons inziens de tekst ten goede kwamen.
Voor de in het originele werk aanwezige begeleidende illustraties wordt
in de voetnoten verwezen naar de websites waar ze te bekijken zijn.
Bone Deus!
Een toneelstuk in 8 bedrijven
Was u maar mijn broeder, gevoed aan de borsten van mijn moeder!
Dan kon ik u kussen als ik u op straat ontmoette en niemand zou er aanstoot
aan nemen.
Hooglied 8,1
CHRISTUS AAN HET KRUIS
O Man van Smarten met de doornenkroon!
O bleek, bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een groote, bleeke vlam, wat macht
Van eind'loos lijden maakt Uw beeld zoo schoon! -
Glanzende Liefde in eenen damp van hoon -
Wat zijn Uw lippen stil - hoe zonder klacht
Staart ge af van 't kruis - hoe lacht gij soms zoo zacht -
God van Mysterie! Gods bemindste Zoon!
O Vlam van passie in dit koud heelal,
Schoonheid van smarten op deez' donkere aard!
Wonder van liefde, dat geen sterfling weet! -
Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
Der dropp'len bloeds - en tot den morgen staart
Hij me aan met groote liefde en eind'loos leed...
Albert Verwey
Hoofdstuk 1
Toneel donker. Plotseling spot op knielende begijn. Tegen achterwand
wordt een schilderij van Maria door Piero della Francesca [1470]1
geprojecteerd. Daarnaast worden verschillende evocaties van de smarten
van haar lijdende Zoon geprojecteerd2,
die elkaar steeds sneller opeenvolgen naarmate de begijn haar climax nadert.
Zij bevindt zich in contemplatie en ervaart daarbij heftige lichamelijke
reacties, die begeleid worden door trommelvliestergend gekreun. Wanneer
zij de climax lijkt te bereiken, valt het licht echter uit en onmiddellijk
daarop kan men haar horen schreeuwen:
'Bernardus, blijf van me af!'
De lichten op de scène gaan aan en een horizontale, op ongeveer 3m hoogte
zwevende balk3 waaraan een touwladder
bengelt, wordt zichtbaar. Een aantal figuren die op de balk zitten, waaronder
de heilige Thomas, de heilige Paulus en een knappe jonge vrouw, Julia,
zijn merkbaar opgeschrikt door het geschreeuw van de begijn. De ganse
groep vormt het koor, waarbij Julia4een soort van voorzangerpositie inneemt.
Julia: [wrijft zich de slaap uit de ogen] Broeders,
kennelijk houdt het geweld nooit op. We zijn net oorgetuigen geweest van
een zaak die nogal wat voeten in de aarde heeft. Ik stel voor dat we niet
te lang talmen en onmiddellijk overgaan tot de orde van de dag, namelijk
de behandeling van de gebeurtenissen van daarnet, evenwel na een korte
introductie die ons moet helpen om op een rechtvaardige en correcte manier
een oordeel te vellen over wat hier gaande lijkt te zijn. Reeds lange
tijd observeer ik het reilen en zeilen in het dichtstbijzijnde begijnhof.
Mijn aandacht is daarbij meestal toegespitst op de extatische ervaringen
die de bewoonsters van het begijnhof - vaak onder begeleiding van helse
pijnen - meemaken of ondergaan en welke zij zelf mystieke ervaringen noemen.
Van hier uit gezien is er op het eerste gezicht niets anders aan de hand
dan dat zij zich lichamelijk overspoeld weten door hun eigen zinnebeeldige
voorstellingen. Het voorval van daarnet maakt echter duidelijk dat wij
enige terughoudendheid mogen hanteren ten aanzien van wat de begijnen
er zelf over vertellen.
Ten einde geen overhaaste conclusies te trekken,
geef ik hier eerst een beeld van waar het om draait. Welnu, ietwat oneerbiedig
zou ik de begijnen rare schepselen willen noemen, omdat de meeste onder
hen de eigenaardige eigenschap bezitten twee compleet tegenovergestelde
wezensuitdrukkingen te kennen. Zij zijn immers allemaal bijna identiek
aan elkaar, getuige hun eendrachtige kledij. Van onder de sluier lijkt
elk begijnengezicht hetzelfde te zijn; ze vormen een zwerm van ongedifferentieerde
lichamen. De sereniteit te zien op hun gelaat is genoeg om hen over dezelfde
kam te scheren. Tegelijkertijd zijn ze allen evenwel hun eigen ik; ze
hebben allen een verschillende reden om zich in het begijnenleven te schikken
en hun attitude wordt bij nader inzien niet helemaal versluierd door de
sluiers die zij dragen. Ik heb er bij mijn langdurige observatie opgemerkt
van verschillende ingesteldheid en van verschillend voorkomen. Verdorven
vastberadenheid, verschrikte brutaliteit, onnozele frisheid, sprankelende
en lieftallige ironie, kinderlijke melancholie, alles heb ik gezien. Vaak
was ik ook in staat om hen te vergelijken met gezichten of verschijningen
uit mijn eigen omgeving.
[zucht even, haalt diep adem, kijkt hen allen
doordringend aan] En dan, vrienden, die geestelijke prediker, Bernard
de Fontaines [op dat moment worden een zestal afbeeldingen van de
man in kwestie geprojecteerd]5, de
grondlegger van de cisterciënzer mystiek, inspiratiebron van de begijnen.
Hij is toch een oude bekende van jullie, Paulus en Thomas?
Paulus: Zwijg mij ervan, die oproerkraaier met zijn kruistochten.
Hij richtte zich tot het hele christelijke Westen om het Heilige Land
te bevrijden van die monsterlijk moorddadige moslims. Het werd echter
een totaal fiasco! Als asceet en mysticus zag hij er desondanks geen been
in zich te mengen in politieke en binnenkerkelijke conflicten. Wee degene
die hem daarbij voor de voeten liep! Dan ontpopte de heilige zich als
een rancuneus man.
Thomas: Heilige, ja, heilige ... Patroon van bijen,
imkers, Gibraltar, kaarsenmakers, Queens College Cambridge, wassmelters,
Cisterciënzers, stervensuur. Patroon tegen kinderziekten, noodweer, onweer,
dierepidemieën en, last but not least, bezetenheid.
Paulus: Bezeten ... zeker. Hij was zo passioneel dat hij om zichzelf
te temmen zwaardere maatregelen dan de Benedictijnse kloosterregels nodig
achtte. Op zevenentwintig jaar was zijn gezondheid al geknakt. Op latere
leeftijd kreeg hij dan ook spijt van zijn ongezonde ascetisme.
Thomas: Migraine, braakneigingen, maagpijnen... Besef van een
niet voorbij te streven aanwezigheid van een rest van de dood in het lichaam.
Paulus: Ter illustratie van zijn religieuze ijver: toen hij op
twintigjarige leeftijd toetrad tot het klooster, trok hij al een dertigtal
familieleden mee en op het einde van zijn carrière had hij in de Vallei
van Absint, later de Klare Vallei genoemd, als abt leiding over zevenhonderd
monniken!
Thomas: Hij was dan ook gesterkt door de melk van de Moeder Gods.
[grijnst en de anderen proesten het uit als ze hem zien grijnzen]
Julia: [vermanend] Stil nu, er is iets op til daar beneden!
Hoofdstuk 2
[Op het podium staat het ganse begijnhof verzameld. Alle begijnen
staan rond een vertelster geschaard, genaamd Roswitha6.]
Roswitha: [duidelijk, alsof ze een weldoordachte preek7 houdt]
Vriendinnen, het leek vanmorgen een voorname dag te worden; mijn wandeling
in de leliëntuin schonk mij een welkome genoeg-doening na de lange periode
van innerlijke verscheuring. Mijn hart voelde een opluchting die het nauwelijks
herkende, maar die het tegelijk naar andere ervaringen deed haken. Het
duurde werkelijk niet zo lang eer ik dat heftige verlangen weer ervoer,
waarbij ik overvallen werd door een waanzinnige verbijstering. Mijn Geliefde
openbaarde zich weer, doch ik voelde mij niet helemaal klaar om Zijn vervoering
te anticiperen. Ik werd me er evenwel van bewust dat het liefdesverlangen
zo geweldig en smartelijk tekeer ging in mij dat mijn ledematen stuk voor
stuk leken te zullen breken en dat al mijn zenuwen buitengewoon gespannen
waren. [Haar vriendinnen bekijken haar met verbaasde blik, sommigen hebben
het moeilijk hun verbijstering binnen de perken te houden; daarop reageert
de spreekster.] Mijn woorden mogen jullie dan wel vreemd of buitenmenselijk
lijken, waarvoor ik mij terdege wil excuseren, maar ik ben mij dan ook
ten zeerste bewust van de beperkingen die woorden mij opleggen in het
beschrijven van wat mij daarnet overkwam. Ik schiet zeker tekort in een
woordelijke weergave van wat er moet gebeurd zijn, maar ik doe mijn best
om mijn gewaarwordingen op een verstaanbare manier weer te geven. De helse
pijnen en hemelse extase mogen geen abstracte begrippen blijven voor jullie,
die minder ervaren zijn in deze materie. Daarom gebruik ik beelden die
jullie gruwelijk kunnen voorkomen en die geweld doen aan de waarheid,
maar niets is minder waar: mijn hunkering was deze keer des te heviger
en ik heb elke terughoudendheid terzijde geschoven. [Enkele begijnen schudden
meewarig het hoofd; zij volgen het discours van de sprekende begijn schijnbaar
niet meer, terwijl de spreekster nu doorgaat op haar elan.] Terwijl ik
namelijk het pad door de tuin volgde, verscheen mij daar plotseling ons
aller Moedermaagd, in vol ornaat. Haar verschijning riep tezelfdertijd
een hunkering op naar de Eenmaking met haar Zoon, aan wie zij Onbevlekt
Ontvangen het leven schonk. Ik verlangde Hem te verlichten, mijn gemoed
af te stemmen op het Zijne, Zijn mensheid te verenigen met de mijne teneinde
Hem te behagen en Hem voldoening te schenken. Ik knielde neer voor de
verschijning van de Moedermaagd, op het moment dat het verlangen zich
het krachtigste deed gelden en ging daarbij gebukt onder de passie, de
smarten en de pijnen die de mensgeworden Heer zelf heeft moeten verdragen.
