


|
 |
| De volledige tekst van Deel
III van de memoires van Jeroen Brouwers staat
in nummer 80 van De Brakke Hond, dat op dit moment te koop is in de betere boekhandel. Het kan ook via onze site besteld worden, dan wordt
het nummer per post toegestuurd. |
Memoires III
Jeroen Brouwers
Theo Oegema Van der Wal
Volgens de burgerlijke stand heette hij Theunis Oegema. Dat Van der Wal, de
naam van zijn geliefde moeder, heeft hij er zelf aangeplakt. Hij werd op 25 oktober 1907
in Leeuwarden geboren. In deze stad is hij, zeer hoog bejaard, ook overleden, op 7 juni
2000.
Ik nam kennis van zijn dood via een rouwadvertentie in NRC
Handelsblad, waarin hij Theo Oegema heette. Zo herinnerde ik me
hem opeens weer op volle sterkte.
Niet dat ik hem ooit was vergeten, maar in de slordige kwarteeuw
die voorbij was gedenderd sedert ik hem voor het laatst in eigen persoon had ontmoet,
waren de periodes dat hij niet meer in mijn gedachten opdook steeds langduriger geworden.
Na die laatste keer, ik denk in 1973, verdween hij geleidelijk aan uit mijn leven en ik
allicht uit het zijne.
Toen ik drie jaar later in twee donderessays opening van zaken
gaf over de Manteauregel, prozawerken van Vlaamse auteurs taalkundig dusdanig intensief te
bewerken dat vervolgens soms geen volzin meer luidde zoals de auteur hem oorspronkelijk
had geformuleerd, schreef ik hem tussendoor ettelijke brieven. Vol vragen, vol verzoeken
om nog exactere informatie dan waarover ikzelf beschikte: tenslotte was hij een der
hoofdfiguren in mijn betogen, een der hoofdgetuigen, een der hoofddaders van de beschreven
feiten.
Oegema was dertien jaar (van 1959 tot zijn pensioen in 1972)
lector en beoordelaar van de honderden, honderden manuscripten die per post bij de
uitgeverij werden bezorgd, afkomstig van onbekende kriebelaars zowel als van gevestigde
Manteau-auteurs. Hij schreef evenzovele rapporten, doorgaans van slechts enkele regels,
over de hem onder ogen gekomen literaire probeersels, waarover hij zelden enthousiast was.
Hij gevoelde zich persoonlijk bezwaard, zei hij, vanwege de ontelbare hectaren bos die
moesten worden gerooid ter vervaardiging van het papier om al die middelmatige
verhaaltjes, versjes, maakseltjes op te drukken. Zijn respect voor literatuur
was te groot, verklaarde hij. Manteau in zijn ogen: een uitgeverijtje van vrijwel louter
mediocriteiten.
Behoorde hijzelf als Manteau-auteur daar ook toe?
Zo goed heb ik hem wel gekend, dat ik denk dat hij waarschijnlijk
als eerste zou erkennen een niet zeer groot dichter te zijn geweest (misschien is dit
waar, maar tegelijk valt Oegema's bescheiden parlando-dichtkunst heus wel mee, al komt hij
niet in Komrijs bloemlezing voor) en dat zijn psychobiografische studies over
o.a. Descartes (1960) en Herman Teirlinck (1965) bij lange na niet zijn geworden zoals het
hem voor ogen heeft gestaan (zijn Teirlinckbiografie is inderdaad bijzonder
teleurstellend, jammer van het zo verprutste onderwerp, zonde van al die bomen). Oegema
koesterde geen pretenties over de waarden of verdiensten van zijn kleine literaire oeuvre,
wel had hij zekere voldoening over zijn psychologische werk, inzonderheid zijn drie boeken
over resp. praktische, theoretische en toegepaste kleurenpsychologie, waarvan hij,
de kleurenpotentaat zoals hij zichzelf noemde, de uitvinder heet te zijn.
Manteau een mediocre uitgeverij?
Moge dit zo wezen, Oegema was van begin tot einde jaren zestig
wel de belangrijkste fondsvormer in het bedrijf. Hij suggereerde de directrice wat zij
moest uitgeven, en de directrice volgde hem blindelings: - terwijl zij zelf zelden of
nooit iets las, achtte zij Oegema's smaak en opinies onfeilbaar.
[...]
Wordt vervolgd.
Meer over Oegema en zijn vriendin Angèle.
| De volledige tekst van Deel
III van de memoires van Jeroen Brouwers staat
in nummer 80 van De Brakke Hond, dat op dit moment te koop is in de betere boekhandel. Het kan ook via onze site besteld worden, dan wordt
het nummer per post toegestuurd. |
|
|