Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Het mysterie van mijn grootmoeders sofa

John Kendrick Bangs
(vertaling:Peter Pauwels)

 

Het gebeurde op Kerstavond vorig jaar en precies zoals ik het hier vertel. Critici hebben mij wel eens omschreven als een romanticus van de 'wildste' soort maar op dat punt vergissen zij zich. Ik geef toe dat mijn belevenissen, waarvan sommige hebben bijgedragen tot de vermenigvuldiging van de grijze deeltjes in mijn haar maar weinig tot de aangroei van de grijze deeltjes in mijn schedel - belevenissen waarvan ik geregeld en zo goed als mijn beperkt talent dat toeliet, verslag heb uitgebracht in de kolommen van die tijdschriften die aan mijn grillen zijn overgeleverd - dat die belevenissen dus van een zodanige bovennatuurlijke orde waren dat ze een solide basis vormden voor de laster van mijn critici; maar wat zij niet weten, in tegenstelling tot ikzelf, is dat die basis al even onzeker is als drijfzand, ik heb deze ervaringen ten slotte altijd zo getrouw mogelijk verteld, de meest consciëntieuze realist zou het zich niet beter kunnen wensen en ik vind dan ook van mezelf dat ik een waardige en trouwe discipel van de realistische school ben. Men kan mij niet verwijten dat zulke zaken mij overkomen. Ik zou de zwaarste veroordeling verdienen indien ik in mijn studeerkamer de vreemde gebeurtenissen waarop ik in het verleden de aandacht heb gevestigd, zou gaan zitten verzinnen alleen maar om ervoor te zorgen dat mijn lezers het naar bed gaan nog wat zouden uitstellen, om de gemoedsrust van hen die zo goed waren om zich mijn literaire werk aan te schaffen, naar de bliksem te helpen of om de zenuwen tot het uiterste te prikkelen van die schuchtere lezers die in mijn werk alleen maar wat verstrooiing kwamen zoeken en uiteindelijk geheel overstuur geraakten; maar zulke dingen doe ik niet. Mijn levenstaak is mij even heilig als die van mijn goede vriend, de heer Howells [1]. De dingen waarmee ik te maken krijg, zet ik getrouw op papier, en als het Lot in zijn wijsheid ervoor heeft gekozen om van mij de Balzac van het Bovennatuurlijke, de Shakespeare van de Middernachtelijke Verschijning te maken, terwijl het de heer Howells heeft uitverkoren voor het hoge ambt van de Fielding [2] van Massachusetts en zijn naburige staten, de Smollet [3] van Boston en de Sterne [4] van Altruria, dan kan ik enkel betreuren dat deze Almacht eleganter heeft gehandeld met hem dan met mij en voor de rest moet ik mijn weg gaan zo elegant als ik maar kan. De onfortuinlijkheden van dit afschuwelijke lot ben ik bereid te dragen met alle deemoed die ik kan opbrengen; ik aanvaard ze omdat deze handelswijze mij edelmoediger lijkt dan me ertegen te verzetten in de hoop er een eind aan te maken. En nu dan mijn verhaal. Dat ik er zo'n lange inleiding voor heb geschreven heeft slechts één reden en dat is dat ik me er wel bewust van ben dat sommigen zullen twijfelen aan de waarachtigheid van mijn verhaal en ik wil dan ook van bij de aanvang bij iedereen de nodige nadruk leggen op het onbetwistbare feit dat wat ik hier ga vertellen de volslagen en onopgesmukte waarheid is en dat het, zoals ik al heb gezegd, gebeurde op Kerstavond vorig jaar.

