


|  |
Het begin
zoals ik was (1)
Joris Note
Als je iets gaat vertellen over autobiografieën, kun je met Rousseau
beginnen, omdat hij aan het begin staat. In Les Confessions (1764-1770),
is hij de eerste moderne autobiograaf, de eerste die geen 'memoires' schrijft
en geen religieus geïnspireerde bekentenissen, de eerste die zich
zo bewust is van de problemen van de autobiografie; hij weet dat zijn
schriftuur zelf iets zegt over zijn ik, ook als hij dat niet beoogt.
Of je kunt met Rousseau beginnen omdat hij geobsedeerd lijkt door het
begin; op talloze momenten zegt hij: Hier begint iets dat voor de rest
van mijn leven..., hier heb ik voor het eerst... Je kunt met Rousseau
beginnen omdat hij vaak opnieuw begint; hij ervaart zich niet als een
stabiele eenheid; hij is Rousseau maar wordt ook Rousseau, hij ziet in
dat hij een ander had kunnen zijn of worden, en dat hij soms echt een
ander was.
Begin maar, in het paradijs bijvoorbeeld.
'Hier begint het kortstondige geluk van mijn leven, hier volgen dan de
vredige, maar vluchtige momenten waardoor ik met recht kan zeggen dat
ik heb geleefd. Ach, kostelijke en zo betreurde ogenblikken, vang uw lieflijke
loop opnieuw aan'. Waarschijnlijk in 1736 huurde Madame de Warens, met
wie Jean-Jacques Rousseau in Chambéry (Savoye) woonde, een huis
in het nabije dal van Les Charmettes, waar ze voortaan de zachte seizoenen
zouden doorbrengen. Op dat punt vangt het zesde hoofdstuk of 'boek' van
Les Confessions aan (het laatste van het eerste deel), en het eindigt
als Jean-Jacques in 1742 naar Parijs vertrekt. De dertien jaar oudere
Madame de Warens is zijn beschermster, leidsvrouw, hartsvriendin, plaatsvervangende
moeder: hij noemt haar Maman, zij hem Petit; zij gebruikt hem als een
soort (onefficiënte) huismeester; ze is ook zijn eerste seksuele
partner - 'minnares' lijkt geen juist woord; haar gezelschap is het hoogste
wat hij verlangt.
Boek VI staat bekend als 'het boek van Les Charmettes', maar in feite
beslaat de idylle slechts de helft ervan, en ze maakt een nog veel kleiner
deel uit van de beschreven tijdsperiode. De nostalgie is ook niet allesoverheersend;
Jean Starobinski, die even goed over Rousseau schrijft als Rousseau over
zichzelf, wijst op twee frappante 'tonen' in Les Confessions: naast de
elegische, de picareske. Vanuit de geografie valt een driedeling te maken:
- Zomer 1736 tot zomer 1737: Les Charmettes (en Chambéry).
- September 1737 tot februari 1738: Reis naar Montpellier.
- 1738 tot begin 1742: Les Charmettes (en Lyon).
Bij de werkelijke gegevens sta ik verder niet stil, maar één
datum verdient vermelding: op 28 juni 1737 wordt de Citoyen de Genève
vijfentwintig, en dus meerderjarig volgens de wet van zijn geboortestad.
Wordt hij ook in andere opzichten volwassen?
1. Het is de eerste tijd in Les Charmettes die het paradijs moet voorstellen.
De held verblijft alleen met zijn Maman in een natuurlijke omgeving, gescheiden
van de praatjesmakende profiteurs die hen in de stad kwamen scheiden.
Er wordt gewandeld, getafeld, gestudeerd, gepraat, gehovenierd - 'het
geluk volgde mij overal'. De harmonie strekt zich uit tot de omgang met
dieren: duiven en bijen vertrouwen de jongeman volkomen. Over seks vernemen
we niets expliciets; Jean-Jacques gaat Maman 's ochtends in haar bed begroeten,
maar 'deze even zuivere als tedere omhelzing ontleende juist aan haar
onschuld een betovering die in het zingenot nooit aanwezig is'.
De meeste aandacht geeft de verteller aan de zelfstudie die hem opslorpte,
en waarmee hij definitief zijn povere scholing compenseerde. Hij vindt
een ontspannen studiemethode, die vooral inhoudt dat hij elk vak en elke
auteur apart assimileert, zonder zich meteen te dwingen tot synthese en
kritiek. Dit studeren is een verlaat nieuw begin: 'Niets weten op bijna
vijfentwintigjarige leeftijd en alles willen leren'. Ook in boek I van
Les Confessions beschreef Rousseau een paradijs (de maanden als kind in
het dorp Bossey), en ook toen nam leren een belangrijke plaats in; dat
hoort blijkbaar zo, misschien is het de hoofdzaak.
