

 |  |
Vanwege mijn hartenpijn
zoals ik was [3]
Joris Note
1.
Laten we het eens over een vrouw hebben, een Duitse joodse vrouw uit de
zeventiende eeuw. Glikl heette ze, Gelukje!
Glikl werd rond 1646 geboren in Hamburg, waar
ze grotendeels haar leven doorbracht. Nog voor haar twaalfde werd ze verloofd
[de passieve vorm lijkt gepast] met de iets oudere Chajim uit Hameln,
en twee jaar later trouwden ze; op haar vijftiende was Glikl al moeder.
Chajim werd handelaar in goud, parels, juwelen en geld. Zijn vrouw hielp
hem bij zijn werk en kreeg veertien kinderen, waarvan er eentje slechts
enkele weken en een ander slechts drie jaar leefde. Begin 1689 overleed
Chajim; als weduwe zette Glikl de handel voort en had ze een kousenmakerij.
In 1700 hertrouwde ze met de weduwnaar Hirsch Levy en verhuisde naar Metz,
waar ook haar dochter Esther woonde. De nieuwe echtgenoot was een rijke
koopman, maar weldra ging hij bankroet en het paar moest in vrij penibele
omstandigheden verder. Glikl verloor Hirsch in 1712; niet lang daarna
trok ze in bij haar dochter, en in 1724 stierf ze, achtenzeventig jaar
oud.
Hamburg, Hameln en Metz liggen naar zeventiende-eeuwse
normen ver uit elkaar: een van de verbazendste gegevens in het leven van
Glikl en de haren is de mobiliteit. Chajim bewoog zich voor zijn zaken
voortdurend door de Midden-Europese ruimte [het meest naar de markten
in Leipzig en Frankfurt], later deed zijn vrouw hetzelfde; ook het uithuwelijken
van de kinderen maakte reizen noodzakelijk, en vaak speelden de twee motieven
tegelijk. Elia Barnavi relativeert: 'it was not a matter of proper 'space',
but rather of scattered points here and there [...]. The only places that
really existed for [Glikl] were those where she could find business, relatives
or coreligionists.' En de enige plaats waarnaar Glikl verlangt
is Palestina.
Dat we ons vandaag nog kúnnen verbazen
over deze vrouw van drie eeuwen her, komt doordat ze een prachtig Jiddisch
boek heeft nagelaten. Naar eigen zeggen begon ze eraan in 1691 en met
lange onderbrekingen ging ze door tot 1719. Toen haar jongste zoon na
haar dood het manuscript vond, schreef hij het over, en die kopie bleef
bewaard; pas in 1896 werd de tekst gepubliceerd door de geleerde David
Kaufmann, die boek en auteur ook een naam gaf, Zikhronot marat Glikl
Hamel of, zoals het werk in andere talen bekend raakte: 'de memoires
van Glückel van Hameln'. Er is echter geen reden om Glikls naam te
verduitsen, en het aan de echtgenoot ontleende 'van Hameln' [Jiddisch
'Hamel'] is ongefundeerd, want Duits-joodse vrouwen noemden zich destijds
naar hun vader. In de recentste literatuur wordt dan ook gesproken over
Glikl bas Juda Leib, Glikl dochter van... De schrijfster zelf koos geen
titel; 'memoires' is aanvaardbaar, al biedt het boek veel meer dan dat.
In 1913 verscheen een ingekorte Duitse vertaling,
die groot succes kende en nog altijd te koop is. Een soortgelijke en eveneens
nog verkrijgbare Engelse versie kwam er in 1932; enkele andere talen zouden
volgen. In het Duits en het Engels werden er van het boek ook theaterstukken
gemaakt, er bestaat een Amerikaanse adaptatie voor de jeugd, en Glikl
krijgt veel ruimte in het nieuwe Jüdisches Museum van Berlijn. Kortom,
de memoires verwierven een zekere populariteit, maar wel via inkortingen
en bewerkingen.
De sociaal-feministische activiste en publiciste
Bertha Pappenheim vervaardigde echter al in 1910 een volledige Duitse
versie, die niet ruim bekend werd omdat ze als privé-druk verscheen. De
vertaalster was namelijk een verre verwante van Glikl, en ze deed het
vooral voor de familie, maar ongetwijfeld zag ze in Glikl ook een model
voor joodse vrouwen. [Nooit gehoord van Bertha Pappenheim? Wellicht kent
u haar uit een andere context: in haar jeugd was zij Anna O., de fameuze
hysterie-patiënte wier geval sterk bijdroeg tot de ontwikkeling van de
psychoanalyse.]
