

 |
 |
De ontdekking van
een toneelstuk 'van' Willem Elsschot
De geboorte van een farce en de oplossing van het auteurschap
Jan van Hattem
'Toneelstuk van Elsschot ontdekt,' kopte Het Parool op 17 september
2003 boven een vijfkoloms artikeltje van Pieter Bots. Bob Witman deed
zijn stukje daarover in de Volkskrant de dag erop verschijnen
als 'Onbekende Elsschot gevonden in Snoecks'. De commotie sloeg
over naar Vlaanderen. De Standaard nam op 19 september een bericht
uit de Nederlandse Nieuwe Rotterdamse Courant over onder dezelfde
kop, die ook Het Parool gebruikte. Op zaterdag de 20ste vermeldde
Jeroen de Preter in De Morgen: 'Toneelstuk van Elsschot opgedoken.'
De Gazet van Antwerpen is, waarschijnlijk door een waarschuwing
van Cyriel van Tilborgh, voorzitter van het Willem Elsschotgenootschap,
voorzichtiger: 'Toneelstuk Elsschot ontdekt.' Hij gaf Gazet-redactrice
Martine Cuyt de raad: 'Wacht op de analyse van experten alvorens victorie
te kraaien.'
Waar gaat het om? Om een toneeltekst die door 'Elsschot-kenner' Guido
Lauwaert werd ontdekt bij onderzoek voor een artikel over de geschiedenis
van de almanakken van uitgeverij Snoeck-Ducaju. Hij trof in 'het archief'
een toneelstuk aan dat hij meende aan Willem Elsschot te kunnen toeschrijven.
Bob Witman: '[Hij] herkende bij lezing direct de 'Elsschottiaanse' stijl.
Simpele, doch krachtige zinnen.' Het gaat om een ongesigneerd stuk getiteld
De Landman van Chicago, of hoe men uitgever wordt van een landbouwblad.
Pieter Bots gaf aan dat het stuk niet gesigneerd was, 'maar oorsprong,
inhoud en stijl wijzen in de richting van Elsschot.'
Volgens de berichtgeving had Lauwaert zelfs niet maar één ogenblik geaarzeld
de tekst aan Elsschot toe te schrijven: 'Al is het misschien beter om
het een stuk van Alfons De Ridder te noemen [...] De kwaliteit van dit
stuk is duidelijk lager dan het proza van Willem Elsschot. Bovendien is
het taalgebruik Vlaamser. Zijn proza werd altijd door verschillende Nederlandse
redacteurs nagelezen. Dat is hier duidelijk niet gebeurd.' Jeroen De Preter
vervolgde Lauwaerts betoog: 'De lagere kwaliteit doet [hem] echter niet
twijfelen aan de herkomst van de tekst. "Het kan bijna niet anders
dan van De Ridder komen. Thematisch lijkt het stuk opvallend sterk op
Lijmen. Net als in die roman gaat het om bedriegelijke verkooppraktijken.
In het toneelstuk is de bedrieger een jongeman die een dagblad vult met
grotendeels verzonnen reportages. Bovendien heeft het stuk dezelfde stijlkenmerken
als het al gekende werk van Elsschot. Er staat geen woord te veel in.
Wel viel het me op dat De Ridder in dit stuk iets modieuzere taal gebruikt.
Het was dan ook voor een reclameblad bestemd."'
Eén van de experts werd door De Morgen-redacteur De Preter geraadpleegd,
zo maken we uit zijn artikel op. 'Elsschot-biograaf Vic van de Reijt heeft
het toneelstuk nog niet gelezen, maar heeft evenmin veel twijfels over
de auteur ervan. "Het zou me in geen geval verbazen. Alleen al de
titel is erg Elsschottiaans. Bovendien zou het niet de eerste keer zijn
dat we niet-ondertekende stukken van De Ridder in een nummer van Snoecks
terugvinden. Dat boekje moest vol, hé. Als er niet voldoende advertenties
waren, dan vulde hij de gaten zelf. Ik vermoed dat het ook in dit geval
zo is gegaan." '
Volgens Van de Reijt is het belang van de vondst zeker niet te verwaarlozen.
'Officieel heeft Elsschot na 1947 [het jaar waarin de novelle Het
dwaallicht verscheen] op een enkel gedicht na niets meer gepubliceerd.
Een vondst als deze toont aan dat het af en toe nog moet gekriebeld hebben.'