Want voor de rest, wat een vreemd paradijs! Je krijgt de indruk dat Jean-Jacques
gedurig min of meer ziek is. Hij krijgt hartkloppingen, ademhalingsmoeilijkheden,
oorsuizingen... en zeker aanvankelijk denkt hij dat het met hem afgelopen
is. Rousseau zegt echter dat hij zich toen, door zich te verzoenen met
de dood en de hoop op beterschap te laten varen, kon overgeven aan het
leven dat hem restte; ook dit is een start: 'Ik kan wel zeggen dat ik
pas begonnen ben te leven toen ik mezelf als een dode beschouwde.' Met
enig scepticisme wil je toch wel opperen dat deze positieve houding dient
om het gewenste fraaie beeld van Les Charmettes niet te verstoren. En
als verder opgemerkt wordt dat de kwalen deels psychosomatisch waren,
klinkt ook dat vergoelijkend, immers: 'Zenuwaandoeningen zijn de ziekten
van gelukkige mensen'. Niettemin is Jean-Jacques vaak zo zwak dat de minste
inspanning hem uitput. Daarbij komt nog dat hij mede door zijn jansenistische
lectuur soms moet vechten met de angst voor verdoemenis. En ten slotte
is hij ook bezorgd om de materiële situatie van zijn 'vrijgevige
en verkwistende' Maman.
Maar we moeten het geloven, dit is het paradijs.
2. Jean-Jacques raakt toch weer behept met de wens om beter te worden,
verbeeldt zich dat hij aan een 'hartpoliep' lijdt, en vertrekt naar een
dokter in Montpellier. Onderweg ontmoet hij ene Madame de Larnage, die
er na veel moeite (wat ben ik een kluns!) in slaagt hem te verleiden;
de affaire duurt een goede week, ze gaan uiteen maar spreken af dat Jean-Jacques
na zijn behandeling de winter bij haar zal doorbrengen.
Tijdens dit avontuur geeft hij zich uit voor een vreemdeling, een Engelsman,
en ondergaat een drastische metamorfose: 'het was gedaan met de arme Jean-Jacques
of liever met de koorts, de zenuwaandoeningen, de poliep'; hij is 'niet
meer dezelfde mens', en 'trots op [zijn] mannelijkheid'. 'Ik genoot [de
zoetste vreugden] puur, hevig, zonder enig bijmengsel van verdriet. Het
zijn de eerste en de enige vreugden die ik op deze manier heb gesmaakt
en ik kan zeggen dat ik het aan mevrouw de Larnage te danken heb dat ik
niet zal sterven zonder het genot der zinnen te hebben gekend.' Wat een
verschil met Madame de Warens, van wie hij meer houdt, maar met wie hij
geen seks kan hebben zonder droefheid, en zonder zich te verwijten 'dat
[hij] haar omlaaghaalde'.
Jean-Jacques reist verder, herinnert zich zijn ziekte en brengt in Montpellier
enkele vrij aangename maar nutteloze maanden door. Als hij weer vertrekt,
naar Madame de Larnage, komt het berouw; na enige tweestrijd verandert
hij van richting, slaat de weg in naar Les Charmettes - en zie: 'Zodra
ik mijn besluit had genomen, werd ik een ander mens, of liever, werd ik
weer degene die ik vroeger was en die in die korte roes was verdwenen.'
Opnieuw zichzelf dus... maar tijdens de roes stond er ook al: '[Madame
de Larnage] had mij het vertrouwen geschonken waarvan de afwezigheid me
bijna altijd had verhinderd mezelf te zijn. Toen was ik mezelf.' Een interessante
tegenspraak, wie is de echte?
3. Bij zijn thuiskomst vindt hij zijn plaats bezet door een zekere Wintzenried,
een nieuwe huismeester en jonge minnaar voor Maman. De verteller maakt
veel tamtam over haar ontrouw en rept niet meer van de zijne, maar enkele
regels eerder nam hij zich nog voor 'voor [zijn] fout te boeten'; we mogen
de nieuwe situatie, de verbanning uit het 'paradijs', dus zeker als een
straf beschouwen. Als Maman meedeelt dat hij ook zelf nog op haar seksuele
gunsten mag rekenen, weigert hij geschokt, want dat zou haar (weer) 'omlaaghalen'.
In zijn portret van rivaal Wintzenried beklemtoont Rousseau diens macho-gedrag:
een viriliteit die hij niet wenst te beconcurreren, ondanks de ervaring
met Madame de Larnage.
De kern van Jean-Jacques' ineengestorte wereld is dat hij zich 'voor het
eerst alleen' voelt; hij ziet Maman nu nog slechts 'met de ogen van een
werkelijke zoon', maar kennelijk verstoot zij die zoon, hij past niet
meer in haar leven. Die mentale scheiding wil hij draaglijker maken door
een fysieke: hij wordt huisleraar in Lyon, zijn eerste helemaal zelfstandige
poging om een inkomen te verwerven. Het wordt geen succes - bij gebrek
aan aanleg, lezen we; maar misschien wordt hij vooral geen goede leraar
omdat hij zelf nog of weer een kind is (hij krijgt woedeaanvallen, hervalt
in heel oude fouten). Na een jaar keert hij terug naar Les Charmettes,
doch het voorbije blijft voorbij; bezocht door 'de diepste melancholie'
voelt hij opnieuw de eenzaamheid van een niet erkende zoon: Comment vivre
étranger dans la maison dont j'étais l'enfant? In een volgende
stap verlaat hij het huis, om in Parijs fortuin te gaan maken met zijn
nieuwe systeem voor muzieknotatie, en zo Maman te redden van de financiële
ondergang. Een luchtkasteel uiteraard, benadrukt de verteller.