Pappenheims tekst kreeg pas in 1994 een reprint
en heeft als nadeel dat er amper toelichtingen in staan. Op dat punt zijn
Nederlands-lezenden geprivilegieerd: in 1987 publiceerde wijlen Mira Rafalowicz
[later een van de bezielsters achter de Jiddische Bibliotheek van uitgeverij
Vassallucci] een complete vertaling met een nuttige inleiding en dito
annotaties; er zitten wat fouten en onnauwkeurigheden in dat boek, maar
het verdient een beslist herziene editie, met nog meer commentaar.
Al verscheen Rafalowicz' vertaling bij een feministische
uitgeverij, Glikl neigde niet naar feminisme. Wel is haar werk een belangrijk
document voor vrouwengeschiedenis, zoals het er een is voor joodse geschiedenis;
het geeft een veelkantig en meeslepend tijdsbeeld, maar moet ook gelezen
worden als een eigensoortige autobiografie en een intrigerend literair
werk.
2.
Glikls schreef in het West-Jiddisch, een historische variant van het Jiddisch
die van het Oost-Jiddisch verschilde door de uitspraak en door afwezigheid
van Slavische elementen. Die taal werd geschreven in Hebreeuwse letters.
Ook voor de rest bevat Glikls idioom talrijke Hebreeuwse elementen [samen
zo'n twintig procent]: van woorden en affixen tot citaten uit bijbel en
talmoed. Veel daarvan is niet merkbaar in vertaling, maar er zijn andere
eigenaardigheden die van de memoires een door en door joodse tekst maken,
zoals de formules die steevast na persoonsnamen staan: 'mijn moeder -
moge zij leven', 'mijn vader - zijn nagedachtenis zij ons ten zege', 'de
koning van Denemarken - moge zijn roem verhoogd worden'. Glikl gebruikt
ook de joodse tijdrekening, begint te schrijven 'in het jaar 5451 na de
schepping' en eindigt in de maand nissan 5479.
Jiddisch was de enige taal die Glikl helemaal
beheerste. Aan het cheider [de joodse basisschool] en aan Jiddische lectuur
dankte ze een beperkte kennis van het Hebreeuws; mondeling stond ze haar
mannetje in het voor de handel noodzakelijke Duits, dat ze ook een beetje
lezen kon. De geletterdheidsgraad van de joden, ook joodse vrouwen, was
oneindig veel groter dan die van de christenen, maar deze schrijfster
mogen we zeker als een bijzonder ontwikkelde vrouw beschouwen.
Schrijfster? Glikl zou geschrokken zijn van dat woord, ze was moeder
en koopvrouw. Ze heeft haar tekst niet gepolijst, hij zit vol slordigheden
en herhalingen - maar dat betekent niet dat het om een ondoordachte, vormeloze
massa gaat; zo vinden we klare aanduidingen over motivering, publiek,
opzet en compositie.
Ik begin hieraan, meldt de openingszin, 'vanwege
mijn grote zorgen en smarten en mijn hartepijn'. Terwijl Glikl haar publiek
aanspreekt concretiseert ze dat: 'Mijn lieve kinderen, ik ben begonnen
dit te schrijven na de dood van jullie vrome vader om mijn ziel een beetje
te verlichten als mijn zware zorgen melancholieke gedachten bij me doen
opkomen.' Die gedachten komen 's nachts, als ze niet slapen kan, dan staat
ze op. De kinderen vernemen ook wat ze mogen verwachten: ik neem de pen
op 'om zoveel ik mij van mijn jeugd herinner te beschrijven'. Iets verder
lezen we dat het geschrift 'zeven kleine boekjes' zal omvatten, en aan
die indeling houdt Glikl zich.