Een overweldigende weelde aan smarten en aan vervoeringen sloeg en zalfde
me. Ik kreeg het moeilijk te verduren: mijn geest [hier luistert elk van
de begijnen met volle aandacht] spande zich in om Zijn komst op te vangen
en mijn ziel leek zich te verheugen in de nakende Unio, waarbij mijn gestel
het nog zwaarder te verduren kreeg. Geweldige pijnscheuten doorschoten
mijn lichaam. Mijn leden begonnen zwaarder te wegen, ik kreeg het moeilijk,
moest gaan liggen van de pijn en van het verlangen. Ik bleef trachten
om me rechtop te houden om de Heer waardig te ontvangen, doch het geweld
van de liefdevolle eenwording drukte me neer op de grond. Uiteindelijk,
toen mij alles zwart werd voor de ogen, werd ik gewaar hoe ik werd doordrongen
van de aanwezigheid van mijn Geliefde - althans, dat dacht ik. Het was
wel al eerder gebeurd dat Zijn aanwezigheid zich zo snel en schijnbaar
werelds manifesteerde, maar nooit tevoren was de voorbereidende smart
bij mij zo hevig geweest. Het daagde me echter dat er iets anders aan
de hand was dan een Eenwording met de Godenzoon. Hevige pijnen vergezelden
mijn terugkeer naar de geheel fysieke toestand en ik bemerkte hoe Bernardus,
de gluiperd, gretig en dankbaar gebruik probeerde te maken van de afwezigheid
van mijn ziel. Verschrikt en hevig verontwaardigd wrikte ik me los uit
zijn stevige omhelzing en maakte me uit de voeten, waarbij ik nog de aardse
tegenwoordigheid van geest had om mij hierheen te begeven, bij jullie,
mijn vriendinnen en zusters.
Hildegard: [heeft blijkbaar toch niet zo
goed begrepen waar het hier om draait] Zuster Roswitha, hoe zit dat dan
met de verschijning van Maria?
Roswitha: Lieve vriendin, als
zo vaak was zij de aanleiding tot mijn heftige mystieke ervaring, die
deze keer smadelijk werd verstoord door die vuillak van een Bernardus,
behept met een onstilbaar lichamelijk verlangen.
Theresa: Prietpraat.
Iemand die zichzelf niet kan intomen of niet via meditatie tot de bewuste
eenmaking kan komen, moet anderen niet komen begeesteren. Roswitha, het
spijt me, maar ik kan Bernardus wel enigszins volgen in zijn denkwijze:
vlees en bloed dat zich gedraagt als vlees en bloed heeft hetzelfde effect
op een man als een rode lap op een stier. Een begijn die haar spirituele
verlangens op een wereldse manier uitdrukt zal nooit een zelfde, innige
eenwording meemaken als begijnen die de opperste concentratie en meditatie
- en pas op, ik zeg niet: het bidden, dat is immers iets helemaal anders
- serieus beoefenen.
[Daarop ontsteken de begijnen in een chaotisch en verwarrend gekibbel,
waardoor het antwoord van Roswitha niet te verstaan is. Het mag duidelijk
zijn dat er twee of meerdere kampen gevormd worden. In de nok van de scène
wordt de belichting op dat ogenblik evenwel op de dwarsbalk gericht. Zwijgzaam
beziet het bonte allegaartje het gebeuren dat zich op de planken afspeelt.
Na een tijdje heft het koor echter een lied aan, meerbepaald het Drievuldigheidslied8,
dat het rumoer eerst slechts met moeite overstijgt, doch al snel kan het
Koor het zingen tot een aangenaam volume terugbrengen. Het gesprek van
de begijnen wordt voortgezet, maar nu voor de toeschouwer onverstaanbaar.
Na het Drievuldigheidslied neemt de voorzanger van het Koor, Julia, het
woord en daarbij richt ze zich tot de andere koorleden.]
Julia: Zie, confraters, wat daar beneden plaatsvindt kan als
symptomatisch gelden voor de mystieke beleving zoals ik ze heb waargenomen
en de mondelinge weergave daarvan. [Koor herneemt deel van DVL, namelijk
'Alles, elk niet / moet overschreden worden. / Laat plaats, laat tijd,
/ laat ook de beelden' terwijl Julia haar betoog voortzet en wel zo dat
beiden verstaanbaar blijven.] Er mag geen twijfel over bestaan dat
elke begijn haar eigen mystieke ervaring kent. Net zoals zij allemaal
in hun oppervlakkig identieke verschijning geen verschillen vertonen en
in hun gelaatsuitdrukking en ingesteldheid wel degelijk van elkaar verschillen,
welnu, zo is ook de mystieke ervaring bij geen van hen gelijk. Ik kan
voorbeelden geven van begijnen die zich helemaal in zichzelf keerden,
in een microscopische kruistocht afdaalden tot in alle plooien en holten
van hun lichaam. Anderen cultiveerden zelfs tot in het depressieve toe
hun mystieke ervaring. Een andere werd doodziek en braakte zich soms de
ziel uit het lijf, figuurlijk dan. Die van daarnet vindt er blijkbaar
genot in zich te kronkelen naar de gewaarwordingen van haar lichaam.
Paulus: Misschien kan ik daar wel enige verlichting brengen, lieve
Julia. Wellicht heb je al gehoord van de agape...
Julia: Is dat niet het godsgeschenk of het liefdegebod?
Paulus: Jawel, spijkers met koppen... De gelovige wordt liefgehad
door de Heer zonder dat daar enige kwalificaties aan te pas komen. God
schenkt immers zijn liefde aan elkeen, zondaar of niet. Zoals Johannes
het zo treffend uitdrukt: 'Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft
liefgehad'9. De liefde werd fundamenteel
uitgedrukt in het offer dat hij bracht, namelijk zijn Zoon. Uiteindelijk
zou het zijn bedoeling zijn om iedereen aan te sporen de gekregen liefde
te verspreiden in de naastenliefde... [Hier krijgt Paulus uitdrukkelijk
de aandacht van Thomas, die tot dan toe vooral met zichzelf en zijn voorkomen
bezig was geweest.]
Julia: Wacht even...het offer is een aansporing tot liefde? Is dat
geen masochistische dwaasheid, heiligschennis, het einde van de godde-lijke
in de zin van het onaanraakbare? Klinkt weinig geloofwaardig, beste Paulus.
Paulus: Toch wel lieve, het offer was namelijk slechts tijdelijk:
het lichaam, of vlees en bloed zoals die brave, doch strenge Theresa het
noemt, wordt gestorven. Niet vergeten ook dat Christus herrezen is.
Julia: Dus de Heer heeft zijn Zoon met een verrijzenis beloond
voor de passie en smarten die hij hem eerst heeft laten doorstaan?
Paulus: Ter meerdere eer en glorie van de mens zelf. Kijk, Christus
is een hypostase, wat betekent dat God niet alleen Zijn Zoon, maar ook
Zichzelf ter dood heeft gebracht om daarna te verrijzen. In de dood en
het lijden van het lichamelijke wezen moet duidelijk worden dat er een
beloning ligt voor het psychologische - en dus niet louter lichamelijke
- wezen. Na de verrijzenis vindt de gelovige zijn lichaam terug in volledig
geïdealiseerde staat. De 'oude mens' wordt als het ware medegekruisigd,
omdat aan het lichaam der zonde zijn kracht wordt ontnomen. Het verlies
is dus tegelijkertijd totaal en nietig. [Lichtelijk geamuseerd kijkt
Paulus toe hoe Julia heel even twijfelt en plotseling de ingeving savoureert
die hij haar als een ontbijt op bed heeft aangeboden. Ze ratelt haar ontdekking
af; ondertussen zingt de rest van het koor drie regels van het DVL: 'verlies
ik mij, / vind ik Jou, / Bovenwezenlijk Goed!']
Julia: Natuurlijk! God wordt homoloog aan de mens. De identificatie
is compleet doordat ook de mens zich analoog kan voelen aan God, het streven
naar vereniging met het ideaal krijgt zijn ultieme vervulling in de agape
van het kruis van Christus, en de gelovige, om zich helemaal één te voelen
met de Geliefde, moet hetzelfde lijden ondergaan. Elk lijden dat tot de
dood gaat is slechts een bewijs van liefde. Geniaal, Paulus.
Thomas: Ik zou nog verder gaan, Julia. Niet alleen moet een gelovige
zich kunnen identificeren met God, hij moet ook eerst een volledige identificatie
met zichzelf kunnen tot stand brengen.
Julia: Dus zichzelf graag zien?
Thomas: Meer nog, dat is de ultieme basis van de liefde voor anderen.
Zie je, er schuilt heel wat goedheid in het liefhebben. De liefde voor
het eigen is een deelname aan het ontologisch goede. Omdat het zijn goed
is, houdt iedereen eraan vast. Het zijn is goed en dus begerenswaardig,
of met andere woorden: Ik ben, dat wil zeggen ik ben goed, dus ik heb
me lief.
Paulus: Dat is heel eenvoudig uit te leggen. De liefde komt oorspronkelijk
van God. Hij schenkt die zonder de verwachting van enige tegenprestatie,
waardoor de mens zich het gelukkige object weet van een onvoorwaardelijke
liefde. In het geval van de extatische begijn komt het erop neer dat zij
door de ontvangen liefde zichzelf kon opladen om liefde weer te geven.
Thomas: Zonder eigenliefde kan de liefde van God niet gevoeld of
gedacht worden, zodat men zonder eigenliefde dus ook geen liefde aan anderen
kan geven.
Julia: Door zich open te stellen voor de goedheid van de Heer is
de gelovige - en bij uitbreiding elke mens - dus in staat zich open te
stellen voor zijn eigen goedheid. En die goedheid maakt het uiteindelijk
mogelijk voor anderen te zorgen. Met een laatste draai aan jullie argumenten
komen we dus uit bij de centrale idee achter het begijnenwezen: zorg voor
anderen. Misschien dat die formulering teveel lijkt op de caritas
- verzwakking van de agape - die de christelijke kerk geïnstitutionaliseerd
heeftàmaar ik bedoel ermee dat de begijnen door zich te concentreren op
de ontvankelijkheid voor de Heer, voor de Bron van alle liefde, in staat
worden gesteld de smarten van anderen op te vangen. Die mystieke extase
van de begijn van een paar ogenblikken geleden geeft haar de kans gedienstig
te zijn ten opzichte van elkeen die zorg of hulp nodig zou blijken te
hebben.
Paulus: Precies. Maar let nu even op wat daar beneden gebeurt;
hier kunnen we plezier aan beleven.
Hoofdstuk 3
[Bernardus betreedt de kapel, die is volgestouwd met zijn kloosterbroeders,
voor zijn dagelijkse preek.10 Hij merkt
een broeder op die in een hoek van de kapel op de grond zit en een heftig
wiegende beweging maakt. Bernardus gaat naar hem toe.]
Bernardus: Wat scheelt er, Broeder Pius?
Pius: [reageert niet en stamelt voor zich uit] Wij, zonen van
de Kerk, kunnen die vreselijke verwondingen, die onze moeder toegebracht
zijn ... de manier waarop ze veracht en vertrappeld wordt niet over het
hoofd zien. Tot de dood, als het moet, zullen wij vechten.11
[steeds weer herhalend]Vreselijk, verwond, veracht, vertrappeld,
vecht ...