Eén: paradijs, twee: zonde, drie: verdrijving? Misschien is de
opeenvolging zo bedoeld, maar van in het begin zitten de zaken scheef,
en voor de sceptische lezer (daar heb je hem weer) lijkt de zondige episode
met Madame de Larnage veel zaliger dan Les Charmettes. Bij nader inzien
gaat boek VI dan niet over een verstoorde idylle maar over een ongelukkige
toestand (plomp gezegd: de ambigue, ziekmakende verhouding met Maman)
die verbroken moet worden, en schoksgewijs inderdaad verbroken wordt.
In dat proces is Wintzenried slechts een katalysator - evenals Madame
de Larnage trouwens, en aan het realiteitsgehalte van het smakelijke avontuur
met haar kun je twijfelen: het heeft iets van een dagdroom. (Ik kan niet
nalaten aan te stippen dat Rousseaus reisliefde vijfenveertig was, dus
nog zes jaar ouder dan Madame de Warens, en dat ze tien kinderen had.)
Maar wellicht is mijn scepticisme te gemakzuchtig, en verkoos Rousseau
echt de draaglijke kalmte boven de roes. In Les Rêveries du promeneur
solitaire zal hij schrijven: 'het geluk waarnaar mijn hart terugverlangt,
bestaat niet uit vluchtige momenten, maar uit een eenvoudige en blijvende
toestand die op zichzelf niet heftig is'. Te bedenken valt ook dat er
in de beschrijving van Les Charmettes vormen van vertrouwen voorkomen,
en van overgave (aan studie, natuur, 'leven'), die evenveel waard zijn
als de seksuele.
Hoe dan ook, einde hoofdstuk, plaats voor iets nieuws; dadelijk begint
het (wat later geschreven) tweede deel van Les Confessions, dat sterk
verschilt van het eerste. 'Dit waren de vergissingen en de fouten uit
mijn jeugd', zegt de slotalinea van boek VI. Maar slechts drie regels
eerder noemt de verteller zich toujours le même dans tous les temps
- wat doet denken aan een zin uit boek IV, waar hij verklaart 'in vele
opzichten nog steeds' een kind te zijn. Rousseau wordt Rousseau en blijft
Rousseau.
Plaats voor iets nieuws? Ik herhaal dat hij naar Parijs vertrekt om geld
te verdienen voor Maman - maar hij zal haar nog zelden zien en weinig
voor haar doen. Toch is hun blijvende verbondenheid niet helemaal illusoir,
want Madame de Warens spookt op de achtergrond in het hele vervolg van
Les Confessions, en langer: nog in het laatste hoofdstuk van Rousseaus
laatste boek, de Rêveries, wordt zij geëvoceerd, samen met,
roziger dan ooit, het mythische geluk van Les Charmettes.
Alles blijft duren, alles verandert, alles moet altijd opnieuw. Dat geldt
ook voor de eenzaamheid, en voor de pogingen tot zelfkennis. Op de eerste
bladzijde van de Rêveries schrijft Jean-Jacques: 'Maar
ik, wat ben ik zelf, nu ik van hen en van alles ben losgeraakt? Dat moet
ik nog onderzoeken.' Voilà ce qui me reste à chercher
- hoe aandoenlijk; twee jaar later is hij dood.
In een recent interview noemde H.M. Enzensberger
Les Confessions 'één grote leugen'; zou het prettig
zijn om met zulke botte ideeën over waarheid rond te lopen? De door
Rousseau nagestreefde transparantie van zijn ziel blijft ver weg, natuurlijk.
Ik ken hem niet. Maar hij laat zich kennen, en ik koester hem, als een
broer. Je kunt met Rousseau beginnen omdat Les Confessions een
onweerstaanbaar en onuitputtelijk boek is, mooi en vol als een begin.
Aantekening
J.-J. Rousseau, Oeuvres complètes I, Pléiade, Gallimard,
1959;
de Folio-uitgave van Les Confessions bevat een uitstekend voorwoord van
J.-B Pontalis. Nederlandse citaten uit: Bekentenissen,
De Arbeiderspers, 1996, en Overpeinzingen van een eenzame
wandelaar, Veen, 1994, beide vertaald door Leo van Maris. Verder: Jean
Starobinski, 'Le progrès de l'interprète', in: J.S., La
relation critique, Gallimard, 2001 (1970).
|
|