Waarom de titel Van de Reijt 'Elsschottiaans' aandeed, werd niet vermeld:
niet alleen telt deze vier woorden, in tegenstelling tot zijn boeken die
maar drie, twee of zelfs een woord tellen [Villa des roses, Lijmen,
Het Been, Kaas, Tsjip....] het zou voor het
eerst zijn dat Willem Elsschot een ondertitel gebruikte.
Martine Cuyt vroeg Lauwaert waarom het stuk nooit eerder als werk van
Elsschot is erkend. 'Omdat Snoecks door de literaire wereld altijd
een beetje denigrerend is bekeken,' luidde zijn antwoord. Onderzoeker
Lauwaert heeft Snoecks '83 niet gelezen. Voor dat jaarboek schreef
de toenmalige directeur Serge Snoeck een historisch overzicht over de
uitgeverij. Hij citeerde daarin schrijvers als Ernest Claes, Stijn Streuvels
en Karel van de Woestijne: kleinerend over de almanakken lieten die zich
nooit uit.
Symptoom van een ziekte
We hebben hier te maken met het symptoom van een ziekte. Bewonderaars
van een schrijver kunnen blijkbaar geen genoegen nemen met de omvang van
het oeuvre dat deze publiceerde onder zijn eigen naam of onder een [al
dan niet later [h]erkend] pseudoniem. Dat speelt sterker naarmate het
werk van de schrijver kwantitatief beperkt blijft. In het geval van Willem
Elsschot telt daarenboven het feit mee dat hij als de advertentieacquisiteur
Alfons De Ridder anoniem of onder een pennaam tekstsporen zou kunnen hebben
achtergelaten in de publicaties waar hij reclame voor wierf. Dat die optie
juist is, bleek uit de vondst van Serge Snoeck van Drama in 4 bedrijven,
gepubliceerd in Snoeck's almanach voor het jaar O.H. Jesu-Christi
1943, een stuk dat Elsschot onder de deknaam Nicodemus publiceerde.
Serge Snoeck wist zijn vondst te staven. Op 4 juli 1942 zond Alfons De
Ridder aan zijn tante Yvonne Batta-Snoeck, uitgeefster van de Almanak,
een brief met aanwijzingen voor het zetten van de tekst, die afgesloten
werd met: 'En zoo ben ik dan, onder den naam Nicodemus, tóch medewerker
van uwen Almanakken geworden.' De redactie van Snoeck's 83
publiceerde dit drama ter gelegenheid van de honderdste verjaardag
van de schrijver opnieuw: 'Voor een goed begrip dient wel aangestipt dat
Elsschot dit drama schreef om een advertentie voor de [Nationale Landbouw-
en Voedings-] "Corporatie" in de wacht te slepen.'
Dat Willem Elsschot niet ten onrechte de meervoudsvorm gebruikte, bleek
al snel daarna. Boris Rousseeuw vond een tweede tekst: De Bekeering
van Viaene in Snoecks Groote Almanak 1943. Mocht er ondanks
de brief van De Ridder nog aarzeling bestaan de Nicodemus-teksten aan
hem toe te schrijven, dan was er nog een tweede bewijs. De in de twee
drama's voorkomende familienamen als Acou, Raté, Bailleul, Pylyzer, Viaene,
Top en Pattyn vinden we in de Officieele Naamlijst der Telefonen.
Rijk. 1939-1940 onder De Panne. In het daarvan deel uitmakende St.
Idesbald had De Ridder een vakantiehuisje. A. Acou was slager, G. Bailleul
hovenier, G. Pylyser verkocht groenten. Van J. Viaene werd geen beroep
aangegeven, Raté vinden we als U. Rathé, aannemer. Onder de firma-naam
'Top Bronnen' was C. Vercoutter drankverdeler, C. Pattijn verhuurde en
verkocht rijwielen. De niet in de gids voorkomende naam Costenoble is
die van een kunstschilder, die net als een reclameacquisiteur blijkbaar
geen telefoonaansluiting nodig heeft. Te veel overeenkomstige namen om
van toeval te kunnen spreken. Dat zijn echter tot nu de enige vondsten
van anonieme teksten die werkelijk van Elsschot zijn. Enkele door Annemarie
Kets-Vree aangetroffen teksten in de Nieuwe Rotterdamsche Courant
kunnen niet voor werk van Elsschot doorgaan, zomin als de later daarin
opgedoken tekst Eugène van Mieghem en de in Agenda 1938.
