

 |
 |
FUNKEN IN ABGRUND
Soma Morgenstern
’s Avonds ging Alfred met Jankel naar de koeienstal. Jankel
had hier eigenlijk niets te zoeken, de koeienstal was het domein van penningmeester
Aptowitzer, maar als rentmeester had Jankel overal het hoofdtoezicht.
Bovendien was Kassjka Kobylanska de eerste melkster, en Jankel hoorde
de liedjes te graag die ze zong onder het melken. Alfred hield van de
lucht van de runderen, die doordesemd was met de geur van groenvoeder,
de damp van verse melk, de scherpe uitwasemingen van de kleine kalfjes
en van de jonge, potige melksters, die aan de zwellende spenen van de
melkkoe vingerden en melancholische liefdesliedjes zongen. De altoos montere
Kobylanska, tevens de aanvoerster van het koor, had er al een gewoonte
van gemaakt om Alfred – zodra die de koeienstal betrad – met
een lied te apostroferen. Zoals een solist in een zigeunerorkest bijwijlen
zijn concertstuk afbreekt om een net binnentredende levensgenieter stante
pede op zijn lievelingsstuk te trakteren, zo brak de oude Kassja haar
slepende melodieën abrupt af toen Alfred de koeienstal betrad om
hem met een schertsstrofe in huppelend ritme te begroeten.
Oj, panytschu,
Ja was klytschu,
Ja was potrobuju,
Schtschob si mama
Ne diznala:
Ja was potsiluju.
Het liedje wekte een soort snaakse schaamte op bij de jonge melksters
en bracht Alfred danig in verlegenheid. Maar eens hij de melodie beet
had, een strofe van buiten kende en de vertaling van Jankel wist, had
ook hij lol in de schertsende huldiging van de koeienstal. De eerste strofe
luidde ongeveer: O, jongeheer – Ik roep u – Ik heb u nodig
– Als de moeder maar niets opvangt: - Ik zal u kussen. Ook
ditmaal intoneerde Kassja de volksliedachtige kusbereidheid en omdat het
zondag was en een mooie herfstdag op de koop toe en in de koeienstal een
aangename koelte hing, improviseerde ze er nog talloze strofen bij, waarin
ze de namen van de jonge melksters ieder om de beurt in rijmende en ook
niet rijmende paren naast Alfreds naam plaatste.
Onder de melksters bevond zich ditmaal ook Donka. Ze molk niet voor het
landgoed. Ze moest in plaats van haar afwezige moeder de twee koeien van
de wagenmaker melken, en ook al molk ze omwille van Alfred en Kassja’s
gezang vandaag grondiger dan anders, toch was ze als eerste klaar met
haar werk. Alfred ontwaarde het mooie meisje in het schemerduister van
de stal pas toen ze, een emmer verse melk in de ene, de melkschemel in
de andere hand, uit een zijgang van de stal langzaam te zien kwam en over
de krakende planken van het middenpad naar de uitgang ging. Ze moest Jankel
passeren, maar ze was bijlange nog niet zo ver, toen Kassja, bij gebrek
aan een melkster van het landgoed, de dochter van de wagenmaker in haar
strofenrij opnam. Deze strofe moest bijzonder pittig zijn, want het gejoel
en gejuich van de voederende veehoeders en het gegiechel van de meiden
kende bijna geen einde.
In een wit, mouwloos jasje daagde Donja doorheen de avondschemering van
de uitgestrekte koeienstal op. Giechelend met de meiden zette ze de melkschemel
neer, naderde aarzelend en liep tussen Jankel en Alfred door: weliswaar
nog met een zekere gêne vanwege de toespelingen in het liedje, maar
met vranke blik, trotse pas en dat pijnlijk-brutale lachje om haar zigeunermondje.
Van dichtbij lichtte haar jasje wit en mild op als het vreedzame melkschuim
in haar
melkemmer.