Maar ze treedt vér buiten herinneringen aan haar
jeugd: vertelt haar leven tot in de ouderdom, en bericht uitvoerig over
haar gezin van herkomst en over dat van haar man. En dan wordt de bedoeling
nog explicieter - ik schrijf dit op 'zodat, als vandaag of morgen jullie
lieve kinderen of kleinkinderen bij jullie komen en hun familie niet kennen,
jullie zullen weten van wie jullie afstammen'. Bovendien is het familieverhaal
via terloopse en minder terloopse verwijzingen ingebed in de algemene
geschiedenis; oorlogen passeren de revue, de situatie van de joden in
diverse staten, en de ophef die de 'valse messias' Sjabtai Zwi teweegbracht
in 1666.
Dat is nog niet alles. Het grote verhaal wordt
vermengd met grofweg twee andere tekstsoorten: moralistische beschouwingen
en gebeden, en fictieve verhalen [sprookjes, legenden, parabels]. Terwijl
het meeste daarvan geïntegreerd zit in het eigen vertoog, vormen een twaalftal
uitgewerkte short stories duidelijk aparte eenheden; Glikl schreef ze
over of vertelde ze na uit diverse bronnen - Jiddische bronnen, al zit
er materiaal in van uiteenlopende komaf: koning David en rabbi Jochanan
verschijnen ten tonele naast Alexander de Grote en keizerin Irene van
Constantinopel.
Jiddische boeken richtten zich vooral tot vrouwen
[die immers de heilige taal niet goed kenden]: er bestonden veel moralistische
werken, waarin vertellingen ter illustratie gebruikt werden, maar ook
echte verhalenbundels, en een bewerking van bijbel en talmoed. Glikl las
het allemaal, godweet in welke gestolen uren. In haar memoires zijn de
ingelaste vertellingen altijd exempla, je moet er iets uit leren, al dienen
ze ook ter verstrooiing, allereerst voor de schrijfster zelf. Haar literaire
honger was enorm, ze liet zelfs teksten mondeling vertalen uit het Hebreeuws.
De meeste vertalers van de Zikhronot
snoeiden de ingebedde verhalen grotendeels weg, omdat ze die ervoeren
als hinderlijke onderbrekingen, en Glikls werk alleen de moeite waard
achtten als joodse familiegeschiedenis. Hoe bizar! Die [vaak schitterende]
niet-autobiografische stukken verhogen de charme en levendigheid van het
werk én maken er wezenlijk deel van uit: ze zijn zorgvuldig gekozen, interageren
met de levensbeschrijving. Ondertussen toont Glikl zelf zich een buitengewoon
knappe vertelster; bij algemene of zakelijke gegevens laat ze zich steeds
weer gaan in pakkende of sappige anekdotes, eigen verhalen dus - die eveneens
exemplarisch bedoeld zijn, zoals uiteindelijk haar hele boek. Hoe verbrokkeld
het ook lijkt op het eerste gezicht, het hangt samen, vloeit ineen. En
de eigen of ontleende verhalen zijn bijna nooit eenvoudige illustraties,
ambivalentie omgeeft ze, de verbanden geven te denken. Glikl was wel degelijk
een schrijfster.
Dat blijkt ook hieruit, dat ze bewust worstelde
met de compositie. Zoals gezegd kondigt ze zelf de verdeling in zeven
aan, een cijfer dat onder meer verwijst naar de zeven decennia die een
mensenleven kon tellen. Maar die aankondiging staat pas bij het begin
van boek twee - ik vermoed dat Glikl het eerste boek [althans ten dele]
later geschreven heeft; het is anders dan de andere: is korter, bevat
nog geen enkel verhalend-autobiografisch stuk. Afgezien van statements
over motivering, opzet en dergelijke bestaat het uit beschouwingen en
gebeden, en niet minder dan vier ingelaste verhalen. Bij een eerste lezing
lijkt dit boek wazig en rommelig en repetitief, maar het fungeert als
een heuse proloog, die de uitgangspunten uiteenzet.
Bij haar mans overlijden ziet Glikl zich geconfronteerd
met de onbegrijpelijkheid en de wanorde van de aardse wereld. Waarom gaat
het de slechten vaak goed en de goeden slecht? Tegen zulke onbeantwoordbare
vragen verweert ze zich met haar vertrouwen in de komende wereld en met
het houvast van de thora: later zullen we inzien waarom de dingen zo zijn,
misschien is het kwaad dat ons overvalt wel goed voor ons, God weet wat
hij doet - en inmiddels dienen wij zo juist mogelijk te leven, zodat [schrijft
de koopvrouw!] wij na onze dood 'geen negatief saldo [hoeven te] vereffenen'.
