Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Uitverkoren
zoals ik was (2)

Joris Note

Sartre vertelt in Les mots, het verhaal van zijn kindertijd, hoe zijn grootvader tijdens een feestje zegt: ‘Il y a quelqu'un qui manque ici: c'est Simonnot.’ Er zijn nog wel andere afwezigen dan die meneer Simonnot, maar ‘il ne s'agissait là que de faits accidentels et négligeables. Seul, M. Simonnot manquait.’ Het zinnetje grijpt de kleine Jean-Paul aan en voedt zijn grootheidsverlangen, hij wil het zover brengen dat men zal zeggen: ‘Hier ontbreekt iemand: Sartre.’ Of Simonnot zichzelf onmisbaar vond weten we niet, maar voor
Sartre gaat het om iets dubbels: van het ik en van de anderen; je kunt jezelf als onmisbaar ervaren wanneer de anderen dat doen.
     Iemands onmisbaarheid kan allerlei invullingen krijgen: hij beheerst beter zijn vak, heeft meer charisma, is scherpzinniger, of alles tegelijk, altijd meer en beter dan alle anderen, met niemand op één lijn te stellen. Die onmisbaarheid is een van de dingen waar het om gaat in de autobiografie van de Italiaanse goudsmid en beeldhouwer Benvenuto Cellini (1500-1571).

Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld is na meer dan vier eeuwen nog altijd uiterst leesbaar, ook voor wie zich niet verdiept heeft in Cellini's historische omgeving of zijn kunst. Dat komt niet doordat de schrijver een buitengewoon kunstenaar was en buitengewone avonturen beleefde, integendeel, het komt doordat we hem herkennen. Het komt door wat we gemakshalve zijn realisme kunnen noemen - het verhaal zit vol elementen die ook wij hier en nu als gewoon, waarschijnlijk of mogelijk ervaren. De held werkt, eet, drinkt, vrijt, wordt ziek, maakt ruzie, neemt wraak, gaat op reis ... Hij verschijnt als een wezen van onze soort. Daar wordt niets aan veranderd doordat hij moorden pleegde en vertrouwelijk omging met vorsten, en evenmin doordat hij het beroemde Perseus-beeld gemaakt heeft, of het (in mei 2003 gestolen) zoutvat van Frans I. De taal van het boek draagt bij tot het realistische effect: Florentijnse volkstaal, naar het schijnt, en in vertaling blijft daar wat van over - het is in elk geval geen plechtstatige of verheven taal. De dialogen zijn eveneens volks, en vaak brutaal, ook wanneer de gesprekspartners hoge heren zijn.
     De realistische indruk neemt nog toe door tekst die aan de tekst is toegevoegd: uit de voortreffelijke annotaties bij de Nederlandse versie blijkt steeds weer dat veel van wat Cellini vertelt geverifieerd kan worden - dat het klopt (of juist niet klopt) met de werkelijkheid zoals die uit andere bronnen bekend is; dat geldt niet alleen voor grote gebeurtenissen maar ook voor ziekte, brieven, aanvaringen met het gerecht. Dat die annotaties tevens tonen dat de verteller soms liegt, verzwijgt of zich vergist, doet niets af aan de geloofwaardigheid van het geheel, weer: integendeel.