Alfred volgde haar met zijn ogen tot aan de uitgang, en zijn hart klopte
op het ritme van haar laarzenpasjes op de dikke planken. In luttele seconden,
die door de slagen van zijn hart werden afgeteld, overwoog Alfred hoe
hij naar de kalfjes kon glippen die vlak bij de uitgang in een afgeschoten
hok zaten – daar kon je onopvallend de deur uitglippen en de bekoorlijke
gestalte in haar witte jasje nog een tijdje nakijken. Om zijn plan uit
te voeren had hij evenveel seconden nodig, die hem echter een eeuwigheid
leken. Toen stond hij buiten en zag het pad dat van de stal naar het ruime
personeelsverblijf liep, schemerig in de avond en – leeg.
Hoe kon ze nu met haar volle emmer zo snel zijn weggelopen, vroeg Alfred
zich ontgoocheld af. Op dat moment vernam hij achter de hooiwagen, die
rechts van de ingangspoort stond, een geritsel en geknisper. Hij bukte
zich en zag onder de wagen door twee vrouwelijke laarsjes. Zij was het!
Was ze alleen? Wachtte ze op iemand van de stalknechten? Alfred ging voorzichtig
om de wagen heen, daar stond ze glanzend in haar witte jasje. Ze stond
daar met gebogen hoofd, de kin tegen haar borst gedrukt en ingetrokken
schouders, alsof ze hem met haar ogen niet gewaar mocht worden, terwijl
ze hem toch hoorde komen – ze schaamde zich. Ze schaamt zich, dacht
Alfred, die al zo dicht genaderd was dat hij de ronde, gelige knoopjes
op haar witte jas kon tellen.
‘Donja –,’ zei Alfred.
‘Panytschu –,’ zei Donja.
‘Donja –,’ zei hij.
‘Panytschu –,’ zei zij.
Oj, panytschu, Ja was klytschu! O, jongeheer! – zong Kassja
reeds haar achttiende strofe, en ze hoorden beiden het gezang van de montere
melkster. – Donja sloeg haar ogen op en keek Alfred met een aandoenlijke
blik aan. Haar ogen leken het liedje voort te zetten: Moeder mag er niets
van weten, zongen Donja’s ogen, moeder is op reis. Ik roep je,
panytschu, ik heb je nodig, ik zal je kussen… Haar pijnlijk-brutaal
lachje daagde Alfred uit om haar te geven wat het liedje hem vroeg haar
te geven. Maar Alfred durfde niet. Ze zette de melkemmer neer en begon
snel en duidelijk in gebarentaal op hem in te praten. Daar, de melkemmer.
Ginds, haar huis, haar vader. De melkemmer, snel naar huis. Daarna waterkruik,
water drinken? Water, ginds bij de waterput in het bos. Daar, pad, ginds
pad naar het bos. In het bos, de waterput, diep. Hij, daarheen, naar de
put. Zij, melkemmer, snel naar huis, daarna –. Alfred had het allang
begrepen. Hij tilde de melkemmer op, gaf die met een teken van verstandhouding
aan haar en liep langs het pad, dat nog verraderlijk fel glinsterde tussen
het donkere struikgewas, naar de waterput in het bos. Alfred kende de
put goed van zijn wandelingen met de kleine Lipusch, die in een bijbelse
relatie stond tot alle putten. Voor deze put koesterde Lipusch een bijzondere
liefde. Het was een diepe put, de stenen van de ommuring waren koel, mosgroen,
en in de diepte, op de bodem, sliepen witte stenen. Alfred draaide gejaagd
om de put heen, waarrond een kring van gras groeide. Hij ging zitten op
een steen van de putrand. Vervolgens liep hij weer om de put heen. Op
dat moment schoot hem te binnen dat hij amper aan het oog van de wereld
was onttrokken, want hoewel de put gevoed werd door in het bos wellende
bronnen, lag hij nog aan de rand van het bos, in open vlakte, met hier
en daar wel wat schamel struikgewas, maar toch goed zichtbaar. Hij liep
snel naar de zoom van het bos en zocht de schaduw van een beuk op.