Haven, Scheepvaart, Handel, Nijverheid aangetroffen tekst Onze
Antwerpsche Stouwers op het Schild. Het door Boris Rousseeuw gevonden
prijsalbum Het diamant is al evenmin van de hand van Willem Elsschot.
Het lawaai waarmee deze vondsten begeleid werden, is slechts een nevensymptoom
van het ziektebeeld. De vondst door Guido Lauwaert van een nieuw Elsschot-drama
slaat dan ook werkelijk ieders verwachting én verbeelding. Een toneelstuk
afgedrukt over 25 pagina's in Snoeck's grote Almanak 1953 van
Willem Elsschot! Daar heeft iedereen maar liefst vijftig jaar overheen
gekeken.
Dat niemand De Landman van Chicago eerder aantrof, is vreemd.
Het was nog wel afgedrukt in het katern dat gevuld werd door advertentieacquisiteur
Alfons De Ridder himself. Dat jaar had hij blijkbaar ruimte over, al 'vulde
hij 48 pagina's met advertenties'. En voor alles: hij was altijd 'in circumstances
that made the salary an object'. Alles klopt bovendien! De 'sluwe zakenman'
is eindelijk betrapt op een tekst die werkelijk van hem is. En de niet
voldoende te prijzen Guido Lauwaert beweert ook nog eens volgens NRC
Handelsblad: 'Het is een speelbaar stuk. Een goede regisseur zou
bijvoorbeeld het komische element wat extra kunnen aanzetten. Maar groots
is het niet.'
Komisch element
We nemen die Almanak ter hand. Het blijkt om een 'Blijspel
in twee bedrijven' te gaan. Maar waarom bracht Lauwaert de eronder staande
notitie niet ter kennis van het hem braaf naschrijvende journaille: 'Dit
blijspel is getrokken uit een verhaal van Mark Twain, de wereldberoemde
humorist'? Die aantekening leidt ons naar een kort verhaal van Mark Twain:
How I Edited an Agricultural Paper, afgedrukt in Sketches
in 1893. Het is zo'n achteneenhalve bladzijde lang, beduidend minder
tekst dan het toneelstuk omvat. Maar het is zeker dat het om dit verhaal
gaat. 'Have you had any experience in agriculture practically' werd 'Eerst
en vooral, hebt ge een weinig kennis van de landbouw?' Dat 'eerst en vooral'
is een Vlaamse inbreng.
Het hierboven gebruikte 'in circumstances that made the salary an object'
komt uit Twains tekst. De sollicitant komt er in de derde zin van het
verhaal voor uit dat hij door omstandigheden genoodzaakt werd een baan
te zoeken. In het toneelstuk komt dat aan het eind van het 'Tweede Toneel'
van het 'Eerste Bedrijf' dramatischer aan de orde. De kandidaat voor de
post van redactiesecretaris antwoordt op de vraag of hij behoeftig is:
'Ja, Mijnheer, ik heb niets te eten.'
We weten nu dat voor het stuk geen origineel thema gebruikt werd. Volgende
vraag: zou dit verhaal eerder in het Nederlands vertaald zijn? Werd daaruit
de 'farce' geconcipieerd?
Bij Delille in Maldeghem verscheen in 1910 in de Duimpjesuitgave nr 82
Verhalen van Mark Twain vertaald door Arthur Coussens, waar het
autobiografisch vertelsel Hoe ik opsteller werd van een landbouwblad
in opgenomen werd. Een verhaaltje van 6 bladzijden. De vraag aan de sollicitant
die 'door omstandigheden was gedwongen een geldwinning te zoeken' luidde
hier: 'Hebt gij praktische kennis van den landbouw?' Moeten we aannemen
dat Willem Elsschot uit dit stukje tekst, pover van omvang en naar inhoud,
een toneelstuk puurde met meer acties en personages? Het met eigen belevenissen
uitbreidde, dus toch origineel werk afleverde? Zo ja, dan moeten we de
vraag stellen: is deze tekst van Twain niet eerder voor toneel bewerkt
en zo ja, door wie? En wat vinden we? Er zijn zelfs twee Nederlandstalige
toneelbewerkingen verschenen voordat het blijspel in Snoeck's Almanak
werd afgedrukt. De oudste is: De Landbouw. Weekblad voor Chicago.