De tegenspraak tussen huidige en komende wereld is fundamenteel en verre
van academisch: Glikl moest haar godsvrucht combineren met gezwoeg voor
het dagelijks brood. Geld is niet alles, herhaalt ze gedurig en welgemeend,
maar de zorg ervoor benauwt haar levenslang.
Juist te midden van de stichtelijke overwegingen
in het eerste boek beklemtoont Glikl dat ze geen stichtelijk werk wil
schrijven, daartoe is ze niet bekwaam en er zijn er al genoeg. In de volgende
boeken geeft ze het grote probleem dan ook vorm in een chronologisch verhaal,
vanuit haar eigen ervaring. Dat is het unieke; Glikl schreef de allereerste
autobiografie in het Jiddisch, en haar werk lijkt nauwelijks op bestaande
Hebreeuwse autobiografieën [die ze niet kende]. Ze kon geen titel of genre-aanduiding
geven, omdat ze geen weet had van soortgelijk werk.
3.
Ik sta nu stil bij enkele elementen uit het vijfde boek, dat de periode
1689-1699 omspant en dat begint met een emotionele beschrijving van Chajims
dood. Drie van de kinderen zijn op dat moment al getrouwd, een is verloofd;
aan het eind blijven er nog maar één verloofde en één niet-verloofde over
- goed gewerkt!
Liefde, godsdienst, geld. Chajims dood was de aanleiding voor
Glikls schrijven, en ze benadrukt ontelbare keren hun wederzijdse gevoelens.
'Mijn lieve vriend' besprak alles met haar, ze voelde zich door hem warm
gewaardeerd, was zijn 'oogappel'. 'Troost mijn Glikltje', zei hij op zijn
sterfbed, maar anderen deugen niet voor die rol, alleen hijzelf kon haar
troosten. Deze diepe genegenheid was niet vanzelfsprekend, als we bedenken
dat het om een gearrangeerd huwelijk ging, en Glikls liefdeswoorden zijn
niet louter conventioneel, want over haar tweede man zingt ze een heel
ander wijsje.
Vlak voor hij sterft verdiept Chajim zich nog
een poosje in een religieus boek, en hij vertrekt, zoals het hoort, met
het gebed Sjema Jisraeel op de lippen; die details zijn misschien niet
volledig waar gebeurd, maar ze signaleren dat Glikl de dingen in een godsdienstig
kader ziet. De dood is echter ook een economisch gegeven. Chajim stelt
geen curatoren aan voor zijn nalatenschap: 'Mijn vrouw weet overal van.
Laat ze doorgaan met wat ze altijd al deed.' Meteen na de rouwtijd slaat
Glikl de hand aan de ploeg, ze liquideert haar mans schulden, en lijkt
het er als grote onderneemster beter af te brengen dan hij.
Het samengaan van economische en andere bekommernissen
is in het hele werk verbluffend. Veel mensen portretteert Glikl door hun
vermogen te noemen ['een mens van 10.000 daalders']; en als een medewerker
van Chajim bruut vermoord is zucht ze: 'Nu kan men zich wel indenken hoe
mijn man [...] en ik schrokken en wat een verdriet we hadden, want [...]
hij was een heel vroom, eerlijk mens en wij hadden nog grote zaken met
hem kunnen doen!'
Huwelijksmarkt. Het grote aantal kinderen was niet uitzonderlijk,
wél dat er zoveel de volwassenheid bereikten. Niet vreemd dus dat de verhouding
tussen de generaties een van Glikls hoofdthema's blijkt.
De uithuwelijking van de kinderen is, zoals ook
Rafalowicz opmerkt, de eigenlijke levenstaak van de weduwe: haar handelsactiviteiten
staan in functie daarvan. Het worden verbintenissen zoals de hare, waarbij
de partners elkaar niet kennen en kiezen [al wordt er wel eens om hun
instemming gevraagd]. Als hedendaagse lezer kijk je nog wel op bij een
zin als: 'Dus heb ik [mijn zoon Zanwel] geschreven dat hij verloofd was
met de dochter van reb Mosje B. en dat hij daarom meteen na de markt in
Frankfurt naar Wenen moest reizen om daar tot zijn bruiloft te blijven.'
