Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Ijsster

Frauke Pauwels

 

Alles had hij geprobeerd. Post die voor haar was bestemd, had hij bij zichzelf laten bezorgen, de haag om haar grasperk had hij gesnoeid, de rekeningen van haar loodgieter had hij betaald. Maar niets daarvan scheen ze te merken. Zij had hem er in elk geval niet over aangesproken - terwijl precies dat zijn bedoeling was.
Hij hield zich voor dat hij haar uit zijn hoofd kon bannen. Dat hij, als hij lang genoeg wachtte en de verwarming maar laag genoeg draaide, haar door de dichtgevroren ruiten niet meer zou zien of horen. Alsof hij met de buitenlucht ook zijn dromen onder nul kon draaien. Hij zuchtte, liet de koude adem stollen op het glas, brak de zinloze gedachten af en liet ze op zijn handpalm weer smelten.
Lang bleef hij zo niet staan. Hij had een nieuw idee. Het laatste, beloofde hij zichzelf, als een verslaafde gokker die steeds dieper in de zak tast. En terwijl hij door het huis liep, graaide hij dikke wollen sokken, oude wanten en gebreide truien uit de kasten. Eén voor een trok hij ze aan, bij elk stuk fluisterend: ze houdt van mij, ze houdt niet van mij, ze houdt van mij, ze houdt niet... Bij het laatste stuk bleef hij aarzelend staan, gooide het van de ene in de andere hand en drukte het tenslotte hard op zijn hoofd: een lappenmuts met roze oorverwarmers. Ze houdt van mij.
Toen hij zo was aangekleed, worstelde hij zich de deur uit en schoof voetje voor voetje naar het hoogste punt van het dorp.

Het was er stil. Oude mensen bleven knus achter de gordijnen,
kinderen zaten op de schoolbank en het merendeel van de overige bewoners was uit werken. Zwijgend mat hij de helling af, overwoog de hoeken en bochten, berekende de snelheid die hij nodig had om niet te vroeg tot stilstand te komen.
Toen hij zover was, haalde hij een grote thermos boven en dronk met gulzige slokken de warme drank. Voor hem lag het witte sneeuwtapijt, slechts hier en daar onderbroken door de sporen van een wagen. Hij ademde diep in, begroef de thermos onder een losse steen, legde zich neer en riep: NU!
Steeds sneller tolde hij de weg af, stuurde bij in de bochten, herkende de hindernissen die hij zich zonet zorgvuldig in het geheugen had geprent. Door de dikke wollen cocon voelde hij nauwelijks hoe ruw de aarde was, hoe hobbelig de keien op het plein voor de kerk waren. Om en om wentelde hij zich door het dikke pak sneeuw en bij elke wenteling maalde er maar één ding door zijn hoofd: ze houdt van mij, ze houdt niet van mij, ze houdt van mij, ze houdt niet van mij, ze houdt...

Traag draaide ze de hoek om. Het was glad op de weg en het werd langzaamaan donker. Voor ze binnenging, haalde ze de post uit de brievenbus, lachte even om de sneeuwman die de buurkinderen in haar voortuintje hadden gemaakt en veegde een verdwaald herfstblad van de vensterbank. Binnen draaide ze de verwarming wat hoger, zette soep op het vuur en trok de gordijnen dicht. Het leek wel of de sneeuwman zich een halve slag had gedraaid.

Het was nog erg stil buiten. Ze proefde voorzichtig van de ochtendkou, krabde het ijs van de autoruiten en keek naar de sneeuwman in de tuin. Het had vannacht nog gesneeuwd, bedacht ze, toen ze zag hoe dik de man was geworden. Terwijl ze de motor warm liet draaien, liep ze gauw terug naar binnen, nam een wortel uit de koelkast en drukte hem buiten in het witte gezicht. Zo is hij pas echt af, dacht ze en stapte snel haar wagen in.

IJskoud had hij het, maar de dikke laag sneeuw die hem intussen als gegoten zat, maakte het onmogelijk te bewegen. Honger had hij ook. Hij nam zich voor om de wortel die hem net tussen de lippen was geduwd, op te eten zodra er niemand meer in de buurt was.
Terwijl hij aan de wortel knaagde, bleef hij denken: ze houdt van mij, ze houdt niet van mij, ze...

Ze waren met vijf. Kinderen uit de buurt, dik gepakt met mutsen en sjaals. Vanop hun sleeën bekogelden ze mekaar. Toen de wagen van de vrouw de straat inreed, renden ze er joelend achteraan. Een nieuw slachtoffer voor hun eindeloos sneeuwballengevecht.
De vrouw lachte ook. Voor ze vanachter haar wagen kwam, rolde ze enkele stevige ballen, wierp ze naar haar jonge aanvallers en rende snel de voortuin in. Achter de sneeuwman zocht ze beschutting. Klappertandend stond die nog steeds overeind. Pas toen hij de volle lading kreeg, viel hij pal achterover.
Op zoek naar bescherming tegen de lawine van sneeuwballen graaide de vrouw in het omvergetuimelde pak sneeuw, trok de muts van de witte man en keek verrast in het ijskoude gezicht van haar
overbuurman. Wat die ook had willen zeggen: de woorden stolden al in zijn keel en elke teder bedoelde handdruk zat om zijn vingers bevroren.

De vrouw was snel. In het dorp haalde ze enkele sterke mannen, beviel hen het bevroren pakje bij haar naar binnen te schuiven, maakte de haard aan en zette de grootste kom soep op het vuur. Hard wreef ze de man warm, ze goot de soep langs zijn bevroren lippen, ving het ijs en de sneeuw op en droeg de grootste stukken weer naar buiten. Ze zag hoe de man langzaam ontdooide, lachte om zijn hulpeloze toenaderingspoging, kuste hem voorzichtig op beide wangen en luisterde naar zijn eerste ontdooide woorden: 'Ik smelt.'

 

© Frauke Pauwels