Farce in 2 Tafereelen. Naar een Novelle van Mark Twain. 7 Mannenrollen.
- Duur ruim een uur. G. Mosmans Zoon, 's-Hertogenbosch, z.j.
De rolverdeling was aangepast voor katholieke toneelgroepen. In Nederland
was het 'gemengd' toneelspelen nog uit den boze!
Het titelblad van de tweede uitgave geeft meer informatie: De Landbouwer
van Chicago. Blijspel in twee bedrijven. Naar een novelle van Mark
Twain door Gabriel Timmory. Bewerkt door Lodewijk de Schutter. [Vlaamsche
Tooneel-verzameling van Gebroeders Janssens]. G., J. & E. Janssens, Antwerpen,
1910. Dat 'bewerkt' op het titelblad moet gelezen worden als 'vertaald'.
De auteur van het toneelstuk, Gabriel Timmory, was eind 19de, begin 20ste
eeuw een bekend Frans dramaturg. In de Bibliothèque Nationale de France
is een tweede druk van zijn toneelbewerking van Twains verhaal aanwezig:
Gabriel Timmory: Le Cultivateur de Chicago, ou How I became the editor
of an agricultural paper. Comédie en 2 actes tiré d'une novelle de
Mark Twain. Grand-Guignol, Paris, 6 mai 1906, 2e édition.
De Landman van Chicago volgt exact de rolverdeling van dit stuk,
de intrige en dialoog. Het is een secure vertaling van de tekst van Timmory.
Lauwaerts bewijs nr 1: 'Thematisch lijkt het stuk opvallend sterk op Lijmen'
is daarmee naar de prullenbak verwezen. Misschien wijst de 'thematische
opvallend sterke gelijkenis' tussen toneelstuk en Lijmen er wel
op dat Lijmen aan Mark Twain ontleend werd! Is Lijmen
toch geen origineel werk? Wees gerust, Elsschot-liefhebber, de gelijkenis
is minder sterk dan Lauwaert beweerde.
Bewijs 2, - 'Alleen al de titel is erg Elsschottiaans,' zoals Van de Reijt
beweerde - is daarmee in een moeite door weerlegd. Geruststellend is het
dat de Elsschot-biograaf De Landman van Chicago niet gelezen
had, maar op grond van de titel alléén al vast kon stellen dat een werkje
aan zijn idool toegeschreven mocht worden. Een paar dagen later krabbelde
hij terug. Hij had het stuk inmiddels wel gelezen...
Wij lazen het ook. Dat zou tot een oplossing kunnen leiden. Daartoe stel
ik een paar citaten uit de tekst [S] tegenover die van de editie van uitgever
Janssens [J]:
J-Bestuurder: Ziedaar dus de voornaamste middelen
om groentenzaden te bewaren...
S-Bestuurder: Dit zijn dus de voornaamste middelen
die moeten aangewend worden tot het bewaren der zaden.
J-Bestuurder: ...De praktijk heeft echter geleerd,
dat het beter is, jonge granen te zaden...
S-Bestuurder: Nochtans is het in de practijk beter
zich te bedienen van jonge zaadkorrels...
J-Bestuurder: Ik zal u leeren op chewing-gum kauwen,
duivelsche snotjongen.
S-Bestuurder: Ik zal u eens leren kauwen, duivelsjong.
J-Bestuurder: Dat zijn er toch al niet te veel!
Vierhonderd... Maar ze reclameeren erger, als waren ze vier duizend! Maar
wat had ik ook weer gezegd?
S-Bestuurder: Ik heb niet te veel abonnenten:
Vierhonderd... Doch ze maken het mij lastig voor vier duizend! ... Waar
was ik nu met mijn artikel?
J-Arthur: En ik ben zoo vrij me daarvoor aan te
bieden.
S-Arthur: Ja meneer.
J-Arthur: Om het snot bij de kippen te genezen,
duidt u een behandeling aan die thans nagenoeg door niemand meer gevolgd
wordt.
S-Arthur: Voor het bestrijden der verkoudheid
bij de eenden, geeft ge een remedie die sedert lang verouderd is.
Kippen en eenden zijn gevogelte, maar verschillen beduidend van elkaar.