Frappant is verder de enorme ruimtelijke spreiding
- Glikls kinderen komen, afgezien van Hamburg, terecht in Amsterdam, Hameln,
Metz, Berlijn, Kopenhagen, Bamberg, Baiersdorf. Ook in andere joodse families
deed die verstrooiing zich voor, omdat er nooit genoeg geschikte kandidaten
waren in de eigen stad; de spreiding zorgde tevens voor nieuwe handelscontacten,
én het was een veiligheidsmaatregel: als de Hamburgse grond de joden te
heet onder de voeten zou worden [het gevaar van uitdrijving dreigde geregeld],
beschikte men over uitwijkplaatsen.
De vroege huwelijksleeftijd [die een talrijk kroost
mogelijk moest maken] werd enigszins gecompenseerd doordat de bloedjonge
bruid en bruidegom de eerste jaren introkken bij een van de ouderparen,
dat dan een oogje in het zeil hield. Wanneer het misgaat met haar zoon
Leib moppert Glikl: 'zijn schoonvader, in plaats van extra op hem te letten,
heeft hem laten lopen als een schaap zonder herder'. 'Herder', dat is
precies het woord waarmee ze dikwijls haar eerste man aanduidt, 'onze
trouwe herder'.
Altijd gaat het om de financiële welstand van
de kinderen en de familie. Hoe pijnlijk om na de verloving van een dochter
te vernemen 'dat de bruidegom niet zoveel had als op papier stond'! Vaak
wordt er lang over de bruidsschatten onderhandeld vooraleer men het [luisterrijke]
trouwfeest mag vieren. Het huwelijk van Zanwel valt bijna in het water
omdat de aanstaande schoonvader meende 'nog iets uit me te kunnen persen'.
In dezelfde dagen wordt aan de verloving van zoon Mosje gewerkt: 'wij
waren er al bijna, maar we konden het niet eens worden: duizend mark scheidde
ons'; Glikl zet de andere partij onder druk, vertrekt naar huis - en jawel,
ze komen haar achterna.
Lernen of handeldrijven. Dochters hoef je alleen een man te
bezorgen, maar voor de zonen is ook beroepskeuze van belang. Er bestaan
slechts twee mogelijkheden. Wie graag over thora en talmoed discussieert,
wie goed kan lernen dus, die wordt geleerde of rabbijn, en wie
niet zo'n studiehoofd heeft... 'Omdat [Zanwel] niet wilde lernen moest
hij wel tot koopman opgeleid worden. Mijn zoon reb Mosje heeft heel goed
kunnen lernen, daarom heb ik hem naar de heilige gemeente Frankfurt gestuurd
om daar in de talmoedschool te lernen en ik hem mijn zoon reb Zanwel daar
ook heen gestuurd, maar hem met handelswaar.' Mosje werd rabbijn, en aan
hem danken we het behoud van zijn moeders boek.
Veel ruimte besteedt Glikl aan haar zoon Leib.
Hij trouwt in Berlijn, heeft daar een grote winkel en gaat naar de markten,
maar door gebrek aan ervaring boert hij slecht, maakt schulden, riskeert
op den duur gevangenis. Glikl moet meermalen tussenbeide komen, haalt
de jongen weer naar Hamburg, waar ze hem tenslotte bij zich in de zaak
neemt. Ach, haar 'ongelukszoon' bedoelde het niet kwaad: 'Hij was ijverig
en zou zeker goed terechtgekomen zijn als zijn goedigheid hem niet geruïneerd
had'; 'een jong, vroom, deugdzaam mens, thorakenner, die zo te gronde
moest gaan!' In boek zes, bij Leibs dood, komt ze terug op dat thema -
verweet ze zich in dit geval een verkeerde weg gekozen te hebben voor
haar kind?