De bomen waren stil. De hemel was stil. Alleen beneden in het gras kriekten
vlijtige krekels hun metalen concert. De schaduwen van het bos wierpen
donkere matten over de weiden en de akkers. Zwarte pijlen flitsten door
de lichtstreep van de staldeuren: nachtzwarte vleermuizen, die niet eens
bang waren voor het licht van de pas aangestoken stallantaarns, joegen
deur in, deur uit. Als ons hier iemand bespiedt – dacht Alfred met
schrik, toen hij Donja’s blinkend witte jasje langs het pad zag
afkomen, heel snel, zonet daarboven nog zo ver en nu beneden al zo dicht.
Als ze ons zien. Als ze ons zien. Als ik dan toch gauw moet vertrekken,
mag voor mijn part iedereen het weten. Iedereen, iedereen, zelfs oom Welwel.
Hoewel ze hem met haar steppeogen in het donker van de boomschaduw onmiddellijk
had ontdekt, deed ze alsof ze alleen maar bij de put was om water te scheppen,
een frisse dronk voor haar vader, de brave dochter. Alfred ging naar de
put en keek hoe ze de stang uit het gras nam, haar kruik in de vork haakte
en de stang door haar holle handen in de diepte liet glijden. Hun hoofden
neigden zich boven de put waar in de diepte een ster van de hemel sliep.
De kruik schampte de spiegeling, de ster schommelde, danste en doofde
uit. Gorgelend liep de kruik vol, de stang groeide hemelwaarts, de volle
kruik schommelde boven de put en ontlokte druppelsgewijs gezang aan de
diepte. Donja haakte de kruik af. Om haar mond lag het lachje waarmee
ze hem op het haverveld had gelaafd als een tedere herinnering aan hun
eerste ontmoeting. Hij goot de rest van de kruik in het gras, greep de
stang beet, haakte de kruik eraan vast, liet de stang door zijn holle
handen glijden, boog zich voorover, hoorde de kruik gorgelen, liet de
stang door zijn handen weer naar boven klimmen: van de stang droop water,
maar de kruik was verdronken in de put.
‘O!’ zei hij geschrokken en liet de stang los.
‘O’ zei ze geschrokken, raapte de stang op, boog zich over
de put en liet de stang naar beneden. Hij was radeloos.
Ik, snel, naar Pesje, Pesje geeft andere kruik – gaf hij haar met
woorden en gebaren te verstaan. Ze strekte haar hand naar hem uit om hem
tegen te houden. Maar hij rende al over het pad naar de stokerij. Hij
liep de stokerij en de smidse voorbij, stak het kleine bruggetje over
en liep de boomgaard in. Hij had de indruk dat hij heel snel liep. Zijn
benen hadden dat allicht wel klaargespeeld, maar zijn ogen, nog steeds
niet gewend aan de avondschemering in Dobropolje, lieten het afweten.
Hij moest steeds opnieuw halt houden. Hij liep door de sluiers van de
schemering die boven het tuinpad hingen, met slapende benen, zoals men
in water loopt: één voet te zwaar, de andere te licht. Kuchend
en met vezelige stem stamelde hij in de lichtstreep van de open keukendeur:
‘Pesje, liefste Pesje, schenk me alstublieft een kruik!’
‘Waarom heb je een kruik nodig, o wee?’
‘Ik heb een kruik nodig, een waterkruik. Zo één als
die daar. Snel, Pesje, snel!’
‘Neem maar, neem gerust mee,’ zei Pesje. ‘Maar zeg me
toch, mijn kind, waarom je die nodig hebt?’
‘Een meisje heeft haar kruik verloren en huilt. Een waterkruik.
Zo één. Krek dezelfde. Goedenavond, Pesje –’
en hij rende met de kruik naar buiten.
‘Wat voor meisje, o wee? Wat voor kruik, o wee?’ schreeuwde
Pesje en ze liep hem achterna. Maar hij was reeds opgeslokt in het duister.