Bernardus: [duidelijk aangeslagen als hij zijn eigen woorden
herkent, bestijgt hij het spreekgestoelte en richt zich tot zijn broeders]
Broeders, broeders, vandaag wil ik, samen met jullie, een lezing van het
'Lied der Liederen' ondernemen, en meer bepaald van de eerste regel 'Hij
kusse mij met een kus van zijn mond'. Het lied, dat door zijn uitzonderlijke
waardigheid en zoetheid alle andere in kwaliteit overtreft. Dit lied zingen
of horen komt echter niet toe aan kinderlijke zielen, slachtoffers van
overmatige eigenliefde [Thomas fluit Bernardus vanuit het koor uit]
of onreinen, die het vlees nog niet getemd hebben, en de praal en de last
van de wereld nog niet versmaad hebben, want: 'Zij die leven volgens het
vlees, zinnen op wat het vlees wil. Die geleid worden door de Geest, zinnen
op dingen van de Geest' 12 [ondertussen
klinkt er een algemeen spottend gelach vanuit de hoogte]
Nu, wat is dat voor een zo plotselinge aanhef:
'Hij kusse mij met een kus van zijn mond' en waarom zegt de Bruid
niet 'Hij kusse me met zijn mond'?13
En waarom wil ze zo uitdrukkelijk gekust worden met de mond en nog wel
met zijn eigen mond, alsof mensen die elkaar kussen de gewoonte hebben
het anders te doen dan met de mond of het doen met de mond van iemand
anders? Het is duidelijk nodig iets te laten voorafgaan aan deze vreemde
woorden van de naar God dorstende ziel. Dat zal ons inlichten over de
verschillende fasen van ons geestelijk leven.
Veronderstellen we dat de gezellen van de bruidegom,
de heilige engelen, die zich steeds onder de mensen mengen, de bruid een
bezoek brengen en haar wat mokkend aantreffen. Ze vragen haar dus: 'Hoe
komt het, dat je er bedroefder uitziet dan anders? Toen je afkerig achter
je minnaars aanliep, met wie het je slecht afging, en je eindelijk wel
gedwongen was terug te keren tot je eerste man, toen heb je toch zeker
onder veel gebed en tranen erop aangedrongen om tenminste zijn voeten
te mogen aanraken? Je wierp je bevend ter aarde, omhelsde zijn voeten,
verzoende ze met kussen, besproeide ze met tranen, niet om hém ermee te
wassen, maar jezélf. Het resultaat was niet gering: je zonden werden je
vergeven. De duivel verloor de macht waarmee hij je hart had overweldigd.'
'Dat weet ik nog wel', antwoordde de bruid. 'Maar
ik werd dadelijk weer ontevreden en nam met die grote gunst geen genoegen.'
'Inderdaad', zeiden Gods vertrouwelingen, 'besmeurd
met allerlei gebreken had je lang in modder en slijk gelegen. Je Bruidegom
gaf je dan ook een tweede gunst, die je in staat stelde niet te hoeven
terugkeren naar je braaksel. Want, waarom zou je je voeten na het wassen
weer vuilmaken?14 Gods handen richtten
je op van de mestvaalt door je voorname deugden te schenken.'
'Dat weet ik nog wel', antwoordde de bruid. 'En
ik weet ook nog dat ik zwoer dat ik nooit meer zou vragen, maar nu ...
ik heb geen rust ... als Hij om me geeft ... dat hij mij dan kusse met
een kus van zijn mond.'
Dierbare broeders, deze ziel die naar God dorst, windt geen doekjes om
haar verlangen; uit de overvloed van haar hart barst ze los en vraagt
om een kus: ze heeft lief. Trouwens, God en gelovige als bruid en Bruidegom:
dat is niet verwonderlijk. Deze twee hebben immers alles gemeenschappelijk:
één is hun beider erfenis, één hun tafel, één hun huis, één hun bed [een
uitbundig 'jiihaa' weerklinkt vanuit het koor] en één zelfs hun vlees.
[applaus vanuit het koor] De bruid bemint echter op kuise, op
heilige wijze, broeders. [Paulus hangt ondersteboven aan de balk,
terwijl Kristeva een luide boer produceert] Heilig is haar liefde,
want zij bemint niet met vleselijke begeerte, maar met zuivere geest.
Immers, bij de handkus schonk God haar ook de deugd van onthouding, de
sterkte van de maagden en de zuiverheid van de contemplatieven. [Broeders,
die tot nu toe stokstijf stil hadden gezeten, springen luid applaudisserend
recht, terwijl het koor schaterlacht. De orde herstelt zich.]
Haar volmaakte liefde jaagt de vrees voor de Almacht
buiten. Zou ze dronken zijn? En óf zij dronken is, nadat zij het wijnhuis
verlaten heeft.15 En toch, vrienden,
richtte zij nog beschroomd haar woord niet tot de bruidegom, zoals wij
gezien hebben, maar tot zijn gezellen. Het vervolg van haar smeekbede
zal verschillende broeders echter bekend in de oren klinken; zo zegt ze:
'Ik ben niet ondankbaar, maar ik bemin. Het verlangen sleept me mee, niet
de rede. Door zijn genade volhard ik in de lezing, tracht ik al vele jaren
lang kuis en sober te leven [Julia giechelt], weersta de ondeugden,
waak tegen de bekoringen en overdenk mijn jaren in de bitterheid van mijn
ziel. Maar à wat mij bij dit alles overblijft, is een en al sleur, aan
smaak ... NIETS!' [ijzige stilte]
De tekst vervolgt echter: 'Want kostelijker
dan wijn zijn uw borsten, zij geuren van de beste zalven.' Het is
nu aan ons uit te maken wie deze zin spreekt en tot wie. De eerste mogelijkheid
die in me opkomt is dat de bruidegom plots opdaagt, de bruid zich betrapt
weet op haar vrijmoedigheid en zich verontschuldigt door het spreken van
de bewuste zin. Wat ze bedoelt, dierbare broeders, is: 'U hebt mij met
de smakelijke voeding van uw borsten zo minzaam gezoogd, dat ik alle vrees
heb afgelegd en misschien meer waag dan te pas komt. Is het wonder dat
ik zo vrijmoedig jegens u ben, mijn bruidegom, ik die zo'n overvloed van
zoetheid heb ondervonden uit uw beide borsten ... zijnde lankmoedigheid
en vergevingsgezindheid?'
Een tweede mogelijkheid is, dat de gezellen van
de bruidegom dezelfde woorden uitspreken en de bruid het volgende willen
duidelijk maken: 'Waar je om smeekt, daar vind je genot in, maar de borsten
waaraan je je kleintjes voedt die je ook baart zijn koste- lijker'. De
engelen bedoelen hier natuurlijk de borsten die de prediking verbeelden.
Een laatste mogelijke spreker van de zin is het
koor of de groep meisjes over wie de bruid met bezorgdheid de leiding
heeft. Deze merken dat de bruid hunkert naar kussen, afzondering zoekt
voor zichzelf en de voorkeur geeft aan haar eigen rust boven de zorg voor
de groep. Ze lijken haar te vertellen: 'De wellust van het vlees, waardoor
wij tot voor kort als dronken van wijn werden overheerst, wordt overtroffen
door de geestelijke genietingen die voor ons uit uw borsten druppelen.
Met uw borsten bevrijdt u ons van vleselijke verlangens.' [het koor
buldert vanaf nu steeds luider] De meisjes vergelijken hier terecht
wijn met de vleselijke begeerte, want ook de druif heeft, als zij eenmaal
is uitgeperst, niets meer om opnieuw te laten vloeien en wordt tot blijvende
droogte veroordeeld.
Koor: Nu overdrijft hij, Julia. Ga de jakobsladder af! [Julia
stijgt de trapladder af, treedt, door een zwarte kapmantel onherkenbaar
gemaakt, de kapel binnen en neemt achteraan plaats.]
Bernardus: [nu zo intens in zijn preek opgaand, dat er speeksel
uit zijn mondhoek druipt] Met de borsten gaat het echter niet zo.
Want als deze uitgeperst zijn, putten zij weer uit de bron, het moederhart,
om wie zuigt drinken te geven.
Pius: [vanuit de achterste hoek steeds luider schreeuwend]
Zuigen, zuigen, zuigen ...
Bernardus: [Pius negerend en heftig roepend om hem te overstemmen]
Maar onthoud, beminde broeders, 'Alle vlees is gras en al zijn heerlijkheid
is als een bloem van het gras. Het gras verdort, de bloem verwelkt'.16
Julia: [staat bruusk op en stapt door de middenbeuk op Bernardus
toe] Hohoho, Bernardus. Waarom zo dualistisch vandaag? Waar is je
helse dialectiek, lieftallige Naftali? Begrijp je wat ik bedoel?
Bernardus: [totaal in de war] Euh ... ja ... Naftali,
losgelaten hert ... het dier dat met zijn lenige sprongen de extases van
de contemplatief verbeeldt.
Julia: Maar ook gewend is door te dringen tot duistere wouden zoals
de contemplatief tot duistere bekentenissen. Trouwens, je bent toevallig
een kleine mogelijkheid vergeten in je uiteenzetting. Hier ... [neemt
prop papieren uit haar zak] in jouw klad vermeld je er nog een interessante.
[richt zich, op een spottende manier Bernardus imiterend, tot diens
medebroeders] 'Broeders, broeders, de bruidegom geeft haar wat ze
wil. En, de heilige kus heeft zo een zalige uitwerking, dat de bruid zodra
ze hem ontvangt, zwanger wordt, en haar borsten getuigen hiervan door
te zwellen en als het ware op te zetten met melk. En is er iemand die
de borsten perst, [Pius valt in: 'Persen, pensen, persen, pensen ...']
dan duurt het niet lang of zij laten de melk van de ontvangen zoetheid
rijkelijk stromen.' Vreemd, hé, juist dit laten wegvallen. [gekonkelfoes
onder de broeders] Trouwens, interessant biseksueel kantje. Zalig,
die openlijke bekentenis van je vrouwelijkheid. Zowel Bruid als Bruidegom,
gelovige als God ... alle hier aanwezig ... hebben van die zoete, zalige,
zachte moederborsten.
Bernardus: [schreeuwt woedend] Borsten zijn symbolen
van geduld en vergevingsgezindheid!!!
Julia: Oh ja, oef! Sorry. Nu hadden we het even warm, hé. En toch,
wat een ongedwongenheid ten aanzien van het moederlijke continent en een
vermogen om met het moederschap, met het primaire narcisme om te gaan.