Het spijt me dat ik het zo moet zeggen, want het klinkt een beetje teveel zoals de beschrijving van een Kerstavond door schrijvers met een minder nauwgezette kijk op de waarheid dan ikzelf, maar het feit blijft, en ik moet het dan ook zo vertellen, dat het een woeste, stormachtige nacht was. De wind huilde en kreunde en maakte allerlei rare geluiden, zacht zuchtend langs de naakte takken van de bomen, fluitend door de schoorsteen, en, zonder enig mededogen voor de rust die mijn kinderen nodig hadden, slaand met de deuren tot mijn huis het centrum leek van een buitengewoon hevig bombardement. Het is ook noodzakelijk dat ik u vertel dat de sneeuw, die gedurende de hele dag uit de hemel was gevallen, de grasvelden en de daken van de huizen had bedekt met een indrukwekkend wit tapijt. Alhoewel het resultaat ieders tevredenheid wegdroeg, was de sneeuw nog niet voldaan en bleef hij nog steeds op zijn gelukkig gebruikelijke geruisloze manier naar beneden dwarrelen. Mocht ik inderdaad de 'wilde' romanticus zijn die men in mij ooit heeft gezien, dan had ik de sneeuw kunnen laten neervallen met een donderend geraas, maar dat is me allemaal wat teveel. Ik hou van mijn medemensen, maar er zijn grenzen aan mijn filantropie, ik ga mijn sneeuw dus niet met lawaai naar beneden laten vallen alleen maar om een criticus te plezieren. Ik zou het wel doen indien het een geval van leven of dood betrof want ik zou het verschrikkelijk vinden om een man te zien sterven door gebrek aan iets dat ik hem zou kunnen geven met één pennenstreek, en zonder speciale moeite. Zolang die noodzaak echter uitblijft zal ik geen letter wijzigen aan mijn beschrijving van vallende sneeuw.