's Werelds ondank. Tijdens de moeilijkheden met Leib ergert
Glikl zich aan vrijblijvende compassie: 'Hoewel mijn aangetrouwde verwant
[...] diep medelijden met hem had en zijn mededogen luidkeels verkondigde,
heeft hij mijn zoon geen enkele werkelijke hulp geboden.' Zo zie je weer
'dat men iemand pas als een vriend mag beschouwen als men hem eerst op
de proef gesteld heeft', en ze verwijst terug naar vergelijkbare ervaringen
bij Chajims dood. Er kwamen toen vrienden en verwanten, 'maar hun woorden
bleken hol geklets en hebben mij of mijn wezen weinig geholpen'; na de
rouwtijd liet niemand zich nog zien, om van daadwerkelijke solidariteit
maar te zwijgen. Het merkwaardige verhaal dat deze klacht illustreert,
het enige ingebedde in boek vijf, gaat over een koningszoon die - op aanraden
van zijn vader! - drie dienaren test op hun 'vriendschap', door hen te
vragen hem te helpen bij het begraven van iemand die hij zogenaamd vermoord
heeft; twee van de drie weigeren, de derde levert beperkte hulp; de twee
eersten worden vervolgens terechtgesteld, als straf, maar ook om de derde
tot voorbeeld te strekken.
Hier zie je goed dat er bij Glikl geen simpele
relatie tussen algemene les en voorbeeld bestaat. Als directe ondersteuning
van haar aanklacht is de geschiedenis vrij dubieus, tenzij je aanneemt
dat de bereidheid om moorden te verdonkeremanen werkelijk een toetssteen
is voor vriendschap. Bovendien worden de 'lauwe' vrienden terechtgesteld,
en dan mag je toch denken dat Glikl het verhaal onbewust gekozen heeft
om onderdrukte agressiviteit te uiten. Als dat waar is - andere verhalen
lijken het te bevestigen -, vormt de inlassing een fragment van de innerlijke
autobiografie, en is ze misschien, onrechtstreeks, nog autobiografischer
dan de rest. Men kan haar niet wegknippen zonder het werk te verminken.
Joden in gevaar. Het zeventiende-eeuwse Europa was onveilig
en ongezond voor iedereen, maar voor de joden flink wat meer. Glikl vertelt
in boek vijf een lange Hamburgse geschiedenis die enigszins lijkt op de
ingebedde verhalen, omdat zij er zelf geen rol in speelt. Het gaat over
moorden die gepleegd werden op joodse geldwisselaars; de zaak raakt opgelost,
vooral door de koppige slimheid en energie van een joodse vrouw, Riwka:
zij vermoedt wie de dader is, en rust niet voor hij opgepakt en bestraft
wordt. Een uitstekend vertelde detectivestory, maar zienderogen verschuift
het accent van de jacht op de moordenaar naar het gevaar dat die jacht
meebrengt. De aangehouden man wil niet bekennen en schreeuwt dreigementen,
zodat 'alle joden door angst bevangen werden, want de moordenaar kwam
uit een in heel Hamburg bekende familie'. Als er in het moordenaarshuis
naar een lichaam gezocht wordt verzamelen werklieden en canaille zich
voor de deur, 'en allen waren het over één ding eens: als de joden het
lijk vinden, is alles goed. Als ze het echter niet vinden, blijft er -
God behoede - van de joden geen stukje heel.' Die kwaadaardige dreiging
duurt tot de dag van de terechtstelling, maar er gebeurt niets, dankzij
de stadsraad en natuurlijk God, 'die in Zijn genade en trouw bij ons gebleven
is'. Geen twijfel dat we ook dit verhaal als exemplarisch moeten zien,
als een waarschuwing aan de kinderen, om toch altijd op hun hoede te blijven.
Glikl voelde zich dus betrokken bij de affaire, en wellicht identificeerde
ze zich met de daadkrachtige Riwka.
In Hamburg leefden twee joodse bevolkingsgroepen:
de sefardische ['Portugese'] en de asjkenazische ['Duitse'], waarvan Glikl
lid was; tussen die twee bestond weinig contact, en ze hadden een verschillende
status: de asjkenazim waren, anders dan de meer vermogende en ontwikkelde
sefarden, niet officieel als gemeente erkend; ze mochten tegen betaling
in Hamburg verblijven, maar hun eigenlijke basis was het naburige Altona
[dat tot Denemarken behoorde - overigens moesten ook de sefarden naar
Altona voor hun godsdienstoefeningen]. De asjkenazim woonden graag in
Hamburg, voor de zaken, maar kregen er dus geen rechtszekerheid; het lagere
volk en de Lutherse geestelijken gedroegen zich bovendien zeer anti-joods.