Een mooie compromisoplossing: enerzijds is er de eenwording met een borst
die draagt, voedt, liefheeft en beschermt, maar anderzijds is die borst
niet meer van de moeder maar van een onzichtbare instantie in een andere
wereld. Maar, trouwens, die uier die daar hangt ga je toch niet ontkennen.
Want was je lichaam geen koe; een koe geplaatst tussen de boer en de dief,
tussen de geest die hij moet dienen en de vleselijke begeerten of de machten
van de duisternis, die oorlog voeren tegen de ziel. Jij weet, dat de affectie
die van het vlees komt, zich hopeloos verzet tegen de goddelijke wet.
Bernardus: Niet waar! De regulerende wil zuivert die affecten
en verhindert dat ze verwarrende en laaghartige effecten voortbrengen,
dat ze ons tot schande vallen.
Julia: Natuurlijk, maar jij hebt ook altijd beweerd dat de macht
van de vleselijke begeerte onvernietigbaar is en de gevallen natuur opstandig.
Meer, je hebt oog gehad voor datgene wat ontsnapt aan het bewuste, aan
de kennis en aan de wil: het onbewuste.
Bernardus: [er nu echt de duivel in hebbend] Waar heb
je het in hemelsnaam over? Loop naar de duivel!
Julia: Dat doe ik ... Ik breng een bezoek aan die liefdeshel
die in je geschriften opdoemt. Het moeizame karakter waarmee je je probeert
los te scheuren van de vleselijke liefde à Want zei je niet, dat onze
liefde, omdat we gemaakt zijn van vlees, onvermijdelijk bij het vlees
begint. En daarin ligt de heilige heftigheid van je liefde, Bernardus,
ondanks onze perversiteit, ondanks de weerstand van het vlees wil je toch
de stad Gods bereiken. Bernardus, verloochen de genialiteit van je liefdesbegrip
niet, dat de mens omschrijft als een samenspel van natuur-en-zin, lichaam-en-idealiteit,
zonde-en- goddelijke genade. Ook jijzelf, Bernardje, zal voor altijd verdeeld
blijven tussen lichaam en geest!
Bernardus: [woedend en heftig gebarend] Flauwekul,
wat zou er voor mij voor zoets liggen in het vlees, wanneer ik zoveel
zoetheid vind in de passie van Jezus Christus?
Julia: Werkte dat vreselijke lijden niet extra opwindend deze morgen?
[De hele gemeenschap begint nu luider en luider te mompelen. Bernardus
trilt letterlijk op zijn benen, kleurt bloedrood en vlucht opeens vliegensvlug
naar buiten. Julia grijnst en stapt rustig de in rep en roer staande kapel
uit]
Hoofdstuk 4
Bernardus zit op zijn knieën voorovergebogen in de Leliëntuin en
kotst. De Leliëntuin wordt voorgesteld door enkele schilderijen van Georgia
O'Keeffe, meer bepaald: Jack in the Pulpit No. IV en Two Calla Lilies
on Pink.17 Opeens verschijnt ook Roswitha
in de tuin, die aarzelend Bernardus nadert. Wanneer ze zijn braaksel op
de grond bemerkt, toont ze een heftige lichamelijke reactie. Ze kokhalst.
Bernardus merkt haar op zijn beurt op en grabbelt nerveus naar een flesje
wijwater in een zak van zijn pij. Hij neemt een gulzige slok, reinigt
zijn mond en spuwt het spoelwater uit. Beschaamd richt hij zich op.
Bernardus: Ha ... Goedemorgen, Roswitha. Wat een toeval ... euh
... je hier... buiten te zien, normaal ontmoet ik je enkel ... euh ...
binnen ... in de kerk, bij onze gezamenlijke vieringen.
Roswitha: Ja [onbehaaglijke stilte] ... De laatste tijd
vertoef ik meer en meer in deze prachtige leliëntuin, op de à grens van
onze twee kloosterdomeinen.
Bernardus: Jij hebt gelijk. Een perfect meditatieoord. Zulk
een pareltje ... [bewonderen beide de twee schilderijen]
Roswitha: Trouwens ... [bedenkt zich en begint te blozen]
Bernardus: [op toon die duidelijk verraadt dat hij nattigheid
voelt] Ja, Roswitha, zeg maar.
Roswitha: Oh, niets, niets. Alleen maar... euh...
Bernardus: Roswitha, Roswitha ... Ik weet wel: stilte is als
de slaap; zij verfrist de wijsheid.18
Maar verbreek nu dit raadselachtige zwijgen!19
Roswitha: Bernardus ... Ik ben zwanger.
Bernardus: Bone Deus!
Roswitha: Maar Bernardus, zoon van Tescelin, wees niet bevreesd.
Het kind in mijn schoot is van de heilige Geest. Ik als maagd zal een
zoon ter wereld brengen en men zal hem de naam Immanuël geven.20
De lijdende, dode man is mijn zuigeling geworden, het vlees van mijn vlees,
hij is gereïncarneerd, ik ben gereïncarneerd. En het klinkt misschien
vreemd, maar Christus heeft mij persoonlijk de Blijde Boodschap van zijn
nakende geboorte verkondigd. Ik mag de plaats van de Heilige Maagd innemen.
Ik zag de Lelie van de Annunciatie, Bernardus. Teken van puurheid van
lichaam en geest.
Bernardus21: Dat is waarlijk
wonderlijk, Roswitha! Prachtig, hoe uw handelen, uw toewijding en uw verlangen
net zo onschuldig en geurig zijn als de lelies.22
Ja, als een lelie onder de doornen, zo is mijn vriendin onder de meisjes.23
[knielt neder voor de leliën en praat uiterst passioneel] O glanzende
lelie! Broze bloem! Stap voorzichtig tussen de doornen. De wereld is vol
met doornen. Ze zijn in de aarde, in de lucht, in je vlees! De ziel zit
vast aan het vlees en daardoor leeft zij tussen de doornen; ze lijdt onder
de onrust der verzoekingen. Het is dan ook een groot bewijs van deugdzaamheid
dat jij [staat weer recht en richt zich terug tot Roswitha] een
goed leven leidt tussen de zondaars, dat jij een gloed van onschuld en
lieftalligheid bewaart tussen de kwaadaardigen. Maar wees voorzichtig,
want de doornen met hun vlijmscherpe punten bedreigen u langs alle kanten.
Roswitha: Alhoewel je beneveld praat, Bernardus, moet ik toegeven
dat mijn oren gezalfd worden door jouw begeesterde woorden. Vertel me
meer...
Bernardus: Wel, in mijn geliefde boek, het Hooglied, staat er:
Mijn lief is van mij en ik ben van hem, die tussen lelies weidt.24
In Zijn nederigheid vertoeft de Bruidegom, Christus, tussen de lelies.
En de psalmist zei toch 'Kom te voorschijn om in glorie en pracht te heersen'.
Van waar komt die glorie en schoonheid?
Roswitha: Van de leliën?
Bernardus: Natuurlijk. Heeft iets meer glans dan een lelie? Roswitha:
Nee, denk ik. Bernardus: Natuurlijk niet. En zo is er ook niets lieftalliger
dan de bruidegom. En weet je wat deze lelies zijn die zulk een glorieuze
schoonheid verspreiden?
Roswitha: Nee...
Bernardus: Dezelfde psalmist zei: 'Zet door om in waarheid,
genade en gerechtigheid te leven'. Dat zijn de lelies die voortspruiten
uit de aarde en stralend bloeien, mooier dan al de bloemen op aarde, zoeter
dan de zoetste parfums. De magnifieke lelie is waarheid. Zolang de aarde
met een vloek beladen was, bracht ze enkel doornen en distels voort. Maar
nu komt er waarheid voort uit de aarde dankzij Gods zegen, de krokus
van de Saronvlakte, het lelietje-van-dalen, Jezus. Waarheid kan echt
vergeleken worden met een lelie. Kijk maar eens goed [heftig wijzend
naar Two Calla Lilies on Pink]: de gouden meeldraden springen op
vanuit het midden van de bloem. Ze zijn met prachtige regelmaat opgesteld
in de vorm van een kroon, die omgeven is door witte kelkblaadjes.
[Julia die zich nog steeds op begane grond bevindt, komt opeens te
voorschijn en richt zich luidruchtig tot haar koor compagnons, onhoorbaar
voor Bernardus die gewoon doorgaat]
Julia: Hé, zien jullie daar meeldraden in?
Bernardus: Zo ook Christus: in het goud van zijn goddelijkheid
wordt hij gekroond met de puurheid van zijn menselijke natuur. Christus
draagt de diadeem waarmee zijn moeder hem kroonde.
Julia: Vrienden, hij is weer aan het overdrijven, hé. Mocht Georgia
hier vandaag zijn, ze zou het besterven van het lachen. Ho, ik bewonder
die sobere, sensuele schilderes zo. Prachtig, haar obscene vlezige bloemen.
Ze is, net zoals onze begijn, ontdekkingsreizigster van het onnoembare.
Ze praat niet, maar zwijgt. En tekent. Ze te-kent niets, en toch alles.
Dat niet-interpreteerbare verleidt me zo.
[Julia blijft aandachtig staan luisteren]
Bernardus: Maar, Roswitha, de lelie is ook vergevingsgezindheid,
met haar witheid van onschuld en geur van hoop. En de lelie is ook rechtschapenheid.
Want zegt de Bijbel niet: 'de rechtvaardige man zal groeien als de lelie
en voor altijd bloeien voor de Heer'. In feite, Roswitha, zijn er zo veel
lelies als er deugden zijn, en er komt geen einde aan de deugden bij de
Heer der deugden. Misschien noemde hij zichzelf een lelietje-van-dalen
omdat hij volledig omgeven is door lelies.
Roswitha: Prachtig, Bernardus, hoe je dat allemaal zegt. Ik herinner
me nog hoe je op een van je bezoeken aan ons klooster uitlegde hoe er
drie soorten bloemen zijn, en dat Jezus ze alle drie was. Er waren er
die groeien in de kamer, in de tuin en in het veld.
Bernardus: Ja, dat herinner ik me ook nog. Dat was naar aanleiding
van het zinnetje van de bruidegom: Ik ben een krokus van de Saronvlakte,
een lelietje-van-dalen.25
Roswitha: Ja, ja. De bloemen in de bruidssuite stelden goede
daden voor. Constant moeten er nieuwe aangebracht worden, anders verwelken
ze, en wordt hun schittering en frisheid vernietigd. En de veldbloem,
die zonder menselijke inbreng bloemt, dat was symbool van het martelaarschap.
Want martelaren worden ook blootgesteld aan spot van allen. En was de
bloem van de tuin, gelukkig in haar afzondering geen teken van maagdelijkheid?