Zo zijn ook de tekstverschillen groot genoeg om te zien dat de Snoeck-versie
zozeer afwijkt van de versie van uitgever Janssens om ervan uit te mogen
gaan dat daarvoor niet de reeds vertaalde werd bewerkt, maar een nieuwe
vertaling gemaakt werd naar de oorspronkelijke versie. Weg zijn dus ook
de bewijzen 3 en 4: 'oorsprong, [en] inhoud' 'wijzen in de richting van
Elsschot.'
Blijven nog die van 'stijlkenmerken' en 'taalgebruik'. Over dat 'stijl'
kunnen we kort zijn. Het is moeilijk van stijl te spreken doelend op de
tekst van een toneelstuk. Hierin verwoordt een personage zich op een manier
eigen aan zijn karakter en daarbij passende taalgevoeligheid. Dat kunnen
neerschrijven toont de kracht van een toneel-schrijver, niet de 'stijl'
van het geschrevene. Blijft nog één flinterdun stukje bewijsmateriaal
over: het 'taalgebruik'. Guido Lauwaert geeft toe dat de tekst Vlaamser
is dan gebruikelijk bij Elsschot/De Ridder. Daarvoor geeft hij als reden
dat zijn proza 'altijd' werd nagelezen door verschillende Nederlandse
redacteurs. Nu niet. Reden voor de alom geprezen taalpurist Willem Elsschot
er dan maar wat op los te pennen?
'Zijt gij waarlijk verplicht mij voor enkele dagen in de steek te laten,
juffer Jessie.'
'Ik heb hier alles op de hals.'
'Uw blad wordt gelezen in bevoegde middens.'
'Ge deedt aankondigingen drukken in de bladen van deze morgen.'
'Het moet een verstandig, ontwikkeld, werkzaam man zijn! Daar zit de knoop!'
'Maar ik heb het eens goed ingezien alvorens binnen te komen.'
'Onbeduidend of niet, het blijft toch een missing.'
'Ge vraagt mijn persoonlijk gedacht.'
Mijn persoonlijk gedacht? Dit is een taalgebruik dat niet 'Vlaamser'
is dan we van Elsschot gewend zijn, dit is erbarmelijk Vlaams. Wie meent
in dit koetervlaams de grote auteur te herkennen, dient voor zijn verdere
leven buiten bereik van trommels en trompetten gehouden te worden.
Nog wat voorbeelden van 'Elsschottiaans taalgebruik': 'luisterhoorn; abonnent;
hij zet een neus; uw statistieken over granen zijn vals; ik heb u genoeg
gezien; zinnens fortuin te maken; 'k heb nog nooit de buiten gezien; het
is een model van klaarheid; zult gij u met het opstellen van het volgend
nummer gelasten?; ik heb de eer u te laten weten per brief, hetgeen ik
u mondelings niet kan zeggen; gij zijt enen straffe kluchtigaard; doe
mij het genoegen er uit te trekken; ik weet nu ook dat mijn hersenen aan
alles kunnen weerstaan; het is de eerste maal dat men mij zo'n dwaze opmerkingen
maakt.'
Vlaams? Nee: stijf vertaald Frans. Het is de eerste maal dat iemand de
taalpurist Willem Elsschot, die klassiek Nederlands wilde schrijven én
schreef, dit soort woorden en zinnen toedicht. Het toneelstuk, al niet
van de hand van Willem Elsschot, werd ook al niet door hem uit het Frans
vertaald.
Het komische element in dat toneelstuk doen 'versterken door een goede
regisseur'? Guido Lauwaert, zelf toneelauteur, is bewust dan wel onbewust
een fraudeur in de farce die hij zelf veroorzaakt heeft. Hij overtreft
zelfs de jongeman 'die een tijdschrift [De Landman van Chicago]
vult met verzonnen reportages.' Lauwaert meent op basis van onzorgvuldig,
onvolledig onderzoek en weinig nadenken een artikel te kunnen schrijven
dat hout snijdt. Hij bestaat het daarmee de publiciteit te zoeken en zet
vrijwel iedereen op het verkeerde been. Hij laat de meest elementaire
informatie over zijn 'vondst' achterwege: de korte aantekening onder de
titel, die mij, het stuk onder ogen krijgend, direct wakker schudde. Dat
effect zou het ook hebben gehad bij de journalisten die hem nu argeloos
door het ontbreken van die allesbepalende inlichting, natrompetterden.