Tegen een achtergrond van overweldigend realisme, zullen passages die daar niet mee stroken extra opvallen. Maar waar begint de afwijking?
     Cellini beschrijft een hagelbui met almaar groeiende stenen: eerst zijn ze groter dan 'knikkers uit een blaaspijp', dan worden het kruisboogkogels, vervolgens 'dikke citroenen', en achteraf vindt hij er 'die men met twee handen niet kon omspannen'. Aan het eind van een ziekte moet hij braken, 'en met het braaksel kwam uit mijn maag een harige worm, wel een kwart el lang, hij was afzichtelijk lelijk en had lange haren en vlekken van verschillende kleur, zwart en rood. Wij bewaarden hem voor de dokter, die zei dat hij nog nooit zoiets had gezien'. Hoe bizar ook, dit zijn geen inbreuken op het realisme; Cellini's smaak in kleurrijke details en toevoegingen draagt voor de lezer bij tot de voorstelbaarheid van de verteller als mens van vlees en bloed, want ook dat herkennen we: we hebben min of meer protserige vertellers in onze kennissenkring, mensen die alles aandikken.
     Nog eentje. Tijdens de verdediging van de Engelenburcht tegen het keizerlijke leger (1527) mikt Benvenuto met zijn kanon op een Spanjaard: ‘Doordat hij zijn degen voorop tegen zijn lichaam droeg [...] kwam mijn kogel precies daar terecht en spleet de rode man middendoor, in twee gelijke stukken. De paus [...] toonde zich hierover bijzonder blij en verbaasd [...]. Ik vertelde hem toen met hoeveel ijver en aandacht ik mijn schot had afgevuurd, maar noch hij noch ik konden verklaren waarom dat heerschap nu juist in twee stukken lag.’ De paus vervult hier dezelfde functie als in het vorige voorbeeld de dokter: het inroepen van verblufte getuigen is een procédé dat het realistische effect versterkt.
Andere elementen laten zich minder makkelijk inpassen. Op een avond zien Cellini en zijn gezel vanaf een heuvel een vuurzuil boven Florence, dat moet een teken zijn - en ja, de volgende dag vernemen ze dat hertog Alessandro vermoord is. Na een valse beschuldiging wordt Cellini bij de schouder gepakt en bemoedigend toegesproken door een onzichtbaar iemand. Tijdens een demonstratie van zwarte kunst ziet hij het Colosseum vollopen met ‘legioenen duivels’. Tijdens zijn gevangenschap in de Engelenburcht wordt hij gezegend met uitvoerige en wonderbaarlijke religieuze visioenen, die een rol spelen in zijn vrijlating.
Zijn ook dit een soort overdrijvingen, of gaat het om ‘louter’ fantasie? Allicht moeten we gewoon toegeven dat Cellini toch een andere opvatting over waarheid en werkelijkheid heeft dan wij. Het voornaamste is misschien dat hij, met al zijn hoogmoed en immoraliteit, een diep-godsdienstig mens van zijn tijd blijft, en dat die godsdienst niet vrij is van bijgeloof. (Maar juist Cellini's buien en woorden van vroomheid zijn niet altijd geloofwaardig; hij lijkt ze soms tegen zijn zin in te voegen, en meer dan eens moet ik erom lachen.)