[Julia slaat de dek-mantel weer over zich heen]
Bernardus: Ja, juist. En tot jou zeg ik, met de woorden van de
bruidegom: Een gesloten hof ben je, mijn zuster, mijn bruid, een gesloten
hof, een verzegelde bron.26 [Julia
komt aangestormd en Bernardus deinst verschrikt terug] Laat me met
rust, ketter! Deze keer laat ik mij en het christelijke geloof niet vernederen!
Julia: Begrijp me toch niet verkeerd, Heilige Bernardus. Ik stel
me op als advocaat van die duivel die het monotheïsme tegenwoordig aan
het worden is. Roswitha, Bernardus, alstublieft, kijk nu eens even naar
die prachtige lelie [wijst naar Jack in the Pulpit No. IV].
Bernardus: Wij hebben al gekeken en geoordeeld. Laat ons met
rust! Julia: Roswitha, kijk en ontken die onnavolgbare overeenstemming
tussen de vrouw en de lelie niet.
Roswitha: Ik ontken die zeker niet. Ik ben als de bloem in de hof,
die de ...
Julia: Nee, nee, nee. Ik bedoel de bloem als beeld van de vruchtbaarheid,
het mysterie van het zaad. Ik heb het over haar vluchtige, doch betoverende
parfum, metafoor van de vrouwelijke poreusheid. Of moet ik zeggen: haar
prikkelende vochtige geur. Een vriend van me vertelde me ooit dat toen
de aap mens werd en op zijn twee poten begon te lopen, dat hij of zij
dan zijn reukzin verloor. De geslachtsorganen kwamen te ver van de neusgaten
te liggen. En enkel de coïtus ...
Bernardus / Roswitha: [luid schreeuwend] Zwijg! Bernardus:
Apen ... jongens toch. Wat een onzin!
Julia: Maar, luister toch. Roswitha, herken je jouw vrouwelijke melancholie
dan niet in die fragiele, maar steeds herrijzende wereld van de bloem,
of je ontgoochelde moederschap? [Roswitha nee schuddend met haar hoofd]
Nee, maar het volgende kan je onmogelijk ontkennen. Kijk maar eens heel
goed! Wanneer je die bloem koestert, dan onderzoek je eigenlijk jouw eigen
intimiteit. Die obscene knobbel, dat glibberig geurige slijmvlies, die
door langgerekte vliezen afgeschutte holte ... [Julia ontbloot haar
gezicht en haar gesprekspartners kijken geschokt toe hoe er een vrouw
voor hen staat] Bernardus: Sac d'ordures!
Julia: Ik ook al? Lijk ik dan zo op uw zuster Hombéline? [Bernardus
schrikt op en begint te blozen] Trouwens, Bernardus, wat is de volgende
zin van het Hooglied na die over dat gesloten hofje?
Bernardus: [aarzelt eerst] Je staat in bloei als een
lusthof vol granaatbomen met kostelijke vruchten.27
Julia: Inderdaad. [klapt in de handen] Zo gesloten lijkt
het hofje ook weer niet te zijn. En ik heb jouw 'besloten hofjes' eens
bekeken, Roswitha. De sleutelmomenten van de christelijke passie omring
je met bloemen, steentjes, ornament, borduurwerk, schelpen, sieraden,
popjes ... kortom: ode aan de typische vrouwelijke kunstvormen, fetisjen.
[Julia gaat volledig in haar betoog op. Ondertussen maakt Bernardus
een gebaar van 'ze is gek' en spoort Roswitha aan er samen met hem onopgemerkt
vandoor te gaan. Ze verlaten giechelend de scène] Een geheim aan
gene zijde van de mannelijke passie. Je mystieke vibraties verheerlijk
je met je hart; je creëert poëzie, want die ervaringen zijn niet direct
communiceerbaar. Zoals Angèle je vriendin ook zegt: het zijn zaken die
geen namen hebben. Daar, is er zelfs al niets meer te stamelen... Een
extase die alle woorden tart. Maar, Roswitha, merk ik daar geen specifiek
vrouwelijk atheïstisch trekje, een achterdocht van ongeloof? Want als
de macht van het woord, de naam, niet voldoet, bestaat het goddelijke
dan wel echt? Je voelt je een beetje vreemd in die fallische orde, hé,
en daardoor hang je, zoals elke vrouw, sterker dan de man aan het voortalige,
aan jouw 'paradis parfumés'. Het onbetwistbaar mooier maken van het niets.
[Julia merkt plots dat haar toehoorders er niet meer zijn. Ze zakt
neer op de grond en begint te wenen. Paulus gooit zwijgend de jacobsladder
naar beneden die kletterend tegen het podium slaat. Julia staat op, klimt
de ladder op en legt zich snikkend in Paulus' schoot. Ondertussen zingt
Thomas 'Slaap kindje slaap'. Bernardus en Roswitha betreden elk apart
terug de scène en nemen zo ver van elkaar mogelijk positie].
Hoofdstuk 5
[Scène pikdonker. Lichtjes gekreun. Plotseling Bernardus' stem].
Bernardus: Hallo, duisternis,
Mijn oude vriend
Ik kom hier terug met je praten
Want een visioen bekroop me zachtjes
En liet zijn zaden in mijn slaap.
En flitsend [steekt als in een flits
een kaars aan, die fel
genoeg is om Julia van de balk te zien neerhangen
boven het hoofd van Bernardus die aan zijn
schrijftafel
zit]
blijft dit droombeeld,
Geplant in mijn hoofd, hangen.28
[Neemt zijn schrijfveer en perkament. Maakt aanstalten om te beginnen
schrijven, maar lijkt vast te zitten. Na een paar tellen echter begint
Julia hem te souffleren].
Julia: Dierbare broeders en zusters...
Bernardus: Dierbare broeders en zusters ... en zusters? Waar
zijn mijn gedachten toch! [schrapt]
Julia: Heden wil ik met jullie opnieuw over die aantrekkelijke
tekst praten, die aanvangt met een kus. Wij worden de eventuele moeite
van het zoeken niet moe omdat de zoete smaak van de tekst ons blijft bekoren.
En meer bepaald onderricht ik jullie over 'Een heilige waan'.
Bernardus: [schrijft neer wat hij in gedachten hoort]
Een heilige waan, hoe kom ik er toch op? Mooi, mooi ...
Julia: Welnu, hebben jullie al eens naar de taal en de structuur
van dit Lied der Liederen gekeken? De sprekers gebruiken geen eenduidige,
informatieve taal; neen, ze spreken in de gesprekscode van de liefde.
Ontelbare connotaties berustend op de drifthuishouding van het sprekende
subject. Metaforen, semantische polyvalenties maken de liefdeservaring
echter o zo sprekender voor de betrokkenen.
Bernardus: [terwijl hij voort schrijft] Mijn god, mijn
god, wat een intellectuele praat, al zeg ik het zelf. Drifthuishouding,
waar haal ik het vandaan?
Julia: En dan die compositionele chaos. De verzen kriskras door elkaar
halen zou de waarde van het geheel niet aantasten. De lyrische zin is
vervat in de kleinste elementen van de tekst. Zelfs een lichte stembuiging
heeft de semantische kracht van het geheel. Maar binnen elk vers zulk
een strenge ordening! Lettergrepen, alliteraties, ritmes...: de moederlijke
vergaarbak, die muzikale, materiële ruimte. Kortom: Salomo's lied toont
ons het Mysterie in de Letters.
Bernardus: Zulke wartaal, ik lijk wel bezeten ...
Julia: Verder doen, jongen. Verder doen ... Broeders, het is
jullie waarschijnlijk opgevallen dat de bruid en de bruidegom eeuwig voor
elkaar op de vlucht lijken. 'Des nachts op mijn bed zoek ik mijn zielsbeminde,
maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet.' Hun verliefdheid streeft
niet naar vereniging, maar is verliefd op de afwezigheid van de ander.
En toch, hoewel de geliefde er niet is, ervaar ik zijn lichaam. De Bruidegom
wordt bemind als een lichaam zonder iets van zijn ontoegankelijkheid te
verliezen. En toch is de introductie van de sensuele liefde in deze letterlijk
erotische tekst ...
Bernardus: Complete waanzin! Ik moet terug in bed kruipen. [staat
van zijn stoel op en wil zich naar zijn bedstede begeven]
Julia: Terug, kom terug, honingvloeiende Meester!
Terug, kom
terug, ik wil u zien! [Bernardus zet zich terug neer
en zet zijn schrijven
verder]
... geen concessie aan de vrouwelijke vruchtbaarheid: die is onverenigbaar
met de religie van de Vader. Het verlangen wordt aan het koninklijke gezag
van de geliefde onderworpen. De Bruidegom wil niet in het huis van de
godin-moeder van de bruid gebracht worden. En trouwens, het gaat hier
om een echtelijke liefde, wat betekent: de liefde van het door de wet
ingezegende paar. Men is hier getuige van een ware dialectische synthese
van de liefdeservaring. Enerzijds is er de typisch joodse structuur van
het huwelijk, de wet en anderzijds dat pathetische, melancholische, bijna
hysterische gevoel van de onmogelijkheid van vervolmaking, of van volledige
eenwording. Deze liefde is kruispunt van lichamelijke hartstocht en idealisering,
seks en God, aanwezigheid en afwezigheid, het zichtbare en het onzichtbare,
lichaam en macht ...
Bernardus:[laat zijn hoofd op zijn schrijftafel neerhangen]
Waarom wordt alles zo
onduidelijk
Alles wat ik zei
Was toch doordacht en
waar
Elk argument klopte
Waarom twijfel ik nu
Waarom klinkt alles zo
fout29
Julia: Kom, Bernardus, voor de morgenbries opsteekt en de
schaduwen vlieden...
We moeten de apotheose nog bereiken. [Bernardus herpakt zich
en neemt de draad van het betoog weer op] Dierbare Broeders, de onderwerping
van het abjecte vrouwelijke aan de macht van de vaderlijke symbolische
orde impliceert echter niet altijd vrouwen-verachting. En dit zien we
duidelijk in het Hooglied. Door de huwelijksconstellatie vormen lichamelijkheid
en vrouwelijkheid geen bedreiging meer voor de symbolische orde. De echtgenote
is evenzeer verankerd in het symbolische als de man. [Julia begint
steeds luider en luider te praten en Bernardus is nu als een bezetene
aan het pennen] Het is zij die praat, het is haar die we horen, het
is zij die bemint - terwijl hij vlucht. Zij is, met andere woorden, de
eerste vrouw die ten opzichte van haar geliefde soeverein is, het eerste
overgeleverde model van autonome vrouwelijke subjectiviteit. De Sulammitische
is, op het verscheurende kruispunt van de liefde, [schreeuwt het nu
uit] het prototype van het moderne individu. Verdeeld, ziek, maar
toch soeverein: 'Wel ben ik donker, maar toch bekoorlijk, dochters
van Jeruzalem, / als tenten van Kedar, als paviljoens van Salma. / Minacht
mij niet omdat ik donker ben'. 'Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,
als u mijn lief vindt, / zeg hem dat ik ziek ben van liefde!'