Een straf als verbanning uit bibliotheken zal Guido Lauwaert, de grootste
komiek onder de Elsschotkenners, niet raken. Die ruimten, bestemd voor
het verifiëren van vondsten, bezoekt hij toch al niet.
Het tweede misverstand
Guido Lauwaert, in het spoor van anderen, gaat er van uit dat Snoeck's
Almanak een advertentiekatern kende, dat geheel door De Ridder gevuld
werd. Niets is minder waar. Voordat De Ridder bij de almanak aantrad was
er een strikte scheiding tussen serieuze bijdragen, die het voorste deel
van het jaarboek in beslag namen en de varia-afdeling: mopjes, raadsels,
recepten en keukengeheimen, wetenswaardigheden én advertenties. In de
eerste jaren van De Ridders betrokkenheid werd, waarschijnlijk onder zijn
aandrang, deze indeling verlaten om adverteerders 'mooier plaatsen' aan
te bieden dan in de vergaarbak achterin. In 1949 werd de oude indeling
weer ingevoerd. Uitgeefster Yvonne Batta wilde het jaarboek serieuzer
en minder 'wild van aanzien' maken. Vanaf 1952 volgde Serge Snoeck, die
de directie overnam, de lijn die door zijn tante Yvonne was ingezet. In
Snoeck's Grote Almanak 1949 zien we de tweedeling van het jaarboek
naar de lezers als volgt verklaard:
'Het doel van Snoeck's Grote Almanak is zeker niet u alleen enkele
uren verpozing te brengen. Snoeck's Grote Almanak wil nog wat
meer zijn voor u, dan een boek dat u na lezing achteloos terzijde legt.
Het laatste deel van deze almanak bevat dan ook enkele inlichtingen en
wenken, die u misschien niet dadelijk dienstig zullen zijn, maar die u
kunt raadplegen als u ze nodig hebt.'
Vanaf dat jaar gold dat Alfons De Ridder advertentieruimte kon verkopen
gerelateerd aan de geplande omvang van het jaarboek. De teksten voor de
'inlichtingen en wenken' kwamen als in alle voorgaande jaren uit dezelfde
bronnen als waaruit ze toen geput werden. De kolommen in het 'tweede deel'
werden niet gevuld door De Ridder, al zal hij soms de redactie tips gegeven
kunnen hebben. Kortom: er is geen enkele aannemelijke reden op zoek te
gaan naar teksten van Elsschot of De Ridder na 1943.
De aanname dat De Ridder 'zijn katern' zelf vulde is hilarisch genoeg
te herleiden tot een strip die in het jubileumjaar 1983, bij het tweehonderdjarig
bestaan van uitgeverij Snoeck, in de Grote Almanak werd afgedrukt.
Tekstschrijver Yvan Delpoorte inspireerde tekenaar Ryssack tot een plaatje
waarop de duidelijk herkenbare schrijver in een kaaswinkel aan een tekst
schrijft. Hierboven prijkt de 'informatieve' tekst: 'En Willem Elsschot
verkocht voor Snoeck's advertentieruimte die hij, als het moest, óók nog
zelf volschreef in versvorm.'
Sporen naar Elsschot
/ De Ridder
Wie naar mogelijke sporen van de advertentieacquisiteur zoekt anders
dan die uit de advertenties blijken, kan die makkelijk vinden. Voorbeelden
te over. Snoeck's Almanak doorbladerend kunnen we natuurlijk
niet nalaten naar overeenkomsten te speuren tussen dit jaarboek en de
almanak die Alfons De Ridder tussen 1933 en 1941 zelf uitgaf: de Almanak
der Kroostrijke Gezinnen. Die vulde hij, alweer volgens de 'kenners',
met eigen teksten in rubrieken als: 'Het Dagelijksch Werk der Huisvrouw',
'Nuttige wenken', 'De Gezondheid van het kind' en 'Wat onze Huisvrouwen
moeten weten [Praktische wenken en Keukenrecepten]'. In werkelijkheid
verleende De Ridders echtgenote, Fine, medewerking aan deze rubrieken.
Ze verzamelde recepten en wenken, terwijl dochter Anna illustraties maakte.
Met die wetenschap in het achterhoofd raadplegen wij de Snoeck's Almanakken
zelf. Wat vinden we dan?