Het was al nacht. Alfred liep zo hard hij kon, maar ditmaal was het looptraject
voor de ervaren polsstokspringer nog moeilijker. De platgetreden paden
waren weliswaar ook in het donker nog te onderscheiden, maar toch trapte
hij af en toe een gat in de lucht en moest zo nu en dan eerst vaste bodem
onder zijn voeten aftasten. Toen hij, verhit en buiten adem, bij de put
in het bos was aangekomen, was daar enkel nog het metalen concert van
de krekels. Verder niets. Alfred liep naar de bomen en riep zachtjes ‘Donja!’
Hij raakte de bomen aan. Hij liep voorwaarts, tastte naar de stammen en
verwachtte ieder moment Donja’s hand te beroeren. Maar voor hem
was enkel duisternis en een zacht geruis van het bos. Hij keerde terug
naar de waterput, liet zich zakken op een steen om wat uit te blazen en
overwoog wat hij nu met Pesjes kruik zou doen.
Bij Donja’s kruik in de put gooien en terug naar Jankel in de koeienstal
gaan?
Door de vensterluiken van de stallingen drong nu een mat lichtschijnsel.
Voor de open staldeuren lagen lange lichtbundels als gelige matten op
het uitgespreide stro. Ook de ramen van het personeelsverblijf lichtten
fel op. De ramen van de wagenmakerswoning waren van deze kant jammer genoeg
niet te zien. Maar in de woning van de dorsmeier zag je door de blote
ramen de familie aan tafel zitten, en in één van de ramen
bij Aptowitzer dook zo nu en dan het pientere hoofdje en de ranke gestalte
van de kleine Lipale in nachthemd half op. Blijkbaar werd hij juist naar
bed gebracht en danste hij voor het slapengaan nog wat in de kussens rond,
zodat de bedveren opvlogen. Was ik maar zoals jij – zuchtte Alfred,
dan zou ik hier niet zitten.
Opeens hoorde hij over het pad naar de put vlugge voetstappen naderen.
Het waren lichte, vrouwelijke voetstappen, maar kon het Donja zijn? Haar
witte jasje zou nog moeten zegevieren over de nachtelijke duisternis.
Hij strekte zijn hoofd uit als een hond om te zien wie die schimmige gedaante
wel mocht zijn, toen hij plots op zijn voorhoofd een tedere aanraking
voelde: het waren haar handen, het waren Donja’s handen, die in
de zachte duisternis van de nacht zo zacht waren geworden. Maar toen hij
haar harde vingers met zijn lippen beroerde, trok ze haar handen terug,
nam hem de kruik af en giechelde zachtjes. Vervolgens zat ze vlak naast
hem en ze rebbelde en ze giechelde en ze verklaarde en ze vertelde hoe
ze haar kruik in een mum van tijd met de stang weer had opgevist; het
was toch niet nodig geweest dat hij naar Pesje was gelopen om een kruik
te halen. En wat moesten ze nu met Pesjes kruik? In de donkere nacht,
die voor Donja echter helemaal niet zo donker was, begreep Alfred ondanks
herhalingen, brede gebaren en tekens geen woord
Oekraïens. Ze stond op, nam Alfred bij de hand, hun beider hoofden
neigden over de put. In de dubbele duisternis van de nacht en de put hing
in de diepte de eenzame ster. Donja strekte haar hand uit en liet de kruik
in de diepte vallen. Met een klats viel ze op het spiegeloog van de put,
sloeg de ster aan diggelen en zweeg in de afgrond. Donja nam de stang,
liet deze in de put glijden, boomde en zwengelde, terwijl ze diep met
haar armen in de put hing. Even wilde het niet lukken, maar dan doemde
ze langzaam en nachtomfloerst weer boven de putrand op, terwijl ze duidelijk
hoorbaar de stang ophaalde, die kort daarop met een doffe plof in het
gras viel. Vervolgens nam ze Alfreds hand en liet hem de druipende buik
van de kruik betasten.