[oorverdovend] BERNARD, LE SACRÉ C'EST L'AMOUR!
[Bernardus valt met zijn stoel achterover, springt verschrikt recht,
duikt zijn bed in, waar hij verdoken onder de lakens blijft liggen. Julia
blaast vanop haar balk de kaars uit. Pikdonker.]
Hoofdstuk 6
[Julia zit op de dwarsbalk voor een grote witte cirkel die zachtjes
oplicht. Roswitha zit geknield in een hoekje van de leliëntuin, die baadt
in het ijle maanlichtachtige schijnsel, en speelt verstrooid met duivenveren.
Naast haar landt een witte duif, een zachtaardig diertje met een oranje
vlekje in de nek. De begijn wordt de aanwezigheid van het dier geleidelijk
gewaar, keert zich naar haar nieuwe gezel, aanschouwt even het beestje,
dat braafjes blijft zitten, en begint er dan tegen te praten.]
Roswitha: Hemelse verschijning, wees zo vriendelijk even te luisteren
naar de verzuchtingen van een devote vrouw. Ik bezit de gave om de Heer
dermate te behagen dat Hij mij op een hoogst onnavolgbare wijze liefheeft.
Zijn liefkozingen, alhoewel ze mij bereiken via een pijnlijke weg, schenken
mij een genot dat voor niet-ingewijden verderfelijk en heiligschennend
mag lijken. Ikzelf ben er echter van overtuigd dat ik een eenmaking met
Hem kan bereiken die veel dieper gaat dan wat men voor mogelijk houdt.
Niet dat ik zo vaak in staat word gesteld Zijn geneugten te ervaren, maar
de keren dat het wel gebeurt, zijn onbeschrijflijk. Wat ik mag meemaken
is zo overdonderend, zo liefdevol imperialistisch en overweldigend innemend,
dat ik bijna niet anders kan dan aan mijn vriendinnen melding te maken
van het gebeuren. Zoals nu weet ik evenwel nooit de ware ervaring in woorden
door te geven.
Lange tijd had ik meer dan genoeg aan wat mij
overkwam met Hem. De laatste tijd is daar echter verandering in gekomen.
Ik voel nog steeds diezelfde sterke verlangens naar verbondenheid met
de Heer, mijn Geliefde, maar er is meer... [Ze aarzelt en hier neemt
Julia, schaars verlicht, het woord. De begijn weet niet wat haar overkomt
en meent dat het de duif is die haar werkelijk toespreekt.]
Julia: Kindlief, dit kan hard aankomen...wat je hier zegt is
niets om je over te schamen. [Bij het zien van de verbaasde blik van
de toegesprokene] Wees niet verbaasd dat ik het vervolg van je betoog
zou kennen. Ik heb weet van andere gevallen in soortgelijke situaties.
Vroeg of laat komt er wel een moment waarop er meer om de hoek komt kijken,
zoals de [traag en nadrukkelijk] moederlijke gevoelens die je
begint te koesteren. [Roswitha ademt diep in en uit; er vormt zich
een rode blos op haar wangen] Die kinderlijk naïeve blik staat je
niet. Ik heb gemerkt dat je je aardse verlangens teveel negeert en dat
je te snel je toevlucht neemt tot wat je zelf de Ideale Liefde noemt.
Dat is best te begrijpen, maar je hebt wel een leegte in leven gehouden
die nu langzaamaan hunkert naar opvulling.
Roswitha: Duifje, zeg toch zo geen dingen. Hoe kan ik, die haar
leven wijdt aan de Heer en, niet te vergeten, aan de lieve Moedermaagd,
het aardse verlangen kennen om moeder te worden?
Julia: Omdat je in de eerste plaats onwetend vasthoudt aan het
gangbare begrip van de maagd. Zij is een creatie van de taal: haar positie
in de gemeenschap ten tijde van haar zwangerschap werd door de Semieten
correct omschreven, doch door de Grieken verkeerd vertaald. Wie zij was
voor haar medemensen, gewoon een ongetrouwde vrouw, is - waarschijnlijk
in den beginne niet met kwaad opzet - verdraaid tot hoe zij zich onthield
van aardse uitspattingen, zoals sommigen het denigrerend uitdrukken. Haar
status van 'maagd' kleeft nu echter dermate aan haar naam vast dat het
vrijwel onmogelijk lijkt haar op een andere manier te beschouwen dan werkelijk
als maagd.
Trek je ogen open, kind, Bernardus wijst je hier
het juiste pad: je kan Maria niet aan Christus gelijkschakelen. [even
op fluisterende toon] Dat zou jij al te best moeten weten, geheimzinnige
dichteres. [gaat gewoon verder] Vergeet dus de apocriefen maar.
Zij was een wereldse vrouw, met wereldse verlangens. Net als jij kende
zij het verlangen om moeder te worden, om verbonden te zijn met haar Zoon.
Die anale drift of penisnijd ...
Roswitha: Neeneenee... dit kan niet ... anale drift ?! Penisnijd
?!!!?! Blaas niet te hoog van de toren, wartaalkoerende duif, je woorden
scheren spitse toppen en overschrijden zo te horen met gemak de drempel
van de heiligschennis. En waarop doel je met die apocriefen?
Julia: Wel, Maria was geen heilige zoals haar Zoon dat zou worden:
zij was niet onbevlekt ontvangen door haar eigen moeder en pas na de feiten
werden er verschoningen bedacht die de onbevlekte ontvangenis van haar
Zoon moesten rechtvaardigen. Die zijn trouwens nooit officieel erkend.
Van die penisnijd kan je dus bezwaarlijk zeggen
dat het blasfemie is; misschien wat oneerbiedig, maar zeker niet onwaar.
De vrouwelijke verlangens lijken sterk op die van de man. In haar streven
om gelijk te worden aan de man toont ze zich een ware masochiste. Zij
hoopt op een kind, zeer goed beseffende dat de bevalling grote pijnen
met zich mee zal brengen. Aangezien zij voor reproductie zorgt, worden
haar pijnen echter vergezeld door de premie van het genot. De perversie,
of het lichamelijke verlangen, wordt gelegaliseerd door de komst van het
Kind.
Dat zij een maagdelijke conceptie heeft, maakt
het evenwel wat ingewikkelder. Die ongereptheid maakt het immers mogelijk
dat zij in het reine kan komen met de vrouwelijke paranoia. Een onbevlekt
ontvangen vrouw kan niet gelijkgeschakeld worden aan een man omdat er
een Derde in het spel is. Als Maagd ontvangt ze niet van hem [wijst
naar de grond] maar van Hem [spreidt haar armen naar boven].
Zij erkent haar onderdanigheid tegenover Hem en zet zich zo af tegen de
gelijkschakeling met de tellurische man. Er komt meer nadruk te liggen
op haar verstandelijkheid ook en zij is bovendien uitgesloten van de gruwel
van de tijd: zij gaat niet dood, maar ontslaapt of vaart ten hemel. Zij
cultiveert wel een paranoïde machtsverlangen door koningin, hoogste macht
op aarde, te willen worden, maar smoort tegelijkertijd haar grootheidswaan
in de kiem door te knielen voor haar goddelijke Zoon30.
Vat dat dus niet op alsof zij helemaal onderdanig is aan de man, zoals
sommige vrouwen dat wel plegen te doen.
Wees je er gewoon terdege van bewust dat de hoge spiritualiteit die de
Maagd voorstelt in werkelijkheid neerkomt op de devotie van een volledig
menselijke moeder.
Roswitha: Och duif, maar haar goddelijke zoon is een gruwelijke dood
gestorven. Kan de Maagd daar terecht voldoening uit puren, doet dat haar
dan zo een genoegen?
Julia: Eh bien, schrik niet... het is het dode lichaam van haar Zoon,
haar gecastreerde man, dat net verering uitlokt. Verering en trots. Bij
zijn geboorte en bij zijn dood buigt zij het hoofd, niet zonder de mateloze
trots van de vrouw die weet dat zij eigenlijk zijn bruid en zijn dochter
is. Zij wordt wel degelijk vervuld met vroomheid wegens de ellende van
haar Zoon. Zijn dood grijpt haar aan, daar bestaat geen twijfel over,
maar waarom denk je dat zij zo stevig vasthoudt aan Zijn beeld?
Roswitha: Omdat zij zo vurig gelooft, tiens... Het morbide genot
waarover je spreekt, heeft haar wortels in de heilsbelofte.
Julia: Mogelijk, ja... Maar mijns inziens is de last die ze wenst
te dragen veeleer een uitdrukking van haar onmisbaarheid, of eerder, van
het gevoel van onmisbaarheid dat zij kent. Zij voelt zich Gods steun en
torst daarom die hevige en smartelijke last. Haar geloofsovertuiging is
bewonderenswaardig. Doch, niet onbeschaamd weet zij haar schouders de
dragers van een goddelijke berusting. Nederigheid is en blijft haar deel,
vergezeld echter van een vastberaden hoop deelachtig te kunnen zijn, evenwaardig
te kunnen zijn aan het leed zelf van Christus. Ze voelt zich machtig en
onderdanig tegelijkertijd.
Roswitha: Duifje, ik lees verwarring in je torteltaal. Tegen wie
spreek je nu? En over wie heb je het? [Zich bewust van haar nakende
ontmaskering begeeft Julia zich naar beneden. Wanneer Roswitha ziet dat
de duif in werkelijkheid dezelfde 'hallucinerende' vrouw is als een paar
ogenblikken geleden, verschijnt er een glimlachje op haar gezicht. De
duif vliegt op.]
De duif, symbool van wellust, jaloezie, eenvoud,
vrede, de Heilige Geest, tortel voor bruid en bruidegom, was dus geen
toevallige sluier voor jouw verwarde praat. Ik dacht al...
Julia: Vergis je niet; wat jij een sluier noemt is voorwaar de
waarheid. Wat is de belangrijkste taak van de Moeder? Moet zij geen liefde
verschaffen aan haar kroost? Geeft zij daarom geen melk en plengt zij
daarom geen tranen voor haar dode kind? Haar taal gaat veel dieper dan
het gesproken woord. Melk en tranen zijn beide metaforen van de niet-taal,
van een 'semiotiek' die aan de talige communicatie ontsnapt. Een haken
naar de terugkeer van het verdrongene, van de primaire processen. Roswitha,
geloof me vrij, je begijnenmystiek hangt heel erg samen met de lust voor
het moederschap. Dat je zelf de lelie van de Annunciatie gezien hebt,
is een aanwijzing voor dat verlangen. De Moedermaagd is je voorbeeld;
schik je er dan ook naar.