1943, p. 64: 'Nuttige wenken voor de Huisvrouw'
1944, p. 89: 'Wetenswaardigheden. De tien geboden der huismoeder'
1947, p. 117: 'Enkele eenvoudige keukenrecepten' en
1948: p. 190: 'Keukenrecepten voor feestmalen' en
p. 191-192:
'Een uitstekende hulp'
1949: p. 177: 'Wat te doen bij Ziekte of Ongeval?
Een verbijsterende vondst, niet? Verbazender nog is dat de advertentie
van de Antwerpse koffiebrander De Rode Pelikaan in Snoeck's Almanak
1948 door iedere onderzoeker over het hoofd werd gezien, althans
nooit werd genoemd. Over tweederde van die pagina wordt de opmerkelijke
kwaliteit van het product, verkondigd: in een gedicht!
Onze Koffie in 't Vatikaan
De Paus van Rome gaf op zekeren dag
een feest na weken vasten.
Aan 't einde van het maal vroeg hij zijn gasten
met heimelijken lach,
terwijl hij de oudste wijnen uit zijn kelder prees:
'Welaan prelaten zegt mij zonder vrees,
Wat wilt gij drinken?'
Toen rees
een dikke pater van zijn breden zetel
op en sprak vermetel:
'Wat U moet schinken?'
'Een kopje van De Rode Pelikaan
En door de zalen van het Vatikaan
weergalmde in koor te loor:
De Rode Pelikaan
Geen 'mosterdgedicht', maar een 'koffievers'! Welk een humor, welk een
originaliteit, ook in ritme en rijm. Let alleen eens op dat 'schinken'.
Het rijmt zowaar: op drinken! Hierachter kan maar één poëet schuilen:
de dichter Willem Elsschot, al kan die hier 'beter Alfons De Ridder' genoemd
worden.
Nee, op deze verrassingen trakteerde 'archiefonderzoeker' en 'Elsschotkenner'
Guido Lauwaert ons niet. En maar goed ook. Deze teksten zijn al evenmin
van De Ridder als De Landman van Chicago. Zo wordt elke kinderrijke
moeder in de Almanak der Kroostrijke Gezinnen aangeraden schuurpapier
te gebruiken voor het verwijderen van vlekken op vilthoeden en in geen
geval terpentijn. Snoeck's huisvrouw wordt nu juist dat laatste
aangeraden. Ook de recepten voor soepen verschillen in beide Almanakken.
De kroostrijke moeder wordt in de meeste gevallen het gebruik van minder
dan de helft van de hoeveelheid groente aanbevolen dan Snoeck's lezeres.
Die laatste kon het blijkbaar breder laten hangen.
Archiefonderzoek
Had Lauwaert werkelijk of in ieder geval zorgvuldiger onderzoek verricht
en zich niet gericht op een show, dan waren de Elsschot-liefhebbers niet
wekenlang verblijd met de vondst van een tekst van Willem Elsschot. De
sleutel tot de hele geschiedenis vinden we in een advertentie in Snoeck's
Almanach voor het jaar O.H. Jesu-Christi, 1940 met kluchten, dagklapper,
liedekens, markten, kermissen, watergetijen, kaffépraatje, enz. 158e
jaargang. Snoeck Ducaju & Zoon, Gent, [1939]. p. [39].
Die advertentie luidt:
'Wilt gij eens ZEER GOEDKOOP in bezit komen van een blijspel die van begin
tot het einde de lachspieren in beweging houdt en overal waar het opgevoerd
wordt bomvolle zalen lokt?...
Zo ja, koop dan heden nog SNOECK'S BOERENALMANAK waarin het toneelspel
DE LANDMAN VAN CHICAGO. Met zijn onovertroffen zetten in 't lang en in
't breed verschijnt. Benevens dit keurige werk, dat op zichzelf reeds
het vierdubbele van den prijs van den almanak vertegenwoordigt, vindt
u er eveneens ontelbare leerzame artikelen over hetgeen den landbouw aangaat
en die u de kleine uitgave meer dan duizendvoudig zal vergoeden. Schaf
het u aan en wij durven u op voorhand verzekeren dat gij u niet zult beklagen.
û Overal verkrijgbaar. PRIJS 3 FR'.
De schrijver van het blijspel, in zulk een slechte taal geschreven,
bleef ook in de Boerenalmanak anoniem. Maar zeker is nu wel dat
die auteur Willem Elsschot noch Alfons De Ridder heette. Deze had hoe
dan ook op dat moment nog geen betrekkingen met Snoeck's Almanakken.