Iedere lezer wordt getroffen door Cellini's eigenwaan, betweterij, opsnijderij: zelden ontmoet je een schrijver die zo onbeschaamd overtuigd is van zijn uitzonderlijkheid, vooral met betrekking tot zijn kunstenaarschap. Dikwijls presenteert hij dat in een kader van rivaliteit, concurrentie. Er is ontelbare keren sprake van prestaties die nooit eerder verricht zijn, of niet op die manier. Wanneer hertog Cosimo de’ Medici moppert omdat Cellini voor zijn Perseus een bedrag vraagt waarvoor je steden en paleizen kunt bouwen, krijgt hij te horen dat men 'om steden en paleizen te bouwen mannen bij de vleet zou kunnen vinden, maar om een Perseus als de mijne te maken misschien geen sterveling ter wereld'.
     De rivaliteit met kunstbroeders krijgt dikwijls echt de vorm van een wedstrijd: verschillende artiesten maken een model voor een bepaald werk, de opdrachtgever mag dan kiezen, en nooit valt dat in Cellini's nadeel uit. Hij lokt zulke vergelijkingen uit, ensceneert ze, om zijn onvergelijkbaarheid aan het licht te brengen; in feite acht hij de vergelijking beneden zich, aangezien de anderen 'zo weinig verstand van hun vak hebben'. Alleen de oudere Michelangelo vindt hij een waardige concurrent; daarnaast wil hij zich met de antieken meten, en het betekent dus wat als uitgerekend Michelangelo een portretbuste van hem ‘evengoed of zelfs beter dan al die antieke beelden’ vindt. Niet in de laatste plaats rivaliseert Cellini met zichzelf: steeds weer herhaalt hij dat het voltooide werk het al gemaakte model zal overtreffen, en dat hij in de toekomst nog schitterender dingen tot stand zal brengen. Hij meet zich uiteindelijk met de kunst zelf; Cosimo zegt hem dat het gieten van de Perseus niet zal lukken, 'want dat laten de regelen van de kunst niet toe'; natuurlijk zal het wél lukken, deze kunstenaar staat eigenlijk boven die regelen.
     Veelzijdigheid is een kernelement in Cellini's zelfbewustzijn. Hij toont dat hij binnen de goudsmederij alle mogelijke specialismen beheerst, en verder is hij hoe dan ook een dubbeltalent; wanneer hij uit zijn dienst bij Frans I terugkeert naar Italië gaat het erom zich ook daar als beeldhouwer te bewijzen. Soms probeert men hem ontwerptekeningen van anderen op te dringen, tot zijn verontwaardiging, want tekenen kan hij als de beste. En als Frans I en later hertog Cosimo versterkingswerken laten uitvoeren, moeten ze toegeven dat Benvenuto ook op dat punt uitblinkt. Reeds als kind zat hij trouwens met een embarras du choix opgezadeld: zijn vader wilde dat hij muzikant werd, en hoewel hij zijn eigen zin doordreef zou hij ook als fluitspeler een ster zijn geworden. Kortom, de goudsmid en beeldhouwer had voor hetzelfde geld iets anders kunnen zijn, met even fantastische resultaten.

