Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel
De volledige tekst van Deel II van de memoires van Jeroen Brouwers staat in nummer 79 van De Brakke Hond, dat op dit moment te koop is in de betere boekhandel. Het kan ook via onze site besteld worden, dan wordt het nummer per post toegestuurd.

Memoires II

Jeroen Brouwers

Het overmoedige leven van de miskende schrijver Ward Ruyslinck

'Te oordelen naar zijn aftakelend geheugen geef ik hem in ieder geval geen twintig jaar meer.'
    Aan het woord is de grote Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck en hij heeft het over mij. Het citaat komt uit Ruyslincks brievenboek IJlings naar nergens (blz. 24), verschenen in 1989. Bij Manteau.
    Ruyslinck die mij, als ware hij Godzelf, levensjaren toemeet. Hij verwijt mij in onderhavig epistolarium van alles en nog wat, waarvan hij vermoedt en hoopt dat openbaarmaking ervan 'vreselijk compromittant' voor mij zou zijn. Ik zou 'als de dood' het tijdstip vrezen dat Ruyslinck de schandelijke zaken over mij zou publiceren, die hij in zijn blazerige boekje prompt publiceert. Dit vele vreselijks en schandelijks zou ik mij uit schaamte allicht niet willen herinneren, insinueert Ruyslinck, waarna hij parmantig tot de hiervoren aangehaalde uitspraak komt.
    Sedert 1989 is er nogal wat van mijn lichaam ernstig afgetakeld, helaas, het zij zo en het zal Ruyslinck verheugen. Of ik twintig jaar na dit jaartal nog in leven zal zijn, - wie zal het zeggen? Maar wat vooralsnog nu juist niet is afgetakeld: mijn geheugen. Dat ben ik altijd blijven trainen voor tegen de tijd die nu is aangebroken. Er resten mij niet zoveel jaren meer, gerekend naar de maat van Nostradamus Ruyslinck (die over paranormale gaven beschikt, zegt hij zelf tot vervelens toe in interviews), dus laat ik me haasten. 'Geheugen, spreek!' Er moeten nog wat memoires op papier voordat het licht voorgoed wordt uitgedraaid.
    Terug naar de tijd dat ik werkzaam was bij uitgeversmaatschappij A. Manteau n.v. te Brussel, toen er nog niets aan mij was afgetakeld, al zou het niet lang meer duren voordat ik rondliep met de deuken en barsten in mijn kinderlijke geloof dat de schrijver Ward Ruyslinck een integer mens zou zijn.
    Ward Ruyslinck als persoon: een verknepen voorzichtig levende spitsburger met bakkebaarden en een rupsgelijkende dunne snor-streep op de bovenlip. Ambtenaar in overheidsdienst. Humorloos. Achterbaks. Zeer ijdel. Men kon hem tijdens lezingen die hij gaf in parochiezaaltjes in Vlaamse dorpen en gehuchten wel waarnemen met een over zijn jasje gedrapeerd wit schoudermanteltje, zodat hij er van onderen uitzag als Raymond Charles Marie de Belser (zijn ware naam) en van boven als broeder portier van de Norbertijner abdij van Averbode.
    Als schrijver: zeer overtuigd van de onloochenbare grootheid, schoonheid, waarachtigheid, belangrijkheid van zijn oeuvre en de terechtheid van de hem toegedragen gloria.
    Zijn zelfgenoegzaamheid ging vergezeld van paranoïde trekken, hij was even ziekelijk wantrouwig als jaloers, over andere schrijvers placht hij zich te uiten in wegwerpende zin, niet vies van kwaadsprekerij, bij voorkeur in de geniepige vorm van insinuaties en suggesties.
    Heden bevindt hij zich op of zelfs al over de grens van de vergetelheid, maar toen, bij mijn aantreden bij Manteau, was zijn bekendheid in Vlaanderen groter dan die van Louis Paul Boon en Hugo Claus. In het beginjaar van mijn Manteauperiode, 1964, publiceerde hij Het reservaat, dat samen met Het dal van Hinnom (1961) en zijn debuut De ontaarde slapers (1957) tot zijn meest geslaagde romans behoort.
     Ik had toentijds, jong, argeloos en nog tamelijk onbelezen, respect en bewondering voor Ruyslincks schrijverschap en het daaruit blijkende 'engagement', wat ik hem ettelijke keren heb gezegd en geschreven (ook in recensies over zijn werk), maar het steeds genantere hamertje-tikgefröbel waar hij vervolgens mee voor de dag bleef komen, - flauwe niemendalletjesromans als Golden Ophelia (1966), Het ledikant van Lady Cant (1968), De Karakoliërs (1969) et cetera, - deed mijn enthousiasme overslaan in teleurstelling en uiteindelijk in totale onverschilligheid. Ook dat heb ik hem gezegd en geschreven: later in mijn Manteautijd, toen er tussen hem en mij een wat vertrouwelijker omgang was ontstaan.
    Als reactie hierop gumde hij onmiddellijk mijn naam uit zijn balboekje en gaf mij op schrille toon te verstaan dat ik vooral niet moest vergeten waar mijn plaats was: ik was maar een ondergeschikte uitgeversklerk en hij de Grote Schrijver, dankzij wie ik mijn salarisje verdiende. Hij was de op machtige vleugelslag hoog in het zenith ronddrijvende keizersarend en ik een scharrige heggemus die nooit hoger zou komen dan de dakrand. Wat verbeeldde ik me, te mogen denken dat het mij was toegestaan commentaar te hebben op zijn boven alle kritiek verheven schrifturen?
    Eind jaren zeventig maakte hij mij in NRC Handelsblad uit voor 'rabiate Vlamingenhater'.

[...]

De volledige tekst van Deel II van de memoires van Jeroen Brouwers staat in nummer 79 van De Brakke Hond, dat op dit moment te koop is in de betere boekhandel. Het kan ook via onze site besteld worden, dan wordt het nummer per post toegestuurd.

Het volgende stuk, te verschijnen in nummer 80: Wie was Theo Oegema van der Wal?

© Jeroen Brouwers