Nu en dan passeerde een late thuiskomer mijn huis, de belletjes waarmee het rijdier van zijn slee was omhangen, klingelden luider dan de wind. Mijn familie was naar bed en ik zat alleen bij de haard, bij de gloed van dat eigentijds alternatief voor een flakkerende boomstronk, namelijk een zeer comfortabele gasbrander. De flitsende gasvlammetjes wierpen zoals gewoonlijk groteske schaduwen de kamer in en mijn geest was daardoor afgegleden naar dat gevoelige stadium dat tot nu toe altijd de komst van een bezoeker van de overzijde had aangekondigd - een feit dat ik diep betreurde want ik was er niet bepaald voor in de stemming. Toen ik besefte dat die bepaalde gemoedsgesteldheid waarbij de huid steevast als het ware gaat kippenvellen, niet meer veraf was, was mijn eerste reactie om het vuur te doven en naar bed te gaan. Ik heb dit altijd de gemakkelijkste methode gevonden om verlost te geraken van ongewenste gasten. Ik heb trouwens vastgesteld dat de mate waarin anderen die op een onplezierige manier geconfronteerd werden met een geest, onder deze ontmoeting hebben geleden, gelijk evenredig was met de mate waarin zij geen gebruik hebben gemaakt van de naar mijn mening meest natuurlijke manier van reageren - namelijk het hoofd onder de dekens steken. Toen de geest van Caesar, net voor de slag van Philippi, aan de rand van het bed van Brutus verscheen, zette deze zich recht en staarde hij de afschrikwekkende verschijning recht in het gelaat, zijn lijden was dan ook navenant. Het ware veel gemakkelijker en veel natuurlijker geweest indien hij gewoon zijn hoofd onder de dekens had gestoken zodat hij van het onplezierige spektakel bevrijd was geweest. Het is een handelswijze die ik onveranderlijk heb toegepast en die me nooit in de steek heeft gelaten. Zelfs de meest lichtgevende geest die een mens ooit heeft gezien, is volstrekt onmachtig om zijn schijnsel te laten doordringen doorheen een goed opgevuld hoofdkussen of de gebruikelijke lading wollen dekens, zo eigen aan de Kersttijd. Deze keer besloot ik evenwel het vervolg af te wachten. De echte waarheid is dat ik zo goed als uitgeschreven was wat betrof de bezoeken van de overzijde. Die geheimzinnige ader van me waaruit ik mijn verhalen tapte, leed, alhoewel het nog lang geen spatader was, een beetje aan sclerose, zo droog stond hij door al die aanvragen van het lawaaierige publiek dat dol is op mysteries. Mijn voorraad geesten was uitgeput, ik kan het net zo goed bekennen, en in mijn verhalen beperkte ik mij noodzakelijkerwijs tot het suggereren van horror, mijn lezers onvoldaan achterlatend omdat ik er niet in slaagde om dat loerende ding dat hen zo'n angst aanjoeg in detail te beschrijven. Eén redacteur was zelfs zo ver gegaan om mijn laatste spookverhaal af te wijzen omdat ik hem naar het afschrikwekkende toppunt van spanning had gedreven en hem dan compleet in de steek had gelaten. Ik werd met andere woorden geconfronteerd met een toestand die, samengevat, erop neerkwam dat die aantrekkelijke markt in de toekomst afgesloten zou zijn voor mijn pennenvruchten tenzij mijn bijdragen vergezeld zouden worden van een diagram waarop het hele mysterie zo kristalhelder werd uitgelegd dat zelfs een klein kind het zou kunnen begrijpen. Dat was dan ook de reden waarom ik, in plaats van mijn eigen aanbeveling op te volgen en mijn tegen geesten bestande sponde op te zoeken, bleef waar ik was. Ik hoefde niet lang te wachten. Het wijzertje van de gasmeter had nauwelijks de tijd gehad om merkelijk te dalen toen mijn gespitste oren het zachte geluid van een bel opvingen - 'gespitste oren' is trouwens een uitdrukking die ik haat tot diep in mijn hart maar die ik gebruik omdat het publiek erom vraagt, een spookverhaal zonder 'gespitste oren' heeft daarom ook geen enkele kans om te worden aanvaard door een opmerkzame redacteur. Ik zette me recht in mijn stoel en luisterde gespannen maar het bellen was opgehouden. Ik leunde opnieuw achterover, genietend van een zenuwachtige kilte, toen de dodelijke nachtelijke stilte - de wind was net op tijd gaan liggen om me toe te laten deze waarheidsgetrouwe, enigszins clichématige frase te gebruiken - werd doorbroken door het geklingel van de bel. Deze keer herkende ik het geluid als zijnde afkomstig van de elektrische bel in werking gezet door een drukknop aan de rechterzijde van mijn voordeur. Opstaan en naar de deur lopen was het werk van een ogenblik. Dat is het altijd. Even later gooide ik de deur wagenwijd open, iets wat me verbazend weinig moeite en kracht kostte alhoewel het hier ging om een smalle deur die nauwelijks van enige breedte kon worden verdacht. Maar zo was het nu eenmaal, ik staarde in de inktzwarte duisternis van de nacht. Zoals ik had verwacht, was er niemand, toch was ik er onmiddellijk van overtuigd dat het gevreesde moment was aangebroken. Ik was er zeker van dat ik bij mijn terugkeer in mijn bibliotheek iets te zien zou krijgen dat het bloed naar mijn hoofd en mijn polsslag in de hoogte zou jagen. Ik keerde daarom ook niet meteen terug. Ik liet de wind de deur met een luide klap toeslaan, snelde naar de eetkamer dronk een glas kooksherry in een teug leeg. Opgelet, die kooksherry - sherry voor keukengebruik - introduceer ik hier niet om aan de lezer een lach te ontlokken maar om de waarheid van het dagdagelijkse bestaan getrouw te blijven. Al onze andere sherry had onze keukenprinses gebruikt in de keuken en dit was alles wat nog restte voor aan tafel. Zo is het nu eenmaal in het echte leven, wat critici ook mogen beweren. Toen ik klaar was keerde ik terug naar de bibliotheek waar mij mijn eerste schok wachtte. Het onverwachte was gebeurd. Er was nog altijd niemand. Deze geest was wel erg origineel, dit werd interessant.