De artiest munt niet alleen uit tussen collega's, maar evenzeer tussen de mensen in het algemeen. Voor de heersers der aarde buigt hij het hoofd niet: al kan hij dankbaar zijn voor hun gunsten, ze zijn hem die ook verplicht; hij heeft verstand van dingen waar zij geen verstand van hebben; en ze moeten hem niet opjagen! Via een edelman krijgt Cellini op een dag bevel om zich ‘spoorslags per post’ naar het Franse hof te begeven: 'Daarop antwoordde ik dat mijn kunst niet spoorslags gemaakt wordt en dat, als ik mij naar Frankrijk moest begeven, ik dit in plezierige dagreizen wenste te doen [...]. De oude zieke man antwoordde me zeer uit de hoogte dat precies zó en niet anders de zoons van hertogen reisden, waarop ik zei dat de zoons uit mijn vak reisden op de door mij beschreven manier en dat, daar ik nooit een hertogszoontje was geweest, ik geen idee had hoe zulke lieden dat deden. Als hij mij toesprak op een toon waaraan mijn oren niet gewend waren zou ik helemaal niet gaan.’ Voilà!
Benvenuto treedt weer nadrukkelijk buiten de vergelijking: hertogszonen zijn geen modellen voor hem. En als onuitzonderlijke mensen van een lager niveau hem prikkelen wordt hij helemaal woest. Neem de majordomo en ex-huisleraar van hertog Cosimo, wat denkt die wel? Die hoort toch bij de 'schoolmeesters, die kinderen het abc leren', van zijn slag gaan er dertien in een dozijn - terwijl 'er van mijns gelijken misschien nog één ter wereld bestond'! Niet verbazend dat deze man ook de regelen van de maatschappij overtreedt; paus Paulus III, die hem gratie verleent voor een moord, verklaart zonder omwegen 'dat mannen zoals Benvenuto, die enig in hun vak zijn, altijd onder en boven de wet staan'.
     Cellini lijkt ten slotte ook niet geheel onderworpen aan de wetten van het lichaam. Hij heeft vanzelfsprekend een ijzersterk gestel; de ziekten waarmee hij vecht brengen hem soms op de rand van de dood, maar steeds komt hij herboren te voorschijn. Heel mooi is het verhaal over vergif dat hij als oudere man krijgt toegediend: de dader verdient een beloning, want 'die dosis gif was niet voldoende geweest om mij om het leven te brengen, doch net genoeg als purgeermiddel voor een levensgevaarlijke slijmerigheid die ik in maag en darmen had. ‘Terwijl ik met die kwaal [...] misschien nog drie of vier jaar had kunnen voortsukkelen, heeft die behandeling me zoveel goedgedaan dat ik, geloof ik, er wel meer dan twintig levensjaren bij heb gekregen.’ ’
Terwijl Cellini bezig is met het gieten van de Perseus krijgt hij zware koorts, zodat hij zich stervende waant; hij moet zijn helpers alleen laten voortdoen, en ja, er treedt een ernstig technisch probleem op, de zaak lijkt verloren. De lijdende meester staat op en gaat de moeilijkheden te lijf, met succes: ‘Ziende dat ik, al die ongelovige domkoppen ten spijt, een dode [= Perseus] had opgewekt, kreeg ik zo'n kracht terug dat koorts en doodsangst vergeten waren.’ Er vinden dus twéé dodenopwekkingen plaats, een tweevoudig wonder. Bij deze gelegenheid geeft Cellini zich een diabolisch kleurtje; twee helpers vertellen aan de majordomo ‘dat ik geen mens was maar werkelijk de baarlijke duivel, want ik had volbracht wat in de kunst onbestaanbaar was en bovendien veel andere stoute stukken uitgehaald, die zelfs de macht van een duivel te boven zouden gaan.’ Ze overdreven wel wat, geeft hij deemoedig toe - maar intussen is het toch gezegd. (Anderzijds: in een veel eerdere passage willigt Benvenuto een vraag van zijn vader in, om hem gelukkig te maken, 'net zoals God doet wanneer Hij onze vol vertrouwen gedane beden verhoort, voorzover ze gepast zijn.')