Hij was intussen in die mate aan de duisternis gewend dat hij de contouren
van haar gestalte en haar hoofd kon zien. Plotseling stond ze in een lichtschijnsel
voor Alfred: vanachter het dak van het personeelsverblijf kwam de maan
tevoorschijn, alsof de wagenmaker hem eropuit gezonden had om zijn dochter
te bespieden. Een maan, bol en vol en geel als een pompoen. Donja keek
Alfred met een maanmatte glimlach aan, wendde zich af van de put en liep
snel naar de bomen toe. Alfred volgde haar. In de donkere schaduw van
de bomen bleef ze staan en ze draaide zich naar hem om. Toen hij bij haar
was, nam ze hem bij de hand en leidde hem nog dieper de schaduwen van
het bomenrijk binnen. Er was geen pad meer waar ze liepen, kreupelhout
knakte, bladeren ritselden onder hun tastende voetstappen. De maan volgde
hen door het traliewerk van takken en hoe hoger ze klommen, hoe meer lichtvlekken
er op Donja’s half-lange jas lagen. Toen ze de helling moeizaam
hadden beklommen, konden ze over de donkere toppen langs de helling de
maan helder in het gezicht kijken. Een tijdlang bleven ze hand in hand
staan en keken elkaar aan. Van zo dichtbij had Alfred het meisje nog nooit
gezien en ze leek in het maanlicht nog groter en slanker, hoewel hij allang
wist dat ze bijna zo groot was als hij. Hij hoefde zijn hoofd maar een
beetje naar voor te brengen om met zijn mond haar lippen te beroeren.
Ze beantwoordde die eerste tederheid met de kus van een boerin: ze tipte
met haar lippen tegen de zijne als een jong kalfje dat nog niet kan grazen
en met zijn snuitje behoedzaam-plomp het gras aanstipt. Ze is jong en
leeft met de jeugd, had Jankel gezegd – maar dat is niet waar! Na
hun eerste kus liet Donja haar hoofd hangen, ze rondde haar bovenarmen
en borg zichzelf op in haar schouders – ze schaamde zich opnieuw.
Hij legde zijn armen om haar schouders en zamelde met die omarming haar
hele schaamte in, die hem ontroerde en bekoorde, hoewel hij al vermoedde
dat haar lichaam een soort landelijk-zedelijk schaamtelied zong. Ze stond
daar zo stijf als een standbeeld, maar na enige tijd maakte ze zich los
uit zijn omarming, nam hem bij de hand en leidde hem dieper het bos in.
Ze liepen eerst over een platgetreden pad. Opeens werd het donker als
in een tunnel. Bedauwde bladeren streken over hun gelaat. Vervolgens liepen
ze weer over zachte, meegevende grond en was het niet meer zo donker.
Ze moesten zich bukken om voorbij de laag afhangende takken te komen.
Naaldtakken schramden en priemden hun voorhoofd, wangen en handen, ze
prikten hun armen dwars door hun kleren heen. Ze kwamen bij een kleine
komvormige inzinking waar geen struikgewas groeide, enkel hoog, donsachtig
schaduwgras en een waaiervormige varen. De helft van de kring baadde in
maanlicht. Het andere deel van de inzinking lag in de schaduw. Donja ging
nu alleen verder, koos een zacht plekje uit in het gras en vlijde zich
neer op de rand van de schaduw. Links van haar spreidde ze haar klokrok
open en nodigde Alfred uit om daarop plaats te nemen.
Ze zaten als in een grot onder de sterrenhemel. In de koelte hing een
geur van schaduwplanten, mos, verwelkte bladeren en paddestoelen. Over
het gras gleed licht, de bomen bewogen in de adem van de stilte. Zachtjes
zwatelden de bladeren met de maan.
De twee mensenkinderen zaten er roerloos bij. Ze keken elkaar aan. Hun
maanbelichte gezichten spraken met elkaar in een taal vol vervoering.
‘Je bent me lief,’ zei zijn gezicht.
‘Je bent me dierbaar,’ zei haar gezicht.
‘Ik kan je zien,’ zei zijn gezicht.
‘Ik kan je zien,’ zei haar gezicht.
‘Ik zie je ogen niet,’ zeiden zijn ogen.
‘Ik zie je handen,’ zeiden haar ogen.
‘Ik zie je haren,’ zeiden zijn handen.