Als Glikl het wel eens heeft over haar 'geliefde Hamburg', moeten we dat
met een korrel zout nemen. Wanneer in de jaren negentig Samson Wertheimer
haar uitnodigt om bij hem in Wenen te komen wonen en werken 'aangezien
er in Hamburg grote jodenhaat heerste', wil ze daar meteen op ingaan;
slechts toevalligerwijs krijgt het plan geen uitvoering.
In sommige steden waaide een nog veel guurder
wind dan in Hamburg, de hele wereld was anti-joods; maar Glikl rapporteert
meer gemeenheden van joden dan van onbesnedenen.
Tussen hof en gevangenis. Wertheimer behoorde tot de schaarse
rijke en machtige 'hofjoden', die de Europese heersers rechtstreeks dienden
als financieel adviseur, bankier, legerleverancier - en die hun invloed
aanwendden ten gunste van geloofsgenoten. Evenals de nog beroemdere Samuel
Oppenheimer werkte Wertheimer voor de Oostenrijkse keizer.
Glikl en haar echtgenoten waren welgestelde mensen
uit de joodse bovenlaag, die zich wat lager situeerden dan de hofjoden
maar wel met hen te maken hadden. Zoon Mosje wordt uitgehuwelijkt aan
de dochter van Samson Baiersdorf, die sinds 1670 de markgraaf van Bayreuth
diende. Wanneer het feest moet plaatsvinden stelt Baiersdorf het uit,
zogenaamd wegens de bouw van een nieuw huis. Het zal wel, zegt Glikl,
'Maar de voornaamste reden was toch dat de markgraaf van Bayreuth een
nieuwe raadgever had gekregen, die zich tegen de prominente rabbijn Sjimsjen
[Samson] keerde.' Juist de positie van de hofjoden, die elke dag kon omslaan,
toont nog eens duidelijk hoe bar en boos de wereld bleef voor de kinderen
van Israël.
Eerder, in boek vier, had het geen haar gescheeld
of Glikls oudste zoon Nathan raakte verloofd met een dochter van Oppenheimer;
door een misverstand gaat dat niet door, Nathan trouwt een ander meisje.
In boek vijf doet de jongeman zaken met Oppenheimer en diens zoon, en
op een kwade dag wacht hij vergeefs op geld dat zij hem moeten overmaken
- de verklaring komt gauw: Oppenheimer en zijn zoon zijn aangehouden [op
valse beschuldigingen], en dat heeft gevolgen: 'Zodra dat nieuws Hamburg
bereikte, was meteen al het krediet van mijn zoon Nathan verdwenen en
wie een wissel op mijn zoon had [...] drong aan bij hem op onmiddellijke
betaling.' De gearresteerden worden snel vrijgelaten, Nathan krijgt zijn
geld, maar opnieuw is de onzekerheid gebleken, mét Oppenheimer zouden
vele anderen gevallen zijn.
Glikl is een sterke, zelfbewuste persoonlijkheid; ze laat niet over zich
lopen, stelt daden, neemt initiatieven, oppert opinies over politiek en
godsdienst. Maar ze is geen rebel, aanvaardt de religieuze en maatschappelijke
regels, haar tussenkomsten dienen soms juist om de orde te herstellen.
En toch.
Wanneer ze aankondigt dat ze haar leven wil verhalen,
voegt ze daar haastig aan toe: 'Niet dat ik mij beter wil voordoen dan
ik ben [...] ik ben een zondige vrouw': blijkbaar vindt ze een levensbeschrijving
alleen passend voor een volmaakt mens. Maar: 'ik word verre gehouden van
de juiste gemoedstoestand [...], door mijn verwarring en de zorgen die
ik heb om in deze wereld in leven te blijven'. Dus, haar reële moeilijkheden
leiden tot onvrede, en die onvrede leidt tot schrijven. Wat verder looft
ze de serene manier waarop haar moeder de dood van haar vader verwerkte:
zij nam alles zoals het kwam - 'Ik wou dat ik zo'n karakter zou kunnen
ontwikkelen. Ach, God [...] geeft niet ieder hetzelfde.' Al van vóór Chajims
dood ziet Glikl zich als een onrustige en ongeduldige, een 'vertwijfelde,
boze natuur' - ze denkt te veel na en leest te veel om echt onderdanig
te kunnen zijn, verzoent zich moeilijk met het lot en het kwaad. Haar
woede over het gebrek aan vrienden in de nood zegt genoeg. Typerend is
ook deze opmerking, vlak na het incident met Oppenheimer: 'Weliswaar hebben
de prominente heren ons alle onkosten betaald, maar onze tranen, smarten
en zorgen konden ze niet terugbetalen; van hun levensdagen niet.' En nog
een - schrijnend - voorval: wanneer haar man te sterven ligt, mag Glikl
hem niet aanraken omdat ze menstrueert. 'Daarop zei ik tegen mijn man:
'Mijn lief, mag ik je aanraken?' Want ik was toen onrein. Hij antwoordde:
'God beware, mijn kind! Zo lang duurt het niet tot je je in het rituele
bad onderdompelt.' Maar dat heeft hij helaas niet meer mee mogen maken.'