'Misschien is het een bescheiden geest,' dacht ik, 'en is hij wat verlegen wat het manifesteren van zijn aanwezigheid betreft. Dat zou daadwerkelijk bijzonder zijn, de gebruikelijke brutaliteit in acht genomen waarmee sommige verschijningen van de zakenwereld binnendringen in het privé-leven van mensen die daar allesbehalve op gesteld zijn.'
Erop vertrouwend dat er iets zou gebeuren en wel heel snel ook, zette ik me neer en stak, bij wijze van gezelschap, een sigaar op; gasbranders zijn nu eenmaal niet zo gezellig als hun sissende, sputterende voorgangers, de enige echte houtblokken in de ban van het vuur. Verschillende keren schrok ik zenuwachtig op met het gevoel dat er iets achter mij stond, iets dat op het punt stond om zijn klamme hand op mijn schouder te leggen, telkenmale echter zakte ik, teleurgesteld, terug in mijn gemakkelijke stoel. Eén keer dacht ik een minuscule geest voor mij in de lucht te zien zweven, maar bij nader onderzoek bleek het niets meer dan het bizarre kringelen van de rook die ik had uitgeblazen. Een uur ging voorbij zonder dat er iets gebeurde, behalve dan dat het rustige kloppen van mijn hart overging in een onregelmatig, onrustbarend gejaag. Enkele minuten later echter hoorde ik een vreemd geluid aan het raam, mijn opgejaagde hart stond stil. De druk op mijn gespannen zenuwen werd ondraaglijk. 'Eindelijk!' fluisterde ik met hese stem. Ik haalde diep adem en duwde mijn lichaam met alle kracht tegen de zachte rugleuning van mijn stoel. Toen leunde ik voorover en staarde naar het raam, elk ogenblik verwachtte ik dat onzichtbare handen het zouden open schuiven, maar er kwam geen beweging in. Toen keek ik ongerust naar het glas, half hopend, half vrezend dat ik iets door de ruit zou zien komen, maar er kwam niets en ik begon geprikkeld te geraken.

Ik keek op mijn horloge en zag dat het halftwee was.

'Krijg de klere!' riep ik, 'wat je ook bent, waarom kom je niet tevoorschijn, zodat ik er vanaf ben? Alleen al het idee om een mens tot op dit uur van de nacht wakker te houden!'

Ik wachtte op een antwoord, maar er kwam geen.

'Wie denk je wel dat ik ben?' ging ik verder op klagerige toon. 'Denk je nu echt dat ik niets beters te doen heb dan te wachten tot zijne hoogheid het belieft om zich te vertonen? Als je zoveel tijd nodig hebt om je intrede te maken, dan moet je zeker wel iets erg verschrikkelijks wezen.'

Er kwam weer geen antwoord en ik besloot dat humeurigheid mij niets zou opleveren. Ik moest het over een andere boeg gooien, en ik besloot om een beroep te doen op zijn gevoeligheden - in de veronderstelling, wel te verstaan, dat geesten gevoeligheden hebben waarop je een beroep kan doen, ik heb er enkele ontmoet die wat dat betreft zo menselijk waren dat ik amper kon geloven dat ze werkelijk geesten waren.

'Zeg es, maat,' zei ik zo vriendelijk als ik, gezien de situatie, kon - ik was zenuwachtig en de hoeveelheid gas die de brander ondertussen had opgebruikt bezorgde me visioenen van bankroet en erger - 'kom, haast je wat - ik zou het appreciëren. Ik ben vader - hou dat voor ogen - en het is Kerstavond. Over een uur of drie zijn de kinderen wakker en als je zelf ooit ouder bent geweest dan weet je wat dat betekent. Ik moet ook mijn rust hebben, dus, kom aan, laat je es zien, je bent ongetwijfeld een toffe geestesverschijning. Laat me nu eindelijk naar bed gaan.'

Zelf vond ik het een erg aandoenlijke smeekbede, maar het hielp geen zier. Het ding moet een hart van steen gehad hebben want het gaf geen kik.