‘Ik voel je handen,’ zei haar voorhoofd.
‘Je vlechten zijn zware zijde,’ zeiden zijn handen.
‘Je handen zijn tedere vleugels,’ zeiden haar schouders.
‘Je kin heeft een kuiltje,’ zeiden zijn lippen. ‘Daar
is plaats voor
een kus.’
‘Dat begrijp ik niet,’ tipten haar lippen zijn voorhoofd aan
als
een kalfje.
‘Je kin is zo klein,’ zeiden zijn lippen. ‘Van het kuiltje
tot de rand van de onderlip – amper vier kussen.’
‘Je kust niet op de kin,’ pruilde haar mondje. ‘Je kust
de wangen.’
‘Je mond heeft de zachte welving van een opwellende bron,’
zei zijn mond. ‘Ik wil de bron leegdrinken. Leegdrinken –
tot op de bodem.’
‘Als een hond! Als een hond!’ schreeuwde haar adem en stokte.
‘Dat begrijp jij nog niet, mijn liefje,’ zeiden zijn handen
tegen
haar wangen.
‘Wangen strelen, ja. Dat wel. Maar niet zo vreselijk kussen,’
zeiden haar wangen.
‘Nu gaan we verder,’ zeiden zijn lippen. ‘Dit neusje…
Van het topje tot het voorhoofd – zeven kussen kort.’
‘Wat is dat nu weer?’ vroegen haar fronsende wenkbrauwen zich
verwonderd af. ‘Weer zo’n stadsgebruik, zoiets onbegrijpelijks.
Wie kust er nu een neus?’
‘Ik,’ antwoordden zijn wenkbrauwen rustig. ‘Ik kus het
neusje. Keer op keer. De neusgaatjes zijn zo rein als honingraten.’
‘Bah!’ snoof het neusje. ‘Dat kietelt.’
‘En het voorhoofd? En het voorhoofd?’ vroegen zijn lippen.
‘Hoe hoog zou dat nu zijn? Amper zeven kussen hoog. Amper zeven.’
‘Dat voelt prettig,’ zei haar voorhoofd en klaarde op.
‘Je gezichtje,’ zeiden zijn lippen, ‘ook je gezichtje
moeten we met kussen opmeten. Hoe kunnen we anders de schoonheid van je
gezichtje beschrijven?’
Zijn hand nam haar hand vast en telde op haar vingers de kuslijnen die
de schoonheid van haar gezichtje scandeerden. Opeens begreep het meisje
het stille gezang van zijn lippen. Ze nam zijn hoofd in haar handen en
drukte dat aan haar boezem: ‘Och, ty!’ fluisterde ze.
‘Ach, jij!’ fluisterde hij.
Hij kende nu het mooiste liefdeswoord: jij, in haar taal.
‘Ty,’ zei hij.
‘Jij,’ zei zij.
‘Donja,’ zei hij.
‘Fredziu,’ zei zij.
‘Donja, Donja…,’ zei hij, in de wolken dat ze hem al
bij zijn naam noemde.
‘Fredziu, Fredziu,’ zei ze en nu hoorde hij hoe hij voor haar
heette.
Opeens zagen ze elkaar helder en duidelijk afgelijnd. Ze zaten niet meer
in de schaduwrand. De maan was hoger geklommen en ontbloot van iedere
schaduw zaten ze in het melkwitte licht.
‘Jij bent niet het witte, mouwloze jasje’, zei zijn blik tot
haar jas.
‘Nee,’ zei haar jas, ‘wit ben ik niet. Maar zie je niet
wat voor een jas ik ben? Ik ben het nieuwe, mooie jasje: ik ben de zondagsdracht.’
Donja’s handen streelden de knoopjes van haar jas, op en neer. Wat
haar handen mochten, durfden zijn handen ook, en – ze sprong op
alsof hij het jasje in brand had willen steken en hulde zich in haar schaamte.
Ook hij was recht gesprongen en stond radeloos voor het bekende spel.