Zo komen we weer bij het wonderbaarlijke.
     Cellini's bovennatuurlijke ervaringen hangen samen met zijn zelfingenomenheid en trots, ze geven daar een metafysische bekrachtiging aan; al in de prille kindertijd waren er een paar signalen. Tijdens een visioen in de Engelenburcht blijkt de verteller recht in de zon te kunnen kijken, en in die zon ontstaan zwellingen, waaruit eerst de gekruisigde Christus te voorschijn komt en daarna de madonna met het Kind. Cellini heeft dus twee gedaanten van God gezien, en dankt met luide stem: ‘De almachtige God heeft mij waardig gekeurd zich in al Zijn heerlijkheid aan mij te openbaren, zoals misschien nog nooit enige sterveling is overkomen.’ Bovendien wordt hij door God getekend: sinds die tijd hangt er een aura rond zijn hoofd, goed zichtbaar 'voor eenieder aan wie ik het heb willen tonen - maar dat zijn er slechts enkelen'; de lichtglans is overigens maar te zien op bepaalde uren van de dag, en in Frankrijk beter dan in Italië - beperkingen die zowel de overtuigingskracht als de oncontroleerbaarheid ten goede komen.
     Cellini is, letterlijk, een uitverkorene.

Wie met zo'n zelfervaring door de wereld gaat kan evengoed problemen krijgen. Vanaf Cellini's terugkeer uit Frankrijk (1545), in de periode dat hij voor Cosimo de’ Medici werkt, treedt er een verandering op; vooral na de onthulling van Perseus (1554) is de omslag merkbaar. Bijna nooit voelt hij zich in de hertogelijke dienst op zijn gemak, ze behandelen hem niet goed genoeg.
     En dus verwijst hij frequent terug naar zijn tijd bij Frans I: dáár werd hij op zijn juiste waarde geschat (al klopt dat niet helemaal met wat hij voordien verteld heeft), misschien zal hij teruggaan naar die grote koning. Maar om dat werkelijk te doen is hij er niet voldoende gerust in. Hij schimpt heel erg op de twee helpers die hij in Frankrijk heeft achtergelaten: het zijn verraders die hem in zijn afwezigheid benadelen! Kennelijk vreest hij dat ze echt zijn plaats innemen - dat ze dus bewijzen dat ze verder kunnen zonder hun baas, en dat het Franse hof hem niet nodig heeft.
In Florence wordt zijn leven in grote mate beheerst door wedijver met de beeldhouwer Baccio Bandinelli, protégé van de Medici en vooral van de hertogin. Dat Cellini daarbij geregeld aan het kortste eind trekt, verklaart hij door de onwetendheid van de opdrachtgevers, door vals favoritisme, en doordat Bandinelli hem belastert; in een eerlijke mededinging zou hijzelf de overhand krijgen. Wanneer een blok marmer (voor de Neptunus-fontein op de Piazza della Signoria) zonder meer aan zijn tegenstander wordt toegekend (1559), gaat hij dus bij de hertogin uitdrukkelijk pleiten om weer een wedstrijd te houden. Een vernederend dieptepunt, in dezelfde tijd, is wel dat Cellini gevraagd werd om bas-reliëfs toe te voegen aan het door Bandinelli gemaakte koor van een kerk: dat wilde hij onder geen beding doen, beweert hij, want 'ik voelde er niets voor zijn geknoei met mijn inspanning te verrijken'; in werkelijkheid gedroeg hij zich in deze zaak lang niet zo hooghartig en afwijzend, maar de boodschap is weer duidelijk: ik wil niet met hem op één lijn gesteld worden; via een ‘leugen’ zegt de autobiograaf veel over het zelf dat hij ons wil aanbieden. De dood van Bandinelli in 1560 brengt overigens geen redding. Cellini wordt door de hertog aan het lijntje gehouden maar krijgt geen opdrachten meer - ook omdat er jongere concurrenten zijn opgedoken.
De zelfverzekerd onmisbare heeft altijd al last gehad van tegenwerking, maar nu moet hij echt vrezen dat hij vervangbaar is; in Florence evenmin als in Parijs zegt men nog: ‘Il y a quelqu'un qui manque ici: c'est Cellini.’ In de laatste tientallen bladzijden voelt de verteller zich grondig verwaarloosd en verongelijkt, hij kan zijn verontwaardiging niet op over het grote en grove onrecht dat hem wordt aangedaan (ook op niet-professioneel vlak, door oplichters en ambtenaren). Misschien zou je kunnen zeggen dat de uitzonderlijkheid van dat onrecht toch nog overeenstemt met de uitzonderlijkheid van het slachtoffer.
Plotseling is het afgelopen, de autobiografie wordt niet afgerond - en zo is het goed. Want je mag je niet voorstellen dat Cellini nog pagina's lang was doorgegaan met teleurstellingen te beschrijven, of met te doen alsof hij nog belangrijk werd geacht, met zijn ego kunstmatig op te fokken. Het zou niet bij hem gepast hebben, het zou treurig en wellicht vervelend geworden zijn voor de lezer.