'Wat?' zei ik, voorwendend dat ik dacht dat het iets had gezegd en dat ik het niet goed had begrepen; maar de bezoeker liet zich niet in slaap wiegen, alhoewel ik meer dan reden genoeg had om te geloven dat hij in slaap gevallen was. Hij, zij, of het, wat het ook was, bleef ergerlijk stil. Heftig trok ik aan mijn sigaar in een poging om mijn groeiende woede in te tomen. Dan bedacht ik dat het ding misschien wel enige trots had, ik besloot daarop te gaan werken.

'Ik zou maar wat graag over jou iets schrijven,' zei ik met een slinkse knipoog naar mezelf. 'Ik denk dat je heel wat aandacht zou krijgen in de literaire wereld. Afgaand op de tijd die je nodig hebt om te verschijnen, ben je uiterst geschikt voor een degelijk tijdschriftenverhaal - niet één van die olijke spookverhalen die in een minuut in elkaar worden geflanst en die uiteindelijk terechtkomen in een boek dat de auteur in eigen beheer uitgeeft. Je maakt zo weinig wind dat - dingen gaan nu eenmaal vaak de tegengestelde kant uit - jouw verhaal wel erg opwindend zal worden. Je biedt zeker stof voor een boek in drie delen, zou ik zo zeggen... maar... euh... ik kan natuurlijk niet beginnen zolang ik je niet te zien krijg. Je moet jezelf tonen als je de aandacht wilt trekken. Ik kan me niet zomaar een beeld van je vormen, weet je. Wacht es, misschien kan ik raden wat voor soort geest je bent. Uhm! Je moet wel uiterst afschrikwekkend zijn - je kan een man doen beven, zelfs midden augustus in midden Afrika. Je ogen zijn bodemloos groen. Je glimlach zou zelfs de meest nuchtere man krankzinnig maken. Je handen zijn koud en klam net als een... ah... als een warmwaterkruik... maar dan een die vier uur eerder is gevuld'

En zo ging ik nog tien minuten lang verder, hem de hemel in prijzend, en eindigend met een pathetische smeekbede om zich nu eindelijk toch te laten zien. Misschien heb ik hem wel zoveel bewierookt dat hij ervan is gestikt, maar, hoe dan ook, hij verwaardigde zich niet om te antwoorden en toen werd ik écht woedend.

'Goed dan,' zei ik razend terwijl ik recht sprong van mijn stoel en de gasbrander uitdraaide. 'Doe het dan niet! Niemand heeft je trouwens gevraagd om hier te komen, en niemand zal erover klagen als je blijft zitten mokken in je tent net als Achilles. Ik wil je niet zien. Ik kan trouwens wel een betere geest dan jou verzinnen - in feite denk ik dat dat precies jouw probleem is. Je weet van jezelf wat een miezerig specimen je bent - je zou niet eens een muis aan het schrikken kunnen brengen zelfs al was je nog tien maal verschrikkelijker. Je bent te beschaamd om je te vertonen - en, weet je, ik neem het je niet kwalijk. Ik zou er net zo over denken mocht ik in jouw plaats zijn.'

Ik hield halt bij de deur, even nog verwachtte ik dat hij me zou terugroepen maar hij deed het niet. Ik had hem het genadeschot gegeven.

'Je bent waarschijnlijk bij een vakbond voor geesten - niet? Is dat je geheim? Een stakingsorder? Geen geestverschijningen na zonsondergang tenzij een of andere werkgever van ongeschoolde geesten zijn spoken salarissen voor geschoolden betaalt?'
Ik verwachtte half en half dat het woord 'spook' hem uit zijn hol zou lokken, ik heb immers al gemerkt dat geesten er helemaal niet van houden om spook te worden genoemd, net zomin als zwarten van het woord 'neger' houden. Ze beschouwen het als iets gemeens. Hij was echter niet van zijn stuk te brengen en nadat ik alles had afgesloten ging ik naar bed.