Met gebogen hoofd bleef ze een tijdje staan, terwijl haar handen aan de
twee zwarte vlechten friemelden die ze als afweer over haar boezem gekruist
hield. Jij prachtig, prikkelend schepsel, maar ook zo onverklaarbaar.
Je lippen zijn twee kalfjes, maar je jasje schieten vonken als je het
beroert. Zonder op te kijken, met gebogen hoofd, nam ze zijn handen. Haar
vingers, zijn vingers, haar vlechten verstrengelden in één
vlechtwerk. Zonder hem los te laten deed ze een paar pasjes achteruit.
Toen ze weer in de schaduw stonden, zakte ze voor hem neer en trok hem
mee. Haar bovenlichaam lag in de holte van zijn rechterelleboog in de
schaduw, haar belaarsde benen lagen recht gestrekt in het licht als twee
geüniformeerde soldaten. Onder de bolderende vrouwelijkheid van haar
vele rokken en onderrokken heeft ze twee slanke knapenbenen, stelde hij
verbaasd vast en deze ontdekking bracht hem in uitbundige verrukking.
Maar zij had liever dat haar gezicht opnieuw met kussen werd opgemeten
en ze bood het hem aan en telde nu zelf op de vingers van zijn rechterhand
de kuslijnen af die haar gezicht kruisten. Intussen verschalkte zijn linkerhand
haar schaamte en slipte in een zwijmelende dwarreldans van lieverlee naar
haar boezem. Haar vrije hand weerde deze tederheid deels af, deels hielp
diezelfde hand hem bij het losknopen van haar jasje. Onder het jasje zat
enkel nog een hemd en daaronder reeds haar adem, het kloppen van haar
hart, haar geur, haar zachte beven. Hij knielde over haar heen en overschaduwde
met zijn schaduw de in de schaduw liggende gestalte, die door de grote
genade van vrouwelijke welwillendheid mild oplichtte als een tweede maan.
Als antwoord op haar gunst overviel hem de mannelijke vermetelheid haar
te aanschouwen. Maar alles was hem nu toegestaan, behalve kijken. Dat
mocht hij niet. Anders sloten zich als straf de vleugels van haar jas.
Maar bevoelen, betasten, beroeren mocht. Op een hagelblank borstje vind
je een kers. Op een bronskleurig borstje bloeit een anjer. Met de lippen
ontdekte hij bij Donja twee anjers. En door de genade van eros, de grote
zinsbegoochelaar, rook het hele woud, en algauw de hele wereld, naar anjers…
4
Ze lagen stil naast elkaar, hand in hand, heup aan heup. De maan stond
nu boven hen, een lichtdak van hun grot. Met halfgeloken ogen genoot hij
van de vertroosting van het zachte licht. Ze vond nog een schaduwplek
waarin ze haar gezicht kon verbergen. Op haar mond sliep een druppel maanlicht
als de ster in de waterput. Als door een waas spon hij reeds zijn dromen
van geluk. Hij hoorde het gelispel van de bomen en hun adem. Hij rook
de geur van gras en het aroma van hun liefde. Hij hoorde de schreeuw van
een nachtvogel en Donja’s zuchten. Hij voelde de koelte van de nacht
en de warmte van hun handen. Zijn mond proefde nog de smaak van hun liefde,
maar in zijn zenen klopte plotseling weer die weerwil van hun wellust,
van hun rugwaarts opwelvende lichamen, het gekreun en het gejammer, het
verzoekende verweer, de smekende bewilliging. En in de dwaze waan van
een jongeman die meent verleider en veroveraar te zijn, voelde hij zich
schuldig. Door de spleet van zijn halfgeloken oogleden durfde hij haar
aan te kijken. In lichtovergoten schoonheid lag ze naast hem. De lichtdruppels
op haar mond hadden zich aaneengeregen tot een lichtkrans op haar gezicht.
En dat gezicht was je reinste gratie, onbesproken geluk. De traanparels
op haar wimpers glinsterden als dauwdruppels aan grashalmen. De oude had
gezegd: ze is jong en leeft met de jeugd. Maar dat is niet waar. De oude
weet ook niet alles.
|
|