Met een niet te evenaren trefzekerheid wist Guido Lauwaert elke valkuil,
die voor onderzoekers gegraven worden, te vinden. En hij viel erin. Het
raadplegen van meer dan het 'Snoecksarchief' valt aan te raden. De collectie
van de Stadsbibliotheek Antwerpen bijvoorbeeld, waar alle hier opgesomde
zaken gevonden werden. Ook bezoek aan de Koninklijke Bibliotheek in Brussel
kan helpen. Wat viel daar te vinden?
TIMMORY [Gabriel]
De Landbouwer van Chicago. Blijspel in twee bedrijven. Naar
een novelle van Mark Twain. Opnieuw bewerkt door R. Lebon. Antwerpen,
J. Janssens, 1934, 4e verb. druk, 12°, 36 blz. en
TIMMORY [Gabriel]
De Landbouwer van Chicago. Blijspel in twee bedrijven. Naar
een nouvelle van Mark Twain. Bewerkt door Lodewijk De Schutter. Antwerpen,
J. Janssens, s.d. [1940], 5e druk, 16°, 37 blz.
Hier maakte de boekbeschrijver echter een foutje. Hij had het boek blijkbaar
niet bij de hand en reproduceerde de informatie van de 3e druk. Kortom:
de koetervlaamse tekst van De Landman van Chicago, of hoe men uitgever
wordt van een landbouwblad werd in 1934 uit de versie van Lodewijk
de Schutter 'herwerkt' door Renaat Lebon. Deze wordt vermeld in de Dictionnaire
biographique des Sciences, des Letttres et des Arts en Belgique []
als: 'dramaturge, né à Anvers en 1900.'
Buiten De Landbouwer van Chicago schreef hij nog een tiental
toneelstukken, op één stuk na bewerkingen van titels van andere schrijvers.
Geen wonder dat toneelschrijver Renaat Lebon vergeten is.
Op 2 november 2003 werd op de Boekenbeurs een debat over Lauwaerts 'vondsten'
georganiseerd. Daartoe werd men onder meer uitgenodigd via een tweetal
kranteninterviewtjes met de zelfbenoemde 'literaire speurder'. Niet geremd
in zijn enthousiasme signaleerde Lauwaert dat hij intussen wel een echt
toneelstuk 'van' Elsschot ontdekt had. Voor 99 % zeker dit keer. Zijn
hand verwedde hij er niet om, wel een vinger.
In het begin van het debat beschuldigde Lauwaert 'de pers' ervan zijn
eerdere 'vermoedelijke vondst' te hebben uitvergroot tot een werkelijke.
Daarna noemde hij zijn nieuwe vondst: het 'toneelstuk' Kaffé-praatje,
aangetroffen in Snoecks Kleine Almanak voor 1942. Het doen opvoeren,
zoals beloofd, deed hij gelukkig niet, want het toneelstukje is natuurlijk
weer niet van Willem Elsschot. Enig speurwerk in de almanakken had Lauwaert
wijzer kunnen maken. In de almanak voor 1942 trof ik een 'kaffépraatje',
waaronder de naam stond van diegene die toen al jaren achtereen deze vaste
rubriek vulde. Met praatjes van volksvrouwen 'op cafétoer'. Deze schrijver
was Henri Van Daele [1877-1957, Gent], directeur van het Gents Volkstoneel.
Na hem trad voor dat praatje jaren achtereen de Elsschot-liefhebbers niet
onbekende Romain Deconinck in het krijt. Lauwaert kondigt parmantig aan
Snoecks archieven te zullen napluizen om zijn vondsten te staven. Alsof
dat in de jaren 1980 en 1990 niet al afdoende door Vic van de Reijt gedaan
werd bij de samenstelling van Elsschots Brieven.
Een vinger eraf? Ik ben Shylock niet.
Guido Lauwaert, van beroep 'auteur, acteur en organisator' [informatie
Google], vervult in deze klucht, zonder hulp van een regisseur, de hoofdrol
in de 'farce' die hijzelf veroorzaakte. De voorlaatste zin van 'het stuk
van Elsschot' luidt: 'Vaarwel, mislukte kampernoelje, zeekreeftscheut,
caviaargraan. Vaarwel, ajuin!' In het Aalsterse dialect betekent ajuin
'domkop' en in het Antwerps 'lomperik.'
|
|