Ik schreef dat Cellini's boek modern aandoet; daar moeten nog een paar opmerkingen bij, relativeringen ook.
     La vita is géén moderne autobiografie, het behoort tot de voorlopers van het genre. Je kunt het een boek met memoires noemen, waarin de nadruk valt op het publieke en professionele leven van de verteller (al vind je tussen de regels zijn 'karakter').
     Cellini begon zijn tekst te dicteren in 1558 of 1559: hij laat het verhaal stoppen in 1562, maar heeft er tot 1566 aan gewerkt. In dezelfde tijd ontstonden er andere zelfbeschrijvingen, ik noem er twee. De Spaanse mystica Teresa van Avila (1515-1582) voltooide in 1565 de bewaard gebleven versie van haar Libro de la Vida, en in Italië componeerde de veelzijdige veelschrijver en arts Gerolamo Cardano (1501-1576) kort voor zijn dood De propria vita. Ook de werken van Teresa en Cardano behoren tot de voorlopers van de autobiografie, op een andere manier. Dat van Cardano bevat veel verhalende stukken maar biedt als geheel geen levens-verhaal - het is eerder een zelfportret, met hoofdstuktitels als 'Mijn passie voor het debatteren en doceren', 'Genoegens', 'Manier van lopen en denken'. Bij Teresa vind je uitvoerige beschouwingen, raadgevingen enzovoort; haar verhaal is - in de trant van Augustinus’ Belijdenissen - een geschiedenis van innerlijkheid, de geschiedenis van haar ziel, met in het centrum een bekering.
     Gerolamo Cardano en Teresa van Avila missen Cellini's directe, ‘vlotte’ leesbaarheid, maar er zijn ook een hoop interessante overeenkomsten, die ik hier terzijde laat. Kun je die twee ouderwetser noemen dan de Florentijnse kunstenaar? Dat is niet zo zeker.
Cardano's rustige zelfportret valt verrassend goed te vergelijken met Roland Barthes par Roland Barthes (1975); en Teresa staat dichter dan Cellini bij Rousseau, en zelfs bij Sartre. (Ook gaat over innerlijkheid, en over een bekering.) Beide auteurs hebben oog voor hun eigen contradicties en gebrokenheden, en mede daarom kunnen ze geen rechtlijnig verhaal schrijven. Ze veinzen ook niet dat ze zich allerlei decennia-oude conversaties woordelijk kunnen herinneren; ze hebben een minder simpel idee van werkelijkheid. Kortom, via hen ontdek je de beperkingen van Cellini.
     We kunnen al deze boeken lezen om hun historische periode te leren kennen, of om onze tijd te passeren. We kunnen Cellini's tekst lezen als achtergrond bij zijn kunst, en die van Teresa om onze ziel te sterken. Enzovoort. Misschien willen we ook onszelf of ons zelfbeeld vergelijken met het zelfbeeld dat die mensen ons voorleggen.
     Jacob Burckhardt schreef over Cellini als autobiograaf: ‘Hij is een mens die alles kan, alles waagt en zelf zijn enige maatstaf is. Of Les mots wij het graag horen of niet, in zijn gestalte leeft heel duidelijk het oerbeeld van de moderne mens.’ Laat ik het niet hebben over wat een moderne mens is, en niet over de vraag of (post)moderne mensen van vandaag wezenlijk verschillen van die waaraan Burckhardt dacht. Maar zeker, op een wat oppervlakkiger niveau staat Cellini wel dichter bij ons dan de twee tijdgenoten: dichter bij de hedendaagse mens zoals hij zich bijvoorbeeld in de media presenteert. Cellini wil met beroemde lieden omgaan en zelf beroemd zijn. Hij is woedend als hem iets in de weg wordt gelegd. Hij legt de schuld voor al wat er misgaat bij de anderen. Hij neemt nieuwe uitdagingen aan, hij gaat ervoor, hij is er klaar voor, hij geeft er een lap op. Of wij het graag horen of niet.
     Ach, ik doe hem onrecht, dat verdient hij niet, deze magnifieke schrijver. Maar toch.
     En neem dan Teresa, die zelfs als ze onschuldig is zichzelf niet te verontschuldigen vindt; Teresa, die rebels lacht om het gedoe van de grote wereld; Teresa die ondanks al haar inspanningen voor God een lof van de passiviteit zingt. Arme Teresa, ze is echt niet van deze tijd. ¡Viva Teresa!


Aantekening

Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld (La vita), Vert. en inl. Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2000 (1969).
Verder: Jean-Paul Sartre, Les mots, Gallimard Folio, 2002 (1964) - de Nederlandse vertaling van dit boek is abominabel; Jacob Burckhardt, De cultuur der Renaissance in Italië (Die Kultur der Renaissance in Italien, 1860), vert. T. Jelgersma, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1986 (1960); Teresia van Avila, Mijn leven
(El libro de la vida)
, vert. C. Noyen e.a., Carmelitana, Gent, 1984; Gerolamo Cardano, Mijn leven (De propria vita), vert. J. Lamein, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2000. Een mooi overzichtsartikel: Peter Burke, 'Representations of the Self from Petrarch tot Descartes', in: Roy Porter (ed), Rewriting the Self: Histories from the Middle Ages to the Present, Routledge, London/New York, 1997, pp. 17-28.

© Joris Note
<