Een tijdlang kon ik de slaap niet vatten, ik begon me af te vragen of ik het uiteindelijk wel bij het rechte eind had gehad. Misschien was er in geen mijlen in de omtrek een geest geweest. De symptomen waren er maar, zo stelde ik me voor, die konden ook het resultaat geweest zijn van mijn neerslachtige bui - want een schrijver wordt neerslachtig als één van zijn aders tekenen van sclerose vertoont. Terwijl ik wegdoezelde kwam ik uiteindelijk tot de vaststelling dat ik volkomen verkeerd was geweest, dat ik me maar had verbeeld dat er iets was terwijl er in feite niets was.

'Het geluid van de bel was ongetwijfeld veroorzaakt door de wind,' zei ik terwijl ik verder wegzakte. 'Het moet natuurlijk wel een erg stevige wind geweest zijn om die knop in te drukken, maar jaà' en toen sliep ik in, ervan overtuigd dat er die nacht geen enkele geest zich in mijn buurt had gewaagd. De volgende ochtend evenwel moest ik mijn ongelijk vaststellen. Iets moest ons die Kerstavond bezocht heb en dat iets moest ongelooflijk verschrikkelijk zijn geweest. Ik stond me klaar te maken voor het ontbijt toen ik mijn vrouw van beneden luidkeels hoorde roepen.

Henry!' riep ze. 'Kom alsjeblieft meteen naar beneden.'

'Onmogelijk. Ik ben nog maar half geschoren,' antwoordde ik.

'Dat doet er niet toe,' repliceerde ze. 'Kom meteen.'

Met één wang nog onder het scheerschuim en met een snee in de andere wang, haastte ik me naar beneden.

'Wat is er aan de hand?' vroeg ik.

'Kijk daar es!' zei ze terwijl ze wees naar de oude met paardenhaar opgevulde sofa van mijn grootmoeder die in de hal vlakbij de deur van de bibliotheek stond.

De sofa was zwart geweest toen ik hem voor het laatst zag, maar nu zag ik dat hij helemaal veranderd was.
De sofa was sinds de vorige nacht compleet wit geworden!

Ik kan geen deugdelijke verklaring vinden voor dit vreemde gebeuren en evenmin kan iemand anders dat, ik wil het zelfs niet proberen. Het mysterie is in mijn ogen zo afschuwelijk dat ik zelfs geen moeite wil doen, de sofa is echter het bewijs van alles wat ik heb verteld en iedereen die dat wil kan langskomen en het met eigen ogen vaststellen. Niemand hoeft mij te zien; ze hoeven maar naar de sofa te vragen en hij zal hen getoond worden.

We hebben het meubel weggehaald uit de hal en het verhuisd naar de salon met het wit-en-goud behang, de aanwezigheid ervan in één van de kamers die wij gebruiken is immers meer dan we kunnen verdragen.

Uit: Ghosts I Have Met And Some Others [1898]

 

Noten

[1] William Dean HOWELLS [1837-1920] : Amerikaans auteur en criticus, redacteur van Atlantic Monthly en Harper's, socialist en anti-imperialist, zijn bekendste werk is de roman The Rise of Silas Lapham [22] Henry FIELDING [1707-1754] : Engels toneel- en romanschrijver, schreef o.a de roman The History of Tom Jones, a Foundling en het toneelstuk Tom Thumb
[3] Tobias George SMOLLET [1721-1771] : Schots auteur, wordt beschouwd als één van de vaders van de moderne roman, zijn bekendste roman is Humphry Clinker, hij vertaalde Don Quichote en Gil Blas in het Engels en schreef een History of England
[4] Laurence STERNE [1713-1768] : in Ierland geboren Britse auteur, schrijver van o.a. A Sentimental Journey Through France and Italy, by Mr. Yorick en The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman

© John Kendrick Bangs; © vertaling:Peter Pauwels