[Verweesd blijft Roswitha achter als Julia zich via de jakobsladder
terug bij haar kompanen voegt. Ze draait zich om en ziet Bernardus slapen
aan de andere kant van de scène. Vertederd en verward kijkt ze hem aan.
Het Koor begint zachtjes te zingen: 'bij de gazellen en bij de hinden
in het veld: / wek mijn geliefde niet, maar laat haar sluimeren zolang
ze wil.' 31Roswitha antwoordt al zingend en
begeeft zich omzichtig naar hem toe: 'Sta op, mijn liefste, kom toch,
mijn schoonste. / Kijk maar, de winter is heen, / de regentijd voorgoed
voorbij, / op het veld staan weer bloemen; de tijd om te zingen breekt
weer aan; de roep van de tortel klinkt over het land.' Het koor, nadat
Roswitha zich naast haar geliefde heeft neergevleid, zingt, tweestemmig:
'Eet vrienden, en drink en wordt dronken van de liefde!'. Doek.]
Hoofdstuk 7
[De scène is verdeeld in twee blokken. Aan de rechterzijde van de
kapel zitten Bernardus' broeders, getooid in een pij van ruwe bruine stof.
Van de overzijde treden de begijnen binnen en nemen plaats. Simultaan
draaien de hoofden van de broeders geniepig in de richting van hun vrouwelijke
collega's. Een glazen constructie staat vooraan op het podium opgesteld;
die doet dienst als biechtstoel. Lange stilte vooraleer iemand te biechten
gaat...Plots staan Roswitha en Bernardus gelijktijdig op, beschaamd omdat
ze zich toevallig samen naar de biechtstoel moeten begeven. Het biechtklokje
geeft voor de 'biechtmoeder' aan dat er twee biechtelingen zijn. Julia,
nadat ze haar confraters op de dwarsbalk toespreekt met de woorden: 'Hier
speel ik mijn laatste troef uit', daalt de jakobsladder af die haar netjes
op haar plaats in het middengedeelte van de biechtstoel brengt.]
Thomas: [haar achterna roepend] Wat bedoel je, Julia?
Julia: [zich naar boven richtend] Het onreine, het abjecte
wordt in het christendom niet langer verworpen, maar wel verinnerlijkt
in het concept van de zonde. Het bekennen van fouten en zonden is een
lustvolle communicatie. Doordat de zonde masochistisch wordt meegedeeld
aan iemand anders, aan de Ander, die geen straffende of oordelende maar
een liefhebbende instantie is, is ze vergeven. De lust aan het meedelen
van wat van de wet afwijkt is een perverse lust; even terzijde, confraters,
dat is wat het wezen van de kunst uitmaakt. Doch nu terzake: Sesam open
u. [Hierop schuift ze het tussenschot aan de zijde van Roswitha open.]
Roswitha: Eerwaarde vader, geef mij uw zegen want ik wil mij
tot God bekeren. Dit zijn mijn zonden. Ik heb iets stout gedaan met de
huiskikker: het beest vroeg me om een kus en ik heb het opgeblazen. [Stopt
even en denkt na] Daarnaast heb ik als begijn mijn vriendinnen verwaarloosd
tijdens de mystieke ervaring. Ook was mijn 'luide stem'32
tijdens dromen en nachtmerries soms een geseling voor de nachtelijke rust
van mijn medebewoonsters in het begijnhof en à eerlijk gezegd, mijn bloedeigen
werk heeft me vaak de stuipen op het lijf gejaagd. Het brandende schaamrood
verhitte mijn gezicht want ik moest de afschuwelijke dwaasheid van onkuise
knapen en hun onverkwikkelijke gezwets, waarvoor ik anders de oren zou
afschermen, in mijn geest gestalte geven en met de veer neerpennen.33
[Met krop in keel] Gisterenavond is het misgelopen, vader ...
[Stokt]
Julia: Spreek en u zult gezond worden.
Roswitha: De verleiding is tot boven mijn hoofd gegroeid en ik kon
er niet aan weerstaan. [Bernardus klopt zachtjes op het schuifje aan
zijn kant. Met een simpele beweging, zonder haar hoofd te draaien, sluit
ze Roswitha's schuifje en opent ze dat van Bernardus.]
Julia: Ja.
Bernardus: Eerwaarde Vader, ik belijd mijn schuld voor de almachtige
God en voor u, Vader... mijn laatste Biecht is geweest.
Julia: Dat heb je goed onthouden, mijn zoon, en nu voor de draad
ermee.34
Bernardus: Ik heb ontucht bedreven. De aantrekkingskracht van
die lieve Roswitha van hiernaast werd te sterk en mijn weerstand smolt
gisterenavond weg als ijs voor de zon. De kwelling die me onmiddellijk
na de gepleegde zonde is overvallen, bezwaart mijn ziel die nu met zonden
beladen is, onderworpen aan de hartstochten van het vlees. Ik wil niet
dat de mensen zeggen: 'Zelf doen ze niet wat ze zeggen.'35
Roswitha: Hey hey !! [Klopt op haar schuifje. Julia opent het
en laat ook dat van Bernardus openstaan.]
Julia: Getal, soort en omstandigheden, graag. Bernardus: Ik sliep,
maar mijn hart was wakker.36
Daar hoorde ik mijn geliefde kloppen: ...
... Doe open mijn broeder, mijn vriend, mijn duifje,
mijn schoonste: Roswitha
Mijn hoofd is nat van dauw,
mijn lokken zijn vochtig van de nachtelijke nevels.
Bernardus: Maar ik heb mijn kleed al uitgetrokken, moet ik mij weer aankleden?
Ik heb mijn voeten gewassen, moeten ze weer
vuil worden? Daarop stak mijn lief zijn hand door het klinkgat:Roswitha.
Julia: [Verlaat haar zitplaats via de jakobsladder en vervoegt haar confraters
op de dwarsbalk. Roswitha en Bernardus zingen hier op een aangenaam volume
dat Julia in staat stelt een laatste woord tot haar confraters te richten.]
Bernardus: De tijd om te zingen breekt aan; / de roep van de tortel
klinkt over het land.
Roswitha: U bent mooi, mijn lief, en zo zoet!
Bernardus: Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi; / je
ogen zijn als duiven!
Roswitha: Ik ben een muur, en mijn borsten zijn de torens.
Bernardus: Hoe mooi ben je, mijn liefste, hoe bevallig en bekoorlijk!
/ Je gestalte is zo slank als een palm, / je borsten zijn als druiventrossen.
Roswitha: De wijn moet vloeien voor mijn lief, / naar binnen druppelen
tussen zijn lippen en tanden.
Bernardus: Wend je ogen van mij af, ze brengen me in verwarring.
/ Je beide borsten zijn twee welpen, / de tweeling van een gazel, weidend
tussen de lelies. Roswitha: Steek op, noordenwind, kom zuidenwind, / en
blaas over mijn tuin, dat zijn geuren zich verspreiden!
Bernardus: Kom snel, mijn lief, wees als de gazel...
Zie, de 'taal van verliefden' in het Hooglied, bij Bernardus, bij
Roswitha, bij Bernardus én Roswitha. Liefde staat aan de oorsprong van
het gelovige woord, maar ook van het psychoanalytische woord. Er ontstond
een onzichtbare dramaturgie, waarin zij vertrouwen in me stelden en liefde
voor me koesterden en ik voor hen. Een identificatie met een liefhebbende
en beschermende instantie. We bouwden samen een wereld op van doen-alsof,
spelen en maskers, die bestaansrecht verleende aan de wereld van de illusie.
Hoewel ze weerstand van formaat bieden, zijn katholieken dus toch te analyseren.
Hun fantasma's nam ik ernstig, want ze onthulden wezenlijke verlangens
en trauma's, in geen geval dogma's. Ik stelde hun vragen als: hoe staat
het met uw verlangen naar maagdelijkheid? Met u als kind van een moeder?
De analyse, die de libido die schuilgaat onder de meest bescheiden wensen
blootlegt, is echter geen uitnodiging tot seksuele bevrijding; ze houdt
het beeld voor van een perversie die de mens eigen is.
Bernardus: [verdwaasd] Roswitha, wat is er gebeurd met de biechtvader?
Roswitha: Ik weet het niet.
Bernardus: [roept uit] Mijn God, mijn God, waarom hebt
Gij ons verlaten?37 Wij vertrouwden je,
legden onze ziel bloot en nu verwachten we daar iets voor terug.
Julia: [onhoorbaar voor B&R tot Paulus en Thomas] Ze kunnen
alleen iets terug verwachten als ze hun band met mij verbreken. Nu laat
ik ze los, nu laat ik ze gaan. Ze moeten groeien naar 'volwassenheid',
een zelfstandigheid waarin fantasma's leefbaar worden, waarin vaak onaangename
waarheden onder ogen gezien worden. Fantasieën vormen niet langer klachten
of dogma's, maar ze zijn de drijfveer van een bestaan waarin levenskunst
centraal staat.
Thomas: [op reclamedeuntje] Thuis zijn bij zichzelf.
Bernardus: Geen antwoord? In orde, dan leg ik onszelf wel een
penitentie op. Je bent genezen, ga en zondig in het vervolg niet meer,
anders zou je nog iets ergers overkomen.38
En, hetzelfde geldt voor mij. Kom, mijn lief, laten wij naar buiten
gaan, / laten we overnachten in de dorpen.39
[Hierop verlaten allen de scène: eerst vertrekken de verzamelde begijnen
en broeders, en als laatsten Bernardus en Roswitha. Voor ze afgaan, werpen
ze nog een speelse knipoog naar elkaar en daarna nog een in de richting
van de lui op de dwarsbalk.]
Hoofdstuk 8
[Toneel donker. Plotseling spot op knielende Roswitha. Tegen achterwand
wordt een schilderij van Maria door Piero della Francesca [1470] geprojecteerd.
Daarnaast worden verschillende evocaties van de smarten van haar lijdende
Zoon geprojecteerd, die elkaar steeds sneller opeenvolgen naarmate de
begijn haar climax nadert. Zij bevindt zich opnieuw in contemplatie en
ervaart daarbij heftige lichamelijke reacties, die begeleid worden door
een ingehouden gekreun. Wanneer zij de climax lijkt te bereiken, valt
het licht echter uit en onmiddellijk daarop kan men een man horen roepen:
Roswitha, eten! Roswitha schrikt uit haar extase op en schikt haar kleren.
De hele scène baadt nu in het licht en een gedekte tafel en een baby worden
zichtbaar. Bernardus komt nog met een kom aangedrenteld, geeft Roswitha
een kus op de wang en een klets op haar achterste.]