Het interessante is hier niet het religieuze verbod, maar het feit dat
Glikl het wil overtreden, en dat zelfs opschrijft. Volgens een van haar
frequente formules gebeurt alle onheil 'vanwege onze/mijn vele zonden':
dat was meer dan een cliché, al zouden wij haar zonden niet erg zondig
vinden.
Voorbeelden als deze brengen Natalie Zemon Davis
ertoe om Glikl met Job te vergelijken: hoe indirect soms ook, zij twist
met God, kan zich niet neerleggen bij de wereld zoals hij is.
4.
Glikl besluit haar boek met een korte passage die helemaal los lijkt te
staan van het voorafgaande: 'Nissan 5479 [maart/april 1719] stond er een
vrouw bij de rivier de Mosel haar eetgerei te wassen. 's Nachts, ongeveer
om tien uur, werd het zo licht als was het dag. De vrouw keek de hemel
in en de hemel was open als een [onleesbaar woord] en er sprongen vonken
af; en daarna is de hemel weer dichtgegaan, alsof iemand een gordijn dichttrok.
En het werd weer heel donker. Moge God - geloofd zij Hij - geven dat dit
goed voor ons zal zijn. Amen.' Een wonderlijk licht, maar is het niet
wonderlijker dat die vrouw in het donker haar eetgerei staat af te wassen?
Misschien is de vrouw in dit stukje Glikl zelf.
Je kunt je dan laten verleiden tot de idee dat de schrijfster op dit eindpunt
aan een nieuw genre begint: door zichzelf als derde persoon op te voeren
schakelt ze over op een soort fictie, tekstconstructie neemt nu helemaal
de overhand op weergave. Maar het is juister te zeggen dat deze slotpassage
de drie tekstsoorten van het boek verenigt: [1] er wordt iets uit het
eigen leven verteld [2] alsof het een vreemd verhaal is, en [3] daar wordt
een gebed aan toegevoegd. Hoe dan ook: een professionele schrijfster had
niet glanzender en diepzinniger kunnen eindigen.
Moge zij leven. Uitgevers der Nederlanden, bezorg
de autobiografie van Glikl bas Juda Leib een nieuwe uitgave. Lezers, lees
dat boek.
Aantekening
De memoires van Glikl Hamel [1645-1724] door haarzelf geschreven,
vert. Mira Rafalowicz, Feministische Uitgeverij Sara, 1987; Die Memoiren
der Glückel von Hameln, vert. Bertha Pappenheim [1910], reprint:
Beltz Athenäum Verlag, Wertheim, 1994. Veel informatie en inzicht
haalde ik uit: Natalie Zemon Davis, Women on the Margins. Three
Seventeenth-Century Lives, Harvard University Press, Cambridge, Mass./London,
2001 [1995] [over Glikl, en over de katholieke mystica-missionaris Marie
de l'Incarnation en de protestantse kunstenares Maria Sibylla Merian;
soms wat te speculatief]; en Monika Richarz [red], Die Hamburger Kauffrau
Glikl. Jüdische Existenz in der Frühen Neuzeit, Christians
Verlag, Hamburg, 2001. En: Elia Barnavi [ed], A Historical Atlas of
the Jewish People, Kuperard, London, 1998 [1992]; het geciteerde
fragment staat ook op www.myjewishlearning.com.
|
|