|
Kees Engelhart
Plotseling en
schijnbaar onverwacht
In het halfduister van de warme lenteavond
Zit de man op zijn balkon driehoog met zijn
Elbogen rustend op zijn knieën
De ramen van de hoge balkondeuren zijn helverlicht
En maakt zijn ineengebogen gestalte tot een silhouet
Door het schaars verlichte gangenstelsel dat zich
Bevindt direct onder de oppervlakte van zijn huid
Stroomt de warme en verdoving schenkende brandy
Die zijn oogleden de enige luiken naar de wereld
Zwaar en sluitbaar maakt
Langzaam staat hij op en buigt zich over wat
Klaarblijkelijk een tafel moet zijn en met een mes
Duidelijk hoorbaar tikkend en schrapend
Verwijdert hij etensresten van een bord
Het is elf uur in de avond begin mei
Op de boulevard raast het verkeer
Niet onder de indruk voort
De man verwijdert zich met het eetgerei door de
Openstaande deur naar binnen niet veel later
Keert hij weer en herneemt zijn eerdere zitplaats
Op het balkon even nog is er beweging waarneembaar
Als hij zich een nieuw glas brandy in schenkt
Dan zonder aankondiging vooraf dooft zich
Het schaarse licht in het gangenstelsel dat zich
Niet waarneembaar onder zijn huid bevindt
Zijn oogleden sluiten zich en zonder moeite is te zien
Hoe hij machteloos voorover knikt gezeten op de
Witte tuinstoel die hem vele jaren overleven zal
|