Bernardus: Kom, laat ons eerst Immanuël zijn papje geven. [neemt
een schep, vliegert ermee naar Immanuëls mondje] Een lepeltje voor
mama ... [de kleine steekt zijn tong uit, bolt zijn wangen; zonder
te slikken laat hij de pap over zijn kin druipen en begint onbedaarlijk
te wenen. Roswitha neemt hem van zijn plaats en troost hem aan haar borst.
Ze kijkt liefdevol hoe hij kalmeert. Ze wendt zich tot Bernardus en roept
opgewonden.]
Roswitha: Bernardus, wij zijn het dankgebed vergeten!!!
Bernardus: [met een volle mond] Wacht even. [veegt
zijn mond af, neemt zijn Bijbel, slaat hem willekeurig open, kijkt even,
schraapt de keel en declameert plechtstatig] Ik heb hier een passage
uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs van Paulus: Ik zou wel
willen dat alle mensen waren zoals ikzelf, maar ieder heeft nu eenmaal
van God zijn eigen gave ontvangen, de een deze, de ander die. Tot de ongehuwden
en weduwen zeg ik: het is goed voor ze, als zij blijven zoals ik. Maar
als zij zich niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Het is beter
te trouwen, dan van begeerte te branden.40
[Doek]
Voetnoten
1 Piero della Francesca,
Nativity (c. 1470; Panel, 124,5 x 123 cm National Gallery, London)
http://www.kfki.hu/~arthp/html/p/piero/francesc/
2* Ravenstein, Klooster Soeterbeek;
Museum voor Religieuze Kunst in Uden;
http://www.christusopdekoudesteen.com/BeeldenNederland.htm ;
* Albrecht Durer, Christ as the Man of Sorrows (1493.
Oil on panel. Staatliche Kunsthalle, Karlsruhe, Germany)
http://www.abcgallery.com/D/durer/durer13.html
;
*Geertgen tot Sint Jans, Nood Gods (Christus als
de Man van Smarten)(ca. 1490. Paneel, 24,5 x 24 cm. Catharijne Convent,
Utrecht);
http://cc2.hku.nl/martin/reservoir/lichaamlust/smart.html
;
* Matthias Grünewald, The Crucifixion;
http://www.ibiblio.org/wm/paint/auth/grunewald/crucifixion/;
3 Het idee voor de dwarsbalk
spruit voort uit Dirk Tanghes bewerking van "Romeo en Julia" van een aantal
jaren geleden, waarbij het balkon (van de beroemde balkonscène) op het
toneel werd weergegeven als een mobiele dwarsbalk.
4 Julia spreekt in een mengelmoes
van citaten (zie bibliografie voor relevante werken) en fictieve uitvindsels
van onzentwege.
5 Afbeeldingen van Bernardus
van Clairvaux;
http://www.catholic-forum.com/saints/stb08004.htm
6 Het personage ontleent haar
naam aan Roswitha von Gandersheim, de schrijfster van het eerste Latijnse
gedicht Maria, dat handelt over de geboorte van de Maagd. De
eerste Duitse dichteres/dramaturge leefde vermoedelijk van 938 tot 1002.
Haar werken hebben soms een openlijk erotisch karakter. Haar personage
is in ons stuk voor het leeuwendeel fictief.
7 In deze "preek" is vrijelijk
gebruik gemaakt van beschrijvingen uit het zevende visioen van Hadewijch.
Claassens, 1999:113-118.
8 Zie bijlage
9 1 Joh. 4,19
10 Deze preek is een soort
compilatie van Bernardus van Clairvaux' eerste negen preken over het Hooglied.
11 Encycliek van Paus Pius
XII
12 Rom. 8,5
13 Daar Bernardus' preek vroegtijdig
onderbroken wordt, komt hij er niet toe dit punt te bespreken. Bernardus
wijst er echter op dat de mondkus "onuitsprekelijk [is] en door geen enkel
schepsel ervaren" (p.93): het is "de ondeelbare eenheid [...] van de Vader
en de Zoon" (p.95), waaronder hij de heilige Geest verstaat. Wanneer de
bruid dus vraagt om gekust te worden met de kus van Zijn mond, wil ze
niets anders dan "de heilige Geest ingestort krijgen" (p.94).
14 Hoogl. 5,3
15 Hoogl. 2,4
16 Js. 40,6-7
17 * Jack in the Pulpit
No. IV, 1930;
http://www.happyshadows.com/okeeffe/flowers.htm
* Two Calla Lilies on Pink;
http://www.happyshadows.com/okeeffe/flowers3.htm
18 naar Bacon, Novum Organum
19 Schiller, Don Carlos 1,1
20 cf. Mt. 1,20-23
21 Bernardus' uiteenzettingen
over de lelie zijn gebaseerd op de volgende preken:
Sermon forty-seven: The Flower of the Field, of
the Garden and
of the Bridal Suite
Sermon forty-eight: As a Lily Among Thorns, So
the Soul Amid Sins
Sermon seventy: He Feeds Among the Lilies
Sermon seventy-one: Feeding Among the Lilies
Op: http://glorifyhisname.com/sys-tmpl/bernardofclairvaux/
22 cf. Bernardus, geciteerd
door: Kristeva, 1991:184.
23 Hoogl. 2,2
24 Hoogl. 2,16; Hoogl. 6,3
25 Hoogl.2,1
26 Hoogl. 4,12
27 Hoogl. 4,13
28 Simon, Paul. "The Sound of Silence".
29 Weiss, 1964:112
30 Piero della Francesca; cf. openingsscène
31 Hoogl. 3,5
32 etymolgische verklaring van "Roswitha".
33 Roswitha von Gandersheim geciteerd op:
http://home.t-online.de/home/0538291488/history.htm
34 Frans Kusters op:
http://www.kun.nl/kunieuws/nieuws/archief/26/36/kusters.html
35 Mt. 23,3
36 Vanaf nu communiceren Bernardus en Roswitha met
citaten uit alle hoofdstukken van het Hooglied.
37 Mt. 27,46
38 Joh. 5,14
39 Hoogl. 7,12
40 1 Kor. 7,7-9
Bibliografie
Brink, Gabriël van den. 'Kristeva en de Revolutie van de Poëtische Taal'.
In: Te Elfder Ure.
Stichting Te Elfder Ure (ed.). Nijmegen, 1986.
Claassens, Geert H.M. "Hadewijch". In: Claassens, Geert H.M.
Inleiding in de Middelnederlandse Letterkunde.
Leuven: Acco, 1999. p.101-121.
Clairvaux, Bernardus van. Hij Kusse Mij met de Kus van Zijn Mond:
Preken 1-9 over het Hooglied.
Gent: Carmelitana, 1999.
Clairvaux, Bernardus van. Sermons Forty-Seven, Forty-Eight, Seventy ,
Seventy-One
http://glorifyhisname.com/sys-tmpl/bernardofclairvaux/
De Bijbel. Uit de Grondtekst Vertaald. Willibrordvertaling.
's-Hertogenbosch: Katholieke Bijbelstichting, 1995.
Kristeva, Julia; Clément, Catherine. Le Féminin et le Sacré.
Paris : Stock, 1998.
Kristeva, Julia. Liefdesgeschiedenissen. Een Essay over Verleiding
en Erotiek.
Amsterdam: Contact, 1991.
Kristeva, Julia. "Het Geluk der Begijnen". In: Vandenbroeck, Paul. Hooglied:
de beeldwereld van religieuze vrouwen in de Zuidelijke Nederlanden, vanaf
de 13de eeuw.
Gent: Snoeck-Ducaju, 1994. p.167-177.
Kristeva, Julia. In den Beginne was de liefde. Psychoanalyse en Geloof.
Zoetermeer: Uitgeverij Meinema, 1993.
Kristeva, Julia. "Lire la Bible". In : Kristeva, Julia. Polylogue. Paris:
Seuil, 1977. p.173-189.
Pius XII. "Doctor Mellifluus. On Saint Bernard of Clairvaux, the Last
of the Fathers: Encyclical promulgated on 24 May 1953".
http://www.catholic-forum.com/saints/stb08001.htm
Simon, Paul. "Sound of Silence" Op: The Definitive Simon and Garfunkel.
UK: Sony Music, 1991.
Cf. http://www.geocities.com/Athens/Rhodes/9574/lyrics.htm
Suchsland, Inge. Julia Kristeva zur Einführung. Hamburg: Junius,
1992.
Vandenbroeck, Paul. Hooglied: de beeldwereld van religieuze vrouwen
in de Zuidelijke Nederlanden, vanaf de 13de eeuw.
Gent: Snoeck-Ducaju, 1994.
Verwey, Albert. Sonnetten.
http://www.dbnl.org/tekst/_nie002nieu01/_nie002nieu01_016.htm
Weiss, Peter. Die Verfolgung und Ermordung Jean Paul Marats dargestellt
durch die Schauspielgruppe des Hospizes zu Charenton unter Anleitung des
Herrn de Sade.
Frankfurt a.M.:Suhrkamp, 1964.
Gebruikte sites over Bernardus van Clairvaux:
http://www.catholic-forum.com/saints/saintb08.htm
http://www.cin.org/saints/bernclai.html
http://justus.anglican.org/resources/bio/232.html
http://www.abdijsion.nl/teksten.htm
http://www.heiligen.net/aug/frm2008.htm
http://www.trouw.nl/artikelactueel/986192972266.html
http://imagesofheaven.org/Cistercians.htm
Gebruikte sites over Roswitha von Gandersheim:
http://www.newadvent.org/cathen/07504b.htm
http://home.t-online.de/home/0538291488/history.htm
Drievuldigheidslied
Het is - maar niemand weet wat het is.
Het is hier, het is daar.
Het is ver, het is nabij.
Het is diep, het is hoog.
Het is zó, dat
het noch het een, noch het ander is.
Het is licht, het is helderheid.
Het is zeer duister.
Het is ongenoemd.
Het is ongekend,
zonder begin of einde.
Het is een kalm oord
dat zonder hoedanigheid vervloeit.
Wie kent er de woning van?
Dat diegene er uit trede
en ons zegge van welke vorm zij is!
Word als een kind.
Word doof, word blind.
Het iet dat je bent
moet worden Niet.
Alles, elk Niet
moet overschreden worden.
Laat plaats, laat tijd,
laat ook de beelden.
Ga weggeloos
de smalle weg omhoog:
zo geraak je op de sporen van de woestijn.
Ziel,
ga uit - en God in,
verzwelg al wat mijn is
in het Niet van God.
Ga onder in de bodemloze wateren.
Vlucht ik ver van Jou,
jij komt naar me toe;
verlies ik mij,
vind ik Jou,
Bovenwezenlijk Goed!
|
|